Tussen Maas en Meerlebroek - Toponiemen in de gemeente Beesel
 
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
 
Sangersweg Smabers 8-9

Alternatieve benaming voor de scheiweg tussen de aalmoezenier camplaan (nabij hoeve de Zang) en de manége, plus het aansluitende weggedeelte richting hoeve de Kamp. Bij Google staat het oostelijk gedeelte van deze weg ook aangegeven als SCHEIWEG. Langs dit oostelijk gedeelte staan enkele oude kastanjes die van oudsher behoorden tot hoeve De Zang.

Foto: Loe Giesen

 
Schaapsbrug  
1. Beesel Smabers 8 Google Maps

Foto: Loe GiesenDe Schapsbruggen in Beesel wordt reeds in een verkoop van de Spijker uit 1646 vermeld. In de wegenregisters van 1843, 1862 en 1901 komt de Schaapsbrugge eveneens voor. De benaming 'sjaopsbrök' wordt anno 1990 nog gebruikt voor het bruggetje over de Huilbeek bij de HOLLEWEG. Daarnaast wordt de brug wel aangeduid als 'Petrus en Paulusbrug'.

 
2. Ronckenstein Smabers 10

Foto: Loe GiesenOp 7 juli 1761 sloten de prior van de Kruisheren te Roermond (als eigenaren van de Onderste Hof) en Geurt Trines (als eigenaar van de molen van Ronckenstein) naar aanleiding van de verplaatsing van de molen en de verplaatsing van het schaepbrugske achter het kapelletje een overeenkomst waarbij zij zich verplichtten om samen de kosten te delen van het hout voor onderhoud van de brug en het bijbehorende bat. In de 19e eeuw werd de Schelkensbeek nogmaals verlegd: op 2 augustus 1822 klaagde molenaar Godefridus Drissen over het verleggen van de beek en de brug, die te smal zou zijn. Burgemeester, secretaris en schepenen bepaalden echter na een bezoek dat er geen nadeel was voor het lossen van water. Er waren geen bronnen gedempt en de brug onder de molen gelegen was tenminste 8 voet breed en liet voldoende water door.

De benaming van dit bruggetje zal zijn oorsprong vinden in de grote kudden schapen die vanaf de Onderste Hof naar het Meerlebroek werden gebracht om daar te weiden. Tot ongeveer het jaar 2000 kon men hier nog provisorisch de beek oversteken.

 
Schakel, de  

Foto: Loe Giesen

Benaming voor het gemeenschapshuis annex cultureel centrum, eerst gehuisvest aan de PASTOOR VRANCKENLAAN (waar nu de passage naast de Plus ligt), later aan de BROEKLAAN.

 
Schanskamp Smabers 4/37

© Loe Giesen, ReuverDe Schans Campe wordt vermeld in de stichtingsoorkonde van de kapelanie van Beesel (1661). In een akte uit 1772 wordt den soo genoemden Schans Camp nog genoemd.

Zie ook: SCHANSWEG.

 
Schans, Kleine Smabers

Foto: Loe GiesenBenaming Kleine Schans (1878) voor de boerderij ('Mobers') op de vijfsprong van SCHEIWEG en de wegen naar hoeve de Kamp, naar de Maas en naar de St.-Lambertuskapel. Hendrik Janssen was toen eigenaar. Deze familie was in de 19e eeuw eigenaar van het veerhuis annex herberg genaamd de Schans, waaraan de naam ongetwijfeld zal zijn ontleend.

 
SCHANS, OUDE Smabers 9/106

Genoemd naar de Bentheimer Schans of Brigittenschans. Ook de sporthal 'De Schans' langs de BÖSDAELWEG werd naar deze schans genoemd.

Vastgesteld bij raadsbesluit van 17 april 1961 voor het weggedeelte vanaf de westzijde van de ST.-BARBARASTRAAT tot aan de MAASSTRAAT.

 
Schans, hoeve De  
Foto: Loe GiesenDeze boerderij in het Meerlebroek ligt langs de BERGERHOFWEG nabij SEBASTOPOL, op slechts een steenworp van de A73.
 
Schans, veerhuis De Smabers 9/10

Foto: Loe GiesenTijdens de Spaanse Successie-oorlog (1701-1713) waren troepenverplaatsingen in de omgeving aan de orde van de dag. De veerschepen over de Maas speelden hierbij ook een cruciale rol en in januari 1703 werd het veer bij Kessel door 30 man bewaakt. Kennelijk bleek dit onvoldoende. In november 1703 gaf de commandant van Venlo aan de ambten Kessel en Montfort, waartoe Beesel behoorde, opdracht tot het maken van een schans tegenover het veer te Kessel. Alle dorpen in beide ambten werden verplicht om mee te helpen en tot uit Echt werden mensen opgetrommeld om hun bijdrage te leveren. Voor het voornamelijk uit aarden wallen opgetrokken bouwwerk, dat uiteindelijk ruim 2500 gulden kostte, werden 300 pallisaden gebruikt.
Nog vóór het einde van de oorlog werd de schans buiten gebruik gesteld; in de zomer van 1710 werd het scilderhuijs van de schans, het huisje van de schildwacht, naar Roermond gebracht. In het voorjaar van 1711 werden ook de pallisaden van de schans tegenover Kessel uitgegraven en over de Maas naar Roermond getransporteerd. Ondanks het feit dat de schans hiermee feitelijk geslecht was, werd op deze plaats in december 1711 nog een schipbrug geslagen over de Maas.

Mooi Limburg, 12 december 1936.

Foto: Gemeentearchief BeeselIn een akte van 3 februari 1740 wordt voor het eerst een huis met moeshof en boomgaard gelegen op de Schans aen de Maes genoemd. Dit huis was toen eigendom van de erfgenamen van Nieuwenbroeck. Acht jaar later werd ditzelfde huis genaamd de Schans na een erfdeling door de eigenaar van hoeve de Spieker, Godefridus de Haen, een broer van de vrouwe van Nieuwenbroeck, verkocht aan Willem Dorssers en Joanna Lenaerts. Hun erfgenamen worden als eigenaren genoemd op de kaart van landmeter Smabers uit 1781. In 1785 waren dat Servatius Reynders en Elisabeth Dorssers op de Schans. Dit echtpaar woonde zes jaar later op de Bakhei. In 1817 was Peter Janssen eigenaar van de Schans, in 1878 Jan Mobers. De kinderen Mobers verkochten het voor herberg en veer uiterst gunstig gelegen huis, genaamd 'De Schans', aan het veer naar Kessel, bestaande in sterk en goed onderhouden gebouwen met stallingen en schuur op 8 juni 1880.

Foto: Loe GiesenHet veerhuis annex café en boerderij, toen eigendom van de familie Goertz, werd in het najaar van 1944, vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog, onherstelbaar beschadigd en daarom gesloopt. In 1988 liet de gemeente Beesel op deze plaats een picknickplaats aanleggen die de naam 'De Schans' kreeg.
Gezien de relatie met Nieuwenbroeck, een Bentheims leengoed, is het niet uitgesloten dat deze schans verband houdt met de benaming Bentheimer Schans. Toen Smabers deze naam noteerde bij de veel oudere Brigittenschans, was de schans bij het veer ook al weer zo'n tachtig jaar oud. Het is dan ook niet ondenkbaar dat de Roermondse landmeter onjuiste informatie heeft gekregen of deze verkeerd heeft geïnterpreteerd.

Wiel Luys: Het begin van de Spaanse Successieoorlog (1701-1713). Een schans te Reuver aan de Maas. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 8 (1988).

 
SCHANSWEG Smabers 4

Foto: Loe GiesenDeze verbinding tussen BUSSEREINDSEWEG en de Bakhei werd mogelijk eerst na de middeleeuwen aangelegd. Waarschijnlijk wordt de weg voor het eerst genoemd in een akte uit 1649 (zie: hoefslag). De schans zelf wordt voor het eerst genoemd rond 1640. In de rekeningen van 1639 vinden we o.a. vermeld: Item aen Peter Quijten betaelt van verterde kosten van wegen die tummerluy ende voerluyden die dat holt hebben ghevaeren aen die schans. Item aen Merten Smeits van verdienden loen van iserwerck aen die schans. Het was een met grachten en wallen versterkte vluchtplaats voor de boerenbevolking. Mogelijk werd een enkel huis ook permanent bewoond, zo doet een vermelding van Meus op de Schans uit 1652 vermoeden. Op 2 april 1661 werd de versterking door de schepenen en gezworenen beschikbaar gesteld voor het onderhoud van een nieuw te stichten kapelanie. Hieraan werd echter de voorwaarde verbonden dat de vluchtplaats in geval van oorlog beschikbaar moest blijven om er huisjes te bouwen en er tijdelijk te wonen. Van dit recht werd in 1673 onder de dreiging van Franse troepen nog gebruik gemaakt.

maquette (c) Loe Giesen

Foto: Loe GiesenOp de Smaberskaart uit 1781 vinden we de benaming Dijck voor de huidige SCHANSWEG. De schans zelf was toen eigendom van de kapelanie van Beesel. Op 9 februari 1790 werd de sogenoemde Schants door Peter Hegggers en Francis Bongaerts namens de gezamenlijke tiendheffers bij openbare verkoop verkocht aan Peter Janssen. De weg werd rond 1800 verlengd om aan te sluiten op de BAKHEIDE. In de eerste helft van de 20e eeuw werd de toen nog zichtbare laagte waar ooit de schans lag, ook wel aangeduid als 'Felix zien gaat'. Bij een proefopgraving van de schans in 1986 kon de ophaalbrug worden blootgelegd. Deze had oorspronkelijk gerust op twee evenwijdige rijen palen. In een later stadium was de brug komen te vervallen en was de omgrachting ter plaatse van de brug gedempt met maaskeien en bouwpuin, waaronder een gedeelte van een molensteen.

Foto: Loe Giesen

Wiel Luys: Schansen, eens vluchtplaatsen voor de plattelandsbewoners tijdens der Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). In Jaarboek Maas- en Swalmdal 5 (1985).
Wiel Luys: Archeologische vondsten en opgravingen in Beesel - Reuver - Belfeld - Swalmen (1987-1991). In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 12 (1992).

