Tussen Maas en Meerlebroek - Toponiemen in de gemeente Beesel
 
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
 
Oe of Ohe Smabers 9

Foto: Loe Giesen

Zie: Ohe.

 
Oeberg Smabers 9

Een toponiem waarvan slechts weinig vermeldingen bekend zijn. In 1622 vond de verkoop plaats van een huis, waarschijnlijk gelegen tussen de Onderste Hof en de Grote Hoeve (Belfeld), inclusief land in het Molenveld (Offenbeek) en op de Oeberch nabij land van de Klaashof. Het ligt voor de hand dat deze hoogte grensde aan het Maasveld (de Ohe).

Landmeter Keullen noteerde in 1654 land op Buesdaell thessen die banne (baan, weg) ende Ooeije Berghe. Op basis van deze beschrijving moeten we hier eerder denken aan de Bercken. Landmeter Smabers noemt de Bercken in 1781 inderdaad de Ohe Bergen.

 
Offenbeek  

De vroegste vermelding van dit toponiem dateert uit 1294 in de persoon van Gerardus van Offenbeck, schout van Venlo en ambtman van Krieckenbeck. In een akte uit 1382 is voor het eerst sprake van Offenbec als plaats. Hiermee werd in die tijd een aanzienlijk groter gebied aangeduid dan tegenwoordig, dat zich uitstrekte tot aan de Maas. Zo lag ook de Onderste Hof in 1427 in Offenbeck, drie jaar later Offenbeick genoemd. Hetzelfde gold voor die moilen tot Offenbeeck (1403) of Offenbecke (1407), die tot de Hof te Leeuwen behoorde. De molenaar van deze watermolen woonde waarschijnlijk in een boerderijtje beneden aen den berge (1440), eigendom van de Onderste Hof. In latere akten wordt het gehucht o.a. Offerbeick (1541) Oefferbeeck (1549), Offenberg (1578), Oeffenbeck (1580), Oofenbroick (1590) en Offenbeckh (1598) genoemd.

Op 13 augustus 1567 verkochten Tilman en Kuen Noen, de kleinkinderen van Teel Noen, hun boerderij te Offenbeck gelegen naast de hoeve van de Kruisbroeders aan Peter Dorssers en diens vrouw Lenicken. In 1593 verkocht Herman Kremer met toestemming van zijn vrouw Thrincke zijn huis en hof te Offenbeck, gelegen tussen de twee openbare wegen en grenzend aan de landerijen van de Klaashof, aan Wilhelm Reutters (de molenaar van Ronckenstein) en diens vrouw Aeletgen.

Op 2 juni 1698 verkochten Cornelis Jacquet en Willem Hendrick als voogden van Elisabeth Janssen, de minderjarige dochter van wijlen Hendrick Janssen, een half huis met toebehoren te Offenbeck gelegen aan Gerit Janssen en diens vrouw Elisabeth Ruyvers. Mischien betreft het hier de voorganger van de witgepleisterde woning van 'Sjeng van Siep', in 1781 eigendom van Willem Janssen junior.

De erfgenamen van wijlen Willem Stoffers verkochten in november 1721 hun vervallen huis te Offenbeeck gelegen aan Corst Vosbeck en Neesken Croonen.

Op 26 mei 1766 werd de openbare verkoop aangekondigd van de nalatenschap van Lennard Thijssen, waaronder diens huis en hof te Offenbeck. Onbekend is, of deze verkoop ook doorging; in 1781 was Willem Thijssen eigenaar van het huis genaamd den Kivit.

De aanleg van de spoorlijn in 1865 en de bouw van fabriekcomplexen tussen Reuver en Offenbeek vanaf ca. 1890 waren er de voornaamste oorzaken van dat Offenbeek geografisch geïsoleerd raakte van de andere kerkdorpen.

Het ligt niet voor de hand dat het toponiem iets te maken heeft met een beek (zie ook: De Wasch). Niet alleen de oudere schrijfwijzen wijzen op een uitgang 'beck'; ook nu nog wordt de plaatsnaam in het dialekt uitgesproken als 'óffebek' (vergelijk o.a. Hinsbeck, Krieckenbeck, Walbeck). Mogelijk is de uitgang van het woord verwant aan het Latijnse 'baccinum': bekken of schaal. Voor het eerste gedeelte van het woord behoren associaties met 'open' (Oudhoogduits 'offon') tot de mogelijkheden. Het meest voor de hand liggend is een betekenis 'open vlakte'.

De Fransman Tranchot en de Duitser Von Müffling noteerden de plaatsnaam in het begin van de 19e eeuw ten onrechte als Offenberg.

Prof. Dr. M.J.H.A. Schrijnemakers: Toponiemen uit het Maas- en Swalmdal: Offenbeek. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 18 (1998).

 
Offenbeek, molen van Smabers 10
Google Maps

Deze molen lag aan de Schelkensbeek, stroomafwaarts van het in 1865 aangelegde spoorviaduct, waarschijnlijk aan de rand van wat nu het Foekebroek heet. Al in 1369 wordt een zekere Henneken Molener genoemd. Die moilen tot Offenbeeck (1403) of Offenbecke (1407), een Gelders leengoed, behoorde tot de Hof te Leeuwen, na 1424 ook wel Buerense Laathof genoemd. In 1403 gaf Johan die Roever de molen samen met de rest van de laathof over aan zijn zwager en schoonzus Henrick van Wisgel en Catryn van Brede, voor wie hij in 1394 ook als eens de leeneed had afgelegd. De laten, een soort lijfeigenen, moesten oere koeren ind gemale maelen in doen maelen to Offenbecke die den hoeff van Lewen toebehort. Een dergelijke molen werd dan ook wel een banmolen genoemd.

In 1424 werd de Schei, lange tijd het middelpunt van de laathof, afgescheiden van de Hof tot Lewen, die eigendom werd van de familie Van Bueren uit Arcen (zie: Buerense Laathof).

