| Tussen Maas en Meerlebroek - Toponiemen in de Gemeente Beesel | ||
| A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z | ||
Smabers 8 |
||
Dit gebied vormt, samen met de Lommerbergen, het voormalige stuifzandencomplex tussen Beesel en buurt Leeuwen. Eerst in de loop van de late 18e eeuw werden de vóór die tijd met heide begroeide zandverstuivingen beplant met voornamelijk naaldhout. De benaming houdt mogelijk verband met het Germaanse woord 'walzan': rollen, draaien. De zandduinen ontstonden waarschijnlijk zo'n tienduizend jaar geleden, maar behielden tot ver na de middeleeuwen hun wisselende karakter. De topograaf Maurits Gysseling vermoedt een verband met het Germaanse woord 'wal' of 'walha': de doden van het slagveld. Deze gesneuvelden verzamelden zich volgens de Noordgermaanse mythologie in het Walhalla, de hal van de overledenen. Behalve een Romeinse begraafplaats ten noorden van de HEYACKERSTRAAT (zie ook: HENSENBOSSTRAAT en Lijkweg) is in het oorspronkelijke gebied van de Walsberg echter nooit een pre- of protohistorisch kerkhof gevonden. Met name in het verleden zijn toponiemen bij voorkeur verklaard vanuit het 'heidense' geloof van onze verre voorouders.In 1486 schonk Johan van den Walssberch aan de kerk van Beesel een erfpacht van bijna 750 liter rogge met zijn boerderij aan de Walssberch, niet ver van de Schei gelegen, als onderpand. Ruim een eeuw later, in 1591, wordt Wilhelm an gen Waelsberch genoemd, in 1600 gevolgd door Willem Stevens aan de Walsberg. Het had weinig gescheeld of hij was de laatste bewoner van de boerderij geweest: dronken soldaten uit Venlo bedreigden hem met de dood, nadat ze een gedeelte van de inboedel kort en klein hadden geslagen. Bovendien dreigden ze zijn huis plat te branden. Kennelijk ging het onderpand voor de erfpacht uit 1486 in de loop van de 17e eeuw uiteindelijk over in handen van de kerk. In 1646 verkochten de Beeselse kerkmeesters seker goetgen den Walsberch genoempt, uitgezonderd de daarop staande bebouwing, aan de eigenaar van de Spieker, Gerard van Lom. Honderdvijftig gulden van de opbrengst werd gebruikt voor sloop en herbouw van het 'kircken huijss tot Besell'. Het was naar de eigenaar van de Spieker dat dit gedeelte van de Walsberg later werd aangeduid als Lommerbergen. Landmeter Smabers (1781) noemde het zuidelijk gedeelte van de Walsberg, bij Beesel, vliegende santberghen of drijvende santberghen mit den wint. Alleen het hoogste punt, tegenwoordig ca. 37 m boven N.A.P., werd door hem aangeduid als den Walsbergh. Volgens berichten uit 1790 weidden de inwoners van Beesel hun schapen nooit op de Bakhei, maar uitsluitend in het Haeselt, de Waelsbergen en Busserint. Tranchot en Von Müffling (1803-1828), die bij de vervaardiging van hun overigens zeer interessante kaarten helaas veel kopieerfouten maakten, vermelden het gebied als dryoeude sandbergen. In een akte uit 1832 wordt het gebied aangeduid als Wolfsbergen.
Loe Giesen: De Walsberg. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 8 (1988). |
||
| Walsbergkamp | Smabers 8 | |
| In 1745 verkochten Joannes Heijnen en Jenneken Rutthen o.a. land in de Walsberger Camp aan Anthoin Misdom en Maria Barbara Schreuders. In 1781 werd opnieuw land verkocht in de Walsberghs Camp. Op de Smaberskaart staat de benaming Walsberghs Kemp vermeld voor het gebied tussen de Leemkuilen, de Walsberg, de Walsbergweg en het Lichteveld. | ||
| WALSBERGWEG | Smabers 8 | |
| Deze oude wech van Besel naer Venlo liep in 1781 (Smaberskaart) van de ST.-JORISSTRAAT langs de Heyacker en door de Walsberg naar de huidige PARKLAAN. Vanaf den Walsbergh liep een parallelweg via de Lommerbergenweg en ten westen van de Schei richting St.-Lambertuskapel. Op 23 januari 1989 besloot de gemeenteraad om de benaming Walsberg te wijzigen in WALSBERGWEG, het verlengde van deze weg tot aan de WITTEBERGSTRAAT eveneens WALSBERGWEG te noemen en het weggedeelte tussen de ST.-JORISSTRAAT en WITTEBERGSTRAAT te benamen als RUTTENCAMPSTRAAT.
Zie ook: Lijkweg. |
||
| Wasch, de | ||
| In 1407 verkochten Mathijs van den Oever van Kessel en diens vrouw Katherina aan Dirick Moer en en diens vrouw hun hof te Offenbeke (de Klaashof), uitgezonderd de weide Waesch bij Offenbeker Beke. Twee jaar later werd de weide genaamd Wasch, gelegen te Offenbeke aen der beke, alsnog verkocht. Hoogstwaarschijnlijk betrof het een aanwas gelegen bij de Maas. | ||
| Waterlei, de | ||
Waterlopen werden vroeger vaak aangeduid met benamingen als 'leijgraaf' of 'waterleij'. In 1748 liet het Hof van Gelder te Venlo naar aanleiding van een verzoekschrift weten, dat op advies van de raad en momboirs was besloten dat het vegen van de Waterleijde voorlopig achterwege zou blijven, zo lang hierover geen klachten zouden worden gemeld. De aanvragers werden ontslagen van de verplichting om een hekwerk om de waterpoell te maken, op voorwaarde dat deze op behoorlijke diepte zou worden gehouden. Helaas is niets bekend over de ligging van deze waterloop. |
||
| Waterloo, de | Smabers 5/13 | |
De vroegste vermelding van dit toponiem dateert uit 1554 uit een schouwingsrapport van de gemeentegrens tussen Swalmen en Beesel: van de Nien Wech (EIKENBROEKLAAN) komend werd gewezen op een laagte in het broek, genaamd die Waterlois, niet ver van de Wolffsgrave. Volgens de rapporteur leek het er op dat via deze slenk die uitmondde in het lage broekland (Turfhei), al het overtollige water uit het Merlebruick richting Biesell werd gelost. Aan beide zijden van de laagte groeiden elsebosjes. Volgens de Swalmenaren kapten zijzelf de struiken aan de zijde van de Wolfsgraaf; de andere zijde werd geëxploiteerd door de Beeselse bevolking.
