Tussen Maas en Meerlebroek - Toponiemen in de gemeente Beesel
 
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
 
RAADHUISPLEIN  
Het marktplein van Reuver werd naar aanleiding van de verplaatsing van het gemeentehuis op 26 juni 1978 officieel omgedoopt in RAADHUISPLEIN.
Op de Smaberskaart uit 1781 staat het plein niet aangegeven als zodanig. Het perceel was toen eigendom van Joanna Trines, tevens eigenaresse van de herberg Den Roover (nu garage Feijts).
Hoewel formuleringen als ten gerechs huijse binnen Besel (1772) of in den gerichtskaemer tot Besel (1779) al geruime tijd gangbaar waren, beschikte de gemeente tot de tweede helft van de 19e eeuw niet over een gemeentehuis.

Foto: Gemeentearchief BeeselVolgens een brief van de burgemeester uit december 1834 bezat de gemeente geen huis en huurde ze geen lokaal voor het bureau van het gemeentebestuur. Het duurde tot 1876 voordat de gemeente een echt raadhuis kreeg, gelegen aan de markt in Beesel. In 1919 kocht de gemeente van notaris Ko
olwijk diens huis op de splitsing van RIJKSWEG en PASTOOR VRANCKENLAAN in Reuver en vestigde hier de nieuwe secretarie, die in 1920 in gebruik werd genomen. De oude markt, gelegen voor dit oude gemeentehuis, werd uiteindelijk te klein bevonden. In maart 1925 werd besloten om enkele meters van die markt te verkopen aan de R.K. Kerk voor de plaatsing van het H. Hartmonument. Kort hierna werd de tuin van Meuter aangekocht doorde gemeente. Voorbereidende werkzaamheden voor de nieuwe markt, die rond de kermis gereed moest zijn, waren toen al in volle gang. Op 25 juni 1934 werd de benaming 'Nieuwe Markt' voorgesteld voor dit vrijwel vierkante plein. In het najaar van 1988 kreeg het plein, na een ingrijpende facelift, het huidige aanzien. Met name de laatste jaren is de bebouwing rond de markt aanzienlijk gewijzigd door sloop en nieuwbouw.
Ook na de naamswijziging bleef het plein in de volksmond gewoon 'de Mert' heten.
 
Rabatten  

Het woord 'rabat' is afkomstig van een methode uit de bosbouw die rond 1800 voor het eerst wordt vermeld. Bij deze methode wordt de bosgrond bewerkt tot langgerekte ophogingen afgewisseld door langgerekte greppels, vergelijkbaar met aardappel- of aspergeakkers. Rabatten werden vroeger op zowel droge als natte percelen aangelegd om de waterhuishouding beter geschikt te maken voor de groei van bomen, zowel naald- als loofhout.
Het toponiem (In) de Rabatten wordt nog steeds gebruikt door o.a. de bewoners van landgoed Heidenheim voor enkele percelen tussen de SINT JOZEFDIJK en de GRENSWEG. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) zijn de hoogteverschillen goed herkenbaar. Op onderstaande afbeelding herkennen we tevens de restanten van de Wolfsgraaf, een middeleeuwse landweer. Rechtsonder in beeld de Sint Jozefhoeve. Linksboven nog vaag twee grafheuvels die in het landschap niet meer herkenbaar zijn.

 
Raederhof of hof T'gen Raede Smabers 6/35
Zie: Rayerhof.
 
RANONKELSTRAAT  
De Ranonkelachtigen of Ranuncaluceeën vormen een plantenfamilie met 1300 soorten verdeeld over 50 geslachten die vrijwel uitsluitend voorkomen in de gematigde zône. De planten zijn vaak giftig. Bekende geslachten binnen deze familie zijn bijvoorbeeld de akelei, monnikskap en boterbloem.
Buurt Vogelsweyde. Vastgesteld bij raadsbesluit van 25 juni 1979.
 
Rattenkast  

De eerste geschreven vermelding van de Rattenkast dateert uit de tweede helft van de 19e eeuw. In de Grote Historische Provincie Atlas (situatie 1837-1844) is het perceel te zien als een puntige inham bij de bossen langs de oostzijde van de Rijksweg. Op een kaart uit 1864 van de gemeentelijke verpachtingen van het Meerlebroek staat dit puntige perceel ook woordelijk aangeduid: "Gemeente dennenbosch Rattenkast". Hetzelfde gebied wordt tevens aangeduid als exercitieterrein.

Foto: Loe Giesen

Volgens de wegenkaart van 1901 betreft het sectie D perceel nr. 1257. Niet geheel duidelijk is, wanneer en waarom dit gebied, gelegen op de zuidhoek van WELKENSVENWEG en HEIDEWEG, aan deze naam kwam. De benaming lijkt te wijzen op de aanwezigheid van ratten. Misschien speelde de vroegere aanwezigheid van de vlasroten hierbij een rol. Een voorstel om de huidige HEIDEWEG in 1964 te benamen als 'Rattenkasweg' werd na bezwaren van de aanwonenden ingetrokken.

 
Ravenshegge Smabers 4
De oudste vermelding van de Ravens heghe dateert van 1606. In 1654 mat landmeter Keullen tot aan de Raeffes heghe. De ligging moet worden gezocht nabij het Kievits valder en de Groeneweg. De naam houdt mogelijk verband met aanwezigheid van raven. Deze grootste van de kraaiachtigen komt in onze omgeving reeds lang niet meer voor als broedvogel. Benamingen met 'raven' houden vaak verband met gerechtsplaatsen. Hiervoor zijn in dit geval geen aanwijzingen.
 
Rayer Bemden Smabers 6
Foto: Loe GiesenIn december 1605 wordt, voor zover bekend, voor het eerst melding gemaakt van een overdracht van de Raeer Bendt, gelegen tussen jonker Holthausen (de eigenaar van Nieuwenbroeck) en het broek.
Ook in latere akten duiken de Rayer Bende (1669), Raijer Bemden (1758, 1767), Raeijer Bemden (1758) of Raeijder Benden op. Op de Smaberskaart uit 1781 vinden we de veldnaam Raeijer Bembden vermeld voor het vochtige gebied aan weerszijden van de Huilbeek, begrensd door KASTEELWEG, BUSSEREINDSEWEG,  Schansweg en BAKHEIDE. Smabers geeft ongeveer parallel aan de BAKHEIDE een nu verdwenen weg aan die aansloot op de Rayerweg.
 
Rayerhof Smabers 6/35

Foto: Loe GiesenDeze omgrachte boerenhoeve, een leengoed van de graven van Bentheim, bestond reeds in de 13e eeuw, zoals blijkt uit opgravingsmateriaal. De boerderij, omgeven door een weermuur van mergelblokken, was gelegen langs de BUSSEREINDSEWEG tegenover de Molenweg. Het is onbekend hoe en wanneer de kasteelboerderij eigendom werd van Bentheim.

Mogelijk was het leengoed op het eind van de 13e eeuw in handen van Theodericus (Dirk) de Grunouwen, vermeld in de rekening over de jaren 1294/1295 van het ambt Kessel. Dirk noemde zich naar Gronau, een stadje niet ver van Bentheim. Theodericus, die kennelijk onderrentmeester was van het ambt Kessel, wordt daar genoemd samen met o.a. Godefridus Birch (de kasteelheer van Kessel) en Willelmus de Swalmen. Ridder Dirk van Gronouwen wordt nog genoemd in 1311 over tienden bij Beuningen (bij Nijmegen). En waarom we denken dat hij een relatie had met Beesel? Dat volgt nog...

De oudst bekende leenman waarover wat meer zekerheid bestaat, was Emont van Wilderade. In 1361 wordt hij voor het eerst vermeld als 'knape'. Op 1 augustus 1368 werd hij beleend met 'den goede toe Besel geleghen ten Raede' en met de hof Oijen bij Broekhuizenvorst. In een belastinglijst uit 1369 wordt hij onder Bezel aangeslagen voor de maximale acht pond. Vermoedelijk was hij familie van de ridders Willem van Elmpt en Johan van Kessel. In een akte uit 1381 bezegelde een zekere Wynricus van Wildray een akte waarbij Eva van der Masen haar aandeel in een huis te Beesel verkocht aan haar neef Peter van de Masen. Dezelfde Wynricus van Besel was enige tijd leenman van het Gelderse leengoed genaamd Alphen onder Echt, dat later vererfde op Ritschart van der Biessen. In 1427 verkochten Rytsart van der Biesen en zijn vrouw Fya van Wildenraide cijnsrechten op land te Rykel aan het klooster Maria Weide te Venlo. Ook was de familie Van Wildenrade waarschijnlijk leenman van de hof Oyen bij Broekhuizenvorst. In 1439 ontving Ritzken van den Biessen van zijn vrouw Fye van Wildenrade het vruchtgebruik van haar aandeel van het goed dat Derck van Wildenrade eerder van de hertog van Gelre had ontvangen. Derck droeg de hoff tot Oen in 1449 over aan zijn zoon Evert. Evert van Wilderade verkocht zijn deel van het leen genaamd Besel (d.w.z. Alphen onder Echt) in 1484 aan Willem van Vlodorp. Als Byssel wordt het leengoed in 1527 voor het laatst in de leenakteboeken vermeld. Een verband met Beesel is zeer onwaarschijnlijk. Keren we terug naar de hof Tgen Raede. Op 25 juli 1404 verklaarde Rykalt van Kenswilre dat hij door graaf Bernard I van Bentheim was beleend met de hof te Oyen en den gude to Besel gheheten tgheon Rade, inclusief de daarbij behorende visrechten, de rechtspraak, de tienden van Besel en het recht van voordracht van de pastoor. Tevens werd hij beleend met de goederen die Tilman van den Broke eerder namens ridder Derick van Gronowe in leen had gehouden, en de rechten die na het overlijden van Emond van Wilderade weer aan Bentheim waren teruggevallen. Omdat Rikalt in 1389 schepen was van Roermond, zal hij ook in deze stad gewoond hebben. Een jaar later werd hij door de hertog van Gelre beleend met de gruit (monopolie op kruiden voor de bierbrouwerij) van Roermond, een recht dat in 1359 eigendom was van zijn aangetrouwde oom Robijn van den Gruithuis. Rikalt was getrouwd met Margaretha, een nichtje van Robijn. Margaretha's andere ooms Gysbrecht, Dirk en Willem gaven in 1390 toestemming voor de belening. Rikalt was vrijwel zeker in 1396 eigenaar van de zogenaamde Rykaltsmolen op de Roer gelegen. In 1406 deed hij afstand van zijn rechten op de gruit. Hij overleed ongeveer vier jaar later. Zijn weduwe bleef tot zeker 1416 eigenaresse van de watermolen in Roermond (zie ook: Wylrehof, Rijkel-Swalmen). Of zij ook het vruchtgebruik van de hof Tgen Raede behield, is onbekend, maar volgens Gelders landrecht zal zij hierop recht hebben gehad. Op 12 maart 1410 werd Wilhelm van den Gruythuysse na het overlijden van Rijkalt van Konswylre beleend met de gruit van Roermond. Het huwelijk van Rykalt en Margaretha was waarschijnlijk kinderloos gebleven en het Bentheimse leengoed Tgen Raede viel vermoedelijk opnieuw terug aan de graven van Bentheim.

