Tussen Maas en Meerlebroek - Toponiemen in de Gemeente Beesel
 
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
 

Walsberg

Smabers 8

Dit gebied vormt, samen met de Lommerbergen en de Sint Mertensberg, het voormalige stuifzandencomplex tussen Beesel en buurt Leeuwen. Eerst in de loop van de late 18e eeuw werden de vóór die tijd met heide begroeide zandverstuivingen beplant met voornamelijk naaldhout. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland is goed te zien dat de paraboolduinen werden gevormd door een zuidwestelijke wind.

De benaming houdt mogelijk verband met het Germaanse woord 'walzan': rollen, draaien. De zandduinen ontstonden waarschijnlijk zo'n tienduizend jaar geleden, maar behielden tot ver na de middeleeuwen hun wisselende karakter. De topograaf Maurits Gysseling vermoedt een verband met het Germaanse woord 'wal' of 'walha': de doden van het slagveld. Deze gesneuvelden verzamelden zich volgens de Noordgermaanse mythologie in het Walhalla, de hal van de overledenen. Behalve een Romeinse begraafplaats ten noorden van de HEYACKERSTRAAT (zie ook: HENSENBOSSTRAAT en Lijkweg) is in het oorspronkelijke gebied van de Walsberg echter nooit een pre- of protohistorisch kerkhof gevonden. Met name in het verleden zijn toponiemen bij voorkeur verklaard vanuit het 'heidense' geloof van onze verre voorouders.
In 1486 schonk Johan van den Walssberch aan de kerk van Beesel een erfpacht van bijna 750 liter rogge met zijn boerderij aan de Walssberch, niet ver van de Schei gelegen, als onderpand. Ruim een eeuw later, in 1591, wordt Wilhelm an gen Waelsberch genoemd, in 1600 gevolgd door Willem Stevens aan de Walsberg. Het had weinig gescheeld of hij was de laatste bewoner van de boerderij geweest: dronken soldaten uit Venlo bedreigden hem met de dood, nadat ze een gedeelte van de inboedel kort en klein hadden geslagen. Bovendien dreigden ze zijn huis plat te branden.
Kennelijk ging het onderpand voor de erfpacht uit 1486 in de loop van de 17e eeuw uiteindelijk over in handen van de kerk. In 1646 verkochten de Beeselse kerkmeesters seker goetgen den Walsberch genoempt, uitgezonderd de daarop staande bebouwing, aan de eigenaar van de Spieker, Gerard van Lom. Honderdvijftig gulden van de opbrengst werd gebruikt voor sloop en herbouw van het 'kircken huijss tot Besell'. Het was naar de eigenaar van de Spieker dat dit gedeelte van de Walsberg later werd aangeduid als Lommerbergen.
Landmeter Smabers (1781) noemde het zuidelijk gedeelte van de Walsberg, bij Beesel, vliegende santberghen of drijvende santberghen mit den wint. Alleen het hoogste punt, tegenwoordig ca. 37 m boven N.A.P., werd door hem aangeduid als den Walsbergh. Volgens berichten uit 1790 weidden de inwoners van Beesel hun schapen nooit op de Bakhei, maar uitsluitend in het Haeselt, de Waelsbergen en Busserint.

Tranchot en Von Müffling (1803-1828), die bij de vervaardiging van hun overigens zeer interessante kaarten helaas veel kopieerfouten maakten, vermelden het gebied als dryoeude sandbergen. In 1810 werd de Walsberg gekozen als startpunt voor de goniometrische metingen ten behoeve van het Kadaster. In een akte uit 1832 wordt het gebied aangeduid als Wolfsbergen. In de tweede helft van de steeds vaker de meervoudsvorm Walsbergen (1882-1903).

Op de hoek van de Walsbergweg en de weg die uitmondt bij de Mariahoeve langs de BEESELSEWEG stond enkele tientallen jaren het huisje van de familie Boyen. Peter Mathijs Hubert Boyen uit Horst, die op een baggermolen in Kessel werkte, huurde in april 1909 een gedeelte van de Wilde Hoeve maar werd vier maanden later met twee andere gezinnen op straat gezet. Het huisje lag er tot het begin van de 1950'er jaren. De Walsberg was in 1931 ook de locatie voor een nieuwe schietschijf voor de burgerwacht. In maart 1954 werd in de Walsberg een boortoren gebouwd in het kader van onderzoek naar het voorkomen van steenkool in het Peelgebied. De boringen werden uitgevoerd door de firma Deihlman uit Bentheim. Als locatie voor deze toren werd in januari van dat jaar nog gesproken over een terrein aan de BEEKSTRAAT; het is onduidelijk of daarmee dezelfde plaats wordt bedoeld. Bij deze boring werd op 645 meter diepte steenkool aangetoond. In december 1955 werd de boortoren verplaatst naar Offenbeek op een perceel niet ver van de grens.

Tegenwoordig wordt vrijwel het hele stuifzandencomplex, met uitzondering van de Lommerbergen, aangeduid als Walsberg. Aan de dialektuitspraak en aan het gebruik van de voorzetsels 'in' en 'door' is duidelijk te merken dat hier een meervoudsvorm 'berg' wordt bedoeld.

Foto: Loe Giesen

Loe Giesen: De Walsberg. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 8 (1988).

 
Walsbergkamp Smabers 8  
In 1745 verkochten Joannes Heijnen en Jenneken Rutthen o.a. land in de Walsberger Camp aan Anthoin Misdom en Maria Barbara Schreuders. In 1781 werd opnieuw land verkocht in de Walsberghs Camp. Op de Smaberskaart staat de benaming Walsberghs Kemp vermeld voor het gebied tussen de Leemkuilen, de Walsberg, de Walsbergweg en het Lichteveld.
 
WALSBERGWEG Smabers 8
Deze oude wech van Besel naer Venlo liep in 1781 (Smaberskaart) van de ST.-JORISSTRAAT langs de Heyacker en door de Walsberg naar de huidige PARKLAAN. Vanaf den Walsbergh liep een parallelweg via de Lommerbergenweg en ten westen van de Schei richting St.-Lambertuskapel. Op 23 januari 1989 besloot de gemeenteraad om de benaming Walsberg te wijzigen in WALSBERGWEG, het verlengde van deze weg tot aan de WITTEBERGSTRAAT eveneens WALSBERGWEG te noemen en het weggedeelte tussen de ST.-JORISSTRAAT en WITTEBERGSTRAAT te benamen als RUTTENCAMPSTRAAT.

Zie ook: Lijkweg.

 
Wasch, de    
In 1407 verkochten Mathijs van den Oever van Kessel en diens vrouw Katherina aan Dirick Moer en en diens vrouw hun hof te Offenbeke (de Klaashof), uitgezonderd de weide Waesch bij Offenbeker Beke. Twee jaar later werd de weide genaamd Wasch, gelegen te Offenbeke aen der beke, alsnog verkocht. Hoogstwaarschijnlijk betrof het een aanwas gelegen bij de Maas.
 
Waterlei, de    

Waterlopen werden vroeger vaak aangeduid met benamingen als 'leijgraaf' of 'waterleij'.

In 1748 liet het Hof van Gelder te Venlo naar aanleiding van een verzoekschrift weten, dat op advies van de raad en momboirs was besloten dat het vegen van de Waterleijde voorlopig achterwege zou blijven, zo lang hierover geen klachten zouden worden gemeld. De aanvragers werden ontslagen van de verplichting om een hekwerk om de waterpoell te maken, op voorwaarde dat deze op behoorlijke diepte zou worden gehouden. Helaas is niets bekend over de ligging van deze waterloop.