In 1747-'48 hadden Hessische troepen hun hoofdkwartier op de Reuversheyde tegenover Waterloo. Het hoofdkwartier van de officieren was op Nieuwenbroeck terwijl op de hof van Balthasar Wijhers enkele colonnes soldaten woonden. Veel materiaal van Beesel, Belfeld en Bracht, waaronder bomen, ramen, deuren en kasten, werd gebruikt als brandstof voor hun winterkwartieren. Uit 1772 dateert een vermelding Waeterlouw. Volgens de kerkregisters van Beesel woonden Simon Peters en zijn vrouw Mechtildis Heggers van 1787 tot 1793 op de Waterlo of Waeterlaet. Volgens een andere bron was de Waterlo in 1792 door Pollart verpacht aan Peter Heggers.
In 1909 gaf de weduwe Van Nispen tot Sevenaer opdracht om op de fundamenten van een oudere kapel, gelegen langs de RIJKSWEG bij de oprijlaan naar Oud Waterloo, een nieuwe Mariakapel te bouwen. Dit gebouw werd in 1966 bij de reconstructie van het fietspad gesloopt. Loe Giesen: Hoeve Oud Waterloo te Beesel. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 23 (2003). |
||
| Waterloo (kasteel) | ||
Vanaf het begin 1980'er jaren tot eind 2007 huisvestte het kasteeltje een parenclub, zodat het met recht een 'lustslot' mocht worden genoemd. In 1997 werd het geheel vernieuwd. |
||
| Waterloo, Achter | ||
Vanaf de WATERLOSEWEG liep vroeger een zandweg naar de EIKENBROEKLAAN, met een aparte onbewaakte spoorwegovergang. Met de aanleg van de A73 is deze naamloze eigen weg veranderd in twee doodlopende stukken. Op de foto is links de laagte te zien waaraan Waterloo de naam dankt. |
||
| Waterlose Kruisweg | Smabers 5 | |
| Deze weg, haaks op de WATERLOSEWEG aan de westzijde van de spoorlijn, is op de Smaberskaart (1781) reeds aanwezig, echter zonder benaming. | ||
| WATERLOSEWEG | Smabers 5 | |
| Deze weg is op de Smaberskaart reeds aanwezig, echter zonder benaming. Zie ook: de Steeg.
Vastgesteld als WATERLOOSCHEWEG in juni 1934. Aangezien de schrijfwijze van de naam nooit in een officiële raadsvergadering werd aangepast aan de huidige spelling, is de tegenwoordig gebruikte (en ook in dit boek gehanteerde) spelling dus feitelijk niet de juiste. Dit geldt overigens voor meer straatnamen. |
||
| Waterstraatje | Smabers 6 | |
Straatnaam Water straetjen op de kaart van landmeter Smabers (1781) voor de huidige Kasteelweg tussen de NIEUWSTRAAT en de Huilbeek. |
||
| WEDERIKSTRAAT | ||
| De wederik behoort tot het geslacht van de primula-achtigen. In onze streken treffen we, naast moeras-, gewone en boswederik, op vochtige plaatsen ook het penningkruid aan.
Vastgesteld bij raadsbesluit van 25 juni 1979. |
||
| Weem, Oude (1) | Smabers 2/120 | |
'Wedeme' is een Middelnederlands woord voor pastorie. In de 16e eeuw liet pastoor Goerdt van Biesell ten behoeve van de kerk van Beesel een huis na aan de eigenaren van de zogenaamde Buerense laathof; reeds in l577 en '88 legden kerkmeesters hiervoor de leeneed af. In 1621 en 1644 werd de leeneed van het door Goerdt van Biesell nagelaten huis opnieuw door diverse kerkmeesters afgelegd.Rond 1617 verkochten Goerdt en Thijs Preibergs(?), Jacob en Goerdt van Oebroeck, Hein van Oebroeck en Thilman Heijens een bouwplaats aan pastoor Albert Bertmeringh, gelegen tussen grond van Jan van Lijsselt en Goerdt Rutten en grenzend aan de openbare weg, plus 1 vierdel land te Bussereind; deze bouwplaats was echter gelegen te Bussereind. Dat Ouddorp in 1699 een pastorie had, blijkt uit een verkoop van een huis gelegen tussen de pastorie en de woning van Jan Beurskens. Op 27 april 1798 werd de pastorie van Beesel door de Fransen verkocht. Volgens de burgemeester was de pastorie in 1823 (in tegenspraak met eerdere berichten) in zeer goede staat. In 1854 besloot het kerkbestuur van Beesel om de pastorie te repareren. |
||
| Weem, Oude (2) | Smabers 8/93 |
|
| Sommige akten lijken erop te wijzen dat de pastorie eerder elders lag. De landmeting van 1654 vermeldt den her pastor weyme direct achter Obroeck. In augustus 1756 werd een perceeltje land verpacht, gelegen tussen de weg van den Alden Wam en de Obroekerbeek. In januari 1760 werd land op den Ouden Wydemhof vermeld, en in juni 1762 werd houtgewas genaamd in den Houk, gelegen nabij den Ouden Weem, verpand. Op de Smaberskaart (1781) vinden we de benaming de Oude Weem pastorie voor twee percelen nabij de Huilbeek aan de Beekzijstraat. In 1790 werd het perceel genaamd de Oude Weem nogmaals verkocht. Zoals gezegd moeten we mogelijk denken aan een vroegere lokatie van de oude pastoorswoning of weem. Deze verklaring is onzeker; mogelijk betreft het slechts grond (laatgoed van de Hof tot Leeuwen?) die tot de oude bezittingen van de pastoors van Beesel heeft behoord. | ||
| Weerd, de | ||
| Het Zuidnederlandse woord 'weerd' (in dialekt 'wieërd') is een variant van de noordelijk gebruikelijkere vorm 'waard', een door water omsloten stuk land. Volgens de topograaf Maurits Gysseling is de huidige vorm verwant aan het Germaanse woord 'waripa': riviereneiland. | ||
| 1. Offenbeek | Smabers 10/293 | |
| In de betekenis van spaarbekken of wijher treffen we de dialektbenaming 'de wieërd' aan voor de molenvijver van Ronckenstein. | ||
| 2. Reuver | Smabers 9 | |
Hoewel aan de oostoever van de Maas gelegen, maakt dit voormalige eiland in de Maas van oudsher deel uit van de gemeente Kessel. De weerde tot Kessel wordt voor het eerst genoemd in een akte uit 1338, waaruit blijkt dat de aanwas toen tot de bezittingen van het kasteel van Kessel behoorde. Vanaf de 14e eeuw wisselden kasteel en Weerd steeds gelijktijdig van eigenaar. Tot 1541 was dit de familie Van Kessel. Daarna was de aanwas tot 1798 eigendom van de familie Van Merwijck.