Wapen Van Holtmeulen. Foto met dank aan Rinus FlokstraIn 1410 werd Oele van Holtmolen door graaf Bernhard beleend met onder andere de hoven Tgen Roede en Ten Broke met toebehoren te Beesel. Over de persoon van Oele bestond lange tijd onduidelijkheid, temeer daar deze voornaam uitsluitend in deze ene akte voorkomt. Vrijwel zeker betreft het Otto van Holtmeulen, via huwelijk met Elisabeth van Tegelen sinds 1394 heer van die plaats. In 1406 werd hij bovendien beleend met de Puteyck (de Putting) bij Kessel. Dit echtpaar had zeker vijf zonen: Johan, Vulling, Hendrik, Engelbrecht en Gaidert. In een akte van 1 oktober 1428 (zie: Wylrehof, Rijkel-Swalmen) worden ze gezamenlijk als broers genoemd.
Johan erfde het kasteel in Tegelen. Hij trouwde in augustus 1424 met Christina van der Horst en had een zoon Otto.
Johan's broer Vulling was getrouwd met Gudula van Herkenbosch. Het feit dat hij de helft van de tol van Kessel bezat die eerder van de weduwe van Rikalt van Kenswilre was, suggereert dat de belening van de familie Van Holtmolen met de hof Tgen Rade mag worden gezien als een erfkwestie. Hun zoon Johan wordt in 1472 en '73 vermeld. Hij was o.a. leenman van de Hagerhof genaamd Wylre onder Venlo en was gehuwd met Agnes Roevers; hij overleed rond 1519.
Hendrik was pastoor van Tegelen. Gaedert en zijn zonen Otto en Egbert worden genoemd in een akte uit 1469.
Grote afwezige in de meeste akten is Engelbert. Op 6 mei 1444 beleende hij het klooster Maria Weide (eigenaar van de Klerkenhof) met enkele bunders land te Rijckel. In 1462 wordt de kasteelboerderij in Bussereind vermeld als Raederhof. De Pondschatting uit 1468 vermeldt Johan van Holtmolen als belastingbetaler onder Besel.
Foto: Loe GiesenIn september 1472 sloot Engelbert van Holtmolen een akte van huwelijksvoorwaarden met Isabella von Mulrade bijgenaamd van Boickholt, dochter van Gerard van Mulrade en diens vrouw Berte. In ruil voor de ingebrachte molen aan de Haricksee (Dld.) moest Engelbert o.a. zijn schoonouders een lijfrente geven en beloven dat hij de godslamp in de kerk van Lobberich zou onderhouden. Om deze verplichtingen te waarborgen werd de watermolen als onderpand gesteld. Engelbrecht bracht de hof Tgeen Raide, enkele tienden, zijn gedeelte van de steijl op de Maas met de visserij, de oeverste moele toe Offenbeeck (Ronckenstein), de Oebucher Camp, Smeetz guet met toebehoren aan de Mortel gelegen, plus nog wat kleinere landerijen in het huwelijk. Zoals gebruikelijk werd de akte door familie van twee zijden ondertekend, namelijk door Gadert Agrijss, Ott van Holtmoelen, Wilhelm van Scholer, Peter van denHemersbergh en Isabella's broer Johan van Mulraede.Op 29 mei 1477 beloofde Engelbrecht van Holtmullen dat hij zijn neef Otte van Holtmullen schadeloos zou houden wegens een voor hem gedane belofte en borgstelling tijdens de overdracht van de helft van drie tienden aan Heinrick Kellener. Isabele van Boickholt verklaarde een dag later nog eens apart dat de broers Jan en Goddart van Holtmuelen en haar zwager Ott of Oete van Holtmuelen geen schade zouden ondervinden van deze borgstelling.Op 5 juni 1486 werd Maes Lucken in ruil voor een jaarlijkse erfpacht van 2 malder rogge door Engelbrecht en Ysebeel beleend met de moelen gelegen tot Offenbeeck.In 1503 werd Gaedert, de zoon van Maes Lucken, door Johan van der Locht als voogd van jonker Otte van Holtmolen beleend. Het is onbekend hoe lang Otte leenman bleef van Tgen Raede.Hij werd opgevolgd door Sybert van Holtmullen. Samen met zijn vrouw Helwich van Brockhuysen kocht deze op 22 mei 1506 alle Tegelse goederen van Johan van Holtmullen Vullingszoon en Agnes Roevers, namelijk de Munt, de hof Ghen Bonghart en hun aandeel in de tienden en in het Vullinghhuijs. Doordat hun dochter Guede van Holtmuelen kloosterlinge werd in de Munsterabdij, weten we ook dat zij een broer Johan en twee zussen Appolonia en Golant had. Haar broer Gerard wordt echter niet in de sterfregisters genoemd.In 1527 werd Gerard of Geridt van Holtzmollen door graaf Everwyn van Bentheim beleend met de hoff to Oye, Tghen Raede met toebehoren en alle verdere rechten, die eerder van zijn vader wijlen Sybert van Holtzmollen waren geweest en na diens overlijden aan Bentheim waren teruggevallen. Op 22 maart 1537 legde hij de leeneed ten behoeve van graaf Arndt van Benthem nogmaals af. In 1540 verkochten Geraert van Holtmoelen en zijn vrouw Elyzabeth van Ympell een jaarrente gevestigd op de hof genaamd den Bongart bij de Munt in Tegelen gelegen. In 1577 werd de Munt bewoond door Willem van Holtmeulen.Op 17 juni 1544 beleende Gerat van Holtmolen Maes van Runckensteynn met de molen van Ronckenstein. Op 13 november 1549 bezegelde jonker Gerart van Holtmulen op ter Munten een verklaring inzake een doodslag in het Meerlebroek.Vermoedelijk hadden Gerard en Elisabeth een zoon Walrave en enkele dochters. Een van de dochters (waarschijnlijk Agnes) werd non in het klooster Daelheim nabij Vlodrop (zie: Hoesterhof). Dochter Helwich trouwde met Johan van Holthuysen, erfgenaam van de hof Tgen Broeck, die slechts op een steenworp van Tgen Raede lag. In 1570 voerde van Holthuysen een proces tegen zijn zwagers Wilhelm van Lynssenich en Seger van der Horst, eveneens getrouwd met dochters van Gerard van Holtmolen en daardoor voor respektievelijk 1/8 en 1/16 deel medeeigenaren van de boerderij onder Biessel genant Tgen Raede. De problemen ontstonden doordat Van Holthuysen zonder hun medeweten een nieuwe pachter had aangesteld en bovendien een aantal bomen rond de boerderij had laten kappen en verkopen. Tijdens Johan's afwezigheid stuurden Van Lynssenich en Van der Horst op hun beurt paard en kar naar Beesel, lieten ook bomen kappen en verkochten deze ter plekke, terwijl zij het restant lieten afvoeren over de Maas. De ruzie liep uiteindelijk zo hoog op dat pachter Geiss van den Kamp officiële bescherming aanvroeg bij de drost van het land van Montfort en Kessel. Uiteindelijk kwamen beide partijen dankzij bemiddeling door Johan van Eill tot Baerlo, Wilhelm van Merwich tot Kessel en Jacob von der Pfortzen, stadhouder te Kempen (namens Van Lynsenich en Van der Horst) en Dietrich van Hoult-housen tot Leuth, de rechtsgeleerde Leonart von Stalbergen en Jorgen Kreckelman, rentmeester van het land van Bruggen (namens van Holthuysen) op 26 mei 1570 tot een vergelijk. Door de drie betrokkenen werd een nieuw pachtcontract opgesteld, Van Holthuysen beloofde 150 eiken te planten en de tiende, die nu samen met de boerderij verpacht was, zou bij opbod openbaar verpacht worden.In het midden van de 16e eeuw verloor de boerderij haar rol als middelpunt van het Bentheimse leengoed. Aanleiding hiervoor was de bouw van Nieuwenbroeck, aan de overzijde van de Huilbeek. Deze nieuwbouw bij de vele eeuwen oudere Broeckerhof betekende tevens het begin van het einde voor de Rayerhof.
Foto: Loe GiesenVolgens een akte uit ca. 1595 waren de Rayer hoeven met hun huijseren ende schuijren, weyden ende bempden by den Brouck gelegen. In tegenstelling tot de Broeckerhof konden ze een grote hoeveelheid vee bevatten; dit was kort daarvoor nog nodig geweest, toen alle die naburen beesten darop geflucht gewest zindt. De boerderij was op dat moment waarschijnlijk al gedeeld tussen de twee dochters van Johan van Holthuysen. In 1607 was sprake van twee boerderijen gen Ray, respektievelijk eigendom van jonkvrouwe Anna, weduwe Van Baxen, en jonkvrouwe Ermgaert van Holthausen. In de loop van de 17e eeuw verdween de boerderij waarschijnlijk. In 1653 gaf Jonker Gerard van Baexen, de eigenaar van Nieuwenbroeck en eerder ook van de Raijderhoff, aan het Hof van Gelder te Roermond te kennen dat het gemeentebestuur 15 of 16 inwoners had ontboden om een greppel te komen slechten. Van Baexen had deze greppel aangelegd langs de Raijerweg om zo zijn landerijen af te bakenen. In een overeenkomst voor het Hof was bepaald dat hij noch zijn pachter de landerijen van de Raijderhoff zouden mogen bewerken. Daarom had Van Baexen de greppel laten graven en had hij tevens het veehek of valderen over de Molenweg laten weghalen. De eigendoms- en gebruiksrechten van deze eigen weg stonden vaker dan eens ter discussie.

In 1987 en 1988 werden tijdens twee korte opgravingen resten blootgelegd van de Rayerhof, waaronder een weermuur opgetrokken uit mergelblokken.

Frans G.J. Geerlings: Het huis Nieuwenbroeck en zijn bewoners (deel 1). In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 6 (1986).
Wiel Luys: Archeologische vondsten en opgravingen in Beesel - Reuver - Belfeld - Swalmen (1987-1991). In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 12 (1992).

 
Rayerstraat Smabers 6
Benaming Raijerstraet (1755) voor de NIEUWSTRAAT ter hoogte van de woning van Theunis van Cruchten. Zie aldaar.
 
Rayer valder Smabers 6
Het eerder genoemde veehek, vermeld in processtukken uit 1653, en als Rayer valderen in 1696, was blijkens de Smaberskaart in 1781 nog steeds aanwezig. Onder de benaming Raeijer falder staat het hek ingetekend over de Molenweg bij de BUSSEREINDSEWEG.
 
Rayerveld Smabers 6
Dit toponiem houdt verband met het werkwoord 'rooien', Middelnederlands 'roden'. Ook het werkwoord 'uitroeien' is hieraan verwant. De vroegste vermelding van het Rayerveld dateert van 4 januari 1435, toen het klooster Mariaweide uit Venlo (eigenaar van de Klerkenhof in Rijkel) aan Mathias Hertenstruyck 1½ bunder akkerland te Beesel in het Rodervelde gelegen in erfpacht gaf. Ook in latere akten wordt het Rayervelt (1569-1669) of Rijerveldt (1747) herhaaldelijk genoemd.
Op de Smaberskaart vinden we de veldnaam Raeijer velt voor het gebied begrensd door HOOGSTRAAT, Haselterzijweg, Muizenhoek, Heideveldweg, BUSSEREINDSEWEG en NIEUWSTRAAT. Vermoedelijk was dit de middeleeuwse ontginning die bij de Rayerhof hoorde. De belastingschaal van de grond (zwaar) geeft mogelijk aan hoe ver deze ontginning oorspronkelijk reikte; de aansluitende velden van Haselt en Eijffelt vielen slechts in de belastingschalen 'licht' en 'middel'. Op 22 november 1872 werd aan Gerardus Teunissen een hinderwetvergunning verleend ten behoeve van een steenbakkerij in het Raayerveld.
 