 
Waterloo, de Smabers 5/13

Foto: Loe Giesen

De vroegste vermelding van dit toponiem dateert uit 1554 uit een schouwingsrapport van de gemeentegrens tussen Swalmen en Beesel: van de Nien Wech (EIKENBROEKLAAN) komend werd gewezen op een laagte in het broek, genaamd die Waterlois, niet ver van de Wolffsgrave. Volgens de rapporteur leek het er op dat via deze slenk die uitmondde in het lage broekland (Turfhei), al het overtollige water uit het Merlebruick richting Biesell werd gelost. Aan beide zijden van de laagte groeiden elsebosjes. Volgens de Swalmenaren kapten zijzelf de struiken aan de zijde van de Wolfsgraaf; de andere zijde werd geëxploiteerd door de Beeselse bevolking.
Deze situatie was volgens de kaart van landmeter Muliex (1662) ruim een eeuw later vrijwel ongewijzigd. Hij tekende de Waterloos eveneens als een laagte die het kwelwater van het Meerlebroek afvoerde naar het lagergelegen Besel Brouck.
Foto: Loe GiesenIn 1715 vroeg Balthasar Wijers, rentmeester van Hillenraad, aan de schepenbank van Beesel toestemming om 60 of 70 morgen gemeentegrond te kunnen kopen om daarop een boerderij te bouwen. Omdat de gemeente sinds een vergunning van 6 juni 1695 pas 150 van de 400 toegestane morgen gemeentegrond had verkocht, stemden de gerfden en regeerders toe. De koper was vermoedelijk een zoon van Balthasar Weijers en Clara Apollonia van Lom (zie: de Spieker). Op 17 februari 1708 droegen de secretaris Hendricus Wijhers, Bernardus Wijhers, en de voogden de luitenant Peter van Lom en de rechtsgeleerde Johan Martinus Bosman namens Balthasar en Isabella Wijhers (minderjarige kinderen van wijlen Balthasar senior en Clara van Lom) het kluppelleen genaamd 'die laeten van Aldenhoven', gelegen in de voogdij van Gelre, over aan Bernardina Francisca van Rijswijck. Landschrijver Balthasar Wijers had deze geërfd van Gerard van Lom, de eigenaar van de Spieker. De Waterlaedt wordt in 1715 vermeld.
Balthasar Wijers trouwde vóór 1722 met Johanna Maria Christina Phillipina van Böckel. Balthasar Wijhers, in de doopregisters van Beesel op 5 november 1723 genoemd als zoon van Jacobus Wijhers en Catharina Slabbers, werd waarschijnlijk naar hem genoemd. Op 30 januari 1743 machtigde Johanna Bockel haar man om hun goederen in Beesel te verpanden ten behoeve van Johan Matthijs Daermans, scholtis van de heerlijkheden Swalmen en Asselt, als onderpand voor een lening die op 1 augustus 1716 was opgenomen van Theodorus Wijhers en Anna Dispa, de eigenaren van de Schei.

Foto: Loe Giesen

In 1747-'48 hadden Hessische troepen hun hoofdkwartier op de Reuversheyde tegenover Waterloo. Het hoofdkwartier van de officieren was op Nieuwenbroeck terwijl op de hof van Balthasar Wijhers enkele colonnes soldaten woonden. Veel materiaal van Beesel, Belfeld en Bracht, waaronder bomen, ramen, deuren en kasten, werd gebruikt als brandstof voor hun winterkwartieren.

Foto: Loe GiesenIn 1751 verkochten Balthasar Wijhers en zijn vrouw Johanna Böckel van Böcklinsau de Waeterloo of Waeterlaeye, binnen sijne graeven en muijren op den Roversheijde gelegen, aan het echtpaar Rutgerus van Dunghen en Petronella Vallen. Blijkens jaarankers werd de hoeve in 1780 verbouwd, mogelijk gelijktijdig met de bouw van de nieuwe boerderij Heijenbroeck. Zoon Gregorius van Dunghen en diens vrouw Joanna Clout droegen de omgrachte boerderij met heerenhuijs, pachthoof, schuijre, stallingen, remise, geneverstokerije, kelders, solders ende twee waterpompen, moesgaerden soo binnen- als buijten muijren, vischvijvers, duijvenspijcker, bomgaerden plus de enkele jaren eerder gebouwde boerderij Heijenbroeck in 1786 over aan Johannes Pollaert, landscholtis van het ambt Montfort, en diens echtgenote Johanna Rijcken. Bij de verkoop behoorde bovendien het recht op een zit- en begraafplaats in de kerk van Beesel, die Balthasar Wijhers in 1730 van de Beeselse pastoor had gekocht.

Uit 1772 dateert een vermelding Waeterlouw. Volgens de kerkregisters van Beesel woonden Simon Peters en zijn vrouw Mechtildis Heggers van 1787 tot 1793 op de Waterlo of Waeterlaet. Volgens een andere bron was de Waterlo in 1792 door Pollart verpacht aan Peter Heggers.

 

Foto: Loe GiesenIn 1813 was de boerderij eigendom van Henry Michiels van Kessenich, die al in 1804 een gedeelte van de landerijen had gekocht. Bij een verdeling in 1869 werd Cornelia Michiels van Kessenich, weduwe van Carel van Nispen tot Sevenaer, de nieuwe eigenaresse. Zij liet o.a. de grachten opschonen die sterk vervuild waren en liet ook Heidenheim bouwen (zie aldaar). Via erfenis en huwelijk kwamen de goederen in bezit van de Franse adellijke familie Von Villers de Grignoncourt. Rond 1875 werden zowel de Bergerhof als Waterloo getroffen door de bliksem, waardoor brand ontstond. In 1905 stond de hoeve opnieuw in lichterlaaie waarbij een gedeelte van de gebouwen werd verwoest. Een zinken brandverzekeringsplaat van de firma Primes uit Brussel (1821), voorstellend de aartsengel Michael die de duivel overwint, bood geen bescherming maar overleefde wel zelf de branden.

In het begin van de 20e eeuw bracht de familie Van Nispen geregeld de zomermaanden door op Waterloo. In 1909 gaf de weduwe Van Nispen tot Sevenaer opdracht om op de fundamenten van een oudere kapel, gelegen langs de RIJKSWEG bij de oprijlaan naar Oud Waterloo, een nieuwe Mariakapel te bouwen. Dit gebouw werd in 1966 bij de reconstructie van het fietspad gesloopt.

 

Loe Giesen: Hoeve Oud Waterloo te Beesel. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 23 (2003).

 
Waterloo (kasteel)  

Foto: Loe GiesenIn 1922 liet de markiezin Von Villers de Grignoncourt het kasteeltje Waterloo, gelegen tussen de oude boerderij en de RIJKSWEG, bouwen naar een ontwerp van Caspar Franssen, een talentvolle leerling van Pierre Cuypers. Op 15 augustus 1923 werd het gebouw officieel ingewijd tijdens een groot feest waarbij o.a. de schutterij en de fanfare acte de presense gaven.

Vanaf het begin 1980'er jaren huisvest het kasteeltje - met een korte onderbreking rond 2008 - een parenclub, zodat het met recht een 'lustslot' mag worden genoemd. In 1997 werd het geheel vernieuwd.

 
Waterloo, Achter  

Foto: Loe GiesenDe benaming Achter Waterloo treffen we o.a. aan op de oudste kadastrale minuutplans voor het gebied ten westen van Oud Waterloo. Dit gebied wordt tegenwoordig afgescheiden van Waterloo door de spoorlijn (1864) en de A73 (2007).

Vanaf de WATERLOSEWEG liep vroeger een zandweg naar de EIKENBROEKLAAN, met een aparte onbewaakte spoorwegovergang. Met de aanleg van de A73 is deze naamloze eigen weg veranderd in twee doodlopende stukken. Op de foto is links de laagte te zien waaraan Waterloo de naam dankt.