Op deze kaart zijn tevens de contouren van een boerderij aangegeven die hier, getuige aardewerkscherven op het perceel, reeds in de 17e eeuw stond. Vermoedelijk werd deze boerderij, waar mogelijk de Kesselse tol werd geheven, in de tweede helft van de 18e eeuw verlaten en aan de Beeselse zijde herbouwd.
Ton Hendricks: De Weerd: een stukje Kessels territorium aan de rechter Maasoever te Reuver. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 3 (1983). |
||
| 3. Beesel | Smabers 6/11 | |
| Dialektbenaming 'de Wieërd' voor de omgrachting van Nieuwenbroeck. Nieuwenbroeck kende een 'grote' en een 'kleine' wijher. | ||
| 4. Rijkel | Smabers 1 | |
| In 1421 ontving Derick Baeck, zoon van Derck Baken, de hof te Rykel, die naast de Maas gelegen was in het kerspel Besel, met de Weerd op de Maas. Mogelijk betreft dit het gebied in de Rijkelse Bemden dat in de afgelopen tientallen jaren is ontgrond. Zie ook: Aoleberg, Boermansweerd, Donderberg, Einderhof, Hoverweerd, Kleine Weerd, Klerkenhof, Patersweerd, Konijnsberg en Zangerweerd. | ||
| Weiakker | ||
| Genoemd als Weijacker in een akte uit januari 1760, samen met de Minacker en het Lichtenvelt. Mogelijk betreft het een verschrijving van 'Heijacker'. Is dit niet het geval, dan betreft het de enige vermelding van dit toponiem. | ||
| Welkensven | Smabers 13/6 | |
Benaming Welkens Vin op de Smaberskaart (1781) voor een water tussen RIJKSWEG en kernenverbindingsweg (Streekweg) tegenover het Jagershuis, in de tweede helft van de 18e eeuw bebost. In 1790 verpandde de chevalier Van der Renne het Welkes Vin langs de Venlosche Baane gelegen, gedeeltelijk akker en gedeeltelijk weiland. 'Wel' is een oud woord voor bron; vermoedelijk werd het ven gevoed door kwelwater.
Op de Tranchotkaart staat langs de RIJKSWEG ten zuiden van het ven een huisje aangegeven. |
||
| WELKENSVENWEG | ||
| De benaming voor deze verbindingsweg tussen BERGERHOFWEG en MUITERDIJK werd officieel vastgesteld als 'Welkesvenweg' bij raadsbesluit van 18 maart 1968. De straatnaambordjes dragen gelukkig wel de correcte spelling. De straatnaam is slechts een van de voorbeelden waarbij officiële en daadwerkelijk gehanteerde benaming verschillen. | ||
| Wercken, de | Smabers 4/9 | |
| Op de kaart van landmeter Smabers vinden we de benaming de Wercken voor een langgerekt bosperceel ten zuiden van de EIKENBROEKLAAN en ten oosten van het falder aan de Bakhei. Mogelijk gaven de vele zandwallen hier aanleiding tot deze naam; vooral door mensen aangelegde versterkings- of verdedigingswallen werden vaak aangeduid met deze benaming. In een aantekening van december 1853 is sprake van land in de Kievitshorst of Oosterwerkbroek te Riekel. Een akte uit 1861 noemt de Baxhoverwerken. | ||
| Wetter valder | ||
| Genoemd als 't Wettervaeren (1718). Ligging en betekenis zijn onbekend. | ||
| Wevelskamp | Smabers 3 | |
De Wievelsskamp wordt reeds genoemd in een akte uit 1606. Rond 1625 behoorde een gedeelte van de met hakhout begroeide Wevelskamp tot de boerderij genaamd de Bongart te Rijkel. In 1654 is sprake van de Weuvells Caemp, in 1675 wordt het gebied Wijvers camp gebnoemd. In 1754 werd een boerderij in Rijkel, gelegen tussen de Eijnderhof en de Klerkenhof, inclusief land in de Wefels Camp verkocht. Op de Smaberskaart (1781) treffen we de veldnaam Wevels Camp aan voor het gebied begrensd door Wevelsweg, GUBBELSWEG, Kapelaansweg en Aoleberg. In een verkoopakte uit 1792 wordt de Wevelskamp opnieuw vermeld. De betekenis van de benaming is niet bekend. Misschien moeten we denken aan een hobbelig terrein: een 'wevel' is in het Middelnederlands een striem of buil; een 'weivel' is een sergeant. |
||
| Wevelsweg | Smabers 3/10 | |
Deze zandweg staat op de Smaberskaart aangegeven als een naamloze laan door het bos van de Alenbergh. |
||
| Weversgoed | ||
| De tot de Nieuwenbroeckse laatgoederen behorende boerderij genaamd Weversgoed werd reeds in 1587 beleend aan Faes van Kirckray. Volgens een latere belening uit 1644 lag de boerderij aen het Bussereyndt naast de laatboerderij van de familie Vaessen. | ||
| Weverskempke, Dolle | ||
| In 1603 verkochten Derick Geisselberch en zijn vrouw Mercken Gerartz van gen Raij het Dollen Wevers Kempken, gelegen naast de openbare weg en het Kirckpaet, aan Thilman Gerartz van gen Raij. Bij verzuim van betaling zouden Derick en zijn vrouw de boerderij weer in gebruik nemen. | ||
| Wiede, de | ||
| Op 25 april 1449 kocht het klooster Maria Weide 1 morgen land te Rijckel aen den Wiede onder Beesel gelegen. Een 'wieje' was een wilg; een versje beginnend met de woorden 'hout sjnieje, dieke wieje, klómpe make' etc. herinnert nog aan de tijd dat vrijwel de hele gemeenschap op schoeisel uit wilgehout liep. Bomen werden vaak gebruikt om de ligging van percelen aan te geven. Of dit ook hier het geval is, is niet bekend. | ||
| Wijersgoed | Smabers 9 | |
|
De bewoners van de boerderij op gen Wijer (1591), op den Weier (1592, 1594), op den Weyer (1593) vinden we in buurt Leeuwen vermeld tussen de boerderijen de Haag en Tobbengoed. |
||
| Wijers Camp | Smabers 9 | |
| Vermelding Wijers Camp (1702) met een omvang van minstens 2 morgen en gelegen in Leeuwen. De exacte ligging is niet bekend. De naam heeft vermoedelijk te maken met de aanwezigheid van een vijver of wijher (mogelijk de Zangerweerd). Ook een verband met een familienaam Wijers is niet uitgesloten. | ||