Rayerveldweg Smabers 5-6

Foto: Loe Giesen

Op de Smaberskaart aangegeven als een gemeenen wech (openbare weg) tussen de HOOGSTRAAT en de RIJKSWEG. De weg vormt in grote lijnen de scheiding tussen Rayerveld en Eijffelt in het zuiden en het Haselt in het noorden.

 
Rayervoetpad Smabers 5-6
Dit voetpad, dat over enkele honderden meters parallel liep met de BUSSEREINDSEWEG, wordt reeds in een akte van 26 april 1587 vermeld als Rayer voetpad. Op de Smaberskaart staat het aangegeven als voetpat ten noorden van de BUSSEREINDSEWEG. Dit pad begon bij de Molenweg en liep van daar tussen de huizen en landerijen van het Rayerveld langs de terrasrand van de oude Maasoever, tot ongeveer aan de Heideveldweg. Een tweede tak van dit weggetje kwam uit op de Muizenhoekerweg. De Staat van Openbare Wegen uit 1901 vermeldt het voetpad onder de benaming Achter Bussering.
 
Rayerweg Smabers 6
In het midden van de 17e eeuw werd de benaming Raijerweg gebruikt voor de huidige Molenweg. Deze weg behoorde tot de kasteelboerderij Tgen Raede en mocht dan ook alleen door de eigenaren en bewoners van deze boerderij worden gebruikt.
Daarnaast wordt de benaming wel gebruikt voor een weg nabij Nieuwenbroeck. Op veel moderne kaarten wordt deze abusievelijk Bayerweg genoemd, hetgeen al aangeeft dat de benaming niet echt gangbaar was. De huidige Rayerweg wordt door Smabers aangegeven als een weg tussen de Kasteelweg en de splitsing BAKHEIDE/ SCHANSWEG. Deze weg langs de Rayer bemden vormde de gebruikelijke route van de huizen rond de NIEUWSTRAAT richting Bakhei en schans.
 
Reeckziep, de Smabers 10

De enige vermelding van land gelegen aen de Reeckziep (1720) lijkt te wijzen op een ligging nabij de Schinheuvel. In het Middelnederlands is een 'sipe' een klein beekje. Mogelijk wordt de Reuverbeek bij de Klaashof bedoeld.

Vergelijk: Het Sijpken, de Twee Sijpen en het Vloot.

 
REGOUTLAAN, PATER  
De vierde zijstraat van de PARKLAAN kreeg in 1950 de benaming Lindelaan. Later werd de straat hernoemd naar een van de vele slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.
Robert Willem Hubert Regout werd op 18 januari 1896 geboren in Maastricht. Na zijn kandidaatsexamen brak hij zijn rechtenstudie in Utrecht af om op 5 januari 1915 in de Sociëteit van Jezus te treden. In 1924 mocht de Jesuiet zich na zijn doctoraal examen alsnog meester in de rechten noemen. Daarnaast studeerde hij filosofie en theologie. Op 15 augustus 1927 werd hij in zijn geboortestad tot priester gewijd. Na enkele andere funkties werd hij op 18 september 1939, op de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, benoemd tot buitengewoon hoogleraar in het Volkenrecht aan de Universiteit van Nijmegen. Op 12 mei 1940, kort na de Duitse inval, publiceerde hij zijn visie op 'De rechtstoestand in bezet gebied' en reisde hij vervolgens door het land om te overleggen welke houding hij en andere juristen moesten aannemen tegenover de bezetters. Op 29 juni 1940 trof de Gestapo hem niet thuis aan, maar twee dagen later werd hij gearresteerd en overgebracht naar Arnhem. Van hieruit werd hij op 16 augustus weggevoerd naar de Alexandergevangenis in Berlijn, om in juli 1941 naar het concentratiekamp Dachau te vertrekken. Als gevange Nr. 26750 overleed hij hier op 28 december 1942.
 
REMBRANDTSTRAAT Smabers 10

Rembrandt van Rijn (1606-'69) woonde tot 1630 in Leiden, waarna hij naar Amsterdam verhuisde. Zijn werk bestaat voornamelijk uit bijbelse voorstellingen en portretten, daarnaast ook landschappen en mythologische taferelen. Zijn groepsportretten zijn nieuw en enig in hun soort. Van hem zijn meer dan 100 zelfportretten bekend. Zijn meest bekende werk is de Nachtwacht uit 1642.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Foto: Gemeentearchief BeeselHet tracé van de huidige REMBRANDTSTRAAT komt op de Smaberskaart vrijwel overeen met dat van de Oude Moolen straet richting Foekebroek. Tussen de beek en de weg naar Venlo lag de Camp langs de Venlosche baene. De andere zijde maakte deel uit van het Moolen velt dat zich uitstrekte tot aan de Offenbeker markt.
Op 28 november 1966 besloot de gemeenteraad om de toenmalige Klaashofweg de naam REMBRANDTSTRAAT te geven.

 
Reubekamp  
Vermelding van den Reeubkamp (1607) voor een van de landerijen die tot de Broeckerhof behoorden. De benaming zal ontleend zijn aan het gelijknamige gewas. De ligging is onbekend.
 
Reutje, 't Smabers 9

Het Reutje was in de late middeleeuwen vermoedelijk een van de ontginningen behorend tot hoeve De Zang. Het gebied lag globaal tussen de PASTOOR VRANCKENLAAN, PRINS BERNHARDLAAN, PRINSES IRENELAAN en PASTOOR RIJNDERSLAAN.
In 1500 werd in Venlo een proces gevoerd tegen Peter van Ercklentz, die o.a. kort daarvoor bij Besel in eyn busken geheiten dat Raeijtgen een jong meisje had verkracht en vermoord. Daarna begroef hij het lijkje onder grond en bladeren, maar het werd opgegraven door honden.
Net als bij het Rayerveld ontleent het Reutje zijn benaming dus aan een oude ontginning. Een van de eerste bewoners van deze grond in het huidige Reuversveld was Lenart in gen Raetgen (1541). In 1551 betaalde Henrick Tobben belasting voor zijn grond neven sijnen hoff int Raetgen. Volgens een aantekening van 17 september 1590 (St.-Lambertusdag) lag gen Roetgen in de buurtschap Lewen tussen de Roverss heide en de hoeve van de familie Tobben. In de loop van de 17e eeuw wordt het Roetgen te Leuwen (1603) of het Raetgen (1618, 1621) herhaaldelijk genoemd. Volgens deze laatste vermeldingen lag de grond aan de Offenbecker Kirckwegh en grensde hij aan de boerderij van Tobben. Tijdens een voogdgeding van november 1649 wezen de naburen van Leeven erop dat er een weg int Raetgen door het land van Sanderhoff moest lopen vanaf de gemeinte tot op het voetpad. In 1657 wordt Gerit in gen Raetgen genoemd. Een latere vermelding van land aen't Reutien dateert uit ca. 1700. Blijkens een akte uit 1740 lagen de landerijen op het Reutien te Leeven tussen de bezittingen van de koning van Pruissen (de Zang) en die van Gerit Reijnders. Heel behulpzaam is een Domeinenkaart uit 1743, waarom de bezittingen van de Zang staan aangegeven. In 1766 behoorde het houtgewas 't Reutje of Boske tot de pachtgronden van hoeve de Zang. In 1771 verkochten Geurt Schoolmeesters c.s. land in het Reutien (Smabers 9/203) aan Hendrik Bongars. In 1781 verkochten Joannes Janssen en zijn vrouw Maria Heijnen een stuk land in het Raetjen.

Loe Giesen: Een trieste moord bij Reuver. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 16 (1996).

 
Reuver, de  

Lange tijd werd aangenomen dat de benaming (de) Reuver nauw verbonden is aan die van de ridder Johan de Rover. Hij was zeer waarschijnlijk afkomstig uit Den Bosch en gehuwd met de erfdochter van het huis (Maas)Bree. In 1403 werd hij door de hertog van Gelre in plaats van zijn schoonzus en zwager beleend met de Hof te Lewen (zie: Buerense laathof), waartoe de Schei en de molen van Offenbeek behoorden. Zijn wapen, drie gouden molenijzers op een rood veld, werd door de Reuverse carnavalsvereniging geadopteerd.
Johan werd, voor zover we nu weten, nooit persoonlijk beleend en had geen Reuverse bezittingen. Hoewel een taalkundige ontwikkeling van Rover naar Reuver goed te verklaren is, moet de betekenis wellicht in een andere richting worden gezocht. Ook voor het vaker gesuggereerde verband met een voederplaats voor paarden (ruif) zijn onvoldoende bewijzen.

Reuver ontstond waarschijnlijk als pleisterplaats op de kruising van de handelsweg tussen Keulen en Antwerpen enerzijds en de verbinding Maastricht-Arnhem anderzijds. In november 1547 maakte een Weertenaar een reisverslag waarin hij noteerde dat hij op zijn reis van Keulen naar Antwerpen zijn intrek nam bij Kerst (Christiaan) in de Roever. Later vervolgde hij zijn reis over den gemeinen wech van Roverr gande nae Sijnt Lambertz. In 1563 is sprake van land ayn gen Ruyffer.
Het is natuurlijk niet uitgesloten dat de herberg zijn naam ontleende aan Johan de Rover. In dat geval was echter een associatie met het familiewapen van De Rover (het molenijzer) waarschijnlijker geweest dan de Adelaar, waarnaar de herberg later wordt genoemd (zie: de Zwarte Adelaar). Verhalen over roverbenden die bij de Schelkensbeek afwachtten tot een argeloze reiziger over een schellekoord zou struikelen, kunnen regelrecht naar het rijk der fabelen worden verwezen.

Van alle kerkdorpen en gehuchten binnen de gemeente is Reuver tegelijkertijd het jongste en het grootste. Deze relatief snelle ontwikkeling betekende tevens dat, mede door de aanleg van de spoorlijn, een gedeelte van Offenbeek geannexeerd werd, terwijl de oude buurtschap Leeuwen met name door de woningbouw in het Reuversveld haar karakter als aparte kern verloor.

Een van de vroegste vermeldingen van de huidige plaatsnaam vinden we terug in een akte uit 1615. Hierin wordt een zekere Lins up gen Reuffer genoemd. In december 1633 verkochten Heinderich Beckers uit Horn en zijn vrouw Thrincken Bressers 1½ morgen akkerland aan den Roever gelegen tussen Jen in den Voss en de openbare weg, zoals zij deze grond hadden geërfd van Wilhelm Pottlepels en Goerdtgen Brouwers, aan Thiss Brouwers en diens vrouw Aelheit.
In een akte uit 1644 treffen we Jan aen gen Reuver aan. Daarna komt de naam met steeds meer regelmaat voor, o.a. als den Roover (1692), Reuver (1697), de Reuver (1708, 1724, 1743), den Rover (1729) en den Ruyver (1747). In 1690 lag aen den Roever tevens het huis van Cornelis Alberts.