In het midden van de 15e eeuw was Gaert Coninck bijgenaamd Gaertken Moelener hier molenaar, Zijn dochter Bely, gehuwd met Gerrit Krebbens, werd in 1461 na het overlijden van haar vader rechtstreeks door de hertog van Gelder beleend omdat de familie Van Bueren dit niet wilde doen. Omdat deze familie niet in de omgeving woonde, werden haar belangen in de 16e eeuw behartigd door de families Roffaert en Van Baerle. In 1556 legde Thomas Tybe.. op verzoek van Derick van Wylick, de voogd van Otto van Bueren, zoon van wijlen Johan van Bueren, de leeneed af van de molen to Offenbeek met toebehoren. Al een jaar later was Otto overleden en werd de eed afgelegd door zijn zoon Wolter. In het midden van de eeuw werd de molen gepacht door Heinrich Slabbertz. Naar hem werd de molen op het eind van de eeuw ook wel Slabbertsmolen genoemd. De omstandigheden op het eind van de 16e eeuw waren niet bepaald gunstig; Willem Reuter, de molenaar van Offenbeek, kon de pacht dan ook nauwelijks voldoen. De landerijen werden tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) maar gedeeltelijk bewerkt en de gebouwen werden niet meer gerepareerd. Tijdens het beleg van Venlo (1586) werd zelfs helemaal niet gemalen. In 1590 was de molen dan ook bouwvallig. Ook Wolter van Buren, heer van Calbeck en drost van Goch, kon de in 1429 door een van zijn voorvaderen aangegane verplichtingen niet nakomen en jonker Arnold van Dursdael, de eigenaar van de Spieker, liet door de schepenbank beslag leggen op de laten ende moulen. Van Buren protesteerde hiertegen, omdat de molen een Gelders leengoed was waarover de schepenen geen enkele bevoegdheid hadden.

Op 28 november 1616 werd Otto of Otthonis van Bueren na het overlijden van zijn vader Wolter, mede namens zijn vier broers Johan, Joachim, Adolph en Raba en zijn zussen Elborch en Ida, door de hertog van Gelder beleend. Hij werd na zijn dood op 1 juni 1624 opgevolgd door Derick Patientie als gevolmachtigde van Adolph van Bueren en nog op 1 juli van datzelfde jaar door de rechtsgeleerde Joan Holtbecker namens Johan van Bueren. In plaats van door diens erfgenamen werd de leeneed van de Molen tot Offenbeek, gehorende in den hof to Leeuwen, op 2 december 1637 afgelegd door Willem Pipers.

In 1645 werd de molen, inclusief de laten en de visserij onder Beesel in de Maas, verkocht aan jonker Willem van Merwijck, heer van Kessel. De laten hadden het inmiddels bijna allemaal laten afweten en lieten hun graan elders malen. In 1671 liet de heer van Kessel beslag leggen op de grond waarop de onderste meulen onder Offenbeeck had gelegen, omdat erfpachthouder Abel Vossen uit Roermond de jaarlijkse pacht van 5 malder rogge en 5 kannen olie niet had betaald. De Beeselse schepenbank veroordeelde Vossen, die prompt tegen het vonnis in beroep ging omdat de schepenen helemaal geen uitspraken mochten doen over het Gelders leengoed. Hij en zijn ouders hadden nooit gehoord van deze erfpacht en de molen was al jaren een ruïne. In 1676 was nog slechts sprake van eene meulen tott Offenbeeck, geruïneert voor veele iaeren. Abel sloot een overeenkomst met de weduwe van Willem van Merwijck waarbij hij de plaats van de Offenbeeckse onderste moelen, genaamd den Moelendyck, inclusief wijhers en houtgewas plus het molenrecht overdroeg aan de familie Van Merwijck. Na het overlijden van Willem van Merwijck liet de minderjarige Caspar van Merwijck door zijn plaatsvervanger of 'hulder' Joachim Naus op 2 mei 1676 de leeneed afleggen; op 21 maart 1681 was hij meerderjarig en legde hij de eed ook zelf af. In 1697 maakte Caspar van Merwijck gebruik van zijn molenrecht. Hij gaf toestemming aan Neesken Cruysberg en Hendrick Bongaerts om de molen te herbouwen op dezelfde plaats. Van Bodinckhuysen, rentmeester van de Buerense Laathof, trof ter plaatse nog 8 of 9 grote palen en planken van de molen aan en twijfelde er niet aan of bij het bouwen van de nieuwe molen zou nog wel meer van de oude gebouwen worden teruggevonden.

In 1698 werd de molen herbouwd, waarna Jaeck Ronck, borgemeester van Tegelen en eigenaar van de boerderij Op den Bergh, een aanklacht indiende omdat zijn landerijen door de aanleg van de molen dreigden af te kalven of overstroomd te worden. Neesken Cruysbergh, eigenaresse van de Offenbeeckse moelen, diende in 1699 een klacht in bij de Thesaurier Generaal (algemeen rekenmeester) te Brussel omdat de laten die in Belfeld en Geloo woonden hun graan op de Gulikse molens van Malbeck en Holtmühle lieten malen. Een verbod dat twee jaar later werd uitgevaardigd, waardoor de grensbewoners van het Overkwartier van Gelder niet langer op Gulikse molens mochten malen, kwam waarschijnlijk te laat; in februari 1699 kocht Neeske samen met Willem Willems de stroomopwaarts gelegen molen van Ronckenstein. Met van Merwijck werd waarschijnlijk een schaderegeling getroffen wegens de wederopbouw van de molen in het Foekebroek, die nooit meer werd gebruikt.

De molen bleef echter van belang als leengoed, zoals blijkt uit een belening van 9 mei 1701. In 1704 brandden Engelse legertroepen op weg naar Maastricht een huis en een molen af en berokkenden de gemeente veel schade. Vermoedelijk werd hiermee het definitieve einde van de molen bezegeld. Op 28 maart 1728 legde A.T. Junckers, die later met de vrouwe van Nieuwenbroeck zou trouwen, als gevolmachtigde van Elisabeth Anna geboren barones Van Lijnden, de weduwe van Caspar van Merwijck, de leeneed af.