 
Schei, Oude Smabers 9/108

De reeds lang verdwenen hoeve de (Oude) Schei werd mogelijk aangelegd in de loop van de 13e eeuw; tijdens veldonderzoek langs de noordzijde van de Zangerweerd werden scherven van aardewerk uit deze periode gevonden.
Als eerste eigenaren komen vooral de kasteelheren van Kessel in aanmerking, die ook aan de oostzijde van de Maas uitgestrekte bezittingen hadden. Later werd de boerderij verdeeld onder vele eigenaren, zodat de geschiedenis van de hoeve zeer complex is.
De vroegste vermelding dateert uit 1358 in de persoon van de Beeselse schepen Gubbel van den Scheid (zie: de Kamp). Hij was ongetwijfeld de pachter van de boerderij. De hoeve, die aanvankelijk bezittingen had tot in Belfeld-Geloo, was enkele eeuwen een leengoed van de graven en later hertogen van Gelre. Op 16 februari 1394 werd Johan die Rover beleend met den hof to Lewen gelegen bi Besel. Op 17 januari 1403 oorkondde de ridder Johan die Reuver dat hij eertijds de hof tot Genescheit van hertog Willem van Gelder en Gulik (1371-1402) in manleen had ontvangen ten behoeve van zijn zwager en zus, Henrich van Wisgel en Cathrijne van Breede. Johan was zelf getrouwd met Grete van Breede, de oudste dochter van Brant van Brede, de heer van Maasbree; mogelijk ging zijn schoonvader hem ook voor in de funktie van leenman van de Schei. Mathijs van Kessel, de kasteelheer van Kessel en gehuwd met Vrientzwent van Brede, was een zwager van Johan de Rover. Johan overleed waarschijnlijk in het najaar van 1429. In het begin van de 15e eeuw wordt de hof tot genen Scheyt (1403), te Geneschiede of Tgenenscey (1410) meermalen genoemd.
In augustus 1424 werd het leengoed, de Hof tot Lewen, gedeeld; de molen van Offenbeeck, het visrecht in de Maas en vele boerderijen in Beesel en Belfeld werden afgescheiden (zie: Buerense Laathof). In 1426 werd Henrick van Wisschel beleend. Mogelijk was Catrin van Breede op dat moment reeds overleden en was de verdeling van haar nalatenschap aanleiding geweest tot de deling twee jaar eerder. Henrick van Wisschel huwde opnieuw, ditmaal met Belie van Broichuysen, dochter van Maes van Bruchusen, die in 1438 als 'tuchtersche' het vruchtgebruik ontving van den hoff tot Lewen met sijnen tobehoren, in den kerspel van Besel gelegen. De leeneed werd voor haar afgelegd door Jan van Boedbergen, gehuwd met Johanna van Apelteren en van ca. 1430 tot 1458 erfmaarschalk van het land van Gelre.
In 1455 ontving Aleyt van Wisschel, gehuwd met Arnt van Bredenbant van Lamerstorp, de 26 bunder grote boerderij ten Scheide in leen. Een jaar later, in 1456, werd de leeneed van de boerderij in Lewen, zoals deze eerder van 'lijftuchtersche' of vruchtgebruikster Belye van Broichusen was geweest, afgelegd door Derck Bolchouwer. Het is onbekend of hij via huwelijk verwant was aan de vorige eigenaresse, of slechts optrad als hulder. In 1460 woonden Deryck Bolckhouwer en zijn vrouw Lysabette aan de huidige Roersingel in Roermond.
Arnt van Lamsdoirp wordt in een Beeselse schattingslijst uit 1468 genoemd, terwijl hij samen met zijn vrouw Mett van Wysschel genoemd wordt in een akte uit 1464. Hun zoon Thonis was, mede namens zijn broers en zussen, op 3 februari 1474 de volgende leenman van de hof tgenen Scheyde.
Vijf jaar later, in 1479, verkocht Thonis de boerderij aan Gerrit die Grote uit Venlo. Diens gelijknamige zoon erfde de Schei in 1485. Waarschijnlijk was het diens dochter Metgen de Groet die eerst met Otto van Wailwick trouwde. De familie van Walwick had al in 1474 bezittingen in Beesel. Op 25 juni van dat jaar verklaarden Wijnolt van Walwick en zijn vrouw Katrin tegenover enkele Beeselse schepenen dat zij alle rechten zoals zij deze hadden geërfd van Aleit Bais, een zus van Wijnolt, hadden overgedragen aan de broers Henrick, Sander en Simon van Walwick, zonen van Otto van Walwick. Helaas wordt nergens duidelijk of het om de Schei gaat. Na het overlijden van Otto hertrouwde zijn weduwe in 1510, ditmaal met Gerard van Kessel genaamd Roffaert. Op 29 augustus 1547 verklaarden Gerhard die Groet en zijn zwager Thewys Tymmerman, als man van Metgken die Groet, dat zij samen twee boerderijen bezaten in het kerspel Biesell, die zij hadden geërfd van hun ouders. De erfenis was in tweeën gedeeld, waarna Gerhard den Alden Hof dair Mart den bouwman op woent had getrokken. Metgen en Thewes kregen de Neyen Hoff toegedeeld.
Om de aansluiting te krijgen naar de volgende eigenaren, moeten we eerst een stukje terug in de tijd. Simon van Wailwick bijgenaamd Otten, de zoon uit het eerste huwelijk van Metgen de Groet, huwde Aleidis Hoeufft; hun dochter  Elisabeth van Wailwick trouwde in januari 1521 met Johan van Greverade. Deze werd echter al in 1515, zes jaar vóór dit huwelijk, samen met zijn broers beleend met de hof tgen Scheen. In 1527 was Johan overleden en zijn weduwe Elisabeth hertrouwde met Lenart Visscher bijgenaamd Van Beeck. Enkele jaren later overleed ook zij en haar zoon uit het eerste huwelijk, net als zijn vader Johan van Greverade genoemd, werd rond 1530 onder voogdij gesteld van zijn oom Arnt Vinck, gehuwd met Aleid van Greefraedt. Toen Johan's stiefvader en diens dochter Erne de erfenis van Elisabeth van Wailwick aanvochten, kreeg Johan onder andere de roerende goederen van de hoeve Tgen Schey toegewezen; zijn stiefvader Lenart Visscher kreeg waarschijnlijk volgens Gelders landrecht het vruchtgebruik toegewezen. In 1538 werd voogd Arnt Vinck opnieuw met Genenscheid beleend.
In december 1540 trouwde Johan van Greefraedt met Johanna van Roosteren; als huwelijksgeschenk bracht hij onder andere een gedeelte van die Schey in. Op 31 december 1547 werd de Schei gedeeld, waarbij Johan junior en zijn oom Arnt Vinck de helft van het leengoed ontvingen. In 1549 werd de boerderij (verder?) gedeeld: Johan ontving de ene helft, terwijl zijn neef Hendrick Vinck, als erfgenaam van Arnt Vinck en Aleid van Greefraedt, de andere helft ontving. In september 1554 werd deze deling van de hof Tgenenscheide tussen enerzijds de broers Henrick, Johan, Sander en Gerard Vinck en anderzijds Johan van Greefraedt en zijn vrouw Johanna van Roosteren, officieel geregeld. Vanaf dat moment zou enkele eeuwen sprake zijn van de Oude Schei (rond 1600 Vyncken Hoff genoemd) en de Nieuwe Schei (of Greefraetshof). Het leengoed werd in de daarop volgende jaren beleend aan Hendrik (1556) en Peter Vinck (1574). Hun broer Johan Vinck trouwde met Anna van Oeyen, maar overleed vóór 1556. Hun zoon, opnieuw Johan genaamd, trouwde met Walburga van Bellinghaven; hij legde in 1589 de leeneed af voor de Schei. Samen met zijn vrouw droeg hij de boerderij in Beesel in januari 1589 over aan hun zoon Arnt. In december 1589 verklaarde Arett Vijnck voor de Beeselse schepenbank mede namens zijn moeder dat Goerdt Quiten, die eerder aan Henrich Vijncken geld had geleend, bij niet nakomen van de verplichtingen het vee van zowel hem als zijn pachter Pauwels als onderpand zou mogen nemen. Walburga was rond 1609, toen zij een proces voerde tegen de eigenaresse van Nieuwenbroeck, nog vruchtgebruikster van de Schei. In 1594 werd Arnt Vinck Johanszoon met de Schei beleend; hij overleed negen jaar later, ruim tien jaar voor zijn vrouw Mechtildis Kiespenninck. In een akte uit 1600 wordt Pawelsen op den Scheide, Arnoldtt Vincken halffman genoemd. Hun kinderen Jan, Arnt en Anna, werden in november 1603 beleend met de helft van de hof Ingen Scheydel. Rond 1611 trouwde Mechtel Vinck, mogelijk een dochter van Jan, met de eveneens uit Venlo afkomstige Matthijs Alberts. Deze kocht in december 1622 het 1/8 deel van de hof Ingen Scheydel van Adolph van Waldoes bijgenaamd Van Baerle en 1/16 deel van diens neef Goddart van Kessel genaamd Roffaert. Na deze aankopen werd Matthijs Alberts in januari 1623 beleend, inclusief een 1/8 gedeelte dat zijn vader Hendrik Alberts in maart 1595 had gekocht van Anna van Greefraedt (de jongste dochter van Johan van Greefraedt) en haar man Johan Hillen. Matthijs' zwager Johan Diester werd eveneens beleend met een 1/8 deel, terwijl een niet met name genoemde Johannes (Verberckt?) een 1/16 deel ontving. Jan, Arnt en Anna Vinck behielden de verder onverdeelde helft (= Oude Schei). In juni 1626 verkochten Wilhelmus de Laet (gehuwd met Anna Vinck en mogelijk een afstammeling uit het tweede huwelijk van Metgen de Groet) en de rest van de familie Vinck hun gedeelte van de hof Ingen Scheydel aan Matthijs Alberts en diens zwager en zus, Jan Doester en Maria Alberts. Ruim een jaar later, in oktober 1627, kreeg Mathijs Alberts van het leenhof toestemming om, na zijn scheiding met Mechtel Vinck, zijn nalatenschap testamentair te regelen; van zijn zoon Johan en diens moeder horen we daarna niets meer. In oktober 1637 vernieuwde Matthijs zelf de leeneed van de hof Ingen Scheijdel. Hendrik Alberts, in 1674 samen met Tilmen op den Schey genoemd in een lijst van het Rot tot Leuwen, was een zoon van Johan Alberts en Mechtildis van Darth; hij trouwde in februari 1648 met Christina van Aerssen. Via deze tak van de familie Alberts werd de boerderij eigendom van een andere tak: de kinderen van Wilhelmus Alberts en Henrica Honnen.
In december 1684 legde Adamus Alberts de leeneed af van de hof Ingen Scheijdel ten behoeve van zijn nichtje Wilhelmina, de oudste dochter van Theodorus Alberts en Johanna van Roosenberch. Dit gedeelte was eerder eigendom geweest van de advokaat Henrick Diester. In september 1689 verkochten Wilhelmus Alberts en zijn zus Aldegonda een gedeelte van Tilmans Hooff aan hun broer Adamus. Wilhelmina Alberts, in 1691 getrouwd met Carolus van den Hoeck, overleed in 1692 enkele dagen na de geboorte van haar eerste kind. Haar oom Franciscus Pingeler, die gehuwd was met Maria Alberts, vernieuwde daarop in juli 1693 de leeneed. In oktober 1698 kreeg Aldegonda Alberts toestemming om haar aandeel in de Schei, waarvan haar zwager Franciscus Pingeler op dat moment leendrager was, te verkopen. De verkoop vond in december 1700 plaats aan haar broer Wilhelmus, hulppastoor in Venlo. Wilhelmus en Aldegonda overleden allebei in maart 1701. In mei 1701 werden Franciscus Pingeler en de erfgenamen Alberts voor de laatste maal beleend. Theodorus Alberts, een broer van de in 1692 overleden Wilhelmina, trouwde in 1700 met Theresia Margaretha van Bree. Hij voerde in december 1708 voor de Beeselse schepenbank een proces tegen de pachter van de Schei. Rond 1714 overleed luitenant Theodorus Alberts; zijn minderjarige kinderen verkochten hun 3/4 deel van de Alde Scheij in mei 1714 aan Michiel Dispa uit Roermond. Ook Johan Crebber, landschrijver van het ambt Montfort, verkocht die dag zijn ¼ deel van de Oude Schei, dat hij in 1697 had gekocht van Jacob Visschers.
Foto: Loe GiesenMichiel Dispa of De Spae was reeds vóór 1680 gehuwd met Agnes Slotmaeckers oftewel Ser>rurier, maar hertrouwde na haar overlijden enkele jaren later met Elisabeth van Kessel. Zijn zwager Theodorus Wijhers, in 1700 getrouwd met Anna Dispa (weduwe van Theodorus Slotmaeckers), was sinds 1708 eigenaar van de Nieuwe Schei. Toen Michiel Dispa in 1736 overleed, werd Theodorus Wijhers aangesteld als testamentair executeur. Jan Michiel de Espae, een van de zonen van Michiel en Elisabeth, wordt in 1731 genoemd in een Beeselse schattingslijst. Zijn zus Anna Barbara trouwde met Joannes Adamus Crans. Hun schoonzoon Petrus Henricus Timmermans, in 1748 getrouwd met Maria Sibilla Crans, was in 1760 als voogd van de erfgenamen Slotmaeckers aanwezig bij de verkoop van de Nieuwe Schei. Joannes Theodorus, in 1749 geboren als oudste zoon van het echtpaar Timmermans-Crans, legde op 30 april 1792 als laatste de leeneed af van de Oudenhof Ingenscheydel. Drie jaar later maakten de Fransen een eind aan het leenstelsel. De boerderij zelf was toen waarschijnlijk al meer dan een halve eeuw geleden afgebrand.

Loe Giesen: De Oude Schei. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 6 (1986).

 
Schei, Nieuwe Smabers 9/107

In 1515 werd Johan van Greefraedt als erfgenaam van Gerrit die Grote samen met zijn broers beleend met de hof tgen Scheen. In 1527 was Johan overleden en zijn weduwe Elisabeth van Wa>ilwick bijgenaamd Otten hertrouwde met Lenart Visscher bijgenaamd Van Beeck. Enkele jaren later overleed ook zij en haar zoon uit het eerste huwelijk, net als zijn vader Johan van Greverade genoemd, werd rond 1530 onder voogdij gesteld van zijn oom Arnt Vinck, gehuwd met Aleid van Greefraedt. Toen Johan's stiefvader en diens dochter Erme de erfenis van Elisabeth van Wailwick aanvochten, kreeg Johan onder andere de roerende goederen van de hoeve Tgen Schey toegewezen; zijn stiefvader Lenart Visscher kreeg waarschijnlijk volgens Gelders landrecht het vruchtgebruik toegewezen. In 1538 werd voogd Arnt Vinck opnieuw met Genenscheid beleend.
In 1540 trouwde Johan van Greefraedt met Johanna van Roosteren. Dit echtpaar, dat in Venlo bij de Oude Markt naast Loef Friesen woonde, had meerdere kinderen: Elisabeth, Erme, Johan, Hendrick, Simon en Herman. Waarschijnlijk was een van de zonen getrouwd met Barbara Friesen, in 1595 genoemd als vruchtgebruikster van de Nieuwe Schei.


In 1557, een jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw, hertrouwde Johan senior met Judith Haenen uit Roermond. Uit dit tweede huwelijk werd een enige dochter geboren, Anna. Tussen de 'voorkinderen' en de 'nadochter' samen met haar man Johan Hillen werd tussen 1585 en 1588 een uitvoerig proces gevoerd.
De oudste dochter Elisabeth van Grefraide uit het eerste huwelijk trouwde in 1565 met Diederick van Haeren; zij hadden twee dochters, Elisabeth (gehuwd met Johannes Verberckt) en Johanna, gehuwd met Elbert Spee. Elbert Spee verkocht zijn aandeel rond 1595 aan Henrick Vermasen en Henrick Alberts. Maria Spee, dochter van Elbert en Johanna van Haeren, trouwde in 1612 met Arnold van Bocholtz. Deze overleed een jaar later, waarna Maria in 1614 hertrouwde met Godert van Kessel genaamd Roffaert. Henrick Vermaesen en zijn vrouw Margriet kochten op 14 maart 1600 het huis genaamd de Hombergh te Venlo van Henrick van Cruchten en diens echtgenote Adriaen van Dursdaell (de eigenaren van de Einderhof te Rijkel). Hoe lang zij hun deel behielden, is niet bekend. Hendrik Albertz en zijn vrouw Aletgen verpandden op 12 januari 1599 hun huis in Venlo.

In maart 1595 verkocht ook jonker Johan Hillen met toestemming van zijn vrouw Anna van Greefraedt de onder de Beeselse schepenbank ressorterende goederen van de helft van de hof op gen Nouwen Scheidt, waarvan Barbara Friesen het vruchtgebruik had, aan Heinrich Aelbertz uit Venlo. De Nieuwe Schei, gelegen op de plaats van de enkele jaren geleden herbouwde schuur van de huidige Schei, werd rond 1600 ook wel Greefraedtshof genoemd. Een dochter van Hendrik Alberts, Maria, huwde in 1619 met Johan Diester of Doester, afkomstig uit Brüggen; hij werd in 1623 na het overlijden van zijn schoonvader evenals zijn zwager Matthijs Alberts beleend met een 1/8 deel van de Schei. Na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwde Johan Diester nog drie keer: met Margaretha Mareels (1630), Odilia Oidtman (1641) en Christina Winderlincx (1661). Van de kinderen uit deze huwelijken vernemen we later niets meer.
Johan Diester had een broer, Wilhelmus. Diens oudste zoon Henricus was in eerste instantie gehuwd met Sybilla Berckhorst. Later (na 1659) hertrouwde hij met Aldegonda Paulssen.
In november 1659 werd de rechtsgeleerde Henrick Diester beleend met de hof Ingen Scheydel. Hij overleed te Venlo op 14 juni 1684. Een gedeelte van de Schei werd waarschijnlijk geërfd door Jacob Visschers, zoon van Jacob Visschers en Grietgen Diester, dochter van Johan Diester (scholtis van Elmpt) en Weibken Branten. Jacob junior was gehuwd met Catharina Brounen, overleden rond 1659.

In december 1692 verpandde Jacob Visschers de helft van de boerderij Op de Berg nabij de Scherkensbeek aan Willem Simons en diens vrouw Judith Janssen. Twee jaar later moest hij deze zelfs verkopen. De financiële problemen waren daarmee nog niet afgelopen. In februari 1697 kreeg Jacob Visschers toestemming om zijn ¼ deel van de Alde Scheij en het 1/16 deel van de Nieuw Scheij te verkopen; in oktober 1697 verkocht hij het gedeelte van de Oude Schei aan Johan Crebber, landschrijver van het ambt Montfort, terwijl hij zijn aandeel in de Nieuwe Schei diezelfde maand verkocht aan Franciscus Pingeler.
Op 19 juni 1708 werd Theodorus Wijhers, na een openbare verkoop op 9 mei eigenaar geworden, door het Gelderse leenhof beleend met de gehele hof Ingenscheijdel. Theodorus was in januari 1700 getrouwd met Anna Dispa; het echtpaar had twee kinderen: Joannes Martinus (1701) en Anna Elisabeth (1704). Deze dochter trouwde in 1734 met Petrus Franciscus Beaumont; waarschijnlijk erfde zij van haar vader de Wilde Hoeve en de Hoendercamp.

In september 1736 overleed Theodorus Wiers in zijn huis aan de Roermondse markt. In april 1738 werd de hof Ingenscheydel na het overlijden van Theodorus Wijhers door Johan Jacobus Slotmaeckers (daartoe gevolmachtigd door Johan Matthijs Daermans en diens zwager Franciscus Gerardus Slotmaeckers) als plaatsvervanger van Gerardus Franciscus Slotmaeckers en Anna Aldegondis Daermans verheven.
Johan Matthijs Daermans, van 1723 tot 1757 schout van Swalmen en Asselt, was in 1727 gehuwd met Maria Agnes Slotmaeckers. Zijn dochter, geboren in 1728, trouwde in 1749 in Maastricht met Joannes Andreas Lansmans.

Gerardus Franciscus Slotmaeckers werd in 1689 geboren als zoon van Theodorus Serrier (Slotenmaker) en Anna de Spa (Dispa); samen met zijn vrouw Ida Catharina Thijssen verkocht hij in juli 1745, samen met zijn zwager Jan Mathijs Daermans, het huis de Cruysberg in Beesel. Hun zoon, net als zijn grootvader Theodorus genaamd, trouwde in 1711 met Mechtildis Aelmans. Uit dit huwelijk werden diverse kinderen geboren, waaronder Maria Johanna (1711), Anna Elisabeth (1712), Helena Catharina (1716) en Theresia.
In februari 1759 gaf het Hof van Gelder aan Joannes Matthias Daermans, secretaris van de Staten van Oostenrijks Gelderland, namens zijn dochter en schoonzoon Anna Aldegonda en Johannes Andreas Lansmans, en de zussen Maria Johanna, Elisabeth, Helena en Theresia Slotmaeckers toestemming om de hof Ingen Scheydel te verkopen.

Deze verkoop aan Mechtildis Vermaesen, weduwe van Hermanus Smitshuysen, vond uiteindelijk plaats in mei 1760. Haar zoon Dionisius Smitshuysen, in 1754 in Venlo getrouwd met Maria Elisabeth Lünneschloß, volgde haar na haar overlijden in 1768 op als nieuwe eigenaar. Hij was rentmeester van de Domeinen.
Dionisius overleed in oktober 1775. Zijn minderjarige zoon Hermanus Rutgerus (1760) werd op 25 juli 1776 beleend met de hof Ingenscheydel. In 1782 was hij in een proces verwikkeld met de erfgenamen van Beeselnaar Hubert Quiten. Hij trouwde in 1785 met Anna Gertrudis Königs en overleed te Venlo in april 1799.
Het leenstelsel was enkele jaren eerder echter afgeschaft door de Fransen, waardoor de eeuwenoude band met de hertogen van Gelre definitief werd verbroken.