| Wilde Hoef | ||
| 1. Beesel | ||
| Vermelding Wilde Hoeff (1622) voor een gebied nabij de Kirckpaet in Beesel. De exacte ligging en omvang is hier niet bekend. | ||
| 2. Leeuwen | Smabers 7/26 | |
Als veldnaam onder andere vermeld als Wilde Hoeve (1613). In 1631 klaagde jonker Dursdal dat de naburen te Leuwen van hem eisten dat zijn pachter een valder in de Wilde Hoeff beter zou onderhouden. Ook hadden de naburen geklaagd dat de herders van Van Dursdal de schapen op de stoppels lieten grazen, voordat hun varkens hier hadden geweid. De grafsteen van de oudste eigenaren van de boerderij bevindt zich nog in de Munsterkerk te Roermond.
Johan van Dursdal en Elisabeth van Cruchten, tevens eigenaren van hoeve de Zang, hadden diverse kinderen waarvan dochter Ermgarda (elders ook wel Maria of Margaretha genoemd) trouwde met Frans van Haften, ritmeester in dienst van de koning van Spanje. In een belastinglijst van omstreeks 1655 vinden we een van de eerste vermeldingen van den Ritmeister Haften van die Klein Hoeff. Henricus en Johannes Gerard van Haften volgden hun vader op als cornetten in Spaanse dienst. De oudste dochter, Maria Hendricks, trouwde in 1764 met Coenraad Junckers, een stiefzoon van de eerdere vrouwe van Nieuwenbroeck. Rond 1792 was de boerderij verpacht aan Peter Gommans. Coenraad droeg de boerderij waarschijnlijk over aan zijn jongste zoon. In 1805 verpachtte Aegidius Joannes Junckers de bouwhof genaamd Wilden Hoef, bestaande uit huis, schuur en stallingen maar uitgezonderd de gehele nieuwe 'timmer ofte heerenhuijs', voor een periode van 12 jaar aan Gerardus Strätgen.
Zie ook: Bergerhof, de Hoendercamp, de Kamp, de Zang, Melishof en Nieuwe Schei. Loe Giesen: De Wilde Hoeve te Reuver vóór de Franse Tijd. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 11 (1991). |
||
| Wildenkamp | ||
Deze benaming kwam vroeger geregeld voor. Zo werden in 1608 enkele tienden verpacht die eigendom waren van Nieuwenbroeck, uitgezonderd de Wilden Kamp to Offenbeck. In november 1649 klaagden de naburen van Offenbeck tijdens een voogdgeding dat er sinds enige tijd een onbehoorlijk voetpad dwars door de Wijlde Camp liep waar eerder nooit een pad gelopen had. In 1779 verpandde Goedefridus Vosbeeck een perceel gelegen op de Wildencamp. Volgens Smabers betreft het perceel 17 op kaart 10, gelegen aan weerszijden van de huidige Keulseweg, die daar ter hoogte van de westzijde van de spoorlijn inderdaad is aangegeven als een pad dat dwars over de akkers loopt. In de omgeving van Ouddorp treffen we de veldnaam Wilden Kamp vanaf het begin van de 17e eeuw herhaaldelijk aan. De Wilden Camp in Reuver wordt onder andere in 1756 genoemd. |
||
| 1. | Smabers 3 | |
| Veldnaam den Wilden Camp voor het gebied ten zuidoosten van de Strouckensweg en de KERSTENBERGWEG, grenzend aan de Bakhei. In januari 1770 verkocht Hendrick Claessen 1 morgen akkerland op de Wilden Camp aan Gradus Reijners, die op de Smaberskaart als een van de eigenaren wordt vermeld. | ||
| 2. | Smabers 7 | |
Veldnaam den Wilden Camp tegens Wilde Hoeff voor het gebied begrensd door PASTOOR VRANCKENLAAN, RIJKSWEG en HEERSTRAAT.Het 'wilde' van deze kampen betekende slechts dat het hier om niet ontgonnen dan wel sinds lange tijd braakliggend terrein ging. |
||
| WILDENKAMP | ||
Zowel buurtnaam als straatnaam (= Wildenkamp 2). Vastgesteld bij raadsbesluit van 18 februari 1974. |
||
| Wildveld | Smabers 10 | |
| Onbewerkt land werd vroeger o.a. aangeduid als dries, vogelsweide of wildveld. In de 80er jaren van de 16e eeuw werd het ambt Monfort door de koning van Spanje als hertog van Gelder zwaar belast om de ruiters en het voetvolk die in Roermond in garnizoen lagen te kunnen onderhouden. Door veelvuldige inlegeringen en doortochten waren zowel Beesel als de meeste omliggende dorpen zo geruïneerd dat niemand nog in staat was om de grote bedragen voor deze contributies en buitengewone lasten op te brengen. Aleen door gemeentegrond te verkopen zou het kerspel nog aan haar verplichtingen kunnen voldoen. Dit besluit werd in de kerk bekendgemaakt en uiteindelijk gaf ook de Rekenkamer op 3 februari 1587 toestemming voor deze verkoop. De gezamenlijke gerfden, schepenen, naburen en inwoners van Biesel en Belfelt verkochten uiteindelijk ein deil onser gemeinten gelegen tot Offenbeck aen het Wiltfelt aan prior Christoffer van Besel en procurator Christoffer Kaellen namens de Kruisheren van Roermond, de eigenaren van de Onderste Hof. Het verkochte land lag met beide lange zijden tussen gemeentegrond, en grensde met de ene korte zijde aan de bezittingen van de Onderste Hof en de andere aan het kempke van Jan de Neef op der buijtersten graef nae het Merlebroick (mogelijk de latere Kaldengraaf). De nieuwe eigenaren kregen toestemming om het land te ontginnen en het werd de inwoners van de gemeenten verboden om er nog heideplaggen te houwen of vee te weiden op straffe van een oud schild per overtreding. De Kruisheren waren aan niemand verplicht om doorgang te verlenen maar moesten wel der sprung (waarschijnlijk het waterloopje door de latere Paterswieërd) in zijn loop laten. De akte werd door Johan van Holthuissen (Nieuwenbroeck), Gerhart van Hamerstein (eigenaar van de Spijker in Ouddorp) en Raebet van Dursdall (de eigenaar van de Einderhof) als leden van de Ridderschap en geërfden mede bezegeld. | ||