 
Waterlose Kruisweg Smabers 5
Deze weg, haaks op de WATERLOSEWEG aan de westzijde van de spoorlijn, is op de Smaberskaart (1781) reeds aanwezig, echter zonder benaming.
 
WATERLOSEWEG Smabers 5
Deze weg is op de Smaberskaart reeds aanwezig, echter zonder benaming. Zie ook: de Steeg.

Vastgesteld als WATERLOOSCHEWEG in juni 1934. Aangezien de schrijfwijze van de naam nooit in een officiŽle raadsvergadering werd aangepast aan de huidige spelling, is de tegenwoordig gebruikte (en ook in dit boek gehanteerde) spelling dus feitelijk niet de juiste. Dit geldt overigens voor meer straatnamen.

 
Waterstraatje Smabers 6
Foto: Loe GiesenStraatnaam Water straetjen op de kaart van landmeter Smabers (1781) voor de huidige Kasteelweg tussen de NIEUWSTRAAT en de Huilbeek.
 
WEDERIKSTRAAT  
De wederik behoort tot het geslacht van de primula-achtigen. In onze streken treffen we, naast moeras-, gewone en boswederik, op vochtige plaatsen ook het penningkruid aan.

Vastgesteld bij raadsbesluit van 25 juni 1979.

 
Weem, Oude (1) Smabers 2/120

Foto: Loe Giesen'Wedeme' is een Middelnederlands woord voor pastorie. In de 16e eeuw liet pastoor Goerdt van Biesell ten behoeve van de kerk van Beesel een huis na aan de eigenaren van de zogenaamde Buerense laathof; reeds in l577 en '88 legden kerkmeesters hiervoor de leeneed af. In 1621 en 1644 werd de leeneed van het door Goerdt van Biesell nagelaten huis opnieuw door diverse kerkmeesters afgelegd.
Rond 1617 verkochten Goerdt en Thijs Preibergs(?), Jacob en Goerdt van Oebroeck, Hein van Oebroeck en Thilman Heijens een bouwplaats aan pastoor Albert Bertmeringh, gelegen tussen grond van Jan van Lijsselt en Goerdt Rutten en grenzend aan de openbare weg, plus 1 vierdel land te Bussereind; deze bouwplaats was echter gelegen te Bussereind. Dat Ouddorp in 1699 een pastorie had, blijkt uit een verkoop van een huis gelegen tussen de pastorie en de woning van Jan Beurskens. Op 27 april 1798 werd de pastorie van Beesel door de Fransen verkocht. Volgens de burgemeester was de pastorie in 1823 (in tegenspraak met eerdere berichten) in zeer goede staat. In 1854 besloot het kerkbestuur van Beesel om de pastorie te repareren.

Op 7 december 1898 werd de oude pastorie te koop aangeboden door Anna Maria Huberta Lennaerts, weduwe van Antonius Hubertus Heldens.

 
Weem, Oude (2)
Smabers 8/93
Sommige akten lijken erop te wijzen dat de pastorie eerder elders lag. De landmeting van 1654 vermeldt den her pastor weyme direct achter Obroeck. In augustus 1756 werd een perceeltje land verpacht, gelegen tussen de weg van den Alden Wam en de Obroekerbeek. In januari 1760 werd land op den Ouden Wydemhof vermeld, en in juni 1762 werd houtgewas genaamd in den Houk, gelegen nabij den Ouden Weem, verpand. Op de Smaberskaart (1781) vinden we de benaming de Oude Weem pastorie voor twee percelen nabij de Huilbeek aan de Beekzijstraat. In 1790 werd het perceel genaamd de Oude Weem nogmaals verkocht. Zoals gezegd moeten we mogelijk denken aan een vroegere lokatie van de oude pastoorswoning of weem. Deze verklaring is onzeker; mogelijk betreft het slechts grond (laatgoed van de Hof tot Leeuwen?) die tot de oude bezittingen van de pastoors van Beesel heeft behoord.
 
Weerd, de  
Het Zuidnederlandse woord 'weerd' (in dialekt 'wieŽrd') is een variant van de noordelijk gebruikelijkere vorm 'waard', een door water omsloten stuk land. Volgens de topograaf Maurits Gysseling is de huidige vorm verwant aan het Germaanse woord 'waripa': riviereneiland.
 
1. Offenbeek††† Smabers 10/293
In de betekenis van spaarbekken of wijher treffen we de dialektbenaming 'de wieŽrd' aan voor de molenvijver van Ronckenstein.
 
2. Reuver Smabers 9

Foto: Loe Giesen

Hoewel aan de oostoever van de Maas gelegen, maakt dit voormalige eiland in de Maas van oudsher deel uit van de gemeente Kessel. De weerde tot Kessel wordt voor het eerst genoemd in een akte uit 1338, waaruit blijkt dat de aanwas toen tot de bezittingen van het kasteel van Kessel behoorde. Vanaf de 14e eeuw wisselden kasteel en Weerd steeds gelijktijdig van eigenaar. Tot 1541 was dit de familie Van Kessel. Daarna was de aanwas tot 1798 eigendom van de familie Van Merwijck.
Foto: Loe Giesen

In november 1649 eisten de naburen van Leeven tijdens een voogdgeding dat het vee op de Grooten Werdt beter zou worden gehoed of dat de weerd zou worden omheind, zodat er geen schade zou worden aangericht in de velden; zou dit niet gebeuren, dan zouden de beesten gepand worden.

Foto: Loe GiesenBij landmetingen nam de Weerd altijd een bijzondere plaats in. Landmeter Keullen noteerde in 1654, nadat hij eerst de cleen weert had gemeten: "Pro memoria, joncker Merwijcks Groeten werdt is noch onghemetten."
De laatste van Merwijck liet de bezittingen krachtens testament na aan zijn neef Carel van Ke
verberg. Op de Smaberskaart (1781) staat de aanwas aangeduid als den Weerth en oude Maese, niet gemeeten en onder Kessel gehoorigh.

Op deze kaart zijn tevens de contouren van een boerderij aangegeven die hier, getuige aardewerkscherven op het perceel, reeds in de 17e eeuw stond. Vermoedelijk werd deze boerderij, waar mogelijk de Kesselse tol werd geheven, in de tweede helft van de 18e eeuw verlaten en aan de Beeselse zijde herbouwd.
In 1817 werd de hoeve de Weert bewoond door de weduwe Jacob Rutten. Een aardige beschrijving van de Weerd, of beter gezegd de Oude Maas als gemeentegrens tussen Kessel en Beesel, vinden we in een akte uit 1820. Aan de grens van de laagte stond een steen die de letters K.B. (Kessel-Beesel) droeg. Van deze grenspaal liep de grenslijn verder door de Oude Maas naar eenzelfde steen met identiek opschrift. Van hieruit liep de grens in noordwestelijke richting naar een derde steen dicht bij de Maasoever, vanwaar de grens zich uitstrekte tot midden in de Maas.

Foto: Loe Giesen

Foto: Loe GiesenOp de Tranchotkaart (1803-'20) staat hoeve de Weerth eveneens aangegeven, inclusief de laan met kastanjebomen die nu nog te herkennen is in het aangrenzende bosperceel.

 

 

 

 

 

De Noord-Brabanter, 31 december 1853.In 1854 werd hoeve de Weerd te koop aangeboden, samen met o.a. een andere pachthoeve, aan het Veer te Kessel gelegen. Baron Frederik van Keverberg verkocht de schoonen Maaswaard en eene er aangrenzende bouwhoeve in de gemeente Kessel en Beesel in 1866. Toch werd de weerd in 1876 nog aangeduid als de Kasteelscherwaard. In 1878 werd de boerderij bewoond door Frans Hendrickx.