De Schei werd nu eigendom van Everhardt Smitshuysen, in 1788 geboren als zoon van Hermanus Smitshuysen en Anna Königs. Hij trouwde in mei 1806 in Venlo met Anna Gertruda Roth uit Maastricht.
In 1815 verpandde Everard Smitshuysen de Schei aan Theodoor Thissen uit Düsseldorf; ook maakte hij schulden bij de zussen Jeanne Marie Josephine de Pollaert (gehuwd met Adriaan Henri de Réquilé) en Anna Christine Henritte de Pollart. Uiteindelijk vroeg Thissen een openbare verkoop aan, en op 14 juni 1822 werd de notariële overdracht van huis en bakhuis van de Oude Schei door Everard Smitshuysen, commissaris van politie te Venlo, aan Pierre Goossens officieel bezegeld. In 1831 verliet Smitshuysen Venlo, nadat hij als koningsgezinde in grote moeilijkheden was geraakt. Hij overleed in 1865 te Reuver.

Jean Pierre Goossens, in 1777 in Dulcken geboren als zoon van Antoine Goossens en Catherina Elisabeth van Heringen, was in juli 1804 in Venlo getrouwd met Ursula Sax, dochter van een edelsmid. Samen met Thissen had hij in Venlo een zeepfabriek en zoutraffinaderij, die echter rond 1827 failliet werd verklaard. In januari 1827 werd eene pachthoeve met schuur, stallingen en verdere onderhorigheden, genaamd de Oude Scheide, in de herberg van gemeentesecretaris Leonard van den Broeck op den Ruyver na een openbare verkoop bij opbod voor de helft verkocht aan Johan Jozef Antonis de Pollart en diens vrouw Maria Philippina Emerentiana Hubertina de Lütz en voor de andere helft aan Leonard van den Broeck en Maria Lucia Schmitter. Op 10 maart 1827 werd de verkoop notarieel vastgelegd. In 1834 werd de boerderij, getuige jaarankers, verbouwd of mogelijk zelfs geheel herbouwd.

Venlosche Courant, 24 december 1896.De Schei kwam later via vererving in handen van Margaretha Pauline van den Broeck, in 1815 geboren als jongste dochter van Leonard en Maria Lucia. Zij trouwde met Mathias Gerard Hubert Janssens. Hun zoon Eugène, in 1850 geboren, was van 1893 tot 1900 pastoor van Linne. Dochter Lucia trouwde met Jean Jansen, van 1863 tot 1903 burgemeester van Beesel.
Het aandeel van De Pollart werd na diens overlijden rond 1862 eigendom van zijn dochter Antoinette Marie Joseph de Pollart (1826) en haar echtgenoot de luitenant-kolonel Jacobus Verwins. In maart 1872 bood zij de Scheyerhof, inclusief het gedeelte van de erfgenamen van rijksontvanger Janssens en Margaretha van den Broeck, te koop aan. De boerderij werd hierop gekocht door Mathias G.H. Janssens. Diens schoonzoon de Zevenaerse waalsteenfabrikant Hugo de Loo, getrouwd met Octavie Janssens, bood de Schei in 1894 en 1896 op zijn beurt te koop aan.

Kennelijk gingen deze verkopen niet door, want pas in 1898 werd G. Hawinkels uit Swalmen de nieuwe eigenaar. Tot 1983 bleef ze in het bezit van deze Swalmer familie, tot pachter Goertz ze in september 1983 kocht van de erfgenamen Hawinkels. Hij liet het oude woonhuis van de boerderij twee jaar later slopen om plaats te maken voor een nieuwe woning en schuur.

Foto: Loe Giesen

In de 19e eeuw lag niet ver van de Schei, ongeveer tussen de Zang en 'Mobers' een klein boerderijtje dat eveneens de naam Nieuwe Schei droeg (zie: Zantisbos).
De naam heeft mogelijk te maken met een of andere vorm van (erf)scheiding.

 
Scheierbos  
Op 6 september 1897 werd in de herberg van Bors te Reuver een stuk bouwland genaamd Scheijerbosch (sectie E 840 en 1181) verkocht in zes percelen.
 
SCHEIWEG Smabers 8-9
Foto: Gemeentearchief BeeselDeze weg is, ook blijkens kadasterkaarten, gedeeltelijk een eigen weg. Volgens ditzelfde kadaster loopt overigens een weg aan de westzijde van de oude schuur.
De straatnaam werd op verzoek van de PTT vastgesteld bij raadsbesluit van 21 mei 1973 voor de verbindingsweg tussen KESSELSEWEG en ST.-LAMBERTUSWEG langs de Schei en de manége van de familie Killaars.
 
Schelkensbeek Smabers 9-13
Foto: Gemeentearchief BeeselOpmerkelijk bij dit toponiem is, dat de oudere vormen vaker een 'r' laten zien dan een 'l'. 'Scheer' is een oud woord voor 'klip', ontleend aan de snijdende of scherende werking van het water. De diep ingesleten bedding van deze beek op de grens van Beesel en Belfeld sluit goed aan bij deze betekenis. 'Schel' betekent o.a. 'scheiding', opnieuw een betekenis die goed aansluit bij de ligging op de huidige gemeentegrens, die overigens eerst in de Franse Tijd tot stand kwam.
Het gebied wordt reeds lang bewoond, zoals blijkt uit de aanwezigheid van een Romeinse villa op de Schelkensberg aan de noordzijde van de monding, en uit een Merovingische urn (vroege middeleeuwen) die in 1944 bij het graven van een tankgracht even ten noorden van de beek werd gevonden.

Volgens twee vervalste leenakten van Nieuwenbroeck bezat het kasteel die Jaght des gantzen dorfs Besell, von die Tuitebach bis zu der Scharkensbach. Volgens een akte uit 1626 lag de Scherkensbeeck niet ver van de Schinhoevel. Uiteraard wordt de Scherkesbeyck ook vermeld in de landmeting van 1654.
In 1718 ontving Nieuwenbroeck van het ambt Montfort het jachtrecht 'onder de klokkenslag van Beesel' van de Tutebeeck tot aan de Scherkensbeeck, inclusief de beide beken. Een jaar later ontving baron Hundt het jachtrecht in Belfeld tot aan de Scharkens- en Offenbeckerbeek en in het (Meerle)Broeck tot aan de Witten Pael. Nieuwenbroeck jaagde na het midden van de 18e eeuw binnen dit hele gebied; in 1770 werden deze rechten echter aangevochten en Carel graaf van Rechteren liet in Belfeld, in een kroegje aan de meulen in 't Beselsche digd bij de Reuver, alsmede aan den hospes en zijn huisgezin in de herberg aan de Reuver vragen stellen over de ongeoorloofde jachtpraktijken van De Collignon, die het wild in Venlo op de markt liet brengen.

Foto: Loe GiesenDe Klaashof bezat in 1724 een weide aan de Scherkensbeek. In de loop van de 18e eeuw zette de verschuiving van 'r' naar 'l' geleidelijk door, terwijl een enkele schrijver nog niet wenste te kiezen tussen Schelkensbeeck off Scherkensbeeck (1729). Voor de heffing van de zogenaamde tienden vormde de beek ook een natuurlijke grens, zoals de tiende van de familie Heggers die in 1763 werd geïnd van St.-Lamerts Wegh tot aan de Schelkens Beecke.
Interessant is een bestek uit 1790 voor een houten brug over de beek. Deze bouw werd 'ten gerichtshuijse van Bezel' aanbesteed door de geërfden en regenten van Beesel en Belfeld. Het bouwplan berustte ten huize van borgemeester G. van den Broek op de Reuver. De Schelkensbeek was ter plaatse ruim 2 meter breed. De brug zou het dubbele worden, het brugdek bijna 4 meter breed en ter hoogte van de oever ruim 3½ meter boven het water. Ze moest rusten op 2 gelijke gebinten van elk 4 vierkante palen, meer dan 5 meter lang en in het midden 23 cm dik. Deze palen moesten, nadat ze in het vuur extra duurzaam waren gemaakt, ruim 2 meter in de grond worden geheid, allemaal voorzien van tenmiste 6 pond zware ijzeren schoenen. Over de buitenste palen werd de vierkante sloof of dwarsbalk gelegd, 25 cm dik en 4.50 m lang, met gat en pin in elkaar gewerkt en met droge houten nagels vastgezet. Deze balken zouden op een breedte van 3.60 m waterpas worden gelegd en met een 13 duims nagel vastgespijkerd. Ook de ribben moesten waterpas worden gelegd; hierop kwamen eiken planken, dicht tegen elkaar aan gedreven; daar overheen kwam een afwerklaag.
Voor de twee brughoofden werden aan elke zijde 2 vierkante palen geheid. De hoofden moesten 2½ m landinwaarts springen. Op deze palen werden zware dwarsbalken gelegd die met pin en gat aan elkaar en aan de gebinten werden vastgemaakt, voorzien van ijzeren bouten en krammen. De hoofden werden tot 30 centimeter onder het water rondom bekleed met 5 cm dikke eiken planken, vastgespijkerd aan de palen. Over de gehele lengte tot ruim twee m op de bruggehoofden zat een leuning, gesteund door 6 stijlen van ruim 10 cm dik en 1.20 m hoog. De leuning zelf was 10 cm dik en vierkant; de bovenzijde was rond geschaafd.
Na voltooiing van deze bouw werd al het houtwerk, uitgezonderd de leuning, beteerd met hete gekookte teer, en de bovenbekleding bestrooid worden met hamerslag. Hierna werd de leuning twee maal geverfd met Engels 'Bruijn Roodt' en gekookte lijnolie.
De brug werd na de openbare aanbesteding voor 100 pattacons aangenomen door de Kesselse schepen Peter Sloesen.
Ongeveer 25 jaar deed deze brug goede dienst. Het einde van de brug kwam evenals dat van de Franse overheersing toch nog onverwacht snel: in 1814 waren de Fransen grotendeels verslagen maar in Venlo gelegerde Fransen hielden hardnekkig stand. Om de vluchtroute naar het zuiden af te snijden werden tussen den Reuijver en Belfeld troepen gestationeerd. Hoewel de juiste toedracht nog onbekend is, werd de brug over de Schelkensbeek op 20 februari 1814 door het corps van prins Paul van Württemberg afgebrand en volledig verwoest tijdens hun campement aldaar. De brug werd later weer enigszins bruikbaar gemaakt voor troepenverplaatsingen van troepen terugkerend uit Frankrijk, maar in 1815 meldde de burgemeester dat grote reparaties nodig waren. Eind 1815 spoelde de brug door langdurig hoog water weer uit en stortte tenslotte in, zodat ze niet meer te repareren was. De burgemeester verzocht in juli 1815 om nieuwbouw van een stenen of houten brug op kosten van de staat, ditmaal 5 voet hoger dan de vorige, zodat ze het hele jaar door bruikbaar zou zijn. Er gebeurde niets; ook een oproep in juni 1818 bleef zonder resultaat. Daarom stelden Beesel en Belfeld samen voor om tol te heffen om bij te dragen in de kosten van een brug: een man te paard 3 cent, een voertuig met paard 4 cent en voor ieder verder paard 3 cent extra. Opnieuw werd niets ondernomen en op 8 januari 1820 moest de burgemeester nog eens melden dat de brug bij hoog water was ingestort en met het afnemende water was meegespoeld. Met beperkte middelen werd kennelijk een voorlopige brug gebouwd, die in maart 1822 echter alweer bouwvallig was; twee jaar later dreigde deze in te storten. Eindelijk, op 19 mei 1825, kreeg de gemeente toestemming om geld te gebruiken voor de herbouw van de stenen brug over de Schelkensbeek. De oude brug was in zo'n slechte staat dat ze zou worden afgebroken, om ongelukken te voorkomen. Beesel betaalde 2/3 deel van de kosten, terwijl de gemeente Belfeld de rest voor haar rekening zou nemen. Kennelijk werden de plannen ditmaal bespoedigd door verbetering van de weg Maastricht-Nijmegen, waarvoor tevens een dijk werd aangelegd. In mei 1828 was de stenen brug genaamd Schelkesbeeksbrugge, die bijna 1250 gulden had gekost, gereed.

Mooi Limburg, 15 december 1934

Mooi Limburg, 4 april 1936

Na de kanalisatie van de Maas veranderde ook de monding van de beek. Het tijdschrift Mooi Limburg publiceerde in 1934 respektievelijk 1936 bovenstaande foto's. Bij de tweede opname lezen we: "Door de voortdurende hoge waterstand - ten gevolge van de kanaliseering der Maas - aan de monding der Schelkensbeek te Reuver zijn de tientallen boomen in het dal ten doode opgeschreeven. Visschers vinden er nu een rustig plaatsje om menig visje te verschalken."

Nabij de brug lag aan Reuverse zijde geruime tijd het café Berg en Dal.

Zie ook: Op de Berg en RIJKSWEG.

Loe Giesen: De brug over de Schelkensbeek. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 20 (2000).

 
Schelsgraaf  
Tijdens een gemeentelijke rondgang in 1698 werd vastgesteld dat Ficken Houten zich bij de Schelsgraef niet aan de regels had gehouden. Het is niet duidelijk waar dit land lag. Op 5 januari 1703 verkocht Sophia Houten samen met haar man Lindert Janssen hun huis en hof te Rickel aan Gijes Schreurs en Trinke Langerbeens. In een gedeelte van het huis bleven de verkopers nog wonen. Mogelijk lag ook de Schelsgraef in Rijkel.
 
SCHELLEKENSBEEKSINGEL Smabers 10
De benaming voor deze rondweg ten noorden van de DIJCKERSINGEL werd vastgesteld vóór 23 januari 1969.
 
Schepershuisje (Sjieëpershuuske)  

Foto: Gemeentearchief BeeselDit huisje langs de INDUSTRIESTRAAT komt op de kadastrale minuutplans (ca. 1843) en de oudste wegenkaart (1844) nog niet voor. Het werd vermoedelijk gebouwd en bewoond door Antonius Sanders (1825-1902), schaapherder (scheper) van de Bergerhof, en zijn vrouw Anna Hubertina Heijnders (1843-1917), die elkaar in 1870 het jawoord gaven. Het Sjieëpershuuske werd naar latere bewoners ook wel 't Roovershoes genoemd. Van bewoonster Ella Sliedrecht (1925-2006) bevinden zich glas-in-loodramen uit 1954-55 in de St.-Lambertuskerk in Reuver.
In 2007 werd het huisje ingrijpend verbouwd.

 
Scherkensweg Smabers 9-10
In 1596 verkocht Encken Jenniskens te Offenbeck land op de Schinhoevel gelegen, grenzend aan de openbare weg bij de Scherkeswech. Exacte ligging en betekenis zijn onbekend, hoewel een verband met de nabijgelegen Schelkensbeek voor de hand ligt.
 
Schietroede Smabers 3/157
Foto: Loe GiesenDe schietroede van Beesel, de plaats waar de Beeselse schutterijen bijeen kwamen om te oefenen, lag waarschijnlijk van oudsher op de Solberg. De roede wordt reeds genoemd in stukken uit 1622 (zie: Blockenkamp). Op de Smaberskaart (1781) staat de heijde aen de schietroede ingetekend.

Zie ook: Blockenkamp, de Gaffel, Schuitsberg, Schuttencamp en Schuttenerf.
 
Schinderskoel of Schindkuil Smabers 9
De benamingen Schinheuvel, Schinderspark en Schinderskuil zijn waarschijnlijk afkomstig van vroegere aktiviteiten in dit noordelijk gedeelte van Reuver. In 1826 schreef de toenmalige burgemeester Ruys van Nieuwenbroeck aan de taxeerder van het Beeselse vee dat de slagters dezer gemeente hoornevee slagten die beter waren na de Schintkuil dood te laten steeken, als wel voor de menschen te slagten, onder anderen Silvester Bax, die zich van zulk vee bedient.
Schinder was in de vorige eeuw een ander woord voor vilder of beul. In het Duits bestaat het woord nog steeds en het Engelse woord 'skin' voor huid is eveneens hieraan verwant. Ook de legendarische Schinderhannes ontleende zijn naam aan zijn vilderspraktijken.
Wanneer de vilders hier hun vak voor het eerst uitoefenden, waarom zij juist deze plaats kozen (misschien de overwegend zuid-westenwind?) en wanneer zij verdwenen, is niet bekend. Voorstellen om de naam officieel vast te stellen werden rond 1960 terzijde gelegd omdat men deze toch wat luguber vond.
 
SCHINDERSPARK Smabers 9
Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 17 april 1961.
 