 
Offenbeker Bemden  

Foto: Loe GiesenUitbreidingsplan globaal begrensd door INDUSTRIESTRAAT, OFFENBEKERWEG, BROEKLAAN en SINT ANNASTRAAT. In de eerste plannen voor naamgeving werd vooral gekozen voor namen die betrekking hadden op duurzaamheid. Daarna werd toch gekozen voor één naam voor het hele gebied.
Tegenwoordig vinden we in dit gebied de straatnamen OFFENBEKER BEMDEN, VEENMOS, SNAVELBIES, ZONNEDAUW en LAVENDELHEIDE.

Sjra Vintcent: Rondom het Oud Limburgs Schuttersfeest 1999 in Reuver-Offenbeek. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 19 (1999).

 
Offenbeker Kerkweg  
Volgens een akte uit 1618 lag de Offenbecker Kirckwegh langs het Raetgen niet ver ten noorden van buurt Leeuwen.
 
Offenbeker Lijkweg  
De preciese ligging van deze Offenbecker Lijckwech, vermeld in een akte uit 1623, is niet bekend. Mogelijk betreft het de huidige KEULSEWEG.
 
Offenbeker Maas Smabers 9

Foto: Loe Giesen

In 1717 wordt een weiland genoemd, gelegen op de Offenbekermaas te Beesel. De vermoedelijke ligging is in de omgeving van de MAASSTRAAT en de monding van de Schelkensbeek.

 
Offenbekermarkt Smabers 10

Foto: Loe Giesen

Wanneer de buurtschap Offenbeek ontstaan is, is niet bekend. In de oudste akten heeft de naam meestal betrekking op het gebied rond de Klaashof. Dit neemt niet weg dat er waarschijnlijk reeds vele eeuwen een groepje huizen stond rond de huidige markt.
Engel Thijssen en zijn vrouw Elisabeth Driessen verpandden hun huis met toebehoren te Offenbeck gelegen tussen Lins Vosbeek en de weg, dat eerder van Peter Thijsse en Helena Vosbeek was geweest, op 28 februari 1757 aan Areth Gerits. Op 23 juni 1760 verkocht Hendrikus Tijssen een huis met schuur en stallingen te Offenbek gelegen aan de heide tussen de landerijen van Lins Vosbeek en Poulus Smeets voor 400 gulden plus drie korven met bijen aan Tulmen Killaerts en diens vrouw Helena Wilmsse.

Op de Smaberskaart treffen we de benaming Offenbecker Merckt aan voor een vrij grote markt die naar het oosten vrijwel geheel open was. Deze markt werd ongeveer begrensd door de PATER CLARETSTRAAT, OFFENBEKERMARKT, PASTOOR CEIJSSENSTRAAT, BEUKELSTRAAT en KEULSEWEG. Aan de westzijde lagen vier huizen, eigendom van resp. de erfgenamen van Geurt Hox en Mechtildis Reijnders, Joost Kessels, Godfrid Vosbeeck en Thiel Killaers. Aan de oostzijde lag enkel het huis van Gerit Peters. Aan de zuidzijde van de KEULSEWEG woonden Linnert Houben (gehuwd met Petronella Janssen) en Joannes Stevens.

woning 12/31, sectie D 419
Op de hoek van de Keulseweg en Sint Annastraat lag al in 1737 een huis. Bij een deling van de nalatenschap van Willem Janssen en Neulken Geurts werd zoon Geurt Janssen eigenaar van dit huis te Offenbeek. Hij was in 1729 in Belfeld getrouwd met Catharina Heijnen, waarna in Offenbeek zeven kinderen werden geboren. Bij de deling in 1737 ontving Geurts broer, Hendrick Janssen, Geurts 1/3 deel van een huis in de Oude Rijt te Belfeld.
Dochter Petronella Janssen trouwde in 1764 met Leonard Houben, ook wel Houba genoemd.
In 1843 was het huis sectie D 419 eigendom van Hendrik Becckers

woning 10/62, sectie D 161
Waar de Keulseweg in westelijke richting aansluit op de Offenbekermarkt, lag in 1781 het huis van Joannes Stevens. Hij was in 1743 getrouwd met Helena Smeets uit Belfeld, met wie hij vijf kinderen had. Toen Helena in 1782 overleed, hertrouwde Joannes met Gertruds Schoenmaeckers. Uit twee eerdere huwelijken met Willem Reijnders (1756) en Gerard Breuers (1775) had ook zij al enkele kinderen. Het huis in Offenbeek vererfde kennelijk op Paulus Stevens, Joannes' jongste zoon uit zijn eerste huwelijk. Na zijn huwelijk met Maria Luttels woonde het echtpaar in Beesel aan de Markt, waar vier kinderen werden geboren.
In 1843 was het huis sectie D 161 in Offenbeek eigendom van Pieter Antoon Smeets of eigenlijk Schmitz, afkomstig uit Dülken (D) en wever van beroep. Hij was in 1823 gehuwd met Gertrudis Stevens, een dochter van Paulus Stevens en Maria Luttels. Een van de zonen van Paulus en Maria, Gerard Stevens, zien we in 1843 als eigenaar van een kennelijk wat nieuwer huis (sectie D 414), iets westelijker langs de Keulseweg.

woning 10/217, sectie C 343
Dit huis was in 1698 eigendom van Geurt Hoex. In 1749 verkochten Jenneken Hoeks en Petronella Hoeks (gehuwd met Paulus Schreurs) hun gedeelte van huis en hof aan Geurt Hoeks en Metjes Reijnders. In 1766 trouwde hun zoon Joannes Hoxs met Joanna Willems, waarvan o.a. een dochter Willemina. Gerard Hoex overleed in 1779, ruim vijf jaar na zijn vrouw. Hun erfgenamen worden in 1781 vermeld als eigenaren van het huis.
Dochter Willemina trouwde in 1792 te Venlo met Jacob Dings uit die stad. De weduwe J. Dings was in 1843 eigenaresse van het pand sectie C 343. Rond 1875 werd de woning gekocht door Peter Jacob Stinges. Hij verpandde het huis een jaar later. De familie Stienges bood in juni 1888 het huis (C 1076 en 341) te koop aan. Een maand later werden Johan en Mathijs Stinges na deling ieder voor de onverdeelde helft eigenaar. Het pand werd in 1955 gesloopt.