Ton Hendricks: De Weerd: een stukje Kessels territorium aan de rechter Maasoever te Reuver. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 3 (1983).

 
3. Beesel† Smabers 6/11
Dialektbenaming 'de Wieërd' voor de omgrachting van Nieuwenbroeck. Nieuwenbroeck kende een 'grote' en een 'kleine' wijher.
 
4. Rijkel† Smabers 1
In 1421 ontving Derick Baeck, zoon van Derck Baken, de hof te Rykel, die naast de Maas gelegen was in het kerspel Besel, met de Weerd op de Maas. Mogelijk betreft dit het gebied in de Rijkelse Bemden dat in de afgelopen tientallen jaren is ontgrond. Zie ook: Aoleberg, Boermansweerd, Donderberg, Einderhof, Hoverweerd, Kleine Weerd, Klerkenhof, Patersweerd, Konijnsberg en Zangerweerd.
 
Weiakker    
Genoemd als Weijacker in een akte uit januari 1760, samen met de Minacker en het Lichtenvelt. Mogelijk betreft het een verschrijving van 'Heijacker'. Is dit niet het geval, dan betreft het de enige vermelding van dit toponiem.
 
Welkensven Smabers 13/6
Foto: Loe GiesenBenaming Welkens Vin op de Smaberskaart (1781) voor een water tussen RIJKSWEG en kernenverbindingsweg (Streekweg) tegenover het Jagershuis, in de tweede helft van de 18e eeuw bebost. In 1790 verpandde de chevalier Van der Renne het Welkes Vin langs de Venlosche Baane gelegen, gedeeltelijk akker en gedeeltelijk weiland. 'Wel' is een oud woord voor bron; vermoedelijk werd het ven gevoed door kwelwater.

Op de Tranchotkaart staat langs de RIJKSWEG ten zuiden van het ven een huisje aangegeven. 

 
WELKENSVENWEG  
De benaming voor deze verbindingsweg tussen BERGERHOFWEG en MUITERDIJK werd officieel vastgesteld als 'Welkesvenweg' bij raadsbesluit van 18 maart 1968. De straatnaambordjes dragen gelukkig wel de correcte spelling. De straatnaam is slechts een van de voorbeelden waarbij officiŽle en daadwerkelijk gehanteerde benaming verschillen.
 
Wercken, de Smabers 4/9
Op de kaart van landmeter Smabers vinden we de benaming de Wercken voor een langgerekt bosperceel ten zuiden van de EIKENBROEKLAAN en ten oosten van het falder aan de Bakhei. Mogelijk gaven de vele zandwallen hier aanleiding tot deze naam; vooral door mensen aangelegde versterkings- of verdedigingswallen werden vaak aangeduid met deze benaming. In een aantekening van december 1853 is sprake van land in de Kievitshorst of Oosterwerkbroek te Riekel. Een akte uit 1861 noemt de Baxhoverwerken, terwijl in een krantenbericht uit 1872 melding wordt gemaakt van 'de oude werken onder Beesel'.
 
Wetter valder    
Genoemd als 't Wettervaeren (1718). Ligging en betekenis zijn onbekend.
 
Wevelskamp Smabers 3  

De Wievelsskamp wordt reeds genoemd in een akte uit 1606. Rond 1625 behoorde een gedeelte van de met hakhout begroeide Wevelskamp tot de boerderij genaamd de Bongart te Rijkel. In 1654 is sprake van de Weuvells Caemp, in 1675 wordt het gebied Wijvers camp genoemd. In 1754 werd een boerderij in Rijkel, gelegen tussen de Eijnderhof en de Klerkenhof, inclusief land in de Wefels Camp verkocht. Op de Smaberskaart (1781) treffen we de veldnaam Wevels Camp aan voor het gebied begrensd door Wevelsweg, GUBBELSWEG, Kapelaansweg en Aoleberg. In een verkoopakte uit 1792 wordt de Wevelskamp opnieuw vermeld.

De betekenis van de benaming is niet bekend. Misschien moeten we denken aan een hobbelig terrein: een 'wevel' is in het Middelnederlands een striem of buil; een 'weivel' is een sergeant.

 
Wevelsweg Smabers 3/10
Foto: Loe GiesenDeze zandweg staat op de Smaberskaart aangegeven als een naamloze laan door het bos van de Alenbergh.
 
Weversgoed    
De tot de Nieuwenbroeckse laatgoederen behorende boerderij genaamd Weversgoed werd reeds in 1587 beleend aan Faes van Kirckray. Volgens een latere belening uit 1644 lag de boerderij aen het Bussereyndt naast de laatboerderij van de familie Vaessen.
 
Weverskempke, Dolle    
In 1603 verkochten Derick Geisselberch en zijn vrouw Mercken Gerartz van gen Raij het Dollen Wevers Kempken, gelegen naast de openbare weg en het Kirckpaet, aan Thilman Gerartz van gen Raij. Bij verzuim van betaling zouden Derick en zijn vrouw de boerderij weer in gebruik nemen.
 
Weyershout    
Op 10 december 1938 verkocht de jonkvrouwe Van Splinter slaghout in de Varkensweide, langs Meuter, langs Weyershout, aan Slabbers, op de Turfhei en bij het Landbouwmagazijn. De exacte locatie is niet bekend; verdere vermeldingen ontbreken.
 
Wiede, de    
Op 25 april 1449 kocht het klooster Maria Weide 1 morgen land te Rijckel aen den Wiede onder Beesel gelegen. Een 'wieje' was een wilg; een versje beginnend met de woorden 'hout sjnieje, dieke wieje, klůmpe make' etc. herinnert nog aan de tijd dat vrijwel de hele gemeenschap op schoeisel uit wilgehout liep. Bomen werden vaak gebruikt om de ligging van percelen aan te geven. Of dit ook hier het geval is, is niet bekend.
 
Wijersgoed Smabers 9

Foto: Loe Giesen

De bewoners van de boerderij op gen Wijer (1591), op den Weier (1592, 1594), op den Weyer (1593) vinden we in buurt Leeuwen vermeld tussen de boerderijen de Haag en Tobbengoed.
Op 8 mei 1647 werd Peter van der Wijer beleend met het Nieuwenbroeckse onderleen genaamd Wijersgoedt, gelegen tot Leeuwen. Het is tevens de enige vermelding in het leenregister. Op 30 oktober 1652 verkochten Peeter op geenen Wijer en zijn vrouw Grietgen van Kessel hun huis en hof in het Muelenvelt gelegen aan Heijn van den Wijer en zijn vrouw Peitien Schoenmeckers. De verkopers hadden een jaar eerder een huis genaamd In de Alde Riedt in Belfeld gekocht. Heyn op den Wijher wordt in een belastinglijst uit 1666 genoemd tussen den Nieuwen Schey en den hoff op den Sant. Volgens een akte uit 1693 lag de wijer niet ver van de Meulenwegh. De meest voor de hand liggende lokatie is de Zangerweerd, gelegen ten westen van de PARKLAAN tussen KESSELSEWEG en ST.-LAMBERTUSWEG.

 
Wijers Camp Smabers 9
Vermelding Wijers Camp (1702) met een omvang van minstens 2 morgen en gelegen in Leeuwen. De exacte ligging is niet bekend. De naam heeft vermoedelijk te maken met de aanwezigheid van een vijver of wijher (mogelijk de Zangerweerd). Ook een verband met een familienaam Wijers is niet uitgesloten.
 