SCHINHEUVEL Smabers 9-10
De Schinhoevel, die reikte tot in de gemeente Belfeld, wordt reeds vermeld in 1596 en 1626. In november 1772 werden de goederen van de weduwe van wijlen Henderick Nieten, waaronder grond te Reuver op de Schinheuvel nabij de baan aan de Alde Straet, verkocht aan Reynaer Steevens.
Landmeter Smabers (1781) plaatst de Schinheuvel aan weerszijden van de huidige RIJKSWEG, ongeveer begrensd door Struikweg, Varensweg, Schelkensbeek en Foekebroek. Ook op de Rivierenkaart uit 1849 wordt de Schinheuvel aangegeven.

In april 1969 waren bouwplannen voor bungalows ten westen van de OUDE SCHANS in een vergevorderd stadium. Reeds vóór aanvang van deze werkzaamheden werden namen aangedragen die opnieuw verband hielden met deze schans, zoals 'Redoute' of 'Reduit', 'Lunette' en 'Rondeel', en de benaming 'Berg en Dal', ontleend aan het glooiende terrein. Het hoofd Openbare Werken adviseerde op basis van de Smaberskaart uiteindelijk de huidige benaming, mede door het feit dat de nieuwe weg voor wat de hoogteligging betreft de heuvel volgt. De raad nam dit voorstel over. De huidige straatnaam SCHINHEUVEL ligt daarmee buiten het oorspronkelijke gebied dat deze naam droeg, of in het beste geval aan de rand daarvan.

Foto: Loe GiesenAan de oostzijde van de RIJKSWEG, tegen de rand van het Foekebroek, zijn op de Schinheuvel nog goed de overblijfselen van de Tweede Wereldoorlog te zien. Grote tankgachten en veel smallere loopgraven herinneren aan de Duitse verwachting dat hier een ontmoeting met de geallieerden zou plaatsvinden.

Sjra Vintcent: Achtduizend landmijnen in Reuver en Beesel. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 12 (1992).

 
Schinkelenhoek Smabers 10/86

Van dit toponiem kennen we slechts één vermelding. Op 13 mei 1771 droegen de erfgenamen Snijders hun aandeel in een stuk land genaamd de Schinckelenhoock over aan Huijbert Laemers en Helena Bongaers. Vermoedelijk betreft het perceel 86 op kaart 10, gelegen bij de Schinheuvel. Deze locatie komt overeen met een perceel ten westen van de huidige RIJKSWEG, iets ten noorden van de rotonde en recht tegenover de voormalige pottenbakkerij van Denessen. Schinkel of schenkel is een oud woord voor het scheenbeen van vooral runderen. Het lijkt er dan ook op dat hier, net als bij de Schinderskuil,

 
Schipperspaadje  
Kennelijk werd de benaming Sjipperspaedje in de 20e eeuw nog gebruikt voor het Huurvaarderspad of de Vissersweg in Rijkel. Geschreven bronnen ontbreken en helaas kon de aangever van dit toponiem niet meer exact aangeven voor welk pad de benaming werd gebruikt. (Voor nadere gegevens houden wij ons aanbevolen!)
 
Schoenmakersgoed  
Vermeld als Hein Gaidtgens alias Schoemekers goedt als een van de man- of laatgoederen in het 17e eeuwse cijnsregister van Nieuwenbroeck. Volgens een dubieuze akte uit 1444 lag Schoemekers goidt naast een boerderij aen den Dijck niet ver van het Aldtbroeck en de boerderij van de familie Planen.
 
Schoij, de  
In september 1749 wordt Hendrick Lamers genoemd als eigenaar van een morgen houtgewas gelegen in de Schoij naast Thomas Peters. De exacte ligging kon nog niet worden achterhaald.
 
SCHOOLBERG Smabers 8

De oudste gegevens over onderwijs in Beesel gaan terug tot 1631 in de persoon van schoolmeester Jan Joosten. Op de Smaberskaart uit 1781 wordt de kinderschool genoemd als eigenaar van een perceel gelegen aan de oostzijde van de Drakenweg. Eerst in 1827 nam de gemeenteraad een besluit tot het bouwen van een school. Dit besluit kwam niet zomaar tot stand; het werd omgeven door een ware schoolstrijd tussen Beesel en Reuver, die bijna leidde tot een deling van de gemeente. Op kerkelijk gebied werd deze scheuring in 1834 een feit.
Eigenlijk was de school vanaf het begin te krap bemeten. In de zomer van 1828 vond de schoolopziener het gebouw nog steeds te klein en hij weigerde er zijn goedkeuring aan te geven, althans niet wanneer de kleenere zitbanken, die voor de laagste klassen bestemd zijn, mede van schrijftafels of smalle lessenaars zullen voorzien zijn, iets hetgeen ik in een nieuw te stichten lokaal pligtshalve moet vorderen.

Foto: Loe GiesenRuim een halve eeuw werd het gebouw gebruikt als school. In 1882 schreef de distrikts-schoolopziener aan de gemeenteraad: De school te Beezel die des winters door ± 150 leerlingen bezocht wordt, heeft slechts eene oppervlakte van 84 m², de ingang dier school is gevaarlijk, de vloer is slecht, de vensters zijn geheel versleten evenals de vloer, er is geen ventilatie en slechte verwarming. Er bestaat geene gelegenheid voor het bergen van kleederen en privaten mag men zeggen dat geheel ontbreken, zoowel als eene speelplaats. Ook zijn de schoolmeubelen zeer slecht terwijl er zelfs voor de leerlingen geen voldoende zitplaatsen zijn. Borden zijn onbruikbaar en landkaarten ontbreken.

Nog datzelfde jaar werd besloten tot de bouw van twee nieuwe scholen voor Beesel en Reuver. Van 1896 tot 1935 werd het oude schoolgebouw in Beesel door bovenmeester Gerard Rutten gebruikt als woning.
Vastgesteld bij raadsbesluit van 23 augustus 1976.

Paul Bloemen: Schoolstrijd tussen Beesel en Reuver. In: Maas- en Swalmdal 26 (2008).
Paul Bloemen: Schoolgebouwen in Beesel. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 31 (2012).

 
Schooldellenweg Smabers 2
Foto: Loe GiesenIn een akte uit 1608 is voor het eerst sprake van land in die Schoeldijl, terwijl een akte uit 1734 melding maakt van land nabij het Kerckeveldt in de dell.
Landmeter Smabers (1781) gebruikt de benaming Schooldellen wech voor de huidige ST.-ANTONIUSSTRAAT vanaf het wegkruis tot aan het MARIAPLEIN. In een wegenregister uit 1862 is sprake van de Schooldelleweg.
Del is een variant van 'dal'. De betekenis van het toponiem is niet met zekerheid bekend. Mogelijk houdt deze verband met de Schoolt. In een samengesteld woord is het zeer goed mogelijk dat de uitgangs -t in dat geval verdween. In de wegenregisters van 1843, 1897 en 1901 komt de weg voor als Schooldalweg.
 
SCHOOLPAD  
Verbindingsweg tussen de PRINS HENDRIKSTRAAT en basisschool De Wildenkamp.
Vastgesteld bij raadsbesluit van 18 februari 1974. Een verzoek om deze benaming te vervangen door 'De Scheper' werd op 30 september 1974 door de raad verworpen.
Basisschool De Wildenkamp, waarnaar het pad werd genoemd, werd op 29 november 1975 door pastoor Leën ingezegend en officieel in gebruik genomen. In 2006 werden de gebouwen alweer gesloopt.
 
SCHOOLPLEIN  
Op de plaats van de voormalige Wildenkampschool werden in 2012 enkele nieuwe woningen gebouwd. Aan de zijde van de BURGEMEESTER MOORENSTRAAT werd een ontsluitingsweg aangelegd met de naam SCHOOLPLEIN.
 
Schoolstraat Smabers 3

Foto: Loe Giesen

De huidige BURGEMEESTER JANSSENSTRAAT heette tot 1934 Schoolstraat naar aanleiding van de langs deze weg gelegen St.-Jozefschool. De gemeenteraad besloot, daartoe gedwongen door een onderwijswet van 17 augustus 1878, op 17 april 1882 met veel tegenzin, om zowel in Beesel als in Reuver nieuwe scholen te bouwen. Beide scholen werden ontworpen door architect Kayser uit Venlo, tevens de ontwerper van de St.-Lambertuskerk, en gebouwd door de firma Mestrum uit Maasbracht. In Reuver was dit de Openbare Lagere School langs de latere PASTOOR VRANCKENLAAN, op 30 september 1928 omgedoopt in R.K. St.-Lambertusschool. Zij verving de in 1842 gebouwde school in het latere Patronaatsgebouw.
De St.-Jozefschool werd enkele jaren niet meer gebruikt en wachtte tot rond 1992 op een nieuwe bestemming, waarna ze werd verbouwd tot enkele appartementen.

Paul Bloemen: Schoolgebouwen in Beesel. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 31 (2012).

 
Schoolt, de Smabers 3
Foto: Loe GiesenOp 23 augustus 1428 droeg het klooster Maria Weide rechten over op 1 bunder land in de Schult gelegen onder Beesel. Latere vermeldingen zijn de Schoolt (1562, 1761), Scholtt (1606), Schoelt (1632, 1760), de Scholt (1667), Schoolts (cijnsregister Nieuwenbroeck), Scholvelt (1741) Schoolvelt (1755), de Schoeldt (1760) en het Schoolveldt (1763).
Landmeter Smabers plaatst het gebied tussen de wech van Swalmen naer Kessel (de huidige BURGEMEESTER JANSSENSTRAAT) en de heijde van de toen nog onbeboste Solberg. Aan de zuidwestzijde grensde het gebied aan de Caeffert.
Een naamverklaring voor dit gebied, beschut en verscholen gelegen tussen de zandduinen, is niet met zekerheid te geven, hoewel met name de 18e eeuwse benamingen in een bepaalde richting wijzen.
 
Schoolts valder Smabers 3
Dit veehek nabij de Schoolt op slechts een steenworp afstand van de Soelsbergh treffen we aan als Scholtz valderen (1641) of Schoels valderen (1641). Vermoedelijk betreft het het veehek dat door landmeter Smabers werd ingetekend bij de BURGEMEESTER JANSSENSTRAAT ter hoogte van de Caeffertweg.
 
Schooltweg Smabers 3
Deze benaming voor een zandweg haaks op de BURGEMEESTER JANSSENSTRAAT werd ontleend aan de veldnaam de Schoolt. De zandweg verdween tussen 1990 en 2005.
 
Schrijversberg Smabers 9

Foto: Loe GiesenDit toponiem Schriversberg wordt voor het eerst genoemd in een lijst van verkochte gemeentegronden uit de jaren 1693-1705. Volgens deze vermelding grensde de berg aan den Wildenkamp. In april 1756 werd akkerland verpand, gelegen aan Schrijversbergh tussen gemeentegrond en bezittingen van de Kruisheren van Venlo, de eigenaren van de Klaashof. Een openbare verkoop uit 1861 noemt land (sectie B 133) aan de Schinheuvel of Schrijversberg. Op een landmeterskaartje uit 1874 staat de Schrijversberg ingetekend grenzend aan de noordoostzijde van de Bentheimer Schans.

'Schrijver' is een oud woord voor secretaris of geheimschrijver. De plaatsbenaming werd tot het midden van de 20e eeuw gebruikt voor 'de Zandjberg' nabij de SCHINHEUVEL. Met het St.-Maartensfeest werd hier een groot vreugdevuur ontstoken, dat alle andere buurtschappen moest overtreffen. Suggesties in 1971 om de benaming toe te wijzen aan de huidige FORT BRIGITTESTRAAT werden uiteindelijk niet voorgelegd aan de raad.

 
Schroersgoed  
Op 16 december 1644 werd het Reijnengoedt, voor het eerst vermeld in 1567, onder de naam Schroersgoedt verheven door Linnert Beurskens; in 1661 gebeurde dit door Jan Beurskens en in 1670 door Ingel Beurskens.
'Schroer', 'schroeder', 'schreur' en 'schreuder' zijn oude woorden voor kleermaker.
 
Schuitenberg Smabers 5

Fotomontage: Loe Giesen

In de volksmond wordt deze benaming nog gebruikt voor de WATERLOSEWEG. De betekenis is onbekend. 'Schuiten' is o.a. een 17e eeuws woord voor 'zich verbergen' of 'beschutting zoeken'. Schriftelijke vermeldingen ontbreken. Mogelijk is er een verband met de oude schuttengilden: op de Smaberskaart treffen we de St.-Joris en Sebastinus broederschap aan als eigenaar van een perceel hier.

Het huis op de foto, dat na de aanleg van de A73 geïsoleerd kwam te liggen, werd in 1912 gebouwd door de familie Houben, als vervanging van een bouwvallig huis dat in 1903 werd aangekocht. Een sluitsteen boven de poort herinnert aan de bouwheer, Martinus Houben.

Cor van de Kerkhof: De geschiedenis van de familie Houben. In: Jaarboek Maas- enSwalmdal 30 (2011).
 
Schuitsberg Smabers 3
In 1654 noteerde landmeter Keullen, nadat hij de Vreeberg had opgemeten: 'Hyer opghehoert thessen den weych die nae ghen Exken ghaet ende den Schuyts Berch ende weyderom angevanghen aen Gheryt Schroers Veijncken Bongaert'.
 
Schutgensgoed Smabers 3/250

Foto: Loe GiesenOp 27 april 1810 verkochten Willem Hendrik Schöpgens uit Breyel en Jean Mathieu Terpoorten uit Mulbracht de boerderij genaamd Schutgensgoed te Beesel aan Willem Impelmans uit Helden. Volgens de Smaberskaart uit 1781 waren de erfgenamen Schutgens eigenaren van het huis de Cruijsberg aan de markt te Beesel. Cornelius Schutgens werd op 26 januari 1679 in Bracht geboren als zoon van Hendrick Schutgens en Helena Cruijsberg. In 1702 werd hij benoemd als eerste kapelaan van Belfeld, maar reeds een jaar later werd hij overgeplaatst naar zijn geboorteplaats, waar hij in 1738 werd benoemd tot pastoor en in 1751 overleed.

Op deze plaats ligt nu de Troubadour. In 1843 was het pand (sectie G 109) eigendom van Frans Heldens.

 
Schuttenberg  

Perceel ten noorden van de Nieuwe Kamp (zie aldaar), als zodanig ingetekend op een landmeterskaartje door H. Dupont, van verkochte gemeentegronden uit 1874. Hier had de schutterij al lange tijd bezittingen.

Diverse malen lukte het de Beeselse schutten om het Oud Limburgs Schuttersfeest (OLS) naar het dorp te halen. Onderstaand een impressie van het feest in 1936, toen de stoet ondanks veel regen en modder toch door de straten trok.

 
Schuttenkamp Smabers 10

De  Schuytten Camp, vermoedelijk gelegen langs de Reuverbeek,  wordt genoemd in de landmeting van 1654. Volgens de stichtingsoorkonde van de kapelanie van Belfeld uit 1702 ontving deze inkomsten uit 1½ morgen land onder Biesel genaempt den Schuttencamp. De veldnaam Schuttecamp treffen we in 1714 aan voor een gebied nabij de molen van Ronckenstein niet ver van grond van de Kruisheren van Venlo (Klaashof) of van Roermond (Onderste Hof). In een erfdeling wordt het Schutten Kempken te Offenbeck in 1740 genoemd onder de nalatenschap van Peter Cruijsbergh. Op 22 februari 1764 verkochten Gerardus Aerts en diens vrouw Antonette Heggers de ca. 1 morgen grote Schutten Kamp, met drie zijden grenzend aan de gemene heide en belast met 6½ schelling per jaar aan de alde schutten, aan schatheffer Engelbert Stox en diens vrouw Anna Maria Kessels.