| Wilhelminalaan | Smabers 10 | |
Wilhelmina (1880-1962) was een dochter van koning Wilhelm III en Emma van Waldeck-Pyrmont. In 1890 volgde zij haar vader op onder regentschap van haar moeder en acht jaar later kon zij worden ingehuldigd als koningin. In 1901 huwde zij hertog Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. Bij de Duitse inval in 1940 vluchtte zij met de regering naar Engeland, van waaruit zij het bezette Nederland tot 1945 regeerde. De nieuwe regering bepaalde in een besluit van 3 januari 1941 dat met ingang van 17 september 1941 geen namen van levende leden van het Koninklijk Huis meer mochten worden gebruikt voor o.a. straatnamen. Op last van de Duitse bezetters werd de straatnaam, na een voorstel van 4 februari 1942, gewijzigd in 'Spoorlaan'. Ook de straatnaambordjes van de Beatrixstraat en de JULIANASTRAAT werden in februari 1942 vervangen. Deze gedwongen wijziging werd waarschijnlijk reeds direkt na de bevrijding in maart 1945 teruggedraaid. In 1948 deed Wilhelmina afstand van de troon ten behoeve van haar dochter Julia na. Vastgesteld na een voorstel van 25 juni 1934. |
||
| WILLIBRORDUSDIJK, SINT | ||
|
De SINT WILLIBRORDUSDIJK is een lange, kaarsrechte weg die parallel loopt aan de PRINSENDIJK. De weg is aangelegd in de 19e eeuw als onderdeel van de ontginningswerkzaamheden waarbij het moerassige Meerlebroek werd drooggelegd. De restanten van een windwatermolentje rechts op bovenstaande foto herinneren aan deze drooglegging maar dateren uit het midden van de 20e eeuw. De beek aan de oostzijde (links op de foto) heette in de 19e eeuw nog de Groote Beek maar kreeg later de naam Vuilbeek. Aan de oostzijde van deze weg lag in 1864 slechts één woning, op een pachtkaart uit die jaren aangeduid als huis Meuter. Het huis lag tegenover een verdwenen dwarsweg zuidelijk van de BERGERHOFWEG. Later werd het gebouw omgedoopt in Sepastopol.
Vastgesteld bij raadsbesluit van 25 mei 1964. |
||
| Windelengoed | Smabers 9 | |
| Deze boerderij met landerijen maakte ooit deel uit van de laathof genaamd Hof tot Leeuwen. Bij deze laathof, waarvan de Schei tot 1424 het middelpunt vormde, hoorden diverse kleinere boerderijen van waaruit de uitgestrekte landerijen werden bewerkt door laten, een soort lijfeigenen of horigen. De laathof werd in het begin van de 15e eeuw eigendom van de heren van Buren en werd daarom ook wel Buerense Laathof genoemd. Een van hun laten was Peter Wyndelen, in 1439 genoemd als schepen van Beesel en in 1468 vermeld in een belastinglijst. De naam Wendel kwam vroeger voor als meisjesnaam. In het midden van de 16e eeuw was het goed al verdeeld in allerlei stukken. In 1558 voerde Cathryn Roeffartz, de rentmeesteres van de familie Van Bueren, een proces tegen Peter Dorssers wegens 1 morgen lijfgewinsgoed behorend tot Wendelen guet die deze had gekocht. Volgens een processtuk van een jaar later was Gort van gen Eynd beleend met den gantzen Wendelen gut. In 1563 betaalde Encken Stevens een grondrente wegens Windelen goed, gelegen in de Oe. Volgens het cijnsregister van de Buerense Laathof was in 1563 ook een gedeelte van Vyndelen goed eigendom van Jan an der Stappen en zijn vrouw Tysken, die dit hadden gekocht van Peter van Mens. Weer een ander gedeelte was door Jenken Bruyvers van Tygelen verkocht aan Gort Slabbertz en diens zoon Henryck. Voor zover bekend betaalde Peter ter Lynden rond 1780 als een van de laatsten cijns voor het gebruik van Wendelen goed. De vroegere bezittingen van de Buerense Laathof waren in 1781 eigendom van de familie Van Merwijck. Tenzij Windelengoed verkocht werd, moet de lokatie dan ook onder deze gronden worden gezocht. Een plaats in de omgeving van hoeve de Weerd lijkt hiermee het meest waarschijnlijk. |
||
| Winckelsgat | Smabers 6-8 | |
Op de Smaberskaart geldt de benaming Winckelsgat voor de samenkomst van wegen bij BEESELSEWEG/HOOGSTRAAT, Molenweg en Bergweg. Misschien dat de bocht in de weg naar Reuver aanleiding gaf tot de benaming. In 1766 en 1793 wordt dit punt aangeduid als respektievelijk Winckels Gaet en in het Winckels Gat. Tranchot en Von Müffling zijn de laatsten die de benaming, abusievelijk genoteerd als Winckelsat, vermelden. |
||
| Witse weerdje | ||
| In 1783 kreeg de gemeente toestemming voor de verkoop van grond in het Witse Weerdje gelegen. In 1790 werd een gedeelte overgedragen aan landscholtis J. Pollart, tevens eigenaar van Oud Waterloo. Het Witze Weertje (1790) moet hebben gelegen langs de Maas. | ||
| Witteberg | ||
Zie ook: Wolfsgoed. |
||
| WITTEBERGSTRAAT | ||
| Aanvankelijk vastgesteld bij raadsbesluit van 19 november 1962. Op 23 augustus 1976 werd de benaming opnieuw vastgesteld, ditmaal voor de gehele verbindingsweg tussen HOOGSTRAAT en ST.-JORISSTRAAT, inclusief de twee westelijk van deze straat gelegen binnenweggetjes. | ||
| Witte Hengst, in de | ||
| Dit toponiem troffen we tot nu toe uitsluitend aan in de kerkregisters van de St.-Gertrudisparochie. In 1787 woonden Hermanus Linders en Petronella Schrijnewerckers in den Witten Hengst. Vermoedelijk is dit een andere benaming voor de boerderij Heijenbroeck, eertijds gelegen op de grens van Beesel en Swalmen langs de RIJKSWEG. In 1789 werd de Witte Hengst bewoond door Rutger Vullinghs (junior) en zijn vrouw Sofia Paulissen. In de hoofd- en beestenschat van 1790 wordt hun (schoon)moeder, de weduwe Rut Vullings, genoemd als laatste onder Bussereind, nog achter Peter Heggers (de pachter van Waterloo). Vier jaar eerder werden deze Rutger Vullings (senior) en Elisabeth Peters nog genoemd als bewoners van een huis aen den Reuver, waar ze waarschijnlijk gehuurd woonden. |