Wijnberg  
Google Maps
In 1881 verkochten de erfgenamen van P.H. van der Velden diverse landerijen, waaronder bouwland genaamd de Wijnberg (sectie O 643 en 644). In 1889 verkocht A. Litjens een perceel rogge op de Wijnberg. Kapelaan Janssens verkocht in 1891 zes eiken aan de Wijnberg. Ligging en betekenis zijn nog niet bekend.
 
Wilde Hoef    
1. Beesel    
Vermelding Wilde Hoeff (1622) voor een gebied nabij de Kirckpaet in Beesel. De exacte ligging en omvang is hier niet bekend.
 
2. Leeuwen††† Smabers 7/26

Als veldnaam onder andere vermeld als Wilde Hoeve (1613). In 1631 klaagde jonker Dursdal dat de naburen te Leuwen van hem eisten dat zijn pachter een valder in de Wilde Hoeff beter zou onderhouden. Ook hadden de naburen geklaagd dat de herders van Van Dursdal de schapen op de stoppels lieten grazen, voordat hun varkens hier hadden geweid. De grafsteen van de oudste eigenaren van de boerderij bevindt zich nog in de Munsterkerk te Roermond.

Foto: Loe Giesen

Johan van Dursdal en Elisabeth van Cruchten, tevens eigenaren van hoeve de Zang, hadden diverse kinderen waarvan dochter Ermgarda (elders ook wel Maria of Margaretha genoemd) trouwde met Frans van Haften, ritmeester in dienst van de koning van Spanje. In een belastinglijst van omstreeks 1655 vinden we een van de eerste vermeldingen van den Ritmeister Haften van die Klein Hoeff. Henricus en Johannes Gerard van Haften volgden hun vader op als cornetten in Spaanse dienst.
Op 17 april 1657 verkocht jonker Hendrick van Haften met toestemming van zijn vrouw hun ca. 40 morgen omvattende pachthoeve ('wijnhaef') genaamd de Cleijn Hoeff met huis, schuur, hof, boomgaard en houtgewas in de Wilde Hoeff gelegen, aan Matthijs Dorsch en Mechgel Coopmans (zie ook: Melishof). Als onderpand stelden de verkopers hun Camperhoeff in dezelfde buurtschap gelegen.
Op de Muliexkaart uit 1662 komen we de benaming Wilden Houf liefst driemaal tegen tussen BUSSEREINDSEWEG en buurt Leeuwen.
Op 14 mei 1675 maakten de erfgenamen van Mechtildis Coppens in De Gulden Pauw te Roermond een akte van deling op. De ene partij bestond uit Mathijs Dorss, weduwnaar van Mechtildis, en nu hertrouwd met Helena Ketelers. De andere partij werd gevormd door Catharina Meerss en haar man Johan Anthonius Vechmer plus de voogden van de kinderen uit het eerste huwelijk van Catharina met wijlen Everaert Melis. Vechmer betaalde reeds enkele jaren belasting in Beesel wegens een boerderij. Mechtildis had in haar huwelijksvoorwaaarden met Mathijs Dorss (zie: HOENDERCAMP) bepaald dat deze recht had op 1/3 van de door haar ingebrachte goederen, en dat de kinderen het overige 2/3 deel zouden krijgen van haar en haar oom Hendrick Melis. Na loting van de nalatenschap werd de hof te Besel met bouwland, weiden, bossen, tienden enzovoorts, getaxeerd op 1450 pattacons, toegewezen aan de kinderen van wijlen Everardt Melis en Catharina Meerss. Op 19 september 1687 werden de hof genaamd de Wilde Hoeff en een perceel genaamd de Hondercamp verpand door Mattijs Joris, als man en voogd van Beatrix Melis, en Philip Melis. Het geleende bedrag werd gebruikt voor de uitzet van hun broer en zwager Joannes Reinerus Melis in de abdij van Gebelbach (D). Op 16 september 1688 verklaarden de weduwe Vechmer en Matthijs Joris als man en voogd van zijn vrouw Beatrix Melis, mede namens Christoffel Melis dat zij van Anna Catharina Carpentier, weduwe van wijlen de rechtsgeleerde en schepen Bossman, een lening hadden opgenomen met de Campertiende met toebehoren langs de Maas gelegen als onderpand.
In 1703 werd Philippus Melis nog genoemd als een van de geërfden van Beesel. Blijkens de gemeenterekening van 1705 was Melis toen nog belasting verschuldigd, terwijl de oogst toch goed was geweest. Melis vroeg toch nog even uitstel, omdat hij (vermoedelijk na de Spaanse Successieoorlog) nog bezig was met opbouwen. In de winter van 1706 had Melis de hele winter Brandenburgse troepen ingekwartierd. Uiteindelijk werd Melishoof of Melyssenhof in 1706 openbaar verkocht. Zo werden zowel de Wilde Hoeve als den Hoendercamp tussen de bergen gelegen ... welcken camp is gegolden (gekocht) bij Mathis Dorsch, modo (nu) W eijers, eigendom van Theodorus Wijhers en zijn vrouw Anna Dispa.
Foto: Loe GiesenIn 1752 was de boerderij eigendom van de Roermondse tuigmeester (beheerder van het wapendepôt) Frans Beaumont, weduwnaar van Anna Elisabeth Wijhers, de dochter van de eigenaren van de Schei. In 1759 richtte hij zich tot de Beeselse schepenbank met het verzoek om de boerderij, die toen eigendom was van zijn kinderen, te mogen verkopen. Twee jaar later werd de Wilde Hoef inclusief de Hoendercamp verkocht aan de Roermondse zilversmid Carolus Aegidius Hendricks en diens vrouw Maria Galliot. Op de Smaberskaart uit 1781 worden ze vermeld als eigenaren. Daarnaast vinden we op deze kaart de veldnaam in de Wilde hoeff voor het gebied begrensd door BEESELSEWEG, HEERSTRAAT, RIJKSWEG en Hovergelei.

De oudste dochter, Maria Hendricks, trouwde in 1764 met Coenraad Junckers, een stiefzoon van de eerdere vrouwe van Nieuwenbroeck. Rond 1792 was de boerderij verpacht aan Peter Gommans. Coenraad droeg de boerderij waarschijnlijk over aan zijn jongste zoon. In 1805 verpachtte Aegidius Joannes Junckers de bouwhof genaamd Wilden Hoef, bestaande uit huis, schuur en stallingen maar uitgezonderd de gehele nieuwe 'timmer ofte heerenhuijs', voor een periode van 12 jaar aan Gerardus Strätgen.
De Roermondenaar, 16 augustus 1856.Aegidius was van 1807 tot 1812 'maire' of burgemeester van Beesel. Na het vertrek van de Fransen verhuisde hij naar zijn geboortestad Venlo en de Wilde Houff werd vóór 1817 verkocht aan Antoin Burghoff, tevens eigenaar van de Einderhof in Rijkel en de standaardmolen op de Meuleberg. Zijn zoon Mathieu overleed in 1836; diens weduwe Catharina Specken werd de nieuwe eigenaresse. Na het overlijden van haar man vertrok zij naar Wassenberg (Dld.), waar ze in 1839 hertrouwde met de apotheker Johan Theodoor Kofferath. De boerderij werd in augustus 1856 te huur aangeboden. Op 17 november 1857 werd de boerderij door Koffrath en Kreitz te koop aangeboden. Deze verkoop ging niet door, want in 1859 was Kofferath nog steeds eigenaar; ergens na 1860 werd de boerderij alsnog verkocht aan de familie Berger. Dit echtpaar liet in 1858 de Bergerhof bouwen en was tevens enige tijd eigenaar van hoeve de Zang.

In 1866 werd het herenhuis bewoond door de weduwe Smitshuijzen.