In oktober 1902 werd in Offenbeck een vergadering gehouden tot oprichting van een schutterij. 43 leden meldden zich aan voor deze bijeenkomst. Op 2 december moest een lokaal voor de nieuwe schutterij St.-Barbara worden gekozen, die inmiddels 80 leden telde. Bij hoogste bod werd dit gegund aan Sigibert Steegs. Men trok onmiddelijk naar dit lokaal, waar de stemming voor vijf commandanten plaats had. De avond werd afgesloten met een mededeling van de president, dat op donderdagavond - het naamfeest van de patrones - een ton gerstenat zou worden vertapt. Enkele weken later gaf de 'goed georganiseerde schutterij van Reuver' acte de presence bij het 40-jarig ambtsjubileum van burgemeester Jean Janssen. Bij het koningsvogelschieten in juli 1903 verwierf Math. Heinen na een goed gericht schot het koningschap. In augustus 1905 viel deze eer te beurt aan Willem Franssen.

Frans G.J. Geerlings: Het Oud-Limburgs Schuttersfeest 1982: een schitterend landjuweel te Beesel. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 2 (1982).
Frans G.J. Geerlings: Enkele geschiedkundige facetten van de Beeselse schutterij. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 24 (2004).

 
Schuttenerf, Nieuw  
Op 18 maart 1623 werd het Neije Schutten Erff, gelegen te Leeuwen tussen land van Johan van der Kissen en de familie Van Dursdael (zie: de Kamp, de Spieker, de Wilde Hoeve en de Zang), door Heinrich up den Weijer en diens vrouw Encken verkocht aan Goerdt Quiten en diens echtgenote Geerdten Celissen. Het betrof 1 morgen akkerland, belast met 3 gulden 1½ stuiver aan de Sanct Sebastianus schutterei (de oude schutterij, voor het eerst vermeld in 1587). Het 'nieuw' had waarschijnlijk betrekking op de ouderdom van een kort daarvoor opgerichte tweede schutterij, en niet zozeer op die van de ontginning, zoals naar voren komt uit een latere akte.
In april 1649 droeg Gijsbert Janssen met toestemming van zijn vrouw Anneken Janssen een morgen heide in de Wilde Hove gelegen over aan Wullem Quijten, Jacop van Neer en Jan aen den Rover als koning respektievelijk dekens van de St.-Jorisschutten. Gijsberts vader, wijlen Jan van der Kissen, had deze grond ruim 20 jaar eerder gekocht van de Broderschap oftewel Schutten onder voorwaarde dat hij daarvan een jaarlijkse rente van 3 gulden 1½ stuiver zou betalen. Dit was echter nooit gebeurd, terwijl het echtpaar Janssen bijna alle bezittingen had verkocht. Om de schade enigszins te beperken werd de grond weer overgedragen aan de schutterij.
Het feit dat de rechten van de St.-Sebastianusschutterij overgingen op de St.-Jorisschutterij, suggereert een afsplitsing van deze broederschap. Het St.-Sebastianusgilde kwam op het eind van de 18e eeuw bijeen in de herberg van Cruysberg (Smabers 2/25), terwijl het St.-Jorisgilde in de daarnaast gelegen herberg van Niemans (2/26) vergaderde. In de Franse Tijd werden de broederschappen verboden en hun bezittingen werden verbeurd verklaard. In 1815 werd de draad toch weer opgepakt. Volgens de overlevering was het burgemeester Janssen die ervoor zorgde dat de beide schutterijen rond 1870 fuseerden en tot op heden bleven bestaan als de 'Broederschap van St.-Georgius & St.-Sebastianus'.
 
SEBASTOPOL  

Met name in de 19e eeuw was het een modeverschijnsel om afgelegen ontginningen uitheemse namen toe te bedelen. De Oekraïense stad, gelegen aan de Krim, werd vooral bekend door haar rol tijdens de Krimoorlog (1854-1856), waarbij ze grotendeels verwoest werd. Het ligt voor de hand dat de naamgeving in Offenbeek van na deze oorlog dateert.

De oudste vermelding van Sebastopol (ook soms geschreven als Sebastepol) dateert uit 1876. Op een kaart uit 1864 wordt de hoeve nog aangeduid als huis Meuter (zie Grote Beek). Op 27 januari 1882 werd de boerderij genaamd Sebastepol, laatst bewoond door J.A. Meuter, te koop aangeboden.

Foto: Loe GiesenOp een topografische kaart uit 1912 wordt Sebastopol aangegeven als enige boerderij gelegen bij de samenkomst van de ST.-WILLIBRORDUSDIJK met een verdwenen zijweg. In mei 1925 werd land verkocht in pacht bij den heer Burger, waarin de ruïne Sebastopol gelegen is. De fundamenten van dit huis zijn nog steeds zichtbaar op recente satellietfoto's.

Later werd de naam gegeven aan een verbindingsweg gelegen tussen BERGERHOFWEG en KEULSEWEG. Oostelijk van deze weg ligt visvijver Roversheideplas.

Zie ook: St.-Lambertushoeve.

Jos Muisers . Hengelsportvereniging De Forel: "Roversheideplas": 75 jaar H.S.V. "De Forel" Reuver. 1931-2006.
 
Segershof Smabers 10/238

De hoff aen gen Ronckenstein, gelegen op de hoek van RONKENSTEIN en de ONDERSTEHOFWEG, wordt reeds in 1534 genoemd in het zogenaamde cijnsregister van Nieuwenbroeck. Hendrick Segers, gehuwd met Bertien Cruytzberch, werd op 26 januari 1665 door Nieuwenbroeck beleend met de hof aen gen Ronckenstein gelegen. Hij volgde zijn schoonmoeder Catharina Ronckensteins op als eigenaar van de boerderij. Op 16 september droegen de erfgenamen van wijlen Wilm Wilms de Segers Hoff over aan Theunis Neeten en Catharina Trines als erfgenamen van Neeske Cruijsbergh, terwijl Geurt Trines bij deze overeenkomst eigenaar werd van de molen genaamd Ronckenstein. Op 21 april 1766 verpandden Peter Neeten en diens vrouw Catharina Peters hun huis en hof aan de Ronckesteijnste Meulen gelegen, eertijds genaamd Segers Heufken, gelegen tussen de Kruisheren van Roermond (Onderste Hof) enerzijds en de Schelkensbeeke en de weg met de landerijen bij dit huis behorend anderzijds. Peter Nieten en zijn vrouw Hendrina Tijssen verpandden op 16 augustus 1784 hun 4/5 deel van het huis, nadat zij eerder de mede-erfgenamen hadden uitgekocht.
In 1843 was de woning eigendom van notaris Egbert Thiessen te Venlo.

Foto: Loe Giesen

 
Sesendries  
Het bijna 2 morgen grote land genaamd Sesendries was blijkens een vermelding uit 1706 gelegen tot Offenbeek aen den Reuver. Een dries was een uitgeput en braakliggend stuk land. De betekenis van het eerste gedeelte van het woord is onzeker. Misschien moet worden gedacht aan de sijs, een zangvogel uit de vinkenfamilie (vergelijk ook: Vincken Boomgaard en Vogelsweijde). Volgens sommige etymologen gaat het werkwoord 'seizen' terug op een oude betekenis 'rechtaanspraken doen gelden'. Bronnen om een dergelijk verband te bevestigen zijn nergens gevonden.

Vergelijk: Heesterdries.

 
Sijpken, het Smabers 10
In een akte uit 1761 wordt melding gemaakt van houtgewas genaamd het Sijpken, gelegen achter de molen van Ronckenstein. Een 'ziep' was een vrij algemene benaming voor een waterloop of -geul. Zo werd de Sieperhof in Asselt in 1702 vermeld als de hof genaamd de Zype, naar de ligging langs de Leijgraaf.

Zie ook: Kaldengraaf en Patersweerd.

 
SINTELSTRAAT  
Sintels en as zijn het restprodukt dat overblijft na verbranding van steenkool, alsmede de benaming voor te heet gebakken en daardoor verglaasde stenen. Daarmee moet deze straatnaam worden gerangschikt onder de toponiemen die herinneren aan de Reuverse kleiwarenindustrie.
Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. …
 
Sjóttelebaek, de Smabers 10

In de tijd dat Reuver nog geen rioleringstelsel had, werd een gedeelte van het afvalwater gelost in de beek die langs de WILHELMINALAAN, de EMMASTRAAT en de REMBRANDTSTRAAT liep. Omdat het water van de beek er met name langs de REMBRANDTSTRAAT vaak uitzag als afwaswater, werd de beek dan ook in de wandeling de sjóttelebaek genoemd.

In de raadsvergadering van juli 1929 lezen we: "De beek langs den nieuw aangelegden weg naar Klaashof zal verlegd worden."

Tegenwoordig is de beek volledig overkluisd en opgenomen in het rioleringstelsel. Hierdoor verschoof de benaming vrijwel vanzelfsprekend naar het gedeelte van de beek tussen Klaashof en de Schelkensbeek. Bij een hoge waterstand lost het riool via overstorten nabij de Klaashof en in de Oude Maas.

Zie ook: het Vloot.

 
SJPIEKERSHOF Smabers 2
De SJPIEKERSHOF ontstond met de bouw van een woningcomplex achter een woonhuis ('pand Joosten') dat in 2006-'07 geheel werd gerenouveerd.
 
Slabbersgoed  
De familie Slabbers is vanaf het midden van de 15e eeuw in Beesel aanwijsbaar. In de Pondschatting van 1468 vinden we Slabbersgoed, gedeeld. Latere varianten van de familienaam zijn Slabberts (1474), Slabbertz (1540-1561), Slapbart (1550), Slabbart (1556) en Schlabbert (1561).
Leden van de familie komen we o.a. tegen als pachters van grote boerderijen, als schepenen, kerkmeesters en stadhouder van Nieuwenbroeckse lenen. De invloedrijkste was ongetwijfeld schepen Hendrik, in een belastinglijst uit 1551 tweemaal vermeld, eenmaal als Henrick Slabbert van her Sibrechtz huiss (mogelijk wijlen Sibrecht van Holtmolen, zie: Rayerhof), een tweede maal als Henrick Slabbart bij Rouffers.
In 1597 verklaarde jonker Johan van Holthausen dat hij aan Goerdt Slabbers een jaarlijkse erftijns van 1 malder rogge en 2 malder haver had verkocht, die moest worden opgebracht uit het goed van Heinrich Schlabbers, te Beesel in het dorp (Ouddorp) gelegen. Vrijwel zeker betrof het o.a. een erfmalder rogge gevestigd op dat weitghen dat achter Henrich Slabbertz moesgaert light, die Van Holthausen al in 1561 had verkocht.
In processtukken uit 1604 duikt het Slabbartz guedt opnieuw op. Dit proces in verband met een erftijns werd door de gevolmachtigde Gerard van Boerle gevoerd tegen Johan van Holthuysen, kasteelheer van Nieuwenbroeck; in de stukken wordt het huis ook enkele malen Korst Reuvers guetgenoemd, een naam die mogelijk in verband kan worden gebracht met de herberg van Kerst (Christiaan) in de Roever uit 1547.
 
Slabbersmolen  
Benaming Schlabbertz meullen (1588) voor de reeds vele eeuwen verdwenen molen van Offenbeek. Deze watermolen was gelegen nabij het Foekebroek. Heinrich Slabberts was in het midden van de 16e eeuw molenbaas. Hij was tevens pachter van de Klerkenhof te Rijkel.
 
Sley, de Smabers 8-9
Een sley is een oude benaming voor een laagte of slenk. Volgens een akte uit 1474 maakte de 4 morgen grote Sley, grenzend aan de eigendommen van Henrick van Baerle (de eigenaar van de Kamp), deel uit van de landerijen die tot de hof tgenen Scheyde te Lewen behoorde. Dit betekent mogelijk dat de laagte tussen de Kamp en de Schei wordt bedoeld.
 
Sloesberg Smabers 3
De enige vermelding van de Schloesberg, grenzend aan de Schoolt, is in een akte uit 1562. De benaming houdt waarschijnlijk verband met de familie Sloesen.
 
Sloesenhof  
De familie Sloesen behoort tot de oudste families van Beesel. Al in de zogenaamde Pondschatting van 1369 treffen we een Sluesken aan. De familie, die in veel archiefstukken ruim vertegenwoordigd is, had aanvankelijk vooral rond Rijkel bezittingen. Rond 1600 was de Schloussen hoff te Rijkel reeds verdeeld over meerdere eigenaren. Een kwart was eigendom van de familie Geirlings, die dit deel verkocht aan Roermondenaar Aeret in den Vosch. Deze verkocht zijn aandeel op zijn beurt aan Thijss Schloussen en zijn vrouw.
Volgens een akte uit 1616 lag de Schlousen hof aan de Schoolt op slechts een steenworp afstand van de Vreebergh.
 
Sloeserbosje Smabers 1 of 3
Op 1 oktober 1622 liet Derick Paer als gevolmachtigde van de echtgenote van hopman Camp beslag leggen op de goederen van Lambert de Geer. Zoals dat hoorde werd deze beslaglegging nog tweemaal herhaald met tussenpozen van twee weken.
Op 4 november 1622 droegen Lambert de Geer en Renier van Meisenberch met zijn zus Margariett aan Beele van Dulcken, echtgenote van kapitein Camps, al hun rechten en aanspraken over op 8 morgen akkerland te Rijkel met een eikeboom naast Schlauser Bugsken. Vijf dagen later verklaarden Lambert de Geer, inwoner van Hamour in het land van Stavelot en Margariett van Meisenberch met haar broer Reiner van Meisenberch als voogd, op verleende aarde te Roermond dat zij aan hopman Herman van den Camp en diens vrouw Isabel van Dulcken, hun rechten hadden verkocht op een gedeelte van 4 morgen akkerland en bosje te Rijkel; 3 morgen achter tgen Eijnde; en een bosje te Rijkel. Deze verkoop werd enkele maanden later bekrachtigd door Paulus Paulussen alias Claessen, burger te Roermond, krachtens volmacht van Henrij d'Anthijn en Angnees de Geer, woonachtig in Luxemburg.
Landmeter Keullen werkte in 1654 o.a. ant Maes ouveren genant Sluyssen Busken. Het bosje moet dus gelegen hebben langs de Maasoever.
 
Smeetshof  

Al in de 17e eeuw lag op deze plaats een huis, zo weten we uit een landmeting van 1654. Die meting vond plaats in gedeelten; in één gedeelte lezen we"'wederom angevanghen tot Rijckell an het Cruytsvalderen thessen den Kerkweych ende het Masouveren. Claes Sluyssen naeghelaten huys hoeff". De vermelding wordt gevolgd door het "Convent in de Weye", oftewel de Klerkenhof.

In de late 17 eeuw was de hoeve eigendom van Thijs van Cruchten en zijn vrouw; zij droegen hun huis aan het Cruysvalderen gelegen over aan Peter Dirricx en Trincke Luttels. Hun zoon Laurentius Derickx trouwde in 1734 met Gertrudis Lamers; zij hadden zes kinderen, waarvan zoon Joannes Derix (1743) uiteindelijk het huis in Rijkel zou erven. In 1781 stond het huis (Smabers kaart 1 nr. 124) op naam van Lins Dircx.

We maken opnieuw een sprongetje. Lambert Bongaers trouwde in 1805 met Margaretha Thijssen uit Neer. Hun oudste dochter, Mechtildis, trouwde in 1836 met Joannes Smeets. In de kadastrale leggers behorend bij de OAT uit 1843 staat Lambert Bongers nog vermeld als eigenaar van het huis G 1097, terwijl de ernaast gelegen woning (G 544) eigendom is van M. Joosten.

Joannes Smeets en Mechtildis Bongers kregen vijf kinderen, waaronder een zoon Godefridus. In 1869 trouwde Godefridus Smeets op de Hoosterhof met Dorothea Versondert, waar het echtpaar ook ging wonen. Op 8 juli 1919 werd de Smeetshof te koop aangeboden door de weduwe Smeets-Versondert.

 

 

 

 

 

 
Smeetsgoed  
De vroegste vermelding van het Smeetz guet mit sijne toebehoor aen den Mortel gelegen vinden we in de akte van huwelijkse voorwaarden tussen Engelbrecht van Holtmolen en Isabella van Boickholt genaamd van Mulraede (1472). Mogelijk betreft het een huis op de plaats van of nabij het huidige huis De Mortel of De Troubadour.
 
Smeets steeg Smabers 1
Tijdens zijn metingen noteerde landmeter Keullen in 1654, bij zijn werk komend vanuit Rijkel door het Kerkveld richting Ouddorp: 'Wederom aengevanghen ouver Smyts stieghen aen het Maes ouveren'. Mogelijk wordt de huidige LOSWALWEG bedoeld.
 