Aan de oostzijde van de weg lagen in de 18e eeuw eveneens al huizen. Op 20 april 1761 diende Arnoldus Ingenmiddel als gevolmachtigde van zijn zwager Joes Theunissen een verzoekschrift in om, samen met de erfgenamen van Hendrick Ingenmiddel, te weten de weduwe van Hendrick Ingenmiddel, nu hertrouwd met Hendrik Neeten, als vruchtgebruikster, en de voogden van de minderjarige dochter Hendrina Ingenmiddel, als eigenaresse, over te mogen gaan tot scheiding en deling van huis en moesgaarde gelegen aan de Reuver, plus ca. 16 morgen akkerland en houtgewas te Beesel, om hierna een gedeelte van deze goederen openbaar te verkopen. Op 9 november 1772 werden de goederen van de weduwe van wijlen Henderick Nieten, waaronder grond te Reuver op de Schinheuvel nabij de baan aan de Alde Straet, verkocht aan Reynaer Steevens.

Op de Smaberskaart (1781) geeft de landmeter het huis den Roover aan op de plaats van garage Feijts (zie ook: de Zwarte Adelaar). Opvallend is, dat hij deze benaming niet voor een groter gebied gebruikt, terwijl eerdere schrijvers dit wel doen. Benamingen als Roovers velt, Roovers Camp en Roovers heijde golden wel voor een groter gebied. Volgens een akte uit 1788 reikte den Reuver tot aan de WILHELMINALAAN.

 

Wanneer en waarom het lidwoord 'de' in officiële stukken verdween, is onbekend. In het dagelijks spraakgebruik hanteren met name de oudere inwoners nog steeds de benamingen 'de Ruiver' en 'oppe Ruiver'. Hiermee wordt in de meeste gevallen de omgeving van de markt bedoeld.

Onderstaande foto werd in 1938 genomen vanaf de Tasbeek in Kessel, aan de overkant van de Maas. In de verte zien we de kerktoren van Reuver. Links en achter de bomen de vele schoorstenen van de Reuverse en Offenbeekse klei-industrie.

Jan Ickenroth: Het "Huys op den Roever" en zijn bewoner Jan Trines. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 2 (1982).
Prof. Dr. M.J.H.A. Schrijnemakers: Toponiemen uit het Maas- en Swalmdal: Reuver. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 18 (1998).
Sjra Vintcent: Wandeling door Reuver, eind dertiger jaren, begin veertiger jaren. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 5 (1985).

 
Reuver, de Oude  
Benaming (1878) voor een woonhuis of boerderij, bewoond door Jan Joosten. Ligging onbekend.
 
Reuverseweg Smabers 6
Dit toponiem voor de huidige HOOGSTRAAT werd in juni 1934 aanvankelijk voorgesteld als officiële straatnaam; uiteindelijk besliste de raad anders.
 
Reuverspad Smabers 9
De benaming Reuverspaet werd rond 1770 gebruikt. De ligging is niet bekend; waarschijnlijk moet worden gedacht aan het pad dat van de Greun Haspel (hoek PARKLAAN/ST.-LAMBERTUSWEG) naar Reuver liep.
 
Reuvers valder  
Vermeld als Reuver valder in 1654 en als Reuvder valderen in een lijst uit 1718. De ligging is niet bekend maar moet vermoedelijk worden gezocht in de omgeving van de huidige dorpskern.
 
Reuversveld Smabers 9

Een vroege vermelding van het Reuver Velt dateert uit 1718.
Deze woonwijk werd aangelegd in de vijftiger jaren. Een van de eerste huizen in dit gebied was het huis van de familie Van der Velden, dat hier lange tijd alleen lag.

 

 

 

_

 

 

 

 

 

 

Foto: Archief Gemeente Beesel.

 
Reuversweg Smabers 9
In april 1756 wordt een perceel langs den Reuverswegh vermeld. De omschrijving wijst op een stuk land ter hoogte van de huidige PASTOOR RIJNDERSLAAN, gelegen tussen de weg van het veer naar Reuver en het hieraan parallel lopende voetpat op de Smaberskaart.
 
Reynengoed  
Het Reijnen goedt wordt reeds op 2 augustus 1567 vermeld onder de laatgoederen van de Nieuwenbroeckse leenhof. Op 16 december 1644 ontvingen Linnert Beurskens en consorten het Schroersgoedt, eertijds geheeten Reijnen goedt in leen. Waarschijnlijk had deze de boerderij gekocht van Dirck Heijnen, die zes dagen later de verplichte 12e penning betaalde aan Nieuwenbroeck in verband met het goed dat hij verkocht had. Op 5 september 1661 legde Jan Beurskens de leeneed af voor het Reijnen leengoedt; op 15 januari 1670 vernieuwde Ingel Beurskens de eed voor het Reijnen leengoedt in de Bosserstraat (NIEUWSTRAAT / BUSSEREINDSEWEG).
 
RIJKEL  
Deze naam gaat mogelijk terug tot een hypothetische vorm *Rijkholt, hetgeen kan duiden op een bosrijke omgeving. Geen enkele bekende vorm laat evenwel een uitgangs 't' zien.

Foto: Loe Giesen

Rijkel wordt mogelijk al in de 10e eeuw vermeld in verband met de heilige Liudgerus (742-809), bisschop van Münster (D) : Landfrid tradidit ad scm Liudgerum duo mancipia masculum et feminam Athaloldi filium Irmingerum in oppido Rikilo iuxta fluuium Masa; een nederzetting of versterking langs de Maas. Rijkel kende tot in de 19e eeuw de toponiemen 'Borgkamp' en 'Borgstraat'; mogelijk zijn beide terug te voeren tot het 10e-eeuwse oppidum. Met de mannelijke en vrouwelijke 'mancipia' (Latijn voor 'slaven') worden wellicht lijfeigenen bedoeld. Hoewel dit soort vermeldingen altijd vaak zeer moeilijk met zekerheid te koppelen zijn aan bestaande plaatsnamen, zal het aantal plaatsen langs de Maas met een naam 'Rikilo' beperkt zijn.

Foto: Loe Giesen.

In de 14e eeuw wordt de buurtschap met zekerheid genoemd als Rikel (1343, 1353). Latere schrijfwijzen zijn Rickel (1444), Rijckel (1444), Rijckell (1462) en Rijkelen (1859). De belangrijkste boerderij was ongetwijfeld de Klerkenhof, op de voet gevolgd door de Einderhof. In Rijkel lagen diverse bezittingen van kasteel Nieuwenbroeck.

Foto: Loe Giesen

Foto: Loe GiesenOp 4 mei 1629 verkocht Thiss van Horne met toestemming van zijn vrouw Grietgen Struicken hun huis met boomgaard en bijbehorende landerijen te Rijckell, zoals Grietgen deze van haar ouders had geërfd, aan Heinrich Slousen en diens vrouw Neessken Quiten en aan Maess Krompfoetz en Aelett Schlousen.
In januari 1754 verkochten Jan Simo
ns en zijn vrouw Tiske van Obroek hun huis en hof te Ryckel gelegen tussen landscholtis Lindtgens (Einderhof) en het klooster de Weijde (Klerkenhof), inclusief landerijen o.a. gelegen in de Wefels Camp en den Donderbergh, aan hun schoonzoon Willem Beckers en diens vrouw Theodora oftewel Dircxke Simons. De nieuwe eigenaren verpandden de goederen nog diezelfde maand aan Willem Mengels en diens echtgenote Gertruijdt Peters.
Foto: Loe GiesenOp 5 juli 1763 verpandde Margaretha Smeets, weduwe van wijlen Geeret Schreurs, samen met haar voogden Joes Stevens en Vosbeeck, haar huis met toebehoren te Rijckel gelegen tussen Joes Winckens en Peter Vosbeck aan de overste De Collignon, heer van Nieuwenbroeck, om zo haar achterstallige schulden te kunnen voldoen en haar kinderen op te voeden. Op 23 mei 1775 kreeg Peter Mooren naar aanleiding van een verzoekschrift toestemming van de schepenbank van Beesel en Belfeld om zijn huis te verkopen ten behoeve van de aflossing van schulden en voor het onderhoud van zijn kinderen uit zijn eerste huwelijk met wijlen Joanna Gerits. De aanvrager had bij deling met broers en zussen in 1768 het ouderlijk huis te Rijkel overgenomen. Huis, bijbehorende schuur en stallingen waren door de slechte toestand daaropvolgend gesloopt.

Foto: Loe Giesen

In 1782 werd het huis van Paulus Luttels en Gedula Rutten gelegen te Rickel openbaar verkocht aan Hendrick Heijnen en Gertrudis Hermans.

Foto: Loe GiesenAls straatnaam vastgesteld bij raadsbesluit van 23 juni 1975 voor de weg tussen BURGEMEESTER JANSSENSTRAAT en het toenmalige voetveer aan de Maas. De oude bebouwing is grotendeels verbouwd of gesloopt. Desondanks staat in Rijkel nog het enig bewaard gebleven bakhuis van de gemeente Beesel.

Bij de Einderhof staat een particuliere kapel, gewijd aan O.L.V. van Lourdes. De kapel werd in 1927 gebouwd ter vervanging van een oudere, vervallen kapel.

Loe Giesen: Pachtcontract van een aanwas bij Rijkel. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 19 (1999).
Jan Thijssen: Wegkruisen en veldkapellen in Beesel. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 2 (1982).

 
Rijkelerveld Smabers 1

Foto: Loe Giesen

Reeds genoemd als Reickelsche Veldt in een akte uit 1606.
Volgens een vermelding uit 1615 lag het Rijkeler veld tussen de Eijckskenswegh en de Reickelswegh. Een akte uit 1708 plaatst dit toponiem Rijckelveldt of Rickelveldt naast het Kerkenlandt, een vrij algemene benaming voor eigendommen van de kerk. Een perceel in het Riekelste Veldt, genoemd in een akte uit november 1755, komt op de Smaberskaart overeen met het Kerckvelt aen Rijckel aan de westzijde van de ST.-ANTONIUSSTRAAT of nabuyr mestwech.

 
Rijkelse Bemden Smabers 1
De aanwassen ten westen van Einderhof en Klerkenhof werden aangeduid als Rickeler Bembt (1708), Rijkelste Bembden (1752) en Rij(c)kelse Bem(b)den (1758). Op de Smaberskaart uit 1781 worden ze de Erven genoemd.

Foto: Loe Giesen

Foto: Loe Giesen

 
Rijkelse Bergen  
Soms vinden we in oude stukken of op oude kaarten ook gewoonweg fouten. Dat geldt zeker voor de notatie van de Rijkelsche Bergen op de Rivierenkaart uit 1849. Natuurlijk moet hier gewoon Rijkelse Bemden staan.
 
Rijkelseweg Smabers 1
Blijkens een akte uit 1615 grensde de Reickelswegh aan het Rijkeler veld. Hieruit volgt dat de huidige ST.-ANTONIUSSTRAAT of Kerkweg wordt bedoeld. In 1631 klaagden Matthis in gen Nouwenhoff, Johan Quiten en Goerdt Keupers als pachter van Thiss in gen Nouwenhoff erover dat het pad vanaf de Rijckelschenwegh naar de Maas door derden werd gebruikt, hoewel dit geen openbare weg was. Volgens een akte uit datzelfde jaar liep de Reickelerwegh parallel aan de Cloijtens Paet; of dezelfde weg wordt bedoeld, is niet bekend.
In de raadsvoorstellen inzake straatnaamgeving van 25 juni 1934 komt de 'Rijkelscheweg' voor als benaming voor de ST.-ANTONIUSSTRAAT, de benaming die na een amendement wel een raadsmeerderheid kreeg.
 