De boerderij werd in 1878 gepacht door Leonard van Cruchten. Rond 1880 werd ze verhuurd aan notaris Vogels, die later verhuisde naar het latere 'oud' gemeentehuis in Reuver. In 1909 werd de Wilde Hoeve door Louis Berger verhuurd aan drie gezinnen; ze werden op gerechtelijk bevel drie maanden later op straat gezet. Op 4 januari 1919 werd de Wilde Hoef bij scheiding en deling van de nalatenschap van Lodewijk Berger en Elisa Receveur toegewezen aan hun dochter Mathilde Berger te Teteringen. Zij bleef slechts kort eigenaresse. Op 10 september 1922 verkocht ze de boerderij voor fl. 350.000,- aan Emilie Louise Eugenie Berger wonend te Arnhem, bijgestaan en gemachtigd door haar man Henricus Josephus Arnoldus Terwindt, steenfabrikant wonend te Arnhem, voor de ene helft, en Paula Fernanda Christmann, weduwe van Emile Pierre Joseph Berger, voor zichzelf en als voogdes over haar minderjarige kinderen Elisabeth Mathilde Henriette en Hermine Antonia Fernanda Berger, Louis Herman Maria Berger en Mary Elisabeth Hermina Berger, allen te Velp, voor de andere helft. Ook zij konden zich slechts korte tijd eigenaren noemen. Op 16 januari 1923 werd de hoeve verkocht aan Petrus Hubertus (Pierre), Gerardus Hubertus (Graad), Willem Hubertus (Wiel), Philippus Johannes (Phlups of Sjang), Anna Maria, Maria Sophia (Fie), Jacobus Wilhelmus en Agnes Hubertina (Nes) Rutten, allen landbouwers wonend op de Hoosterhof onder de gemeente Beesel. In 1923 diende de familie Rutten, die toen nog woonde op de Hoosterhof, een aanvraag in voor een verbouwing van de Wilde Hoeve.


Foto: Loe GiesenIn maart 1923 trouwde Gerardus Hubertus Rutten ('Rutten Graad'), geboortig van Stevensweert, in Beesel met Maria Catharina Theresia Reinders. Toen zus Nes voornemens was om in het klooster te gaan, werd zij in november 1924 door haar broers en zussen uitgekocht. Uiteindelijk zou Agnes Rutten echter slechts korte tijd in het klooster blijven. Broer Pierre begon een smidse in Beesel, terwijl broer Sjang op hoeve Roosendael ging wonen.

Bij deling van 2 september 1940 werd de Wilde Hoeve na scheiding en deling eigendom van Graad Rutten en Maria Reinders. Zij bleven eigenaren tot 18 juli 1963, toen de boerderij werd verkocht aan Joannes Wilhelmus Josephus (Jan) Rutten.

Zie ook: Bergerhof, de Hoendercamp, de Kamp, de Zang, Melishof en Nieuwe Schei.

Loe Giesen: De Wilde Hoeve te Reuver vóór de Franse Tijd. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 11 (1991).
Loe Giesen: De Wilde Hoeve te Reuver in de 19e en 20e eeuw. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 13 (1993).
Jan Rutten: diverse recentere akten werden door de huidige bewoners ter inzage gegeven voor deze website, waarvoor dank.

 
Wildenkamp    

Deze benaming kwam vroeger geregeld voor. Zo werden in 1608 enkele tienden verpacht die eigendom waren van Nieuwenbroeck, uitgezonderd de Wilden Kamp to Offenbeck. In november 1649 klaagden de naburen van Offenbeck tijdens een voogdgeding dat er sinds enige tijd een onbehoorlijk voetpad dwars door de Wijlde Camp liep waar eerder nooit een pad gelopen had. In 1779 verpandde Goedefridus Vosbeeck een perceel gelegen op de Wildencamp. Volgens Smabers betreft het perceel 17 op kaart 10, gelegen aan weerszijden van de huidige Keulseweg, die daar ter hoogte van de westzijde van de spoorlijn inderdaad is aangegeven als een pad dat dwars over de akkers loopt.

In de omgeving van Ouddorp treffen we de veldnaam Wilden Kamp vanaf het begin van de 17e eeuw herhaaldelijk aan. De Wilden Camp in Reuver wordt onder andere in 1756 genoemd.
Op de Smaberskaart uit 1781 treffen we dit toponiem op twee plaatsen aan:

 
1. Smabers 3  
Veldnaam den Wilden Camp voor het gebied ten zuidoosten van de Strouckensweg en de KERSTENBERGWEG, grenzend aan de Bakhei. In januari 1770 verkocht Hendrick Claessen 1 morgen akkerland op de Wilden Camp aan Gradus Reijners, die op de Smaberskaart als een van de eigenaren wordt vermeld.
 
2. Smabers 7  
Foto: Loe GiesenVeldnaam den Wilden Camp tegens Wilde Hoeff voor het gebied begrensd door PASTOOR VRANCKENLAAN, RIJKSWEG en HEERSTRAAT.
Het 'wilde' van deze kampen betekende slechts dat het hier om niet ontgonnen dan wel sinds lange tijd braakliggend terrein ging.
 
WILDENKAMP    

Zowel buurtnaam als straatnaam (= Wildenkamp 2).

Vastgesteld bij raadsbesluit van 18 februari 1974.

 
Wildveld Smabers 10  
Onbewerkt land werd vroeger o.a. aangeduid als dries, vogelsweide of wildveld. In de 80er jaren van de 16e eeuw werd het ambt Monfort door de koning van Spanje als hertog van Gelder zwaar belast om de ruiters en het voetvolk die in Roermond in garnizoen lagen te kunnen onderhouden. Door veelvuldige inlegeringen en doortochten waren zowel Beesel als de meeste omliggende dorpen zo geruïneerd dat niemand nog in staat was om de grote bedragen voor deze contributies en buitengewone lasten op te brengen. Aleen door gemeentegrond te verkopen zou het kerspel nog aan haar verplichtingen kunnen voldoen. Dit besluit werd in de kerk bekendgemaakt en uiteindelijk gaf ook de Rekenkamer op 3 februari 1587 toestemming voor deze verkoop. De gezamenlijke gerfden, schepenen, naburen en inwoners van Biesel en Belfelt verkochten uiteindelijk ein deil onser gemeinten gelegen tot Offenbeck aen het Wiltfelt aan prior Christoffer van Besel en procurator Christoffer Kaellen namens de Kruisheren van Roermond, de eigenaren van de Onderste Hof. Het verkochte land lag met beide lange zijden tussen gemeentegrond, en grensde met de ene korte zijde aan de bezittingen van de Onderste Hof en de andere aan het kempke van Jan de Neef op der buijtersten graef nae het Merlebroick (mogelijk de latere Kaldengraaf). De nieuwe eigenaren kregen toestemming om het land te ontginnen en het werd de inwoners van de gemeenten verboden om er nog heideplaggen te houwen of vee te weiden op straffe van een oud schild per overtreding. De Kruisheren waren aan niemand verplicht om doorgang te verlenen maar moesten wel der sprung (waarschijnlijk het waterloopje door de latere Paterswieërd) in zijn loop laten. De akte werd door Johan van Holthuissen (Nieuwenbroeck), Gerhart van Hamerstein (eigenaar van de Spijker in Ouddorp) en Raebet van Dursdall (de eigenaar van de Einderhof) als leden van de Ridderschap en geërfden mede bezegeld.
 