Smeets valder Smabers 2
Het Schmeets faeren, een van de talrijke veehekken die de gemeente vroeger rijk was, lag blijkens een akte uit 1597 in Beesel op slechts een steenworp afstand van de Maas. Een ligging in Ouddorp ligt daarmee het meest voor de hand. In het cijnsregister van Nieuwenbroeck wordt het Smiedts valderen vermeld tussen de kerk van Beesel en den Rijckelschen wech. In november 1649 vroegen de naburen van Biesel of het Smidtz valderen kon worden gerepareerd. In 1659 en 1693 wordt het Smeitsvalderen respektievelijk Smitsvalderen voor zover bekend het laatst genoemd. Het enige veehek dat tweehonderd jaar na de eerste vermelding op de door landmeter Smabers (1781) getekende detailkaart van Ouddorp werd intekend op een steenworp afstand van de Maas, bevond zich aan de noordzijde van het Maes straetjen, de huidige LOSWALWEG.
 
Smysterskamp  
In 1808 verkochten Gerardus Stevens en Anna Maria Janssen akkerland genaamd Smysterskamp aan Theodore van der Velden. Ligging en betekenis van dit toponiem zijn niet bekend. Mogelijk betreft het een (verder nog onbekende) familienaam of een samentrekking van 'des meisters kamp'.
 
SNAVELBIES  
Foto: Loe GiesenStraat in de Offenbeker Bemden. Witte Snavelbies (Rhynchospora alba) is een vrij zeldzame plant uit de orde van de Cypergrassen die o.a. voorkomt op open natte heidegrond, het landschap dat we hier tot aan de ontginningen van de 19e eeuw konden aantreffen, maar ook wordt aangetroffen in oude leemputten. Er is ook een roodbruine variant (Rhynchospora fusca).
 
Solberg Smabers 2-3
Volgens het etymologisch woordenboek van De Vries en volgens de topograaf Maurits Gysseling betekent 'sol': 'met water en modder gevulde kuil'. Deze betekenis sluit bijna perfekt aan op de aanwezigheid van de Mortel. Deze waterplas wordt, voor zover bekend, echter nooit onder deze benaming vermeld. Sommige onderzoekers vermoeden een verband met de door de Romeinen vereerde zonnegod Sol. Laatstgenoemde theorie gaat voornamelijk uit van de aanwezigheid van een Romeins complex op de Solberg. Bij een proefopgraving van dit complex werd o.a. het gestrekte voorbeen van een bronzen paardje gevonden. Opmerkelijk detail is, dat Sol vaak werd voorgesteld op een gouden wagen met een vlammend en snuivend vierspan.

De vroegste betrouwbare vermelding van de Solberg dateert uit 1607. Het cijnsregister van Nieuwenbroeck noemt de Solsberch eveneens. Latere vermeldingen zijn Solbergh (1630-1758), Soelsbergh (1641) en Saelbergh (1654). Op de Smaberskaart (1781) komt het toponiem tweemaal voor: het gebied begrensd door OUDDORP, KERKSTRAAT, ST.-ANTONIUSSTRAAT en ZANDKUILWEG staat aangeduid als den cleijn Solbergh aen de kerck. In een akte uit 1791 wordt deze vermeld als Kleijnen Zollberg.
Daarnaast vinden we hier de benaming op den Solbergh voor het gebied tussen de Schooldellen wech (ST.-ANTONIUSSTRAAT) en de hoogte die tegenwoordig wordt aangeduid met deze benaming. Op de huidige Solberg, in 1781 nog kaal met enkel heijde, stond de schietroede van de Beeselse schutterijen.
De naam wordt tegenwoordig vooral bewaard in het noordwestelijk van de zandrug gelegen sportveldencomplex.

Wiel Luys: Romeinse wegen en bewoning in Swalmen-Beesel-Belfeld. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 4 (1984).

 
SOLBERGWEG, BOVENSTE Smabers 3
Genoemd naar de Solberg. Hoewel beide zandwegen niet duidelijk staan aangegeven op de Smaberskaart, bestonden ze in 1781 waarschijnlijk wel reeds.
Vastgesteld bij raadsbesluit van ... naar aanleiding van de bouw van enkele woningen tegenover de voormalige Sint Jozefschool.
 
Solbergweg, Onderste Smabers 3
Deze zandweg loopt tussen de Solberg en de Schoolt.
 
Soldatenhei  

De Soldatenhei lag achter de St.-Theresiahoeve. Hier exerceerden soldaten uit de Venlose kazernes, o.a. het 5e regiment Dragonders en 2er regiment Huzaren. Omdat alle gemeentegronden in 1897 verpacht waren, konden de huzaren hier vanaf dat moment niet langer terecht voor hun militaire oefeningen.

Jan Ros: Hollanders in het Meerlebroek. Ontginnen in een natte wildernis. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 17 (1997).

 
SONSBEECKLAAN, GOUVERNEUR VAN Smabers
Willem George Alphonse van Sonsbeeck, in 1877 geboren in Amsterdam, begon zijn ambtelijke loopbaan in 1903 als secretaris van de staatscommissie inzake de bedelarij. Na enkele andere posten volgde hij op 1 januari 1919 baron Van Hövell op als burgemeester van Breda. Daarnaast bekleedde hij talrijke nevenfunkties.
Op 1 juni 1936 volgde hij opnieuw baron Van Hövell op, ditmaal als gouverneur van Limburg. Omdat hij niet wenste mee te werken met de bezetters, werd hij op 5 februari 1941 uit deze funktie ontslagen (officieel met pensioen gestuurd) en vervangen door de NSB'er graaf De Marchant et d'Ansembourg. Kort na de bevrijding van Maastricht op 14 september 1944 hervatte hij echter zijn funktie. In de maanden daarna kwam hij in conflict met enkele militaire gezagsdragers over de zuivering van burgemeesters van Limburgse gemeenten, omdat Van Sonsbeeck in veel gevallen wilde vasthouden aan hem vertrouwde burgemeesters. Op termijn bleek de positie van de als conservatief ervaren commissaris van de Koningin onhoudbaar, en op 1 januari 1947 werd hem ontslag verleend.
Vastgesteld bij raadsbesluit van ...
Spaaswei Smabers
Google Maps
In februari 1906 en januari 1913 werd hakhout verkocht te Reuver in het Molenveld, de Oetskoel, het Reutje, den weg naar Kessel bij de Spaaswei en achter Bergerhof. Gezien de ligging bij de KESSELSEWEG kan wellicht worden gedacht aan een verband met de familie Dispa of De Spa, in de 18e eeuw eigenaar van hoeve de Oude Schei.
 
Speckenhof Smabers 9/174

Foto: Loe GiesenOp 23 augustus 1808 verkochten de weduwe Henri Bongaerts en erfgenamen een huis en landerijen aan Pierre L. Specken te Roermond, familie van de eigenaren van de Wilde Hoeve. Volgens de Smaberskaart uit 1781 lag het huis van Hendrick Bongaers langs de huidige ST.-LAMBERTUSWEG tussen de KESSELSEWEG en de PARKLAAN.De Nieuwe Koerier, 29 juli 1893. De erfgenamen Specken staan op de oudste kadasterkaart uit 1843 aangegeven als eigenaren van de hoeve.

In 1878 wordt de benaming Spekkenhof gebruikt voor de boerderij te Leeuwen. Pachter was op dat moment Hendrik Sloesen. Speckenshof werd in juli 1893 te koop aangeboden.

 
SPEENKRUIDWEG Smabers
Speenkruid of Ranunculus ficaria heeft een glanzend hartvormig blad en heldergele bloemen die in het voorjaar bloeien. In juni is de plant reeds op de wortelknolletjes na afgestorven.
Vastgesteld bij raadsbesluit van 25 juni 1979.
 
SPICK, HET Smabers 2

Foto: Loe GiesenDe benaming up der Spicken treffen we voor het eerst aan in een niet gedateerd dokument uit ca. 1600. In een akte uit 1606 wordt het Spick genoemd in een verdeling van de van dit veld afkomstige tienden. Tijdens een voogdgeding in oktober 1649 klaagde de landschrijver en schepen Peeter Quijten dat iedereen zomaar over zijn mestweg met karren mest naar het Obrockervelt reed. Op verzoek wilde hij eventueel aan degenen die land hadden op de Spick toestaan om de weg door de Becker Weijde te gebruiken om naar het Obrockervelt te rijden. In latere bronnen wordt melding gemaakt van land aan de Maas op de Spick (1708), op de Speek (1753) en op den Spick (1760). Op 20 september 1763 verkochten Joannes Nijssen en zijn vrouw Jenneke Slabbers een stuk land op het Spick gelegen tussen de moeshof van de weduwe van wijlen de borgemeester en de koster, met de korte zijden grenzend aan het openbare Kercken Voetpadt enerzijds en de openbare straat genaamd Op de Plaets (MGR. THEELENSTRAAT) anderzijds, aan De Collignon, heer van Nieuwenbroeck. Omdat het perceel onbelast moest worden overgedragen, werd de hypotheek op het land overgeheven naar een stuk land enkele tientallen meters westelijker, tussen den Kercken Voetpadt en den Processie- of Nabuurweg (KERKSTRAAT).

Foto: Loe Giesen

Met name in het stroomgebied van Maas en Rijn komt dit toponiem veelvuldig voor. De betekenis heeft mogelijk te maken met het Laatlatijnse 'spicarium', korenschuur of voorraadschuur. Net als bij veel andere toponiemen is het lidwoord 'de' later verdrongen door het onzijdige lidwoord 'het'. Blijkens de kaart van landmeter Smabers (1781) omvatte het velt het Spick in die tijd het gebied begrensd door Huijlbeeck, MGR. THEELENSTRAAT, MARKT, KERKSTRAAT en HUILBEEKWEG. Een akte uit 1791 noemt de weg Processiewech. In de eerste helft van de 20e eeuw werd de weg met deze naam door Beeselnaren algemeen aangeduid als 't Sjträötje.
Vastgesteld bij raadsbesluit van 23 juni 1975.
 
Spieker, de Smabers 8/60

Foto: Loe GiesenDe betekenis van deze boerderijnaam is net als bij HET SPICK terug te voeren naar 'graanschuur'. De geschiedenis van de eigendomsverhoudingen in de 16e en 17e eeuw is nauw verbonden met die van de eveneens omgrachte herenhoeve de Spick te Swalmen-Boukoul en wordt daar uitgebreider besproken. De boerderij werd mogelijk gebouwd door de familie Van Dursdael (zie ook: Einderhof). Naar deze eigenaren, die tevens de boerderijen de Einderhof, de Kamp, de Wilde Hoeve en de Zang bezaten, werd ze in de 17e eeuw ook wel Dursdaelshof genoemd. Daarnaast werd ze, naar voorbeeld van de aan de overzijde van de ROOZENDAELSEWEG gelegen Alde Kamp, ook wel aangeduid als Nije Kamp of Grote Kamperhof.

Reeds in 1566 wordt Arndt van Duirsdall genoemd als eigenaar van deze kapitale boerderij in Leuwen. Hij zou worden opgevolgd door Rabeth van Dursdael, gehuwd met Margriet van Beringen, met wie hij drie kinderen had: Rabeth junior, Arnold en Adriana.
Zoals blijkt uit een overeenkomst inzake erfpachtrechten van de broederschap van Beesel, woonde rond 1600 een jonker Arnold van Dursdal up der Spicken in Leeuwen. Het Hof van Gelder gelastte Arnoldt van Deursdael op gen Spicker op 17 februari 1603 om binnen drie dagen zijn achterstallig aandeel in de contributies te betalen, of anders de lasten te dragen die zouden voortvloeien uit de gevolgen van een weigering. De geërfden en schepenen van Beesel hadden geklaagd dat zowel Arnoldt als diens vader lange tijd de schattingen en contributies niet hadden betaald. Het kerspel was hierdoor nu verpand aan kapitein Deulcken te Straelen.
Tot tenminste 1617 wordt jonker Arnolt van Dursdaell op den Spicker genoemd. Hij overleed in 1624 en liet behalve zijn weduwe, Christina Rippen, vijf kinderen achter die in 1641 samen worden vermeld: de jonkers Dirick en Henrick van Dursdal, schoonzoon jonker Wolter van Broickhusen zum Bollerwerck gehuwd met Margarita van Dursdal, de nog ongehuwde Gertrud van Dursdal en schoonzoon Hendrick Ruijs, ontvanger van Zijne Majesteits licenten te Venlo, gehuwd met Anna van Dursdael. Gertrudis van Dursdael trouwde op 19 mei 1643 op het huis de Spick in Swalmen met Theodorus van Hillen.

In de loop van de 17e eeuw (vóór 1642) werd de boerderij op nog onbekende wijze eigendom van de advokaat Gerard van Lom en zijn vrouw Maria Malioni, in 1634 in Brussel getrouwd. Op een kaart uit 1661 staat de boerderij inclusief omgrachting aangeduid als 'den hoff van den raetsheer'. De bezittingen werden voortdurend uitgebreid, o.a. door de aankoop van hoeve de Walsberg in 1646 en door ruil van de Kamp in 1666. In datzelfde jaar overleed Gerard van Lom. Toch bleef de Spieker eigendom van deze familie, hetgeen blijkt uit het feit dat de kelk en de ornamenten van de nabij gelegen St.-Lambertuskapel in 1669 in de boerderij van Van Lom werden bewaard. De zonen Petrus en Bernard Albert van Lom traden rond 1680 op als zaakgelastigden namens de gemeente en geërfden. Bernard Albert was achtereenvolgens getrouwd met Anna Catharina van Gutteschoven, Maria Odilia Maroyen en Magdalena de Chatelain. Zijn zus Clara Apollonia was rond 1675 gehuwd met Balthasar Wijhers, mogelijk de vader van de bouwheer van Oud Waterloo. Naar de familie Van Lom werd de boerderij later Lomme hoff (1709) genoemd.

Op nog onduidelijke wijze kwam de omgrachte herenboerderij (wellicht via de familie Van Gutteschoven) in de loop van de late 17e of vroege 18e eeuw in bezit van Nieuwenbroeck. Bij een verdeling werd den Grooten Camperhoff samen met het huijs den Spickaert in 1747 toegewezen aan Godefridus de Haen. Zijn kinderen verkochten den Lommer hoff genaamd den Spijckert in 1772 aan de Haagse jonkvrouwe Maria van Schaedeberg. Drie dagen voor haar overlijden in 1781 benoemde zij de Roermondse vicarius (hulppastoor) Christoffel Leblanc tot haar enige erfgenaam. Hij verhuurde het herenhuis waarschijnlijk aan de Peter Josef Bernard Stuers en diens vrouw Petronella Alouisa de la Court, in 1790 genoemd als bewoners van den Camper Spicker. In 1793 was Leblanc, die bij de Roermondse schepen Lambert de la Court inmiddels zware schulden had met de boerderij als onderpand, nog eigenaar van het buytengoed het Spijker genaamt met daerbij gelegene pagthof. In 1798 weigerde Leblanc de door de Fransen verplichte eed af te leggen, waarop hij enige tijd voortvluchtig was. In 1806 woonde hij in Stevensweert.

Foto: Loe GiesenIn 1810 was de Spieker in ieder geval eigendom van de Roermondse bakker Peter Joppen, in 1786 te Roermond getrouwd met Cornelia Quyten. Christoffel Leblanc was doopgetuige voor twee van hun kinderen, zodat de overdracht mogelijk binnen de familie plaatsvond. In september 1831 overleed Peter Joppen en in januari 1832 werden de gebouwen verdeeld onder Maria Theresia Joppen en haar man Jan van de Kasteele, Joanna Maria en haar man Willem Reijnders, en Petrus Bruno en zijn vrouw Maria Anna Plucken. De oudste dochter ontving hierbij de grote stal en de schop. De andere dochter, gehuwd met Willem Reijnders, werd eigenaresse van het huis genaamd Groot Kamperhof met de daaraan vast liggende paardstal en het bakhuis. Zoon Bruno Joppen moest genoegen nemen met de schuur.
Van den Kasteele en zijn vrouw verkochten de schaapstal al na enkele jaren aan Mathias Niemans en Anna Maria Kielaers. In augustus 1839 brandde het huis van Niemans in Leeuwen af; kennelijk werd het toch nog herbouwd en deze familie bleef tot na de Tweede Wereldoorlog eigenaar van dit gedeelte van de Spieker. Het erfdeel van Bruno Joppen werd via vererving en huwelijk eigendom van de familie Van Denzen.