woning 10/218, sectie C 666
In 1698 verkochten de voogden van Elisabeth Janssen, dochter van Hendrick Jansen, de helft van een huis te Offenbeek gelegen tussen Gerit Janssen en Geurt Hoex aan Gerit Janssen en Elisabeth Ruyvers. Via het huwelijk van Sophia Janssen met Willem Stoffers werd het huis vervolgens eigendom van de familie Stoffers uit Belfeld. Na het overlijden van Willem Stoffers in 1721 verkochten zijn erfgenamen het vervallen huis in Offenbeek aan Corst Vosbeck en Nesken Cronen, die ruim twintig jaar eerder hun huis op de Berg onder Belfeld hadden verkocht.
In 1737 wilde Peter Vosbeeck, daarbij bijgestaan door zijn oom Lindert Thijssen, het huis verkopen aan Areth Kessels, maar zijn ongehuwde tante Geertruijdt Vosbeeck maakte gebruik van haar naastingsrecht en werd daarmee de nieuwe eigenaresse. Gertrudis trouwde in 1738 eerst met Mathias Thijssen en na diens overlijden in 1747 met Jodocus Kessels. Deze Joost, eerder gehuwd met Isabella Sangers, was vermoedelijk een zoon van de eerdergenoemde Arnoldus Kessels en Maria Joosten, en zo stond Joost Kessels in 1781 toch nog te boek als eigenaar.
Cornelia Kessels, in 1742 in Sint Odiliënberg geboren uit Joosts eerste huwelijk, trouwde eerst in 1769 met Hendrik Hendrix en daarna in 1781 met Antonius Neeten. Joost overleed in 1780, zijn weduwe in 1783. Uit dit tweede huwelijk werden geen kinderen geboren.
In 1843 was het huis sectie C 666 eigendom van Karel Poel, rentenier te Venlo. Joannes Carolus Franciscus Poell werd in 1780 geboren in Venlo als zoon van Edmond Joseph Antoon Poell en Maria Margaretha Rijks. Hij trouwde in 1832 in Grubbenvorst met Clementina Francisca Huberta Theresia Elisa de Lom.

woning 10/221, sectie C 314
In maart 1778 werd een overeenkomst gesloten tussen de kinderen van wijlen Lins Vosbeck en Elisabeth Janssen, waarbij werd afgesproken dat zoon Godefridus zijn moeder tot aan haar sterfdag zou onderhouden, waarvoor hij alle erven en roerende goederen ontving. Na het overlijden van moeder Elisabeth zou Godefridus geldbedragen geven aan zijn zussen Gertrudis (gehuwd met Joannes Peters) en Joanna (gehuwd met Hubert Geraets). Godefridus Vosbeek trouwde in 1787 met Catharina Telen uit Born, waarvan een dochter en een jong overleden zoontje werden geboren. Nadat Geurt in 1795 overleed, hertrouwde Catharina Telen met Jelis Smits, een wever uit St.-Joris Amern (D), om vervolgens uit beeld te verdwijnen.
Het huis werd kennelijk eigendom van Gertrudis Vosbeek en haar man Joannes Peeters, die in 1778 eigenaren waren van een huis in Bussereind. Zo vererfde het huis in Offenbeek op hun dochter Barbara Peeters. Deze trouwde in eerste huwelijk met Gerard Timmermans uit Kessel, in tweede huwelijk met Gerard Coumans uit Haelen. In 1843 was het huis sectie C 314 eigendom van de weduwe G. Coumans, die hier woonde met vijf kinderen uit haar eerste huwelijk. Zoon Mathias Timmermans trouwde in 1842 met Catharina Lemmen uit Helden, met wie hij vijf kinderen had. Na het overlijden van Catharina hertrouwde Timmermans in 1858 met Petronella van Lier. In maart 1883 werden huis en tuin in Offenbeek te koop aangeboden.

woning 10/223, sectie C 312
In 1716 trouwde in Blerick Petrus Thijssen, zoon van Engelbert Thijssen en Helena Jacobs, met Helena Vosbeeck, vermoedelijk een dochter van Laurentius Vosbeeck en Helena Dirckx. Na de geboorte van hun tweede kind verhuisden ze naar Beesel. Peters ouders verhuisden mee en zouden beiden in Beesel overlijden. Helena Vosbeeck, naar haar vaders voornaam ook wel Linssen genoemd, overleed in 1739, Peter Thijssen in 1749. De boedel bleef daarna enkele jaren onverdeeld, maar werd uiteindelijk eigendom van een van de zonen: Angelus, die in 1747 in Blerick trouwde met Elisabeth Driessen. In 1757 verpandden Engel Thijssen en Elisabeth Driessen hun huis te Offenbeek gelegen tussen Lins Vosbeeck en de weg, afkomstig van Peter Thijssen en Helena Vosbeeck. Kennelijk bood deze geldlening onvoldoende verlichting en enkele maanden later kwam het alsnog tot een openbare verkoop. Daarbij werd de boerderij eigendom van een jongere, nog ongehuwde broer: Hendrik Thijssen. Slechts enkele jaren bleef hij eigenaar. In de zomer van 1760 verkocht hij het huis aan Tulmen Killaerts en Helena Wilmsen. Een jaar later trouwde Hendrik Thijssen alsnog in Baarlo met Helena Joosten.
Tilmanus Killaers en Helena Wilmsen waren rond 1756 naar Belfeld verhuisd, waar al drie kinderen waren geboren. In Offenbeek zouden er nog zes volgen. Met vier gehuwde zonen zou de familienaam Killaars binnen enkele generaties ruim vertegenwoordigd zijn in Reuver en omgeving. De oudste zoon, Hendrik, trouwde in 1787 met Joanna Peters en erfde het ouderlijk huis. Het echtpaar kreeg acht kinderen.
In 1843 was de woning sectie C 312 eigendom van Jan Verheijen, die in 1825 was getrouwd met Petronella Killaers, de jongste dochter. Het echtpaar had slechts twee dochters: Anna Catharina (1826), die in 1843 trouwde met Hendrik Dewinden, en de twaalf jaar jongere Joanna, die in 1859 haar ja-woord gaf aan Godfried Schoolmeesters en daarna naar de overzijde van de markt verhuisde.

woning 10/266, sectie C 352, sectie C 1014 en 1048
In 1781 was dit huis eigendom van de erfgenamen Gerit Peters. Enkele jaren later was het vermoedelijk al bezit van Gerard Schoolmeesters en Anna Maria Ummels. Hun zeven kinderen werden allen geboren in Offenbeek. Zoon Willem Schoolmeesters huwde in 1814 met Cornelia Nijssen, waarmee hij zes kinderen had. Na Cornelia's overlijden hertrouwde Willem met Joanna Margaretha Heggers uit Belfeld, die hem nog eens vier kinderen schonk. De boerderij vererfde op Godefridus Schoolmeesters, oudste zoon uit het tweede huwelijk. Deze trouwde in 1859 met Joanna Verheijen, dochter van Jan Verheijen en Petronella Killaers. De erfgenamen van Godfried Schoolmeesters boden in 1898 huis met stal, schuur en erf te Offenbeek (C 1047 en 1048) te koop aan.