||
| Witte Paal of Witte Steen | Smabers 11 | |
Volgens het grensverdrag tussen Gelre en Gulik van 15 september 1551 werden langs de grens tussen beide hertogdommen gedeeltelijk nieuwe paelsteyn gezet. Ter hoogte van Offenbeek werd de steen niet langs de grens geplaats, maar men plande een paal midden op de heide van het Merlenbroick, precies op een denkbeeldige lijn tussen de Konig Karlsweg of Steinweg (PRINSENDIJK), onder aan de Hoogen Stall, en de Groote Hoeve in Belfeld. In zeer uitvoerige stukken uit het midden van de 16e eeuw met de direkte omgeving van de huidige PRINSENDIJK als onderwerp, komt de benaming Witte Steen geen enkele keer voor. De naam stamt dan ook vrijwel zeker uit een latere periode. Uit een ambtelijk schrijven van 18 juli 1554 blijkt dat de drost van Montfort moest zorgen voor 38 stenen palen, die uiterlijk 8 augustus klaar moesten zijn. Enkele van deze stenen staan nog in o.a. de gemeente Echt-Susteren. Vorm en materiaal zijn echter heel anders dan de oude steen op bovenstaande foto. Verhalen van Duitse zijde over een gerechtsplaats Am Weißen Stein zijn vermoedelijk vooral gebaseerd op fantasie. Volgens sommige Duitse schrijvers werd op deze plaats vroeger namelijk door wijze mannen (Weisen) recht gesproken. Misdadigers werden met het hoofd tegen de steen doodgeslagen waarna het lijk bij de Ravensheide ten oosten van Tegelen tentoon werden gesteld, zo luidt kort samengevat het verhaal. Deze verhalen houden ongetwijfeld verband met de vergaderingen die geregeld plaatsvonden bij Blanckersdries langs de PRINSENDIJK. Het is hoogst twijfelachtig dat misdadigers eerst bij de Witte Steen werden gedood en daarna kilometers noordelijk werden opgehangen. 't Is een aardig verhaal, maar ook niet meer dan dat.
De oorspronkelijke witte steen is al lang vervangen door grenspaal 429. Slechts op een enkele foto is hij nog origineel te zien. Anders dan de enkele honderden meters noordelijker gelegen Grijze Paal betreft het een gehouwen steen. Wiel Luys: Een oudheidkundige ontdekking bij de Witte Paal (Witte Steen) te Offenbeek. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 6 (1986). |
||
| Wolffaertsgoed | ||
| In 1589 mogelijk eigendom van Gerart Wouffarts alias Itten, die toen was verwikkeld in een proces tegen de tiendheren van Biessel. In ieder geval hadden hij en zijn vrouw Beele an gen Broeck bezittingen in Offenbeek. Als oudste schepen wordt hij vermeld in vele oude Beeselse akten. In 1609 blijkt hij hertrouwd met Thonissken. Hij overleed rond 1621.
Op 2 juni 1600 vernieuwde Peter Wolfaerts bijgenaamd Itten de leeneed van de Nieuwenbroeckse laatboerderij van Dirck en Vranck Ummelen, gelegen aan het Bussereyndt tussen Bongaerdts goed en Wolfaerts eigen goed. Het cijnsregister van Nieuwenbroeck werd in 1644 een tijnshoen betaald door Jan in die Saint wegens Peter Wolfferts goedt. Op 15 augustus 1650 werd de eed opnieuw afgelegd door Aret Wolfaerts. In 1651 betaalde Aret Wolfaerts twee kippen: een wegens Wolfaerts goedt en een wegens Dirck en Vranck Ummelen goedt. Omdat hij in Geloo in Belfeld woonde, liet hij dit in 1653 over aan Merten Reijners. In 1655 werden de kippen gebracht door Henderick Deckers. Op 18 maart 1662 was het de beurt aan Gerardt Ingels. In de jaren daarna werd zowel het Wolfaertsgoedt als de boerderij van Dirck en Vranck Ummelen gekocht door Peter op den Bongaerdt, die op 12 januari 1667 hiervoor het 1/12 gedeelte van de koopsom betaalde aan Nieuwenbroeck. Op 21 december 1667 legde hij voor beide lenen aan de Busserstraat de leeneed af. Mogelijk was Peter een zoon van Jan op den Bongart en Jacoba Wolffaerts alias Itten. Op 24 februari 1772 werd Joost Geerlings eigenaar van een huisje op den Bergh gelegen tussen Wolfers goedt en Roosen goedt, dat eerder eigendom was geweest van Jan van Grathem. |
||
| Wolfsbergen | Smabers 8 | |
| Benaming de Wolfsbergen (1832) in plaats van de Walsbergen. Waarschijnlijk betreft het een fout van de betreffende notaris. | ||
| Wolfsboom | ||
In Swalmense akten wordt de Wolffsbaum al genoemd in 1625. In maart 1667 werd hier onder de Wolfsboom een pasgeboren meisje gevonden. |
||
| Wolfsgoed | ||
Mogelijk voor het eerst vermeld als Geirtgen Wolffs guedt aen den bosch (1551). Op 22 november 1593 verkocht Leisken, dochter van Jan Wolffs en wijlen zijn vrouw Treinen, landerijen te Beesel, omdat hun hauss tho Biesel op den berghe gelegen dieser teit gantz wuest und ongerust ligt, und sy die middel niet en hefft sulchs to reparieren. Opdat tzelve haus niet gentzlich oever ein hauff falle, verkocht zij het land aan haar halfbroers Peter en Nelis, zodat haar vader Jan het huis daarmee zou kunnen repareren. Vergelijk: Wolffaertsgoed. Zie ook: SCHOOLBERG en WITTEBERG. |
||
| Wolfsgraaf | Smabers 4/40 | |
De Wolfsgrave wordt voor het eerst genoemd in 1554. Op de kaart van landmeter Muliex uit 1662 staat deze zandwal voor het eerst aangegeven als de Wolfsgrave. Verder staat hij vermeld op twee laat-17e eeuwse schetsen.