Foto: Loe GiesenDe familie Reijnders bleef na de deling van 1832 eigenaar van het hoofdgebouw van de Spikkert. In 1935 werd de boerderij door de familie Reijnders gesloopt en vervangen door een nieuw woonhuis.

Loe Giesen: De Spieker onder de familie De Haen (1735-1772). In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 9 (1989).
Loe Giesen: Want wat kun je nou, met 500 gulden... In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 25 (2005).

 
Spiekerzijweg Smabers 8
Verbindingsweg tussen KESSELSEWEG en ST.-JORISSTRAAT langs de rand van de Lommerbergen. Langs de oostzijde van de weg lag in de eerste helft van de 20e eeuw een leemgroeve (zie: Vossenkuil) waar de grondstof voor vele veldovens werd gewonnen. De leem werd vervoerd met behulp van een spoorlijntje. De zwavelhoudende rook van de steenovens, die vaak wekenlang brandden, was vaak van grote afstand te zien en zorgde voor een grote bossterfte in de direkte omgeving.
 
Spijker, de Smabers 2/123

Deze boerderij in Ouddorp was waarschijnlijk ooit eigendom van Gerhart van Hamerstein of Hemerstein (zie: Wildveld), in 1587 een van de geërfden van Beesel, schepen van Roermond van 1563 tot aan zijn dood in 1587, in 1569 gekozen tot zogenaamde 'gaffelmeester' in Roermond en raadsborgemeester in 1568. Jonker Gerhardt van Hammerstein en zijn vrouw Catharina Roeders verpandden in 1587 hun huis genaamd de Munt aan de Steenweg te Roermond gelegen. Van Hammerstein overleed in 1587. Op 20 maart 1592 werd een akte opgesteld over de helft van de Munt. Partijen hierbij waren Johan van Hammersteijn, abt te Sint Cornelis Munster, en diens broer Adam van Hammersteijn enerzijds, en anderzijds Derijck Coecx, Marcelis Coecx, Ryckaldt Stijns als man en voogd van Catheryna Coecx, als broers en zussen en erfgenamen van wijlen jonkvrouwe Cataryne Roders, de weduwe van Gerard van Hammersteijn.

Foto: Loe Giesen

Op 13 december 1646 verkochten de rechtsgeleerde Johan Stijns en diens echtgenote; Johan Numans en diens vrouw Jenneken Stijns; en Gerardt van Wanssum en Mettel Stijns de helft van Hamersteijns Hoff te Besell bij de kerk gelegen, zoals de drie partijen deze was aangedeeld, aan Peter Quijten, landschrijver (secretaris) van het ambt Montfort, en diens vrouw Maria Conix. De hof omvatte de helft van den Spijcker met schuur, boomgaard, moeshof en land bij de Schapsbruggen, op den Nije Macker, en op de Sanskuijle gelegen. Mogelijk was een van de eerdere eigenaren jonker Steyn 'woonende tot Thoor', genoemd in een lijst uit 1619.

Op 29 augustus 1662 verkochten de kanunniken Hermanus en Jacobus Cocx de helft van Hamersteenshoff, zoals zij deze hadden geërfd van hun ouders, aan Petrus Claessens, borgemeester van Roermond, en zijn vrouw Johanna Bisschops.
In 1666 werden beide helften weer samengevoegd. Op 29 juli 1666 verkochten de erfgenamen van wijlen Gordt Quijten en diens broer en schoonzus, de landschrijver Peeter Quijten en Maria Conincx, het vruchtgebruik van Maria, te weten de helft van de Spijcker met toebehoren, behorend tot Hamersteenshoff, zoals Peeter Quijten deze in 1644 had gekocht van de erfgenamenvan wijlen Reijner Stijns en Maria Cocx, aan Peeter Claessen, borgemeester en schepen van Roermond en diens vrouw Jenneken Biscobs.

In 1708 waren de Beeselse schepen Peter Quijten en zijn vrouw Elisabeth Beurskens eigenaren van een huis met schuur en brouwhuis in het dorp (Ouddorp) gelegen naast de boomgaard van de advokaat Claessens; mogelijk betreft het hier toch nog een deel van de Spijker.
Op 23 juni 1750 verkocht Maria Anna Claessens met toestemming van haar moeder Maria Christina Groninger, weduwe van wijlen Johan Hendrick Claessens, haar huis met schuur en stallingen genoemd den Spijker, gelegen in Beesel in het dorp tegenover de pastorie, voor een vriendenprijsje aan Johannes Gerets. Ondanks deze speciale prijs moest Gerets nog diezelfde dag een lening opnemen met den Spijckert als onderpand.

 
Spijkerskamp Smabers 2

Op de Smaberskaart (1781) vinden we de benaming Spijckers Kamp voor het gebied binnen Ouddorp, begrensd door OUDDORP en HUILBEEKWEG. Binnen dit gebied lagen twee huizen, namelijk de woning van Merten Rulkens en zijn vrouw Ida Lamers en de boerderij de Spijcker, eigendom van Joannes Geradts. Dit toponiem wordt ook aangegeven op de Rivierenkaart uit 1849.

 
SPOORKAMP Smabers 7

In oktober 1753 werd dit gebied ontgonnen heide nabij den Reuver voor het eerst genoemd in een overdrachtsakte. De aanstaande eigenaar zou de kamp op eigen kosten laten meten en in het boenderboek van de parochie laten opnemen. Van de huidige benaming kon op dat moment natuurlijk nog geen sprake zijn.

Plannen om reeds in 1846 een spoorlijn uit te zetten tussen Venlo en Roermond stierven een vroege dood. In 1857 probeerde men het opnieuw. Omdat ook deze initiatieven tot niets leidden, nam de regering op 18 augustus 1860 een wet aan, waardoor de aanleg van spoorwegen een staatsaangelegenheid werd. Begin 1862 mochten de gemeenten die aan het trajekt lagen hun op- en aanmerkingen insturen. De gemeente Beesel verzocht het station niet in Reuver te bouwen, aangezien die plaats te ver van de kom van Beesel en van de veerpont naar Kessel lag. De Raad stelde dan ook voor het station aan de HEERSTRAAT te bouwen. Kennelijk werd het verzoek niet gehonoreerd.

Na deze inspraakprocedure volgende eerst nog een onteigeningsprocedure; alle te onteigenen percelen werden gepubliceerd in de Staatscourant van 28 april 1863 (zie gekoppelde afbeeldingen a b c d). Hierna werd vanuit het zuiden begonnen met de aanleg van de lijn; in mei 1865 was de lijn tot in Reuver klaar en kon de versierde locomotief De Gelderlander tot hier rijden. In de loop van het jaar werd ook het verdere trajekt tot aan Venlo voltooid en op 21 november 1865 werd de lijn officieel in gebruik genomen, hoewel sommige bronnen ook spreken van 6 november.

Naar aanleiding van de komst van het 'ijzeren paard' werden enkele wegen verbeterd, waaronder  de verbinding van Swalmen naar Kessel via Beesel, de KESSELSEWEG (mede door Kessel en Helden gefinancierd), de weg van Beesel naar Reuver en de KEULSEWEG (voor het vervoer van hout naar het station).

Foto: Loe GiesenVanaf de aanleg van de spoorlijn is er alweer veel veranderd. Alleen een paaltje "SS" bij de spoorwegovergang over de Rijksweg herinnert aan de Staatsspoorwegen. Deze maatschappij veranderde op 1 januari 1938 in de N.V. Nederlandse Spoorwegen (NS).
Bestond de lijn aanvankelijk uit twee sporen, dit tweede spoor werd rond 1950 tussen Venlo en Roermond verwijderd, waardoor dit baanvak na de Tweede Wereldoorlog door de NS werd geschrapt als hoofdverbinding. Plannen om het oorspronkelijk dubbelsporige baanvak te electrificeren werden nooit uitgevoerd.

Een echt klantvriendelijke exploitatie van de spoorlijn is al jaren een groot probleem, mede door het ontbreken van een tweede spoor. Hierdoor kunnen kruisende treinen pas vertrekken zodra het baanvak wordt vrijgegeven.
Met ingang van 10 december 2006 is de exploitatie van de lijn Nijmegen-Roermond in handen van Veolia. Ondanks nieuwe treinstellen slaagt ook dit bedrijf er slechts bij uitzondering in om volgens de dienstregeling te rijden.

Vastgesteld bij raadsbesluit van 18 februari 1974.

Zie ook: Iezerpaedje en Roversheide.

Jan Ickenroth: Vervoer in Reuver en directe omgeving van 1865 tot 1900. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 7 (1987).

 
SPORTLAAN Smabers 10
Foto: Gemeentearchief BeeselZo genoemd in verband met de aanwezigheid van het sportpark De Dijcken.
Vastgesteld vóór 23 januari 1969.
 
Sprong, de  
De hoeve Sprong, waarschijnlijk gelegen in buurt Leeuwen, werd in 1878 bewoond door Gerardus Beurskens. Vermoedelijk wordt het pand sectie A 297 bedoeld, in 1843 eigendom van de weduwe Andries Beurskens.
 
Spurriekempke, 't Smabers 9

Blijkens een vermelding in de landmeting van 1654 behoorde het Sperghen Caempken reeds in het midden van de 17e eeuw tot de bezittingen van de Spieker, op dat moment eigendom van de rechtsgeleerde Gerard van Lom. In een ongedateerd stuk van na 1708 over inkomsten van de St.-Lambertuskapel vinden we het Spurie Cempken, modo den heere Gutsighoven. Arnold van Gutteschoven, in 1692 getrouwd met Beatrix Bosman, was door dit huwelijk van ca. 1715 tot 1721 heer van Nieuwenbroeck en kennelijk ook eigenaar van de Spieker. Volgens processtukken uit 1772 over deze inkomsten maakte het Spurrie Kempken ruim een eeuw later nog steeds deel uit van de Spieker. Spurrie of Spergula is een muurachtig gewas, gebruikt als veevoer.

In 1843 lag in dit perceel de woning van de weduwe A. Bloemers. In augustus 1880 werd het huis verkocht door L. Bloemers.

 
Stap, de Smabers 2/173
Vermeld in de vorm van de personen van Theisken an der Stappen (1592), Metgen ahn der Stap en Tilman an die Staep (begin 17e eeuw). Op 22 februari 1638 verkocht Thijs Daniels aen den Stap met toestemming van Thonis en Encken aen den Stap een huis en hof op de Platz gelegen tussen Gortt Cruitzbergh en Paulus Slabbertz en met de achterzijde grenzend aan het openbare voetpad aan Evert Ellens en Neesken Suilen.

Foto: Loe GiesenDe ligging blijkt niet ver van HET SPICK nabij Ouddorp. Op 11 oktober 1707 verpandde de weduwe Gretie Gerits aen den Stap huis, hof en boomgaard aan de Stap gelegen tussend de schepen Peter Quijten en schepen Jan Sanders en met de korte zijden grenzend aan de straat en aan de bemdjes. Op 1 februari 1741 verkochten Aret van Borren en Catharina Gijllen uit Roermond (maar beiden in 1715 in Beesel getrouwd) hun huis en hof met boomgaard en landerijen gelegen aen de Stap en bij de kapelanie, aan Hendricus Janssen en diens vrouw Elisabeth Arets. Deze verpandden het huis in 1744 om vervolgens in 1747 een huis op de Cruysberg te kopen. Een later vermelding van de Stap dateert van november 1761 en heeft betrekking op grond behorend bij het laatste huis vóór de LOSWALWEG. Op de Smaberskaart komt de benaming niet voor. Op 22 november 1779 verpandde Hendrick Tissen (in 1759 gehuwd met Catharina Quijten) het huis genaamd de Stap in de Kromstraat gelegen.

 
Stationsplein Smabers 12

Verzonden 1902

Benaming (1901) voor de huidige STATIONSSTRAAT. In hoeverre het gaat om een daadwerkelijk gebruikte naam of een bedenksel van de uitgever van de betreffende briefkaart, is niet duidelijk. De kaart werd uitgegeven door Albert Kugel uit Barmen bij Wuppertal (D).

 
STATIONSSTRAAT Smabers 12

Spoorweglegger 1875-1930. Foto: Twan Ernst, 2005.

Venloosch Weekblad, 9 november 1878Bij de aanleg van de spoorlijn in 1864-'65 (zie: SPOORKAMP) kreeg Reuver een station van de 5e klasse, het meest eenvoudige type stationsgebouw. Vermoedelijke ontwerper was de bouwkundige K.H. van Brederode. Al tijdens de bouw was er kritiek op de sobere bouwwijze: "Zij zijn de tijdelijke verblijfplaats van honderdduizenden en het mag ons niet onverschillig laten, hoe ze zijn gebouwd. En ook voor de bouwkunst is van groot belang, dat het talent van haar beoefenaars zich oefent op gebouwen, die later het beeld van onze eeuw weergeven". In de 125 jaar na deze uitspraak veranderde veel, maar het stationsgebouw bleef herkenbaar. Bij de halte kwamen al snel emplacementen voor het laden en lossen van goederen. In Reuver waren dat aanvankelijk dakpannen, later ook gresbuizen.

Met ingang van 1 augustus 1866 werden op veel stations van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, waaronder ook die te Swalmen en Reuver, rijkstelegraafkantoren geopend voor een breed publiek. Voor een eenheidstarief van fl. 0,50 kon men berichten tot 20 woorden versturen binnen een groot gedeelte van het land. De invloed van het nieuwe station en de telegraaf reikte al verder dan alleen Reuver. Al op 3 februari 1869 kreeg Felix van Wylick, koopman en aannemer in Kessel, vergunning voor de aanleg en het gebruik van een '"electrischen telegraaph tusschen zijne woning aldaar en spoorwegstation Reuver".

Foto: Loe GiesenEen schrijver omschreef zijn bezoek aan Reuver in 1879 als volgt: Station Reuver ! - Wij worden afgezet bij een nietig dorpje, dat naauwelijks een halt aan den spoorweg zou behoeven en ook geen middelpunt van een digt bevolkte landstreek is. Ons komt het station uitnemend te stade en ook aan Kessel komt het ten goede... 't Product der groote bierbrouwerij, waarop Reuver roem draagt, is ons geenszins onwelkom en wij hebben overvloedig tijd, het te keuren, terwijl wij in de wachtkamer van 't station den trein naar Roermond verbeiden. Tevens kunnen wij opmerken, dat toch inderdaad een station alhier geen weelde schijnt, want allengs vult zich de kamer met wachtenden als wij.

Al in 1890 was sprake van plannen om het gebouw uit te breiden. Het bleef kennelijk bij plannen. In 1911 werd de linkervleugel van het gebouw flink uitgebreid, maar dit gedeelte werd in 1992 weer gesloopt.

In december 1897 werd het plan opgevat "om het verbindingsstraatje van den Rijksweg met den gemeenteweg, die van het station komt, te verbreeden en er grindweg van te maken. Tevens: dat de genoemde weg komende van het station, gedeeltelijk bekiezeld en aan weerszijden met boomen beplant werden, verder zoodanig zal doorgetrokken worden, tot aan den nieuwenweg, die van hier naar de Duitsche grens loopt". De straat kreeg met de nieuwe beplanting extra alure. Op 11 augustus 1912 gaf de harmonie van Swalmen onder leiding van dirigent Paul Guillaume een concert in de Stationslaan.

Rond 1912 werd hotel café Central, eerder uitgebaat door G. Linssen, overgenomen door G.A. (August) Rollbröcker. Deze liet het hotel eind 1913 uitbreiden naar een ontwerp van architect André Holten uit Blerick. In 1923 werd Rollbröckers vergunning voor de verkoop van sterke drank ingetrokken omdat hij al ruim een half jaar niet meer in het hotel woonde en de bedrijfsvoering overliet aan A. van Dijck. De vergunning kwam daarna op naam te staan van L. Schrijvers, die een café dreef in de buurtschap Leeuwen.

Stationstraat Reuver

Op 1 maart 1995 werd op het pleintje voor het station een herdenkingsmonument onthuld met de titel Vooruitgang 1945-1995. Het oorlogsmonumentje moet een blijvende herinnering zijn aan de vijf oorlogsjaren en een symbool voor een toekomst in vrede.