RIJKSWEG  

Foto: Gemeentearchief BeeselDe huidige RIJKSWEG vormt de belangrijkste noord-zuid verbinding door de gemeente. In zekere zin markeert de weg de scheiding tussen de oude ontginningen langs de Maas en de woeste gronden van het Meerlebroek. Het is niet bekend wanneer de weg werd aangelegd, maar gezien de natuurlijke obstakels is het onwaarschijnlijk dat de weg tot de oudste wegen behoort. Op de door Christian Sgrothen getekende kaart 'Gelriae, Cliviae Finctimorumque Licorum Verissima Descriptio' uit het eind van de 16e eeuw staat de weg aangegeven. Ook op de Muliexkaart (1662) staat de weg aangegeven. De weg volgt een tamelijk recht tracé. Bij het voormalige moeras van de uitloper van Blanckwater wijkt de weg even af van de rechte lijn.

Gemeenterachief Beesel, Reuver

De kern Reuver is nog relatief jong. Een groot gedeelte van de 18e eeuw lag de gemeente staatkundig vrij geïsoleerd: tussen Roermond en Venlo liep de RIJKSWEG door maar liefst drie landen, namelijk Oostenrijk (Swalmen), Nederland (Beesel en Belfeld) en Pruissen (Tegelen). In 1764 wordt de weg vermeld als gemeenen weg oft landtstraet en als de gemeene en grote baen aghter de Wilde Hoeve. Op de Smaberskaart (1781) staat de weg aangeduid als de baene van Ruremonde naer Venloo. Tussen Den Roover en de Schelkensbeek veranderde het trajekt rond 1838; dit nieuwe gedeelte werd aangelegd door de firma Husson uit Luik. Dit is met name bij de oude kazerne (hoek ST.-BARBARASTRAAT) goed te zien. Het noordelijk gedeelte van de oude route vinden we terug in de OUDE BAAN.

In 1923 werd een perceel nabij de Schelkensbeek aangewezen als standplaats voor woonwagens.

Foto: Loe Giesen

Een van de grootste huizen aan de Rijksweg was dat van schepen Gerard Goossens, gebouwd in 1767 en gelegen op de huidige plaats van de apotheek. Goossens verpandde het huis in 1781. Na de stichting van de St.-Lambertusparochie in 1834 verhuurde zijn kleinzoon, Gerardus Urbanus Goossens, de woning jarenlang als pastorie.

Ten zuiden van de bebouwde kom lagen slechts enkele huizen, zoals Heijenbroeck, Oud Waterloo, het Jagershuis en volgens de Tranchotkaart (1803-'20) twee kleine gebouwen waarvan een langs het Welkensven en het ander aan de noordzijde van de MUITERDIJK. In 1862 werd voor de aanleg van de spoorlijn gekozen voor een station gelegen bij Reuver, ten oosten van het dorp, nabij den Rijkskiezelweg.

In de voorstellen inzake straatnaamgeving van 25 juni 1934 werd de weg vanaf het oude gemeentehuis verdeeld in Rijksweg-Noord en Rijksweg-Zuid; na een amendement werd deze grens verlegd naar de monding van de STATIONSSTRAAT.

Venloosche Courant, 9 augustus 1890Bovenstaande foto werd gemaakt in mei 1912 ter gelegenheid van het huwelijk van Sylvie M.Th. van der Velden met Johan A.P. Franzen. Het echtpaar is hier op weg naar het ouderlijk huis van de bruid.
Die bruid was een dochter van Lambert van der Velden, bierbrouwer en eigenaar van brouwerij Victoria, en van Elise Marie Hannouille. Uit nevenstaande advertentie weten we dat "Lambaerke" in 1890 de brouwerij uitbreidde.
In augustus 1893 ontstond tijdens een onweer op diverse plaatsen brand in het pand: de zolder, de keuken, de achterkeuken, de brouwerij en de zaal liepen lichte schade op. De beperkte schade was vooral te danken aan notaris Vogels, bewoner van het aangrenzende pand, die als eerste ter plaatse was. In 1907 werd P. Peeters, later zelf café- en zaalhouder aan de Markt, aangesteld als brouwerijmeester; in 1932 vierde hij zijn 25-jarig ambtsjubileum.

Op nevenstaande foto zien we dat de panden op de voorgaande afbeelding inmiddels wit zijn gemaakt. Tevens heeft de straatverlichting zijn intrede gedaan. Rechts zien we o.a. drogisterij Cremers en boekhandel TIM (Timmermans).

 

 

 

 

Rijksweg-Zuid in 1907.

Nieuwe Venlosche Courant, 26 mei 1923.Net ten noorden van de spoorwegovergang lag tabaksfabriek Kentucky. De bedrijfsgebouwen, op dat moment gehuurd door E. Tophoven, werden in 1923 te koop aangeboden.

In 1935 was dit het fabriekspand van meubelfabriek St.-Jozef. Ter gelegenheid van een liquidatieverkoop in oktober 1935 werd de gehele voorraad van de fabriek verkocht door A.G.M.O. makelaarskantoor te Heerlen, die het bedrijf naar eigen zeggen had 'ingelijfd'. In september 1936 verkocht meubelfabriek Agmo opnieuw een grote partij meubelen af fabriek, net als in november 1937. Rond 1940 werd de naam gewijzigd in meubelfabriek 'De Overweg'. In 1944 waren er nog uitbreidingsplannen, getuige een advertentie waarin houten loodsen te koop werden gevraagd, maar latere vermeldingen ontbreken. Later werden hier stalen ledikanten gemaakt door de firma Colbers.

 
RIJNDERSLAAN, PASTOOR  

Harrie RijndersHenricus Leonardus Hubertus Rijnders werd op 29 december 1914 in Swalmen geboren. Op 30 juni 1940, enkele weken nadat ook Nederland bij de Tweede Wereldoorlog werd betrokken, werd hij in St.-Laurent sur Sèvres (Frankrijk) tot priester gewijd. Achtereenvolgens was hij kapelaan te St.-Quintin en pastoor te Gricourt in Frankrijk.
Op 13 juli 1941 droeg hij zijn eerste mis op in Reuver. Toen de bevolking hem bij de ouderlijke woning nabij de St.-Lambertuskerk een serenade bracht en de neomist de Reuvernaren zegende, liet hij zich allesbehalve lovend uit over Hitler. Er was maar één Führer, aldus Rijnders, en dat was God.
Drie dagen later werd hij gewaarschuwd dat zijn uitlatingen bij de Duitsers niet in goede aarde waren gevallen en dat deze hem zouden arresteren. Rijnders, een overtuigd Passionist, negeerde de waarschuwing echter; een dag later werd hij inderdaad door de Duitsers gevangen genomen en afgevoerd naar de gevangenis te Maastricht.
Via Scheveningen belandde hij enkele weken later in Dachau, waar hij op 14 september 1942 werd vergast.

Vastgesteld bij raadsbesluit van 17 april 1948 om door deze naam alle illegale strijders voor de vrijheid te eren.

 
RINGOVENSTRAAT  

Deze benaming, gelegen in buurt Heyencamp, herinnert aan de ringoven, een langgerekte ringvormige tunneloven, die voor het continubedrijf in de kleiwarenindustrie werd gebruikt. Vastgesteld bij raadsbesluit van 24 april 1984.

Wiel Luys: Steenbakken in vroeger tijden in Belfeld, Beesel, Reuver en Swalmen. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 15 (1995).

 
RITZERLAAN, BURGEMEESTER  

Foto: John HermansVincent Ritzer was burgemeester van Beesel van 1992 tot en met 1998. Al in 1996 moest hij zijn functie wegens ziekte laten waarnemen door de latere burgemeester Bert Oord. Hij overleed op 10 maart 2001 op 57-jarige leeftijd.

Deze straat bij de AMERLOSESTRAAT vormt een zogenaamde 'inbreiding': een inpasssing van een straat binnen een bestaand woongebied, dit in tegenstelling tot de meer gebruikelijke uitbreidingen.

Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 18 februari 2002.

 
Rode Boender  
Op 23 januari 1662 schreef Jan van Gratum uit Beesel een brief aan de schepenen, regeerders en gezworenen waarin hij zich erover beklaagde dat hij al een jaar of acht geen vergoeding meer had ontvangen voor zijn werkzaamheden als schoolmeester. Die vergoeding zou volgens afspraak bestaan uit een gedeelte van de opbrengst van een stuk land gelegen in Offenbeek, de Roede Boender genoemd. Het probleem was echter dat de pachter dit land braak liet liggen, waardoor Van Gratum niets kreeg. Over de ligging van het perceel is verder niets bekend.
 
Rode Morgen Smabers 9/39
Dit toponiem voor een perceel gelegen in het Obrocker Velt en grenzend aan de Maas, wordt in oktober 1646 voor het eerst vermeld als de Roij Morgen. In 1778 ruilde Helens Wilmsen, weduwe van Tilmanus Killaars, ongeveer 1¼ morgen genaamd de Rooden Morgen, in het Maasveld op de oever van de Maas gelegen, tegen een zes jaar oud paard. Kaart 9 van landmeter Smabers laat het perceel 38, in tegenstelling tot de omliggende percelen slechts licht belast, zien. De betekenis lijkt verband de hebben met de kleur rood, wellicht zoals deze kan ontstaan als grondverkleuring bij voormalige veldovens. Ook een relatie met 'roede' behoort tot de mogelijkheden.
 
Roderveld Smabers 6
Zie: Rayerveld.
 
Roeleppersbaend en Roeleppersgoed  
Vermoedelijk moet de ligging van Roeleppers baendt (1567) worden gezocht langs de huidige NIEUWSTRAAT. De weide, die grensde aan de openbare weg, lag naast het zogenaamde Reynen goed, een van de laatgoederen van kasteel Nieuwenbroeck. In een ongedateerde akte is sprake van Roeleppers baendt die nu Planen is. Zie: Plaenen baend.
 
Roermondseweg  
Op een foto van rond 1915 treffen we de benaming Roermondsche weg aan voor de huidige RIJKSWEG ZUID. Op de foto zien we een waarschijnlijk geënsceneerde aanhouding van wat een landloper of smokkelaar zou moeten zijn. In het midden een huifkar.
 
Roffaertsgoed  
Reeds in 1326 droeg Gottfried van Kessel genaamd Roffaert zijn vrije bezittingen in Beesel in leen op aan graaf Gerard van Gulik. Dit soort overdrachten was meestal bedoeld om bij een hooggeplaatste edelman in de gunst te komen of diens bescherming te genieten. Uit latere akten blijkt nergens dat de Gulikse graaf leengoederen bezat in Beesel. Mogelijk verviel de overeenkomst weer bij Godfried's overlijden of werd de opdracht herroepen. Zeker is, dat de familie Roffaert in de latere 14e en 15e eeuw nog vele bezittingen had in de gemeente. Bovendien was ze leenman van het Kesselse leengoed de Nederhoeven, de latere Onderste Hof. In 1369 werd een zekere Floerken Roffert in Beesel aangeslagen voor de maximale acht pond; daarnaast kreeg het Rofferts goet een aanslag van vier pond. Floerken stelde zich in oktober 1364, samen met Gadert van den Oever (vergelijk: Klaashof), Mathijs van Kessell Sybrechtssoen (vergelijk: Nederhoeven) en Mathijs van Kessel Gadertssoen, al garant voor een bedrag dat Mathijs (II) van Kessell en zijn zoon Johan (II) schuldig waren aan Johan van Meurs, de pandheer van het hertogdom Gelre. In het cijnsregister van Nieuwenbroeck, dat helaas qua datering vrij onbetrouwbaar is, vinden we Dirck van der Maesen en diens zoon Ludolff vermeld in verband met Roffertsgoedt ... gelegen opter Maesen.
 