Wilhelminalaan Smabers 10

Poststempel Beesel, 1912Op de hoek van de KEULSEWEG en de WILHELMINALAAN lag in 1781 alleen het huis van Ludovicus Borgť en Maria Derix; voor de rest was de weg nog onbebouwd. Na het overlijden van haar man hertrouwde Maria Derix met Willem Peijs. In 1790 verkocht haar zoon Hendricus Borgie huis en erf met schuur, stallingen en moesgaard gelegen aan den Reuver aan Jacobus Henssen en diens vrouw Cornelia Buskens. Op de kadastrale minuutplan (1843) staan drie woningen ingetekend.

In 1888 werd deze weg, waarschijnlijk wegens de aansluiting tussen station en KEULSEWEG, voor het eerst bekiezeld. Op de hoek met de KEULSEWEG lag vele jaren de weegbrug van Dewinden. Een tweede weegbrug lag op de STATIONSSTRAAT.

Foto: Archief Gemeente Beesel.

Foto: Loe Giesen.Op het eind van de 19e eeuw werd de oostzijde van de WILHELMINALAAN (of een gedeelte daarvan) korte tijd aangeduid als Oranjeheuvel. In 1915 verkocht de weduwe van notaris Vogels "eenen prachtigen tuin met ± 40 fruitboomen, uiterst gunstig gelegen in 't midden van het dorp Reuver aan den Rijksweg en aan den Wilmelminasingel" (sectie D 1005, 1009 en 1080) plus het huis bewoond door de heer Van Runstraten. In een advertentie uit 1939 is opnieuw sprake van de Wilhelminasingel te Reuver.

"Om uit onverdeeldheid te geraken" werd het huis, schuur, staling en grote tuin aan de Wilhelminastraat 515 (sectieD 1550) in februari 1938 te koop aangeboden door de gebroeders Timmermans.

Wilhelmina (1880-1962) was een dochter van koning Wilhelm III en Emma van Waldeck-Pyrmont. In 1890 volgde zij haar vader op onder regentschap van haar moeder en acht jaar later kon zij worden ingehuldigd als koningin. In 1901 huwde zij hertog Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. Bij de Duitse inval in 1940 vluchtte zij met de regering naar Engeland, van waaruit zij het bezette Nederland tot 1945 regeerde. De nieuwe regering bepaalde in een besluit van 3 januari 1941 dat met ingang van 17 september 1941 geen namen van levende leden van het Koninklijk Huis meer mochten worden gebruikt voor o.a. straatnamen. Op last van de Duitse bezetters werd de straatnaam, na een voorstel van 4 februari 1942, gewijzigd in 'Spoorlaan'. Ook de straatnaambordjes van de Beatrixstraat en de JULIANASTRAAT werden in februari 1942 vervangen. Deze gedwongen wijziging werd waarschijnlijk reeds direkt na de bevrijding in maart 1945 teruggedraaid. In 1948 deed Wilhelmina afstand van de troon ten behoeve van haar dochter Juliana.

Vastgesteld na een voorstel van 25 juni 1934.
 
WILLIBRORDUSDIJK, SINT  

Foto: Loe Giesen

De SINT WILLIBRORDUSDIJK is een lange, kaarsrechte weg die parallel loopt aan de PRINSENDIJK. De weg is aangelegd in de 19e eeuw als onderdeel van de ontginningswerkzaamheden waarbij het moerassige Meerlebroek werd drooggelegd. De restanten van een windwatermolentje rechts op bovenstaande foto herinneren aan deze drooglegging maar dateren uit het midden van de 20e eeuw. De beek aan de oostzijde (links op de foto) heette in de 19e eeuw nog de Groote Beek maar kreeg later de naam Vuilbeek.

Aan de oostzijde van deze weg lag in 1864 slechts één woning, op een pachtkaart uit die jaren aangeduid als huis Meuter. Het huis lag tegenover een verdwenen dwarsweg zuidelijk van de BERGERHOFWEG. Later werd het gebouw omgedoopt in Sepastopol.

Foto: Loe GiesenDe heilige Willibrordus (658-739) werd in 673 benediktijnermonnik in de abdij van Ripon bij York (Noord-Engeland). Nadat hij in 688 tot priester was gewijd, landde hij in 690 met 11 metgezellen op de Friese kust om het evangelie te verkondigen aan de Friesen. In 695 werd hij tot aartsbisschop van de Friezen benoemd, maar korte tijd later vestigde hij zijn zetel in Utrecht, waar hij ook een klooster en een kloosterschool vestigde. Van toen af doorkruiste hij onophoudelijk zijn aartsbisdom. In 698 koos hij Echternach als zijn rust- en toevluchtsoord, waar hij ook overleed en in de abdijkerk begraven werd.

Vastgesteld bij raadsbesluit van 25 mei 1964.

 
Windelengoed Smabers 9  
Deze boerderij met landerijen maakte ooit deel uit van de laathof genaamd Hof tot Leeuwen. Bij deze laathof, waarvan de Schei tot 1424 het middelpunt vormde, hoorden diverse kleinere boerderijen van waaruit de uitgestrekte landerijen werden bewerkt door laten, een soort lijfeigenen of horigen. De laathof werd in het begin van de 15e eeuw eigendom van de heren van Buren en werd daarom ook wel Buerense Laathof genoemd. Een van hun laten was Peter Wyndelen, in 1439 genoemd als schepen van Beesel en in 1468 vermeld in een belastinglijst. De naam Wendel kwam vroeger voor als meisjesnaam.
In het midden van de 16e eeuw was het goed al verdeeld in allerlei stukken. In 1558 voerde Cathryn Roeffartz, de rentmeesteres van de familie Van Bueren, een proces tegen Peter Dorssers wegens 1 morgen lijfgewinsgoed behorend tot Wendelen guet die deze had gekocht. Volgens een processtuk van een jaar later was Gort van gen Eynd beleend met den gantzen Wendelen gut. In 1563 betaalde Encken Stevens een grondrente wegens Windelen goed, gelegen in de Oe. Volgens het cijnsregister van de Buerense Laathof was in 1563 ook een gedeelte van Vyndelen goed eigendom van Jan an der Stappen en zijn vrouw Tysken, die dit hadden gekocht van Peter van Mens. Weer een ander gedeelte was door Jenken Bruyvers van Tygelen verkocht aan Gort Slabbertz en diens zoon Henryck.
Voor zover bekend betaalde Peter ter Lynden rond 1780 als een van de laatsten cijns voor het gebruik van Wendelen goed. De vroegere bezittingen van de Buerense Laathof waren in 1781 eigendom van de familie Van Merwijck. Tenzij Windelengoed verkocht werd, moet de lokatie dan ook onder deze gronden worden gezocht. Een plaats in de omgeving van hoeve de Weerd lijkt hiermee het meest waarschijnlijk.
 
Winckelsgat Smabers 6-8

Foto: Loe GiesenDeze naam komt reeds voor in een (helaas onbetrouwbare) akte uit 1444, waarin Ingelbrecht van Holtmoelen, de toenmalige heer van Beesel, verklaarde dat hij aan Johan van Dijck tegen een jaarlijkse uitkering van 22 tijnspenningen alle goederen had overgedragen die deze als manleen en erftijnsgoed van hem in leen hield, waaronder een ½ morgen land, gelegen in de Winckell. Desondanks bracht Engelbrecht van Holtmolen in 1472 onder andere een bunder land aen den Winckel in zijn huwelijk met Bele van Mulrade. In een gemeentelijk beleid van 1696 werd vastgesteld dat de weg aan het Winckelsgaedt niet breed genoeg was.
'Winkel' is een oud woord voor hoek. Waardoor deze hoek werd gevormd, is vooralsnog niet helemaal duidelijk.