Foto: Loe Giesen

Foto: Loe GiesenFoto: Loe GiesenEind 2006 verkocht de Nederlandse Spoorwegen het gebouw aan zakenman Joan Westendorff, tevens directeur van Jalema b.v. Begin 2008 werd gestart met een ingrijpende restauratie en verbouwing, waarbij o.a. aan de zuidzijde een glazen trappenhuis werd toegevoegd. Oude details werden behouden of weer hersteld. In het fraai gerenoveerde gebouw werden een brasserie en een multifunctionele vergaderruimte ingericht met de toepasselijke naam De Vertraging.

Vastgesteld na een voorstel van 25 juni 1934.

 
Steeg, de Smabers 1, 3

Dit toponiem vinden we de eerste eeuwen vooral overleverd in de personen van bijvoorbeeld Henrich van der Stigen, leenman van Johan van Kessel (1328), Gerit van der Stege (1468), Joist van der Stiegen (1551) en Denys in den Steegh (1622).
Op 12 februari 1622 verkochten Goerdt van Mueckenbroeck en zijn vrouw Lisken in gen Steege hun boerderij met 3 morgen land, gelegen tussen Herman in gen Steegh en de kinderen van Gerart Gubbels, aan Johan Keupers en diens vrouw Derixsken. Ruim een maand later probeerde Jan in gen Steege deze verkoop op basis van zijn beschudrecht als naaste bloedverwant ongedaan te maken; deze poging mislukte echter door geldgebrek.
Volgens een akte uit 1626 lag de Stiege naast landerijen van de families Vaessen en Ketelbeuters.
Op 15 oktober 1627 verkochten Lenardt Scheidtmeckers en diens dochter Aeletgen hun vruchtgebruiksrechten van de halve schuur inclusief de plaats en opgaande bomen aen gen Steegh gelegen aan Korsten Keupers up gen Steijgh en diens vrouw Geritgen.
Op 4 januari 1651 werden Jan Gubbels en consorten door Nieuwenbroeck beleend met Gubbelsgoedt, daer mede in begrepen is die Stege. Landmeter Keullen noteerde in 1654 o.a. huis en schuur van Enghel den Cuyper op die Steghe. In dezelfde landmeting is tevens sprake van land aen het Steyghe valder tot Reijckell.
Op 12 december 1672 werden de goederen van Denijs in de Steyge en diens echtgenote, bestaande uit huis met koolhof en een stuk land in de Steege gelegen alsmede het recht van 'rottieringe', door de erfgenamen van wijlen Gerit Gubbels en Neulken Hors bij openbare verkoop bij opbod verkocht aan Jacobus Wilhelm.
Op 6 april 1673 verkochten Claes aen gen Hort, mede namens zijn minderjarige en in het buitenland verblijvende zus en namens zijn vrouw Lindertien Oesenwaldt, en Corst aen gen Hort, nog ongehuwd, hun kindsdeel van huis en hof te Rijckel in de Stiegh gelegen aan Peter Gerits en Anneken Bongarts.
Op 17 februari 1683 werd een huis op de Stegh te Rijckel op last van de gemeente openbaar verkocht aan Hendrick Slabberts en Guertien Gerits.

Foto: Loe Giesen

In 1786 werd een huis en hof te Rijkel op de Steeg, gelegen tussen dat van Joes Trippen en Peter Slabbers, verkocht. Deze plaats komt volgens de Smaberskaart (1781) overeen met het huis van Lamert Lamers op de huidige plaats van het huis van de familie Nijskens (Historische Groententuin) op de hoek van RIJKEL en de weg naar de Aoleberg. In de achtergevel van deze woning zien we nog de vlechtingen van de oude bouw.
Achter deze woning werden in de 80er jaren tijdens een opgraving een fundering van maaskeien en vele resten van Romeinse dakpannen gevonden.

In een akte uit 1748 (zie: Praselers Camp) wordt de benaming de Steegh gebruikt voor het oostelijke gedeelte van de WATERLOSEWEG ter hoogte van de spoorlijn.

De huidige Kasteelweg vanaf de nieuwstraat tot aan de Huilbeek wordt door oudere Beeselnaren ook 't Sjteegske genoemd.

 
Steenovens, aan de  
Tussen 1870 en 1893 verkocht de Gemeente Beesel diverse malen hout aan de Steenovens in het Broek te Beesel. In een advertentie uit 1893 blijkt het om het Turfbroek te gaan. Resten van deze steenovens zijn nog steeds te vinden tussen de boomstronken van populieren die hier later werden aangeplant. Het betreft vooral het gebied tussen EIKENBROEKLAAN, SCHOOLBROEKDWARSWEG en Baxhoeverweg.
 
Steenruts, de Smabers 8
Benaming de Steenruts (1832) voor een perceeltje bouwland behorend tot de boerderij de Spieker in Leeuwen. De ligging komt mogelijk overeen met een gedeelte van de Lommerbergen ten oosten van de Spiekerzijweg.
 
STEENSTRAAT, JAN Smabers 10

Zelfportret Jan Steen (1670)Jan Steen (1626-'79) schilderde vooral volkstaferelen met een vaak moraliserende strekking. Daarnaast schilderde hij ook bijbelse en mythologische stukken.

Vastgesteld bij raadsbesluit van 28 november 1966.

 
Steenweg Smabers 13

In plaats van de benaming PRINSENDIJK treffen we in archiefstukken tot in de 18e eeuw vooral het toponiem Steenwech aan, sus Koninck Kaerle wech genant (1538, 1539, 1541) of den Schienweg den man noempt Koninck Karls wech, unnder den Hohenn Stall (1551). Met name in het midden van de 16e eeuw was deze grens tussen Gelre en Gulik het onderwerp van gesprek, zodat we goed geïnformeerd zijn over de benamingen langs deze vroegere Romeinse weg.
In 1552 vroegen de inwoners van Beesel, Belfeld en Geloo toestemming om gedurende de winter vanwege de hoge waterstand in het Merlenbroick hun hoornvee over Koningh Carls wegh in de Brachterbuisch te drijven. De inwoners van Bracht, Kaldenkirchen en Born maakten hiertegen echter bezwaar, waarna werd overeengekomen dat de Beeselnaren hun hoornvee van november tot half maart op enkele plaatsen over de PRINSENDIJK mochten drijven, namelijk vanaf den groissen Eicksberch onder de hoeve zu Amersloen via de Bluxstock beneden Putraede tot aan die Twen Siepen, en wel zó dat die Bensselinck links werd gelaten. Deze weide was voor het Beeselse vee verboden terrein. Vanaf de Twen Siepen reikte de weidevergunning tot aan den Vief Eicken.

Loe Giesen: De strijd om de gemene gronden in het Gelders-Guliks grensgebied 1455-1552. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 15 (1995).
Loe Giesen: De strijd om de gemene gronden in het Gelders-Guliks grensgebied 1550-1585. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 16 (1996).

 
Steijl, de Smabers 1
Reeds in 1368 werd Emont van Wildenraede, leenman van de hof Tgen Raede, door de graaf van Bentheim beleend met onder andere het visrecht op de Maas bij Beesel. Dit vissen gebeurde veelal met behulp van vistrappen. In 1472 was een gedeelte van die steijl mitte vischerijen eigendom van de familie Van Holtmolen. Volgens akten uit de 15e tot 17e eeuw bezaten ook de eigenaren van de Hof te Leeuwen een steijl op de Maas.
In 1629 werden Jan Sluijsen en zijn vrouw Bardt Quijten eigenaren van land gelegen op de Steijl tussen de Maas en de Rijckelerwegh. In 1632 werd de nalatenschap van Ott Kemerling verkocht, waaronder 1½ morgen gelegen op de Steijll te Biesel met de korte zijden grenzend aan de Maas en de Rickelerweg en tussen wijlen Johan en Goerdt Quiten enerzijds en Henrich Schlousen anderzijds. Dit betekent dat de Beeselse steijl ten zuiden van Ouddorp lag.
 
Stenen Brug  
Op 14 december 1885 verkochten de kinderen van Gerard Smeets bouwland aan de Steenenbrug (sectie D 631 en 914). Het betreft de brug over de Schelkensbeek.
 
Sterrenbos Smabers 7/20

Foto: Loe GiesenHet Sterren Bosch was volgens de Smaberskaart in 1781 eigendom van scholtis Van der Renne. Deze was tevens eigenaar van het Jagershuis. Sterrenbossen waren in de 18e eeuw tamelijk populair; we zien ze dan ook veelvuldig op bijvoorbeeld de Tranchotkaart uit het begin van de 19e eeuw. Op deze kaart staat het bos in Beesel onjuist vermeld als Stervenbos.

 
STERRENBOSWEG Smabers 7
Genoemd naar het Sterrenbos.
Vastgesteld bij raadsbesluit van 25 juni 1979.
 
Stert, de Smabers 1/19
Voor het eerst vermeld in 1657 als 't Maesstertgen. Dit toponiem grindt den Stert staat vermeld op de Smaberskaart (1781) voor een bijna 9 morgen grote langgerekte aanwas of grindt, eigendom van de gemeente, gelegen tussen de Maas en de Drakenweg, waarin zich een waterplas bevindt als restant van een oude dunne Maasmeander. Dit moerassig gedeelte van de oude maasloop is nog steeds te zien.
 
Stienekempke  
In 1816 verkochten Jean Tûbee, schoenmaker gehuwd met Christine Peters, beiden wonend te Stevensweert, circa 44 are akkerland en bos onder de gemeente Besel gelegen, genaamd Stiene Kempke, grenzend aan de weg (N en O), Janssens (Z) en Trines (W), afkomstig uit de patrimoniale goederen van Christine voornoemd, voor een bedrag van 100 francs aan Henri Dings en Helena Heijnen, echtelieden, landbouwers te Beesel.
 
Stockmansgoed  
Dit goed heette eerder vermoedelijk Ketelbeutersgoed (zie aldaar). In 1627 nam Nelis Vischer van Asselt bezit van huis en hof te Busserendt, zoals deze waren nagelaten door Lem Ketelbeuters. Enkele weken werd hetzelfde gedaan door Driess Hermes uit Maasbree. Uiteindelijk werd echter Maes Stockmans uit Asselt op 15 juli 1628 beleend met Ketelbeutersgoed. Volgens een vermelding van 16 augustus 1644 lag een van de andere boerderijen van Nieuwenbroeck, beleend aan Thisken, de zoon van Jencken den Vorster, tussen Stockmans goed en Cuypers goed in Bussereind.
 
Stokskensweg  

Het toponiem Stoxkenswech of Stocxkenswech treffen we aan op schetsen van een gedeelte van het Meerlebroek, beide daterend uit de tweede helft van de 17e eeuw. De ontoegankelijkheid van dit moerassige heidegebied maakte het kennelijk op deze plaats noodzakelijk om dit weggetje te versterken met knuppels. Dit soort knuppelweggetjes komt reeds vanaf de prehistorie voor; in bijvoorbeeld de Belgische Ardennen kunnen we ze nog steeds aantreffen.

Als we de schets over de huidige situatie leggen, blijkt deze toch nog redelijk nauwkeurig te zijn. De weg liep vanaf de HOGE KANTWEG bij het Beesels Broek naar grenspaal 426 (de Vijf Eiken). Bij het oudt valckenvangershuyken (kennelijk gelegen ter plaatse van de huidige HEIDENHEIMSEWEG) maakte de weg een knik.

 
Stoutenborg Smabers

Stoutenborg, 12 mei 1948.Wat tegenwoordig wordt aangeduid met de benaming Jagershuis, werd tot na de Tweede Wereldoorlog Stoutenborg genoemd. In 1799 verkochten Charles van de Renne, wonend te Brussel, en zijn vrouw M. Roelants hun nieuwe hoeve genaamd Stoutenburg, bestaande uit huis, stallen, koetshuis, moestuin en boomgaard op de Reuverse Heide gelegen en grenzend aan het Welskensven, gepacht door Piere Peeters, alsmede een sterrenbos en enkele tientallen morgens land o.a. op de Bakheide gelegen voor een bedrag van 4.000 francs aan Henri Joseph Michiels. In 1939 verkocht jonkheer van Nispen tot Sevenaer hout gelegen bij Stoutenborg.

 

Foto: Loe Giesen

 
Straffenkamp Smabers 4/16
Waarschijnlijk was dit perceel eerder eigendom van Jan Straffen, vermeld in 1741. Op 23 april 1777 verkochten Jaspar Servais en Elisabeth Straffen een perceel akkerland genaamd de Straffens Kamp alsmede enkele tiendrechten aan de Roermondse kanselier Tackoen en zijn vrouw. Op de Smaberskaart (1781) vinden we de benaming Straffen Camp voor een perceel ten oosten van de BURGEMEESTER JANSSENSTRAAT, precies tegenover de Caeffertweg, inderdaad eigendom van kanselier Tackoen. Zijn weduwe Elisabeth Maria van der Renne verpandde de Straffenkamp in 1790. De goederen van de weduwe Tackoen werden in 1826 gedeeld tussen de families Van de Renne en Michiels van Kessenich.

Zie ook: Bakhei en Cruysberg.

 
Strouckensweg Smabers 4

Foto: Loe GiesenDeze weg heet meestal BERKENHUTWEG. Genoemd naar de familie Stroucken, geruime tijd de bewoners van de hier gelegen hoeve de Bakhei (zie aldaar) of Strouckenshof.

 
Stroukesberg Smabers 3
Benaming voor een perceel ten noorden van de Nieuwe Kamp (zie aldaar), behorend tot gemeentegronden die in 1874 werden verkocht en derhalve als zodanig ingetekend op een landmeterskaartje door H. Dupont.
 
Strueckengoed  
Het Nieuwenbroeckse laatgoed genaamd Strueckensgoedt werd op 1 juli 1628 verheven door Tulmen Heijens alias Hartstruijcks. Struijckengoedt wordt voor het laatst vermeld in een akte uit 1629.
 
Struikweg Smabers 9 en 10
Foto: Loe GiesenDeze zandweg loopt haaks op de RIJKSWEG en parallel aan de KLAASHOFWEG vanaf de Oude Weg richting Varensweg naar de Maas. De naamgever zal zijn geïnspireerd door de plaatselijke begroeiing.
 
Swalm Smabers 3

Foto: Loe Giesen

De Swalm ontspringt in een moerasgebied nabij het Duitse plaatsje Tüschenbroich en zoekt zich van hieruit over een lengte van ruim 30 km een weg naar de Maas. De laatste honderden meters, vanaf ROOKHUIZEN tot aan de monding, vormt de sterk meanderende rivier tevens de gemeentegrens tussen Swalmen (vanaf 2007 gemeente Roermond) en Beesel. 'Swalm' is een oud Nederlands woord voor 'kolk' of 'stroomversnelling'. Net als veel andere woorden van Germaanse oorsprong met een beginklank 'zw..' heeft het woord associaties met een slingerende beweging; vergelijk bijvoorbeeld zwaaien, zwabberen, zwalken, zwemmen, zwenken, zwermen, zweven, zwiepen, zwieren.
Behalve als grensafbakening is de Swalm nooit van veel betekenis geweest voor de gemeente Beesel.
In de zomer van 1702, tijdens de Spaanse Successie-oorlog (1701-1713) legden Franse troepen bij Rijkel aan de monding van de Swalm twee schipbruggen over de Maas. Enkele 18e eeuwse kartografen geven bij de monding van de Swalm zelfs een klein fort aan.
In de periode die volgde op deze oorlog, tot de komst van de Fransen in 1795, vormden de laatste kilometers van het riviertje zelfs de grens tussen de Oostenrijkse (Swalmen) en Staatse Nederlanden (Beesel). De Swalm bleef al die tijd veranderen, zoals een bezoek aan het bat en de aanwas aan de monding van de Swalm uit 1731 laat zien.

Zie ook: Aoleberg en de Copel.

 
Swalmerweg Smabers 3
Deze benaming werd tijdens de voorstellen inzake straatnaamgeving van juni 1934 in eerste instantie voorgesteld voor (een gedeelte van) de huidige BURGEMEESTER JANSSENSTRAAT. Vermoedelijk was dit de gangbare benaming in de volksmond.
 
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
 
© Loe Giesen, Reuver 1983-2017