De benaming Offenbeeker Markt werd na een voorstel van 25 juni 1934 officieel vastgesteld. Op 25 mei 1964 werd de benaming, nu als OFFENBEKERMARKT, opnieuw vastgesteld voor de straten rondom het plantsoen achter de kerk in Offenbeek.

 
Offenbeker Oe Smabers 9

De Offenbeecker Oeij wordt voor het eerst vermeld in 1472, toen de tienden in dit gebied eigendom waren van de heren van Tgen Raede. Deze tiende in de Offenbecker Oe werd samen met twee andere tienden in 1477 verkocht.
Een latere vermelding van de Offenbecker Oe dateert uit 1572, toen Jannes op gen Beeck uit Beesel, pastoor te Eisden, hier 1 morgen land overdroeg aan zijn dochter Lisbett.
In 1618 had onder andere de Klaashof bezittingen in de Offenbecker Oe, het Maasveld grenzend aan de Maas nabij de Schelkensbeek. Twee jaar later wordt de benaming nogmaals gebruikt in een andere akte.

 
OFFENBEKERWEG  
De officiële benaming voor deze weg, gelegen tussen INDUSTRIESTRAAT en BERGERHOFWEG, werd vastgesteld bij raadsbesluit van 25 mei 1964.
 
Ohe of Oe  

Foto: Loe GiesenDeze oude benaming voor het Maasveld treffen we ook in andere plaatsen aan, waarvan Ohé en Laak misschien wel de bekendste is. De 'ee'-klank in deze plaatsnaam ontstond overigens eerst in de Franse Tijd en hoort niet thuis in de uitspraak van dit Beeselse toponiem. Zoals reeds bij de Offenbecker Oe aangegeven, werd de benaming reeds in de 15e eeuw gebezigd. In het midden van de 18e eeuw komen we de benaming Ohe Veldt (1756) nog tegen.

Op de Smaberskaart vinden we de veldnaam in de Ohe voor een gebied onder Rijkel, ongeveer begrensd door de Erven, de Eijnderweg en RIJKEL.

 
Ohe bergen Smabers 9

Foto: Loe Giesen Benaming de Ohe Berghen (1781) voor de voormalige zandverstuivingen in De Bercken.

Zie ook: Oeberg.

 
Ohebroek Smabers 2 en 9
Reeds in de Pondschatting van 1468, een van de oude belastinglijsten van de hertog van Gelre, staat het Abroick vermeld aan de rand van buurt Leeuwen. Het Oebroeck, een oude benaming voor het Maasveld in de omgeving van de monding van de Huilbeek of Ohebroeckerbeeck, wordt ook in 1603 vermeld en gaf zijn naam aan een gelijknamige familie.
 
Ohebroekerbeek  

Foto: Loe GiesenOude benaming voor de beek tussen Beesel en de Maas. De laatste paar honderd meter heeft de beek een enkele meters diep dal uitgesneden.

Zie: Huilbeek of Tasbeek.

 
Ohebroekerkamp Smabers 8

Reeds in een huwelijksoorkonde van een van de heren van de hof Tgen Raede uit 1472 wordt de Oebrucher Camp, mittet erve daerinne gehoorende to samen omtrijnt thien boenre, vermeld. Volgens een akte uit 1608 had Nieuwenbroeck tienden in de Obroucker Kamp.

Op 12 februari 1622 verkocht Goerdt van Mueckenbroeck met toestemming van zijn vrouw Lisken in gen Steege aan Johan Keupers en Derixsken, ook echtelieden, een boerderij met ca. 3 morgen land, gelegen tussen Herman in gen Steegh en het erf van de kinderen van Gerart Gubbels. Voorts verkocht hij een stuk land tussen de Oebroeckerkamp en voornoemde boerderij en een stuk land op de Oebroeckerkamp, voor in totaal 250 gulden. Mogelijk heeft ook een verkoop van land aan de Oberkamp (1633) betrekking op dit toponiem.

In een lijst van tiendgevende landerijen van de zogenaamde Rayertiende uit 1659 wordt de Oetbroeckercamp opnieuw genoemd.

Op de Smaberskaart uit 1781 geldt de veldnaam Ohebroecker Camp voor het gebied begrensd door Huilbeek, Ohebroekerveldweg, ST.-JORISSTRAAT en HOLLEWEG.

 
Ohebroekerveld Smabers 2
Het Obroucker Veldt (1606) of Obroeckerveldt (1708) is gelegen langs de Maas. Landmeter Smabers gebruikte de veldnaam Ohebroecker Velt voor het gebied begrensd door de Maas, de Huilbeek, Ohebroekerveldweg, OUDDORP en de LOSWALWEG. Uit 1783 stamt een schrijfwijze Hoebroeckervelt.
 
Ohebroekerveldweg Smabers

Foto: Loe Giesen

Met name in het voorjaar, als de fruitbomen in bloei staan, is deze weg langs de Huilbeek tussen OUDDORP en SINT JORISSTRAAT populair bij fietsers.

 
Ohebroekerweg Smabers 2
Op de Smaberskaart komt de benaming Ohebroeckerwech naer Kessel voor, voor de weg tussen Ouddorp en ST.-JORISSTRAAT. Landmeter Keullen noteerde in 1654: 'Hyer opghehoert ende weyderom angevanghen int het doerp tot Besell an Jan Buerskes huys ende hoff thessen bij die weghen gheleghen genant den Obrocker wech ende den wech die ouver Houver hoeff gaet'.
 