Of de wallen ook een rol speelden bij de wolvenjachten die tot de eerste helft van de 19e eeuw in de gemeente regelmatig werden gehouden, wordt nergens vermeld. Wiel Luys: De Wolfsgraaf: een Middeleeuwse landweer in Beesel-Swalmen. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 3 (1983). |
||
| Wolfsvalder of Wolffers valder | Smabers 6 | |
Deze naam is mogelijk ontleend aan de familienaam Wolfs of Wolfferts. Reeds in 1654 is sprake van land aen den Muelencamp aen Wolffers valderen. De stichtingsoorkonde van de kapelanie van Beesel (2 april 1661) maakt melding van landerijen buyten het Wolfs valderen in de Sants bergh. Op de Smaberskaart staat de benaming Wolfsfalder aangegeven in de ST.-JORISSTRAAT op enkele tientallen meters van de Eiermarkt. |
||
| Wor(m)veld | ||
| De oudste vermelding van dit zeer oude toponiem dateert uit 1382, toen Peter van der Masen en zijn tante Eva 2 malder rogge erfpacht kochten, afkomstig van 4 bunder land te Offenbec in het Wornveld. Bij het huwelijk tussen Engelbrecht van Holtmolen en Isabella van Boickholt bijgenaamd Mulraede (bij de Hariksee; Dld.) in 1472 bracht Engelbrecht behalve de hoff t'geen Raide vele tienden in het huwelijk, waaronder de tienden te Offenbeeck genaamd dat Worfelt. In 1477 verklaarden Engelbrecht van Holtmuelen en zijn vrouw Isabele van Boickholt bijgenaamd van Mulraede dat zij, 'omme die halffscheidt wille', de tienden van het Woervelt, het Molenvelt en de Offenbecker Oe hadden verkocht aan Henrick Kellener. In 1609 liet Keun, weduwe van Heindrich Eulen uit Venlo, beslag leggen op de goederen van Loeij van der Meulen en zijn vrouw Thrijn, gelegen in den Offenbecker Wormveltt en op den Nijen Erff gelegen. Op de kaarten van landmeter Smabers (1781) staan de met tiend belaste landerijen aangegeven; uitgaand van de voorgaande informatie en deze kaarten komt vooral het gebied tussen KEULSEWEG, MARIASTRAAT, GRESWARENSTRAAT, WILHELMINALAAN en EMMASTRAAT in aanmerking voor de juiste ligging van het veld. |
||
| Wylrehof | ||
| Toponiemen als 'Wylre' of 'Wieler' zijn ontstaan uit het Romeinse woord 'villare', de landerijen die tot een villa behoorden. De huidige wylre-namen gaan dan ook zeer ver terug in de geschiedenis. | ||
| 1. Beesel-Bussereind | Smabers 6 | |
| Reeds op 14 april 1554 is volgens het tijnsboek van Nieuwenbroeck sprake van de verkoop van huis en hof tegen gen Raij over en geheiten Wijlregoedt. Hetzelfde tijnsboek plaatst het goed van Wilm te Obroeck alias Wylregoed in 1587 naast het laatgoed genaamd Rutten goed. Volgens een niet gedateerde aantekening bezat Jan van Wijlre een gedeelte van de hof T'gen Raede als een manleen. Op 19 mei 1603 werd Henrich van gen Raij na het overlijden van diens broer Thijs van gen Raeij door Nieuwenbroeck beleend met het onderleen eertijds genoemd Wijlregoedt, gelegen tegen gen Raij over. Daarmee is de ligging tegenover de versterkte boerderij Gen Raede in Bussereind bekend. Het was een zogenaamde laatboerderij: omdat tot Gen Raede veel meer landerijen behoorden dan vanuit één boerderij konden worden bewerkt, waren in de middeleeuwen diverse kleinere boerderijen over deze grond verdeeld en volgens het leenstelsel beheerd. De leenmannen werden in dit geval echter 'laten' genoemd. Wanneer de leenman van het Wylregoed overleed, moest zijn opvolger de leeneed afleggen en de jaaropbrengst ('jaerschaer') van de laatboerderij afdragen plus (de waarde van) een dier naar keuze voor de heer van Gen Raede. Dit zogenaamde 'heergewaad' en de 'keurmede' werden bij een volgende belening van Wijlre goedt, gelegen recht tegen den Rayer moeshoff, op 7 januari 1643 opnieuw afgedragen door Thijs van gen Raij na het overlijden van diens vader. Nadien wordt de laatboerderij niet meer genoemd, zodat ze mogelijk in de loop van de 17e eeuw verdween of van naam veranderde. | ||
| 2. Rijkel | ||
| Op 15 juni 1451 kocht het klooster Maria Weide, eigenaar van de Klerkenhof, 4 morgen weidegrond bij Wijlre onder Beesel. Op 1 maart 1462 werd het klooster beleend met de helft van 4½ bunder akkerland te Wijlre onder Besel gelegen. Volgens drie andere afschriften van deze akte was deze grond gelegen te Rijckel. Dit land zou vroeger eigendom zijn geweest van Gobel of Goebbell Grouwels en tot de hof te Ryckell hebben behoord; deze boerderij was daarna van heer Peter van der Maesen den Alden geweest. Volgens een nog enkele eeuwen oudere akte, die helaas niet kon worden geverifieerd, zou de helft van dit land afkomstig zijn van de hof Tgenen Broick en de andere van de Raeder Hoef. In 1543 wordt de Wylrehoff te Rijckel opnieuw vermeld. |
||
| 3. Rijkel-Swalmen | ||