Romeinse heide  

Het lijkt erop dat deze benaming slechts korte tijd is gebruikt. Op 17 december 1887 meldde de Maas- en Roerbode: "Onder de gemeente Reuver, op de zoogenaamde Romeinsche-heide, heeft men eene koperen bel uit den grond gedolven, die, volgens deskundigen, uit den Romeinschen tijd zou dagteekenen. Zij bestaat uit eene gebeitelde plaat, waaraan een klepel gesoldeerd is". Kennelijk was de conclusie wat voorbarig. Ruim twee maanden later, op 28 januari 1888, schreef De Nieuwe Koerier: "De onlangs te Reuver, op de zoogenaamde kampplaats der Romeinen gevonden bel is, volgens de Maasgouw, geen antiquiteit, maar een gewone koebel zooals men ze wel 't vee en de weiden omhangt."

De locatie van deze wat tegenvallende vondst is helaas niet bekend. In 1910 werden bij de ontginning van het Hensenbosch, iets ten noorden van Beesel, uitgebreidere opgravingen gedaan, maar toen betrof het vrijwel zeker een andere plek. Onduidelijk ook is een melding in de Nieuwe Koerier / Maas- en Roerbode van 12 mei 1914: "Door den arbeider J.S., alhier (Reuver), zijn bij het ontginnen van een perceel boschgrond eenige voorwerpen gevonden, waarschijnlijk van Romeinsche afkomst."

 
RONKENSTEIN Smabers 10

Foto: Loe Giesen

In een huwelijksoorkonde van Engelbert von Holtmolen en Bele von Mulraede genaamd Boekholt uit 1472 wordt reeds melding gemaakt van de overste molen toe Offenbeeck. Waarschijnlijk werd deze molen, eigendom van de heren van de Beeselse hof Tgen Raede (de juridische voorloper van Nieuwenbroeck) slechts enkele jaren eerder gebouwd. Vóór die tijd maakten zij waarschijnlijk gebruik van de 'onderste molen', gelegen nabij het Foekebroek. Deze had eerder bij de Schei gehoord, maar was in 1424 een zelfstandig leven gaan leiden als Gelders leengoed. In 1487 werd de bovenste molen verpacht aan een zekere Maes Lucken. Mogelijk was hij een zoon van Gaert Luecken, die reeds in 1468 bij de Schelkensbeek woonde. In een schatlijst van 1533 is sprake van de rogge op der hoegen moelen, opnieuw een aanwijzing dat er op dat moment twee molens waren op de Schelkensbeek.

Foto: Loe GiesenDe benaming Ronckenstein dateert uit de 16e eeuw. Het woord lijkt een samenstelling te zijn van het klanknabootsende 'ronken' en de onvermijdelijke molensteen. Zeker is deze verklaring echter niet. Volgens een akte uit 1534 lag Ronckenstein tussen Ronckensteins goedt en de Sint Cornelistoren. De molenaar woonde in de hoff aen gen Ronckenstein. De Ronckensteinsmoelen wordt in deze akte afzonderlijk vermeld.
In 1540 wordt een zekere Goertgen op then Ronckensteyn genoemd als schepen van Beesel. In de 16e en 17e eeuw werd de molen door Nieuwenbroeck vele malen beleend: op vastenavondwoensdag 1543 werd Michell der Muller van gen Ronckenstein beleend met die moelen gehijten Ronckenstein, gelegen tot Offenbeck; Gielis van Ronckensteyn (1551, in een kerkregister van Swalmen 'Jelis van den Ronckenstein oder Krompfoitz' genoemd) werd op 14 augustus 1569 opgevolgd door Linnert der muller van gen Ronckenstein. In 1600 wordt Heinrich op gen Ronckenstein vermeld. Hij was een zoon van Willem Reuter, de molenaar van de onderste molen.
Ronckenstein, situatie 1781.Door het huwelijk van Catharina Ronckensteins met Gordt op den Cruytzberch kwam de molen, waarvan de band met Nieuwenbroeck steeds losser werd, in het begin van de 17e eeuw in handen van de Beeselse familie Cruijsberg. Tussen 1569 en 1644 vond geen leenverheffing plaats; Hendrick opten Cruyssberch, de nieuwe muller van ghen Roinckstein, was de eerste in lange tijd die deze eed op 16 augustus 1644 aflegde. Op 26 januari 1665 ontving Jan Cruijtsberg de molen genaamd Ronckenstein te Offenbeck in leen; diezelfde dag werd Henrick Segers beleend met de hof aen gen Ronckenstein, die naar hem ook wel Segershof werd genoemd. Vele verervingen en overdrachten volgden. Geregeld ook werd Roncklestenckens meulke (1693) vertimmerd. Op 9 maart 1699 verkochten Jan Cruijsbergh en zijn vrouw Encke Franssen, Geurt Cruijsbergh en Hendrick Trines als voogden van de erfgenamen van Peter Cruijsbergh het ¼ deel van Ronckesteijns Meulen aan Neeske Cruijsbergh en haar kinderen, die ook de resterende aandelen kocht. In 1730 besloten de gezamenlijke eigenaren van de korenmolen om aan de overzijde van de sluis een tweede (olie)molen te bouwen. Deze laatste molen werd in de tweede helft van de 19e eeuw gesloopt.
In het midden van de 18e eeuw was de molen mede eigendom van Geurt Trines, die in januari 1756 zijn testament opmaakte in zijn huis genaamd Aen de Ronckesteijnse Meulen; hij liet het leeuwedeel van zijn eigendommen na aan de kinderen van zijn broers en zussen.

Mooi Limburg, 14 juli 1934

Rond 1760 was de korenmolen dermate vervallen dat werd besloten om ze te te slopen en ze na verplaatsing te herbouwen. Het is dit gebouw in vakwerkstijl dat we nu kennen. Op 12 januari 1765 namen Hendrick Bongaert en zijn vrouw Joanna Trijnes en Peter Driessen en diens echtgenote Catharina Gerets samen een lening op van de gebroeders Wilhelmus, Frans Leonardus en Jan Hendrick Thoer met als onderpand de Ronckensteijnsche Moolen onder de heerlijkheid (sic) Besel gelegen, leenroerig aan het huis Nieuwenbroeck. De weduwe Joanna Trines verpandde haar aandeel, zoals zij dit samen met wijlen haar man eerder had aangekocht van Peter Geraets en Geertrudis Horstermans, in 1784 aan Casper Betouw, tollenaar te Tegelen. Volgens de kerkregisters woonden aen de Ronckensteensche Molen op het eind van de 18e eeuw Francis Bongaerts en Wilhelmina Meuter (1788-'94), Peter Janssen en Joanna Claessen (1788) en Godefridus Driessen en zijn vrouw Willemina Joosten (1790-'92).

In de winter van 1921 werden de schoepenraderen van de korenmolen verwijderd en vervangen door een turbine. In 1956 kwam na ongeveer vijf eeuwen met Sef Cremers als laatste molenaar een einde aan het industriële tijdperk van de molen.

Mooi Limburg, 22 februari 1936

2. Buurtschap Ronkenstein.

Hoewel de watermolen en de molenaarswoning lange tijd alleen lagen, kregen deze in de 18e eeuw gezelschap van enkele woningen aan de overzijde van de weg. Na het overlijden van Geurt Trines in 1764 bouwden zijn erfgenamen Hendrick Bongaerts en Peter Driessen in respektievelijk 1776 en 1777 twee boerderijen (met jaarankers). Godefridus Driessen, een zoon van Peter, was in 1809 molenaar, terwijl de familie Bongaerts nog steeds medeeigenaar was. Door het huwelijk van Anna Maria Driessen met Gerard Stox in 1821 kwamen boerderij en molen in handen van de familie Stoks, die beide tot 1938 in bezit had. Op een topografische kaart uit 1853 vinden we naast elkaar de aanduidingen Ronckenstein en aan de Reuvermolen.

Ronckenstein, situatie 1843.

Foto: Loe Giesen

Zie ook: Segershof. Als straatnaam vastgesteld na raadsvoorstel van 25 juni 1934.

Jan Ickenroth: De Molen van Offenbeek of de onderste molen / de Molen van Ronckenstein of de bovenste molen. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 1 (1981).

 
Rookhuis valdereren  

In 1654 maakte Abraham Keullen, beëdigd landmeter uit Brüggen, een nieuw boenderboek voor de gemeente Beesel. De eerste metingen verrichtte hij tussen Hoesten en bys op den Groenen wech aen Roukes valderen. Bij een controle op het onderhoud van wegen in 1684 werd vastgesteld:  'het valderen aen den Berghs Camps ofte het Rouckes valderen niet gemaeckt, dan was alleen eenen hoppenstaeck derdoor gebonden'.

Zie ook: valderen.

 
ROOKHUIZEN Smabers 3

De benaming Rookhuizen is vrijwel zeker afgeleid van de voornaam Rochus. In een belastinglijst van 1468 vinden we deze voornaam Roickhuys bijvoorbeeld vermeld in de buurtschap Leeuwen.
Tijdens een grensschouwing in 1554 kwam het inspecterende gezelschap vanaf de Donderberg langs de Swalm als eerste langs een boerderij die vanouds Visschers haiff werd genoemd maar sinds enige tijd eigendom was van de kinderen van Rochus. Hier lag tevens in de vorm van de Groeneweg de grens tussen Swalmen en Beesel.

Foto: Loe Giesen

In zekere zin nam Rookhuizen een uitzonderingspositie in: zo had de oude Rochus, in 1554 schepen van Swalmen, eerder zitting gehad in de Beeselse schepenbank.
Op 16 december 1591 deed meester Gerhart van Assell, raad van de stad Roermond, ten behoeve van Derick Boenen, als man en voogd van Lijsbet van Assell en zich mede sterk makend voor haar broer Jan van Assell, afstand van zijn gebruiksrecht op de helft van 4 morgen land op de Gruenstraet gelegen naast de hof van Hoesten, alles nader vermeld in een nog oudere akte van 27 november 1580. Derick Boenen verkocht deze helft vervolgens aan Merten Lambertz, burger en glasmaker te Roermond, en zijn vrouw Truide. Op 5 april 1605 verkochten de erfgenamen van wijlen Marten Martens de helft van hun boerderij thoe Hoesten, Rouckis genandt, zoals deze door Marten Martens in eerste huwelijk was gekocht, aan de Roermondse glasmaker Martten Stams en zijn vrouw Berbe. In 1624 wordt Nelis thoe Hoesten genoemd als pachter van deze Martten Gelaesmeckers. De gemeentegrens tussen Swalmen en Beesel liep in 1606 via de Groennenwegh of Sinte Urbanuswegh langs Rouckus. In november 1649 klaagden de naburen van Rijkel dat die van Rouckis ende Swallmen veel te dicht bij de gemene gronden van de Backheijde kwamen. Dirk Stams, in 1652 genoemd als schatheffer van Swalmen, komt rond 1670 diverse malen voor in Beeselse lijsten. De erfgenamen van wijlen pastoor Stams verkochten de boerderij in maart 1750 aan de weduwe van wijlen Johan Michael de Heijster.