Oher Steegje  
De exacte lokatie van dit toponiem is niet bekend. In 1654 startte landmeter Keullen een van zijn metingen onder aen het Oyee stieghen. De vermoedelijke ligging is in de nabijheid van de Klerkenhof.
 
Omwalde Heide, de Smabers
De zogenaamde Omwalde Heijde aan de Witten Pael werd in 1784 bij opbod en in meerdere percelen verkocht. Het betreft dezelfde percelen die rond deze tijd ook wel werden aangeduid als de Bosscher Heijde.
 
Onderste Hof Smabers 10/234

Foto: Loe Giesen

Deze boerderij heette in de 14e eeuw nog Nederhoeven (zie aldaar). In 1445 droeg Margrete van Kessel Roffaert haar helft van de boerderij tot Nederhoeven over aan de Kruisheren te Roermond. Naar hun patroon, de heilige Cornelis, werd de boerderij enkele eeuwen Sint Cornelishof genoemd. Daarnaast werd ze in de 17e eeuw ook wel Ruttenhof genoemd, naar de pachtersfamilie Rutgens.

Op de Smaberskaart staat de boerderij aangegeven als een open hof aan weerszijden van een erf. De onmiddellijke omgeving is nadien door de aanleg van de spoorlijn vrij ingrijpend veranderd. In 1781 liep een weg uit het Foekebroek langs de thien paell en het cappelken naar een fonder (het Schaapsbruggetje) richting Dijcker Heijde. Deze route was tot voor enkele jaren geleden nog gedeeltelijk als paadje in gebruik, totdat het provisorische bruggetje rond 1995 opnieuw verdween.

Foto: Loe Giesen

In 1784 werd het klooster van de Kruisheren op last van Joseph II van Oostenrijk opgeheven, waarna de boerderij in handen van de Staat kwam. Prompt brandden huis, koe- en schaapstal tot op de grond af; alleen de schuur bleef staan. De resten werden in 1785 gekocht door C. Junckers uit Venlo, tevens eigenaar van de Wilde Hoeve. Naar hem werd de Onderste Hof ook wel Junckershof genoemd. In 1817 werd de Ruttenhof bewoond door Conrard Peeters. Van 1837 tot 1849 was ze bezit van de familie Van Wessem uit Venlo. In 1849 werd de boerderij verkocht aan H. Lampe uit Venlo. Petronella Sibilla Lampe, rentenierster te Venlo, bood de Onderstenhof in 1871 te koop aan. Antoon Timmermans wordt in 1878 genoemd als bewoner.
In het begin van de 19e eeuw was de hoeve eigendom van Felix van Wylick. Op 4 december 1903 bood hij de bouwhoeve Onderstenhof onder Beesel en Belfeld te koop aan, samen met de bouwhoeve Berghof onder Belfeld en tientallen landerijen.
Op 18 oktober 1906 werden beide boerderijen opnieuw te koop aangeboden.

Jan Ickenroth: "Nederhoeven - Villa tot Offenbeeck" of de "Onderste Hof". In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 2 (1982).

 
ONDERSTEHOFWEG Smabers 10

Op de Smaberskaart staat deze weg aangegeven als voetpat van Ronckenstein naar de Onderste Hof. In 1781 liep de weg, in tegenstelling tot de huidige situatie, nog ten noorden van de kapel bij de Onderste Hof. Opvallend is ook, dat landmeter Smabers het over een voetpad heeft, en niet over een karreweg of mistweg. Dit suggereert dat de karren nog voornamelijk gebruik maakten van de vrijwel verdwenen weg die vanaf de kapel via de Schaapsbrug achter langs de molen liep.

Foto: Loe GiesenBij de aanleg van de spoorlijn in 1864-'65 werd ten westen van de Onderste Hof een viadukt aangelegd. Tijdens de overstromingen door de hoge waterstand van de Maas in 1926 stond het water in het dal van de Schelkensbeek zo hoog, dat een bootje slechts met moeite onder dit viadukt door kon varen. Een steentje in de westzijde van het viadukt herinnert aan deze uitzonderlijke situatie.

De kapel bij de Onderste Hof werd in de volkmond ook wel door sommigen 'de kapel van de fluitende engel' genoemd, naar een beeld van een engel met een fluitend tuitmondje. Een van de paardehandelaren uit Reuver of Offenbeek (zie: Ponnysjträötje) zou een beeld van de H. Helena van Rusland hebben meegebracht van een van zijn reizen; het kreeg een plaats in de kapel, maar verdween kort na de Tweede Wereldoorlog naar het museum in Asselt, zoals blijkt uit aantekeningen van de pastoor van Asselt: Door tussenkomst van pastoor Stoot met Frans Nijskens Genaanhof de inventaris van z'n kapelletje van de Onderste Hof geruild tegen 'n copie van onze Piëta. 't Zijn 2 vrouwelijke heiligenbeelden en vier engelen van hout, dik onder smerige verf, waar misschien 'n paar goede stukken bij zijn. Niemand kan voorstelling of herkomst aangeven. De volksmond spreekt van Sint Helena en haar zoon. Eerder lijken me beide 'n St.-Helena: 'n jongere (XVIIIe eeuw) alsook de 2 soorten engelen. 't Kan zijn dat de Onderste Hof net als de Klaashof aan de Kruisheren van Venlo behoord heeft en dan is de verering van de Kruisvindster verklaard, biezonder daar 'n gevelsteen met 'n Kruis waar doorheen 'n horen er is.
Keizerin Hele
na (ca. 255-330) was de moeder van Constantijn de Grote; zij bekeerde zich evenals haar zoon tot het christendom. In 324 bezocht zij Palestina, waar zij de basilica's op de Olijfberg te Jerusalem en de Geboortekerk van Betlehem liet bouwen. Later is haar een rol toegekend bij het vinden van het Kruis. Haar feestdag valt op 18 augustus. Reeds vóór de Tweede Wereldoorlog droeg de kapel het opschrift 'Ave Maria'.

Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 23 juni 1975 voor het weggedeelte vanaf RONKENSTEIN tot aan het viadukt.

 
Ondersteweg, Korte Smabers 4
Foto: Loe GiesenBenaming volgens de wegenlegger voor een zandweg in de Bakhei vanaf de EIKENBROEKLAAN noordwaarts strekkend, parallel tussen BAKHEIDE en Huilbeek.
 
Ondersteweg, Lange  
Benaming voor een zandweg nabij de Witte Steen die vanaf de DUBBELWEG via een knik naar de KEULSEWEG loopt en uitmondt schuin tegenover de Bosakkerweg.
 
Ootskuil Smabers 9

In een niet gedateerde vermelding uit ca. 1700 treffen we de Notscoul aan. De Ootskoel vermeld op de minuutplannen van het Kadaster (1843) staat aangegeven ongeveer ter hoogte van de AALMOEZENIER CAMPLAAN. Ook op de Rivierenkaart wordt de Ots kuil aangegeven. Betekenis en herkomst zijn onzeker. Oot (vgl. het Engelse woord 'oates') is wilde haver, vroeger een zeer algemeen onkruid tussen veel soorten graan.

Zie ook: Molenweg, Leeuwen.

 
Oranjeheuvel  

De Nieuwe Koerier, 31 maart 1894.In juni 1882 werd op verzoek van H. van der Velden uit Reuver een perceel rogge bij den Oranjeheuvel verkocht. Lang is dit toponiem niet gebruikt. In mei 1889 dankte de weduwe Servais, Oranjeheuvel, haar verzekeringsmaatschappij vanwege de uitkering na brandschade. Enkele weken eerder was haar woning getroffen door de bliksem. In maart 1894 werden huis, erf en tuin met boomgaard in Reuver (sectie D 1523 en 1537) te koop aangeboden door de erfgenamen Servais. Dit huis was gelegen aan de oostzijde van de huidige WILHELMINALAAN.

In 1927 kreeg P. Huijbers een bouwvergunning voor het verbouwen van een woonhuis aan de Oranjeheuvel, sectie D 1915.

 
OUDDORP Smabers 2

Foto: Loe Giesen

Ouddorp is, zoals de naam al aangeeft, de oude dorpskern van Beesel. Hier liggen dan ook de oudste huizen en het oude kerkhof, dat tevens het hoogste punt vormt. Met name bij extreem hoog water moesten de Beeselnaren hier noodgedwongen bescherming zoeken. De benaming Oud dorp ontstond pas in de tweede helft van de 19e eeuw, nadat de kerk was verplaatst naar de Kom.

In de 14e eeuw telde Ouddorp waarschijnlijk al meerdere woningen. In een ervan woonden Willem Bruker en zijn vrouw Katrinen, vermeld in de Pondschatting van 1369. Op 22 juli 1381 verkocht Eva van der Masen haar aandeel in dit huis aan haar neef Peter van der Masen. Een gedeelte van de grond die bij het huis hoorde was waarschijnlijk lijfgewinsgoed van de Schei in Leeuwen, want op 29 november 1410 verklaarden Heynrich van Wischel en Katheryn van Brede dat de landerijen die Katerijn Brokers te Biezel had liggen, tot hun hof Tgenenscey behoorden. Op 27 juli 1427 verklaarde Katrijn Brukers dat zij geen aanspraken had op bezittingen die wijlen haar broer heer Peter aan het klooster Maria Weide had geschonken, met name een huse to Besel in den dorpe. Dit huis was op 17 maart 1425 door Peter van der Masen (alias Van Beesel) aan het klooster geschonken. Katrijn was, waarschijnlijk na het overlijden van haar man, kloosterlinge geworden in Maria Weide. Op 15 februari 1434 verklaarde Katherine Brukers van Biesel, zus van wijlen Peter van Biesell, nog eens dat zij geen Beeselse goederen in het klooster had gebracht.

Foto: Loe GiesenOp 12 juni 1598 verkocht Jan Keupers met toestemming van zijn vrouw Jenneken zijn ¼ deel van een huis met schuur, gelegen aan de kerk te Beesel, aan Wilhelm Qwiten en diens vrouw Neesken Ronckensteins. Ruim een maand later kocht dit echtpaar tevens een ander ¼ deel van dit huis van Wilhelm Schlaeff uit Horn en diens vrouw Beele. In juli 1630 verkochten Derickh van Nehr en zijn vrouw Neesken twee lapjes grond aan Goerdt up den Crutzbergh en Thrinen Ronckenstein. 'Uit goeder frundtschap ende beweesene waeldaeten' had Cruitzbergh hier eerder al een bakhuis en andere gebouwen mogen neerzetten.

Op 31 mei 1626 verkochten Wilhelm Kessels en consorten, Wilhelm Errlichs en Gerart Peelen en diens vrouw Elisabeth hun huis, boomgaard en moeshof in Biesel, zoals zij dit hadden geërfd van Peter Mereels, aan Jan Schlousen en diens vrouw Barttgen. Deze verkoop was niet onbetwist: op 4 augustus 1626 maakten Jan van Tiegelen en Goetzen van Schlenack, mede namens hun echtgenoten, gebruik van hun beschudrecht als naaste bloedverwant en kochten het door Claess Siben en Willem van Kesseler verkochte huis terug. Jan Schlousen en zijn vrouw Barth Quiten bleven eigenaren van een half huis in Biesell, dat zij op 4 maart 1629 verkochten aan Jacob up den Boeckesdriesch.

In augustus 1761 deed Christenken Obroeck uit Swalmen ten behoeve van haar schoonzoon Christiaen Cuijpers afstand van haar rechten op haar goederen onder Besel. In de maanden daarna namen Christiaen Cuijpers en zijn vrouw Cathrina Sijmens in aanwezigheid van hun zwagers Willem Beckers, Jacobus Sijmens en Joannes Symons van pastoor Thopoel een lening op met als onderpand de goederen die zij hadden geërfd en van hun zussen en zwagers hadden gekocht, waaronder hun huis in het Dorp gelegen tussen de erfgenamen Engel Hijnsen en Michiel Claessen.