Op 24 februari 1323 beleende ridder Johan van Kessel Godfried van Heinsberg-Blankenberg met tien bunder land bij Byssel. Willem van Swalmen (zijn zwager) was medebezegelaar van deze akte. Vijf jaar later, op 25 augustus 1328 gaf Johan van Kessel als leenheer toestemming aan Beatrix van Besel en haar zus en zwager Fredeswind en Arnold om enkele rechten te verkopen aan Dederik Bake met als onderpand acht bunder land en haar aandeel in de tiende van Beesel.In 1346 werd Seger van Kessel door hertog Reinoud van Gel der beleend met de Wilderhof te Beesel. In de Pondschatting van 1369, een soort belastinglijst, wordt hij onder Beesel genoemd. Vrijwel zeker was hij een kleinzoon van Seger van Broekhuizen bijgenaamd van Swalmen. In de Pondschatting van Beesel vinden we tevens Zibert van Wilre vermeld met een maximale aanslag van acht pond; grondeigenaren werden meestal slechts aangeslagen in de plaats waar zij de meeste bezittingen hadden, en onder Swalmen wordt hij dan ook niet vermeld. Hij was wel in 1378 aanwezig bij een proces tussen Robijn van Swalmen en de hertog van Gelre over de rechten van Swalmen. Twee jaar later wordt hij vermeld als leenman van de voogd van Roermond. Ook Johan van Wylre, in 1406 (mogelijk als hulder) beleend met het Valkenburgse leengoed Wolfrath ten oosten van Holtum, had belangen in Beesel. Hij zegelde met het Kesselse ruitenkruis, vermeerderd met een hamer in de rechterbovenhoek. Op 25 mei 1412 oorkondde Zegher van Kessel Johanszoon, dat Dederic Bake uit Roermond (zie: Klerkenhof) voor hem als leenheer en voor zijn leenmannen Johan van Wylre, Henken Gobbelssoen en Raebe van den Kruytsberch, de tienden van Beesel had verkocht aan pastoor Peter van der Maesen. Johan van Wilre, in 1416 samen met zijn vrouw Bertte, Sybrecht van Kessel en diens vader Matthijs van Kessel vermeld, verpachtte in datzelfde jaar een gedeelte van de tol, die hij in 1400 van Willem van Kessel had gekocht, voor een periode van 10 jaar aan de stad Roermond. Uit deze akte blijkt tevens dat Willem ook een gedeelte had verpand aan Margrete, de weduwe van Rijkalt van Kinswijlre (zie: Rayerhof). Dit gedeelte was in 1326 door de graaf van Gelder verpand aan Diederich Averecht; diens weduwe Hadewich en haar kinderen waren in 1350 pandhouders. Deze helft van de tol werd in 1428 door Vullinck van Holtmolen en diens vrouw Guedele Herckenbosch verkocht aan de stad, waarbij de broers van de verkoper (waaronder de eigenaar van de Rayerhof) borg stonden. Op 1 augustus 1425 verklaarde Johan van Wylre samen met Willem van Vlodrop, de erfvoogd van Roermond, dat hij ermee akkoord ging dat de hertog van Gelder ongeveer 10 bunder heide in Swalmen aan Johan van Oyst (de heer van Swalmen) had gegeven. Van ongeveer 1419 tot 1436 was Johan richter en schepen van Roermond, terwijl hij in 1428 wordt vermeld als leenman van Horn. Omdat zijn vrouw Bertte hierom gevraagd had op haar sterfbed, verkocht hij op 10 november 1438 een gedeelte van zijn bezittingen op de Maeswert in Swalmen gelegen en eerder tot de hoeve Nopp behorend, aan Johan van Oeste. Na het overlijden van Johan van Wilre en Berten de Vorde werd hun nalatenschap gedeeld door de erfgenamen Van der Hoeve. Omdat het echtpaar Van Wylre kennelijk overleed zonder wettige kinderen na te laten, concentreren we ons op de familie Van Kessel. Hoe de vererving na Johan van Kessel verliep, is nog onbekend, zodat de volgende gegevens worden gegeven onder voorbehoud. Het sterfboek van de Munsterabdij in Roermond noemt Mathijs van Kessel en zijn vrouw Hillegundis. Hun zoon Sibert van Kessel en diens echtgenote Bela van Groesbeek hadden vele kinderen, waarvan de zussen Hillegonda (kloosterlinge Munsterabdij), Wilhelma (abdis Munsterabdij), Christina, Bela (kloosterlinge in Keiserbos), Mechtildis (priorin in Burscheid), Margaretha (bijgenaamd van Wambeeck), Catharina en Theodora van Kessel en hun broers Fredericus en Mathijs (gehuwd met Hillegonda N) op het eind van de 15e eeuw genoemd worden in het sterfboek van de abdij. Theodora van Kessel trouwde met Johan van Dript. Hun kinderen Elisabeth (gehuwd met NN van Egeren), Isabella of Bela (abdis van het Munsterklooster in Roermond) en Johan (gehuwd met Aleidis NN) erfden de boerderij vermoedelijk. Laatstgenoemde had waarschijnlijk twee zonen, Herman en Dirk. Toen zij in 1525 de leeneed voor de boerderij aflegden, werd het leengoed in ieder geval al niet meer tot Beesel gerekend. Vanaf die periode komt het leengoed enkel nog voor in stukken met betrekking tot Swalmen. Mogelijk onderging de gemeentegrens tussen Swalmen en Beesel in de late middeleeuwen een wijziging. Geschillen over de preciese grens waren ook de aanleiding voor de totstandkoming van de kaart van landmeter Mulier in 1662. |
||
| A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z | ||
| © Loe Giesen, Reuver 1983-2012 | ||