Detail Ferrariskaart.

Ook aan de Swalmer zijde van de weg lagen huizen; het kerkje op een kaart van 1792 is echter overdreven. In 1793 verpachtten de Kesselse herbergier Herman van Wijlick en zijn vrouw Anna Maria Hermans hun huis 'tot Roockhuijsen', aan twee zijden grenzend aan de Hooster Hoff, aan Zeger Janissen en Maria Winands. Op 15 juni 1801 verkocht het echtpaar Van Wijlick de boerderij aan Henri Joseph Michiels en Cornelia Jacoba Bosch. Op de koopakte noteerde de aankoper: "Koopcedule van den Hof van Wylyk te Zwalmen genaam Rookhuijsen, is door mij afgebroken en 't land een gedeelte verkogt publiek aan mevr. Tackoen en anderen en 't overige gedeelte land gevoegt bij den Hof de Backheijde door mij geheel gebouwt'.
Op een kaart uit 1821 staat het gehucht vermeld als Roockhoesen. In 1873 maakten Sebastianus Heijnen en zijn vrouw Maria Catharina Drippen, wonend te Swalmen op Roukessen, hun testament. In 1901 kocht Mathis Heijnen te Rookhuizen land in Swalmen.

Foto: Loe Giesen

Zie ook: Hoesterhof.

 
Roosengoed Smabers 6
Goertgen Roesen uit Sevenum werd op 7 mei 1647 beleend met twee laatboerderijen van Nieuwenbroeck, namelijk Drabbengoedt en een boerderij aan het Bussereijndt. Op 18 april 1662 werd Derick Roesen met beide boerderijen beleend. In latere lijsten treffen we Deryck Roosen (1673) en Trincke Roosen (1669, 1701) aan.
Op 25 februari 1772 verkochten Martinus Joannes Herpin en zijn vrouw Maria Harp een huisje op den Bergh tussen Wolfers goedt en Roosen goedt.
 
ROOVER, DEN Smabers 9

In 1919 kochten de zusters Dominicanessen van de industrieel Laumans een hectare grond voor de bouw van een nieuwe lagere school. Op 8 december 1921 werd de Heilig Hartschool in gebruik genomen, die in 1951 werd omgedoopt in Maria Gorettischool. In de loop van 1961 werd het gebouw volledig gereviseerd en in 1972 uitgebreid. Sinds 1985 vormen de voormalige Heilig Hartschool en de Maria-kleuterschool samen basisschool Den Roover.

Zie ook: Reuver.

Vastgesteld bij raadsbesluit van 17 april 1961. Op 16 augustus 1971 besloot de gemeenteraad om ook het verlengde van deze straat de benaming DEN ROOVER te geven.

 
ROOVERSCAMP Smabers 9

De Roovers Camp (1644) of Roevers Camp (1651) wordt in het midden van de 17e eeuw vermeld. Volgens een akte uit 1654 behoorde bij de Onderste Hof ook grond gelegen aan de Rovers Camp tussen de Muelenweg en de beek tot op het Muelenveldt. Ook landmeter Keullen noteerde in 1654 de Reuvers Camp.
In april 1770 verkocht Joannes Trijnes een perceel gelegen op de Reuvers Camp aan Wilhelmus, Joanna, Agnes en Gertrudis Trijnes. In 1772 verkochten Henderick Mooren en zijn vrouw een omhegd perceel akkerland, gelegen in de Reuvers Kamp langs de gemeene baen, aan Henderick Bongaers en zijn vrouw Joanna Trijnes.
Op de Smaberskaart (1781) vinden we de veldnaam Roovers Camp voor het gebied begrensd door DEN ROOVER, PARKLAAN, OUDE BAAN, ROOVERSCAMP en RIJKSWEG.

Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 17 april 1961.

Zie ook: de Zwarte Adelaar.
 
ROOZENDAELSEWEG Smabers 8

Op de Smaberskaart staat deze weg tussen KESSELSEWEG en BEESELSEWEG ongeveer met het huidige tracé aangegeven, dwars door de Heijde tot den Scheij.

De hoeve Roozendaal werd vermoedelijk in de eerste helft van de 19e eeuw gebouwd door Joannes Albers (pachter van de Spieker) en Maria Hinssen, dochter van de pachter van de Schei. Op de kadastrale minuutplans is de hoeve aanwezig. Ook op de buurtwegenkaart van 1844 zien we slechts een klein gebouw, dat later vermoedelijk is gesloopt voordat nieuwbouw plaatsvond. Rond 1860 werd ze bewoond door de weduwe Franssen-Engelen, samen met haar zoon Joannes en in 1878 door Antoon Franssen.

Foto: Loe Giesen

In 1944 sloeg een fosforgranaat door het dak op het moment dat eigenaar Sjang Rutten en een zoon op zolder waren. Als bij een wonder werd echter niemand gewond en de familie slaagde erin de brand zelf te blussen. Nadat de familie Rutten de boerderij tijdens de evacuatie had verlaten, namen Duitse militairen hun intrek in de boerderij. In de maanden daarna werden drie kinderen van de familie Rutten gedood door granaatvuur.

Vastgesteld op verzoek van de PTT bij raadsbesluit van 21 mei 1973.
 
Rottenrije  
Zie: Rotteringen.
 
Rotteringen, de Smabers 3
Vlas was vroeger een veel voorkomend gewas in onze streek. Zaadvlas of olievlas werd verbouwd om van het oliehoudende zaad van de wit- of blauwbloeiende plant plantaardige olie te maken op bijvoorbeeld de oliemolen van Ronckenstein.
Daarnaast was er vezelvlas, met vezelige stengels tot ca. 1 meter lang. Voordat deze vezels bruikbaar waren om linnen van te maken, werden ze, veelal in oude turfkuilen, in het water gelegd om daar soepel en bleek te worden. De vezels werden hierna met behulp van een hekel bewerkt: deze bestond uit een eikenhouten plank met rijen naalden om de vezels uit te kammen. Linnen weefsels zijn reeds duizenden jaren bekend.
De inkomsten van de in 1661 gestichte kapelanie van Beesel vermeldt inkomsten uit landerijen in't Hasselt van de gemeente rotteringe. In 1672 werd het recht van rottieringe door de erfgenamen van wijlen Gerit Gubbels en Neulken Hors bij openbare verkoop bij opbod verkocht aan Jacobus Wilhelm. Tien jaar later worden de Rottenrije (1683) vermeld. Uit 1692 zijn vlaskuilen of Rotteringe van de Roermondse familie Van der Holt bekend, gelegen in Bussereind. Op de Smaberskaart (1781) geldt de benaming de Rotteringhen voor een gebied dat grotendeels overeenkomt met de Vreeberg, begrensd door ST.-ANTONIUSSTRAAT, Op den Acker, Cleijnen Vreebergh en Bovenste Solbergweg. Zie ook: de Vlasrotten.
 
Roversheide Smabers 13
De verhalen over roverbenden in de gemeente Beesel zijn reeds eeuwenoud, zoals blijkt uit een akte van 5 november 1554: bij een schouwing van de gemeentegrens tussen Swalmen en Beesel kwam het gezelschap via Waterloo en de Wolfsgraaf bij het latere Greetjens Gericht. Van daar liepen zij naar een plaats genaamd die 5 Eicken. Meer dan 70 jaar oude mensen wisten van deze plaats te vertellen dat zij in hun jeugd op deze plaats hadden geholpen bij het uitgraven van grote wortels. Daarbij was hen verteld dat de straatrovers hier vroeger hun teugels, halsriemen en sporen hadden verborgen in de holle bomen die hier stonden. Of deze vondsten inderdaad te maken hadden met rovers, of dat het misschien prehistorische grafgiften betrof, zal wel altijd een raadsel blijven.

Een vermelding uit 1572 (het begin van de Tachtigjarige Oorlog) laat zien dat het gevaarlijk kon zijn in de omgeving van het latere Reuver. Roermondse afgevaardigden op weg naar Arnhem besloten daarom om de reis naar Venlo met een boot over de Maas te doen, "diewyle op Rouvers heide seer periculoes unnd verscheiden rouverien unnd geweltlicke spolieronghen van den straetenschenderen aldair gedain siin".
Een andere oude vermelding van de Roverss heide dateert uit 1590. Uit deze akte wordt duidelijk dat deze heide toen nog tot ongeveer aan de huidige PASTOOR VRANCKENLAAN reikte. In mei 1632 trok graaf Hendrik van den Bergh vanuit Nijmegen langs de Maas via Venlo, Roermond, Maaseik en Sittard naar Maastricht. Op 14 november marcheerde hij met zijn troepen vanuit Herckenbosch via de weg naar Breyel en Bracht en gebruikte hij de maaltijd 's middags met de prins van Oranje op de Roevers heyde.
Aan de zuidzijde van de heide, op het 'drielandenpunt' van de Gelderse gemeenten Beesel en Swalmen enerzijds en Gulik anderzijds, lag de gerechtsplaats van Beesel. Tot in de 18e eeuw werden hier de halsmisdrijven berecht. Tijdens een ruzie in 1710 werd een van de betrokkenen zo woedend dat hij van zijn buren zei die weeren werdt dat sy op de Reuvers heij verbrant wirden. Daarnaast werden hier mensen opgehangen en aan het rad gebonden. Voor zover bekend gebeurde dit de laatste maal in 1760, toen een voorbijganger hier galg en rad beschreef: ... op het radt was eenen geëxecuteerden liggende.
In 1751 werd de omgrachte boerderij de Waeterloo verkocht, gelegen op den Roversheijde. Nabij den Reuver waren Johan Thomas Smidt en zijn vrouw Josepha van Cadier eigenaren van een perceel ontgonnen heide op de plaats van de huidige spoorkamp, dat zij in oktober 1753 verkochten aan Hendrik Mathijs Vermaessen en diens vrouw Maria Margaretha Bodewijn. Samen met zijn tweede vrouw Aldegondis Graven verkocht Vermaesen deze kamp, binnen zijn grachten en wallen in de Roverse Heijde aan de Groote Passagie of Groote Baen bij den Reuver gelegen, in oktober 1774 aan de rentmeester Dionysius Smitshuijsen en diens vrouw Maria Elisabeth Lunneschloß, de eigenaren van de Schei.
In mei 1775 vroegen F.C. Beaumont en diens vrouw M.A. de Muller aan Frans van der Renne of deze bereid was om afstand te doen van 40 morgen heide op den Reuver tegenover Waterlo, die deze in 1768 had gekocht van landscholtis De Partz.

Op de Smaberskaart (1781) geldt de veldnaam de Roovers Heijde voor een uitgestrekt gebied begrensd door Grensweg, RIJKSWEG, CHARLES RUYSSTRAAT, INDUSTRIESTRAAT, KEULSEWEG en het Meerlebroek. Als ontginningen zijn vier gebieden te onderscheiden: de oude bembden nabij de DUBBELWEG; de Leever Bembden, ongeveer gelegen tussen OFFENBEKERWEG, KEULSEWEG, SEBASTOPOL en KLOKWEG; de Erven langs de Baene (= RIJKSWEG) van de Hovergelei tot aan de WILHELMINALAAN; en de 18e eeuwse ontginningen van de huidige Waterlose Bossen.
De Reuverse heide was in 1782 nog voornamelijk het terrein van de schaapherder, hetgeen nog eens blijkt uit een proces uit dat jaar, aangespannen omdat op een van deze herders was geschoten.
In 1826 wordt de Reuverse Hei nog genoemd, evenals in 1863, toen prins Willem III van Oranje manoeuvres op de Reuverse Heide bijwoonde. Op latere kaarten wordt ze kortweg de Heide genoemd.