Foto: Loe Giesen

Op 27 januari 1766 verpandden Peter Rulkens en Johanna Nijmans, daarin gesteund door Arnoldus Nijmans, hun bezittingen die Johanna had geërfd aan pastoor Thoepoel. Diezelfde dag verpandden Peter Peters en diens vrouw Petronella Cruijsbergh hun huis aan borgemeester Geerits.

In 1779 maakte Joannes Hinssen, pachter op de Nieuwe Scheij, ten behoeve van zijn tweede echtgenote Elisabeth Verhaege uit Neer zijn testament op. Hierin bepaalde hij dat zijn tweede vrouw tot aan haar dood de vrije woning zou genieten in het huis dat hij had gekocht, gelegen aan de kerk. Dit huis zou echter eigendom blijven van zijn kinderen uit het eerste huwelijk. Elisabeth Verhaegh hertrouwde in 1795 met Joannes Bongers.

In 1781, het jaar van de Smaberskaart, bestond het voormalige middelpunt van de gemeente Beesel uit een 17-tal huizen met bijgebouwen, gegroepeerd rond de kerk. Met de wijzers van de klok mee woonden hier (vanaf de huidige LOSWALWEG gezien) Christiaen Cuijpers, Engel Hinssen, Joannes Hinssen, Peter Peters, Godefridus Cruijsbergh, Arnold Nimans, Geurt Claessen, Merten Rulkens, Joannes Geradts (den Spijker), pastoor Christoffel van Douveren, Jan Beurskens, Joannes Meuters en Michiel Claessen. Aan de oostzijde van de weg woonden Matthis Geradts en Agnes Sloesen naast de kercke, kerkhoff en vembde kerkhoff; aan de Rijkelse kant van het kerkhof woonden Peter van den Broeck en Margaretha Joosten. De Merckt was reeds gedeeltelijk volgebouwd.

In maart 1791 verpandden Engel Hinssen en zijn vrouw Maria Lamers een gedeelte van hun goederen in Beesel aan Jacobus Cox en Helena Cloud uit Roermond. Op 17 juni 1793 verklaarden hun dochter Metjen Hinssen en haar man Leonardus Peters samen met hun zwager Grades Heijnen dat zij aan de weduwe Cox nog een bedrag schuldig waren wegens de goederen die zij na het overlijden van Maria Lamers bij scheiding en deling hadden geërfd. Als onderpand voor de aflossing stelden ze het voorste gedeelte van het ouderlijk huis, gelegen tussen Joannes Hinssen en de erfgenamen Christiaan Cuypers. Kennelijk droeg de weduwe Cox de obligatie nog diezelfde dag over aan Gerard Corneille van der Renne en diens echtgenote Anne Marie Cox. Zij verkochten het huis met tuin, gelegen nabij de kerk tussen Jean Cuypers en Francois Niemans, op 2 oktober 1803 bij opbod aan Gerard Heijnen.

Op 22 februari 1812 verkocht Jacques Niemans zijn huis, schuur en akkerland in het Kerkveld te Beesel aan G. Gerits, weduwe van Henri Janssen.

In 1891 werd bij Ouddorp een veerdienst opgericht; het pontje werd toen verhuurd aan H. Toebosch.

Op 9 april 1921 brandde ongeveer de helft van de huizen in Ouddorp vrijwel tot op de grond af. De brand ontstond in de woning op de hoek van KERKSTRAAT en OUDDORP, toen boerin Bongers een aslade leegde dicht bij een hooimijt. Door de grote droogte, veroorzaakt door een aanhoudende oostenwind, stonden vrijwel alle pompen en putten in de buurtschap vrijwel droog; bovendien moest de brandspuit uit Reuver komen. Vanaf de woning van de familie Bongers sloegen de vlammen door de straffe wind al snel over op de huizen van Joosten en Claessen en de oostzijde van Ouddorp tot aan het kerkhof was één vlammenzee. Het bleef niet bij deze kant van de weg. Even later stonden ook de woningen van de families Hellewegen, Geerlings, Verhaegh en Meerts in lichterlaaie. Toen de brandspuit uit Reuver arriveerde, waren de mensen gedwongen om de spuitwagen telkens naar de Maas te duwen om daar water te tanken. Alleen café Toebosch (gesloopt in 1947) werd gered. De huizen werden later weer bijna allemaal herbouwd.

Op bovenstaande foto uit 1932 zien we café Verstegen (later Toebosch) op de Vismarkt. In de deuropening Sjors Verstegen. Verder o.a. Door Beurskens, Baer Verstegen, Marie Melis en Marietje Verstegen.

Vastgesteld na raadsvoorstel d.d. 25 juni 1934. Voorstellen om een gedeelte van Ouddorp officieel te benamen als 'Ohé Broekerveldweg' werden in 1975 na protesten van de buurtbewoners ingetrokken.

Zie ook: de Gaffel, kerk, de Plaets, de Spijker, Vismarkt.

Henri Smeets: Het 'buuëtje van Beesel-Ouddorp. In: Maas- en Swalmdal 26 (2008).

 
Oude ... Smabers
Google Maps

Voor namen met los voorvoegsel 'oud(e)' zie onder het hoofdwoord.

Foto: Loe Giesen

 
Oudeweg Smabers 10/93
Deze weg langs de rechterzijde van het Foekebroek vormde volgens landmeter Smabers het verlengde van de Oude Moolen straet, de oude verbinding tussen buurt Leeuwen en de verdwenen molen van Offenbeck. Tussen de weg en de Klaashof staat een schaepsdries aangegeven met daarin een kuijle.
 
Oyen, hof te  

Deze boerderij duikt diverse malen op in de leenakten en registers die betrekking hebben op de hof Tgen Raede, de juridische voorloper van Nieuwenbroeck. Met name het zogenaamde cijnsregister spreekt over de 67 morgen omvattende hoff te Oyen, gelegen in der selve kerspell van Besell. Dit register, dat enkele aanwijsbare vervalsingen bevat, is tevens de enige bekende bron waarin deze hof binnen de parochie Beesel wordt gesitueerd. Vrijwel zeker betreft het de boerderij Oyen bij Broekhuizenvorst gelegen.

Zie ook: Rayerhof.

 
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
 
© Loe Giesen 1983-2017