© Loe Giesen, Reuver

Na de aanleg van de A73 is een gedeelte van de landerijen die in het begin van de 20e eeuw in cultuur werden gebracht weer teruggegeven aan de natuur. Bovenstaande foto's (montage) werden genomen vanaf het viaduct A73-Rijksweg 271, met links de bomen rond het voormalige Welkensven en op de achtergrond het Meerlebroek met daarachter het Duitse hoogterras.

 
Ruiterskamp Smabers 10

Het Reuijtters Kempken wordt voor het eerst genoemd in de landmeting van 1654. In november 1721 verkochten de erfgenamen van Willem Stoffers hun vervallen boerderij in Offenbeeck gelegen inclusief land in het Ruijterskempken aan Corst Vosbeck en Neesken Croonen.
De vroegst bekende eigenaar van een huis op de Ruiterskamp was Petrus Peters. Rond 1740 was hij, vermoedelijk als beroepsmilitair in Menen (B), nabij de Franse grens getrouwd met Maria Joanna d'Artois. In 1748 keerde het echtpaar terug naar zijn geboorteplaats Beesel, waar de rest van de in totaal 12 kinderen werden geboren, waaronder een dochter Maria.

Foto: Loe GiesenOp de Smaberskaart uit 1781 vinden we de veldnaam Ruijters Camp voor het gebied begrensd door de beek, JULIANASTRAAT, EMMASTRAAT of Ruijters straet en de KEULSEWEG. Het gebied tussen de beek en de RIJKSWEG werd door Smabers aangeduid als de Camp langs de baene aen den Roover. Op de huidige plaats van de Rabobank en schoenhandel Rutten (RIJKSWEG) lagen de huisjes van Arnold en Peter in gen Middel.
Op 25 februari 1791 werden huis en hof aen den Reuver op Ruyterscamp verpand door Maria Peters en haar man Joannes Peulen of Beulen.  Toen Peulen in 1795 overleed, hertrouwde Maria Peters met de klompenmaker Gerardus Bertens uit Lobberich (D). 

 
Ruiterstraat Smabers 10

Foto: Loe GiesenZie: EMMASTRAAT.

 
RUSTOORD  

Foto: Gemeentearchief BeeselHier werden in de vijftiger jaren op initiatief van wethouder Steeghs de eerste bejaardenwoningen gebouwd. De benaming 'Bösdaellaan' voor de verbindingsweg tussen PARKLAAN en KAREL DOORMANLAAN langs het wijkgebouw werd op 19 oktober 1964 gewijzigd in RUSTOORD na klachten over de ontoegankelijkheid van de huisnummering.

In de loop van 2015 werd een groot gedeelte van de bejaardenwoningen gesloopt.

 

Foto: Gemeentearchief Beesel

 
Rutgensgoed  
Op 26 april 1587 werd Maes Nelis Maesse zoon beleend met het Nieuwenbroeckse laatgoed genaamd Ruttenhof. Op 22 juni 1606 vernieuwde Jaeck Rutten de leeneed van Goertgen Rutgensgoedt gelegen aan Drabben valderen.
Op 16 augustus 1644 betaalde Jaeck Rutgens de 12e penning (een percentage van de verkoopsom) van het goed gelegen aan Drabben valderen, nadat hij het goed had verkocht aan zijn neef Herman Rutgens. Volgens het tijnsregister van het kasteel betaalde Herman jaarlijks trouw zijn tijns wegens zijn goed gelegen neffens dat Streiutgen. Op 21 augustus 1661 werd Jan Rutgens beleend met Rutgens goedt, gelegen aan Drabben valderen.
Op 16 augustus 1644 vernieuwden Thijsken Ingels en Dirck Wolfaerts de leeneed van Rutgens goedt aen genen bosch gelegen. Op 29 mei 1666 verhief Gerit Houben Rutgensgoedt aen genen bosch aen't Bussereijnt tusschen Stockmans en Pastoorsgoedt. Jan Robberts legde op 4 juni 1673 de leeneed af wegens Rutgensgoedt aen genen bosch aen't Bussereyndt gelegen tusschen Stockmansgoedt en Pastoorsgoedt.
 
Ruttenhof Smabers 10/234

Op 17 oktober 1785 vond in het gerichtshuis te Beesel de openbare verkoop 'met den stokkeslag' plaats van de hoeve genaamd Ruttenhof te Beesel, plus de hoeve de Kaale Graaft te Belfeld.
De boerderij werd gekocht door Coenraad Jonckers, borgemeester en secretaris van Venlo, als vader en voogd van zijn minderjarige kinderen. In de verkoopakte werd overeengekomen dat hij aan de Belfeldse zijde van de Schelkensbeek zo nodig grasgewas ter breedte van 3 roeden zou afstaan indien de gemeente Beesel of Belfeld hier een brug en bijbehorende dijk zou willen aanleggen. In ruil daarvoor zou hij van de nu gebruikte oude weg mogen profiteren.
De benaming Ruttenhof wordt onder andere gehanteerd op de kaarten van Tranchot en Von Müffling uit het begin van de 19e eeuw.

Zie ook: Junckershof, Nederhoeven, Onderste Hof.

Jan Ickenroth: "Nederhoeven - Villa tot Offenbeeck" of de "Onderste Hof". In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 2 (1982).

 
RUTTENCAMPSTRAAT  
Zie: Walsbergweg.
 
Ruttenkamp Smabers 6

Foto: Loe GiesenDe herkomst van deze benaming moet waarschijnlijk worden gezocht bij de achternaam Rutten. In maart 1756 wordt voor het eerst melding gemaakt van land in Rutte Camp naast de Lyckwegh. Op de Smaberskaart zien we de veldnaam Rutten Campken voor een drietal percelen gelegen tussen de Heijstraat (WITTEBERGSTRAAT) en de SCHOOLBERG. In een akte van mei 1781 wordt het gebied aangeduid als Cuijper Rutten Camp. De kuiper oefende vroeger een belangrijk beroep uit, niet enkel voor biervaten, maar ook bijvoorbeeld emmers.

De ligging van de RUTTENCAMPSTRAAT komt helaas niet overeen met de ligging van de Ruttenkamp; de weg ligt te noordelijk.

 
RUYSDAELSTRAAT  

Jacob van Ruysdael (1628-82) is de voornaamste Nederlandse landschapschilder uit de 17e eeuw. In zijn vroege tijd schilderde hij veel het bosachtige landschap in de buurt van Kleef en Bentheim (zie afbeelding), afgewisseld met watervallen of ruïnes van oude kastelen. Later schilderde hij ook veel rivier- en strandgezichten en was hij een meester in het weergeven van wolkencomposities.

Vastgesteld bij raadsbesluit van 28 november 1966.

 
RUYSSTRAAT, CHARLES  

Jonkheer Charles Joseph Marie Ruys de Beerenbrouck (1873-1936) werd in 1905 lid van de Tweede Kamer. In september 1918 werd hij premier van een door Dr. Nolens geformeerd kabinet waarin hij tevens optrad als minister van Binnenlandse Zaken. Na de verkiezingen van 1925 werd hij voorzitter van de Tweede Kamer en in 1927 minister van Staat. Van 1929 tot 1933 was hij opnieuw minister-president en minister van Binnenlandse Zaken en van 1933 tot aan zijn dood weer Kamervoorzitter.

Vastgesteld bij raadsbesluit van 14 november 1949 voor het weggedeelte tussen RIJKSWEG (nu aansluitend op de PARALLELWEG) en de MARIASTRAAT. Tot ca. 1970 lag aan de zuidzijde van deze weg een aftakking van de spoorlijn voor het laden van met name suikerbieten bij de LLTB.

 
RUYS VAN SPLINTERSINGEL  

Foto: Loe GiesenDeze straatnaam is een combinatie van achternamen van twee heren van het huis Nieuwenbroeck, die tevens allebei burgemeester van Beesel zijn geweest.
Op 23 april 1787 kwam Henricus Albertus Jacobus Ruys, gehuwd met Josepha Joanna Baptista Antonetta van Aefferden, in het bezit van Nieuwenbroeck. Toen hij op 29 mei 1824 op het kasteel overleed, volgde zijn oudste zoon Ernest Albert Emmanuel, gedoopt te Venlo op 14 juni 1786, hem op als eigenaar. Ernest Ruys was rond 1813 benoemd als burgemeester van Beesel, na het vertrek van Aegidius Junckers (zie: Wilde Hoeve). In 1827 trouwde hij in Maasbree met Josephine Frédérica Marie Anne barones d'Olne.
Na de Belgische Opstand in 1830 koos Beesel onder burgemeester Ruys de zijde van de zuiderlingen die zich vrij vochten van de noordelijke Nederlanden. Beesel bleef tot 1839 Belgisch gebied, waarna de gemeente weer Nederlands gebied werd. Waarschijnlijk was het ook mede door Ruys' inspanningen dat de kerk van Beesel in 1841 dichter bij zijn huis Nieuwenbroeck werd verplaatst, waardoor een nieuwe dorpskern ontstond.

Foto: Loe GiesenErnest Ruys bleef ca. 49 jaar burgemeester, tot aan zijn dood op 17 december 1862. Omdat zijn huwelijk kinderloos was gebleven, vermaakte hij het kasteel aan zijn nicht Augustina Ernestina Apollonia Ruys, dochter van zijn broer Felix en Emerentiana van Splinter. Deze nieuwe eigenaresse overleed op 24 februari 1894 en liet Nieuwenbroeck op haar beurt na aan haar nicht Gabrielle Josephine Antonie Constance Hubertine Ruys, een dochter van Constantin Ruys (burgemeester van Wankum, Dld.) en Tecla Saedt. Zij was op 27 augustus 1888 in Wankum getrouwd met jonkheer Felix Beatrix Constantin Hubert van Splinter, op 2 maart 1847 geboren te Gravenhorst als zoon van jonkheer Pierre Henri Jean Godefroid Eugene van Splinter en Marie Agnes Kalkscheuer.
Toen burgemeester Janssen, die in 1863 burgemeester Ruys was opgevolgd, op 9 december 1903 overleed, was Felix baron van Splinter hem in dat voorjaar al opgevolgd als eerste burger. Tijdens zijn ambtsperiode nam de industrie een grote vlucht en ontwikkelde Reuver zich steeds meer tot een krachtige kern met goede werkvoorzieningen. Het onder burgemeester Janssen gebouwde gemeentehuis in Beesel werd al snel te klein en ijverig werd dan ook gezocht naar een groter gebouw. Dit werd uiteindelijk het voormalige woonhuis van notaris Vogels te Reuver, dat op 9 oktober 1919 werd aangekocht. Burgemeester Van Splinter mocht de verhuizing naar Reuver niet meer meemaken; op 7 maart 1920, tien dagen voor de officiële opening van de nieuwe secretarie, overleed hij op huis Nieuwenbroeck.

 

Op 16 februari 1930 werd langs deze straat een landbouwdepot ingezegend door de pastoor.

Toen de gemeenteraad in juni 1934 vele straatnamen officieel liet vastleggen, bevond zich hierbij ook de straat genaamd naar de burgemeesters Ruys en Van Splinter.

 
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
 
© Loe Giesen, Reuver 1983-2017