Op de Smaberskaart geldt de benaming Winckelsgat voor de samenkomst van wegen bij BEESELSEWEG/HOOGSTRAAT, Molenweg en Bergweg. Misschien dat de bocht in de weg naar Reuver aanleiding gaf tot de benaming. In 1766 en 1793 wordt dit punt aangeduid als respektievelijk Winckels Gaet en in het Winckels Gat. Tranchot en Von Müffling zijn de laatsten die de benaming, abusievelijk genoteerd als Winckelsat, vermelden.

 
Witsenweerdje    
De Volksvriend, 25 juni 1870.In 1783 kreeg de gemeente toestemming voor de verkoop van grond in het Witse Weerdje gelegen. In 1790 werd een gedeelte overgedragen aan landscholtis J. Pollart, tevens eigenaar van Oud Waterloo. Het Witze Weertje (1790) lag langs de Maas en bleef nog lang eigendom van de eigenaren van Waterloo. De laatste schriftelijke vermelding dateert uit 1876.
 
Witteberg  

De benaming Witteberg, de hellende HOOGSTRAAT nabij de NIEUWSTRAAT, komt niet voor in oude archiefstukken. Mogelijk wordt de berg wel bedoeld in een aantekening in het 17e eeuwse cijnsregister van Nieuwenbroeck inzake dat goedt op ten berch daer Peter Smiedts in woondt. Bij afgravingen in 1914 werden enkele urnen gevonden.
Nu nog spreekt men van 'de Witteberg' voor het eerste gedeelte van de HOOGSTRAAT; ook de buurt draagt deze benaming.

Zie ook: Wolfsgoed.

 
WITTEBERGSTRAAT  
Aanvankelijk vastgesteld bij raadsbesluit van 19 november 1962. Op 23 augustus 1976 werd de benaming opnieuw vastgesteld, ditmaal voor de gehele verbindingsweg tussen HOOGSTRAAT en ST.-JORISSTRAAT, inclusief de twee westelijk van deze straat gelegen binnenweggetjes.
 
Witte Hengst, in de    

Dit toponiem treffen we als eerste aan in de kerkregisters van de St.-Gertrudisparochie. In 1787 woonden Hermanus Linders en Petronella Schrijnewerckers in den Witten Hengst. Vermoedelijk is dit een andere benaming voor de boerderij Heijenbroeck, eertijds gelegen op de grens van Beesel en Swalmen langs de RIJKSWEG.
In 1789 werd de Witte Hengst bewoond door Rutger Vullinghs (junior) en zijn vrouw Sofia Paulissen. In de hoofd- en beestenschat van 1790 wordt hun (schoon)moeder, de weduwe Rut Vullings, genoemd als laatste onder Bussereind, nog achter Peter Heggers (de pachter van Waterloo). Vier jaar eerder werden deze Rutger Vullings (senior) en Elisabeth Peters nog genoemd als bewoners van een huis aen den Reuver, waar ze waarschijnlijk gehuurd woonden. Op de kaart van de landmeters Tranchot en Von Müffling (rond 1815) zien we al geen bebouwing meer. Vermoedelijk werd de boerderij in de Franse Tijd gesloopt, om opnieuw te worden opgetrokken op de Bakhei.
In januari 1878 werd nog dennenhout verkocht op een 1 ha 50 centiare groot perceel genaamd de Witte Hengst, gelegen aan de Rijksweg, eigendom van Van Nispen tot Sevenaer.

 
Witte Paal of Witte Steen Smabers 11

Nabij het huidige café de Witte Steen en het nabijgelegen dal van Amersloo (Dld.) werden in 1839 enkele ca. 1 meter hoge grafheuvels opgegraven, waarbij diverse urnen uit de late bronstijd (10e - 8e eeuw v. Chr.) werden gevonden. Dit wijst op zeer oude bewoning in de onmiddellijke nabijheid, reeds ver voor het begin van onze jaartelling. Helaas werden enkele andere grafheuvels in 2001 gelijk gemaakt met de grond met de aanleg van een grote parkeerplaats.

Volgens het grensverdrag tussen Gelre en Gulik van 15 september 1551 werden langs de grens tussen beide hertogdommen gedeeltelijk nieuwe paelsteyn gezet. Ter hoogte van Offenbeek werd de steen niet langs de grens geplaats, maar men plande een paal midden op de heide van het Merlenbroick, precies op een denkbeeldige lijn tussen de Konig Karlsweg of Steinweg (PRINSENDIJK), onder aan de Hoogen Stall, en de Groote Hoeve in Belfeld. In zeer uitvoerige stukken uit het midden van de 16e eeuw met de direkte omgeving van de huidige PRINSENDIJK als onderwerp, komt de benaming Witte Steen geen enkele keer voor. De naam stamt dan ook vrijwel zeker uit een latere periode. Uit een ambtelijk schrijven van 18 juli 1554 blijkt dat de drost van Montfort moest zorgen voor 38 stenen palen, die uiterlijk 8 augustus klaar moesten zijn. Enkele van deze stenen staan nog in o.a. de gemeente Echt-Susteren. Vorm en materiaal zijn echter heel anders dan de oude steen op bovenstaande foto.

Verhalen van Duitse zijde over een gerechtsplaats Am Weißen Stein zijn vermoedelijk vooral gebaseerd op fantasie. Volgens sommige Duitse schrijvers werd op deze plaats vroeger namelijk door wijze mannen (Weisen) recht gesproken. Misdadigers werden met het hoofd tegen de steen doodgeslagen waarna het lijk bij de Ravensheide ten oosten van Tegelen tentoon werden gesteld, zo luidt kort samengevat het verhaal. Deze verhalen houden ongetwijfeld verband met de vergaderingen die geregeld plaatsvonden bij Blanckersdries langs de PRINSENDIJK. Het is hoogst twijfelachtig dat misdadigers eerst bij de Witte Steen werden gedood en daarna kilometers noordelijk werden opgehangen. 't Is een aardig verhaal, maar ook niet meer dan dat.

Op de kaart van landmeter Muliex (1662) staat de Witte Pael voor het eerst vermeld. In oktober 1719 ontving baron Von Hundt van het ambt Montfort de jachtrechten onder Belfeld tot aan de Scharkens- en Offenbeckerbeek, en in het Broeck tot aan de Witten Pael.
In een Beeselse gemeenterekening uit 1726 lezen we dat er op St.-Bavo (25 mei) een ton bier werd geleverd aen den Wytten Pael. Het hoe en waarom van deze bijzondere levering staat er helaas niet bij vermeld.
In 1763 tekende landmeter Smabers hier eenen steenen paell genoemt Witten Paell. Op de Smaberskaart uit 1781 staat de grenssteen aangegeven als den witten paell aen 't eijnde van Prinssen dijck, waer op Kivits Dijck loopt. In akten uit 1784 is sprake van de zogenaamde Omwalde Heijde aan de Witten Pael, in 1788 van land am Weyser Phaal.
Een Duitse kaart uit 1793 vermeldt eveneens de Weissen Pfahl, gelegen tussen de Amerslohe en den Grossen Eicksberg enerzijds en de Grauen Stein en de Hoogen Stall anderzijds. Ook op de Tranchotkaart vinden we de Witten Pael vermeld.

In de jaren 1914-1918 bouwde Jacob Lankes hier aan de grens van Reuver het eerste huis. Wiel Lankes exloiteerde er een café 'Am Weisen Stein' en een levensmiddelenhandel. Ongeveer eenzelfde woning werd, eveneens door Kuëb Lankes, aan de overzijde van de weg gebouwd en huisvest nu café 'De Grens'.

Op 22 januari 1936 verkocht J.W. Mertens "een voor eenige jaren solied gebouwd winkelhuis met café, erf en tuin" aan de Witte Steen (sectie D 2142).

De oorspronkelijke witte steen is al lang vervangen door grenspaal 429. Slechts op een enkele foto is hij nog origineel te zien. Anders dan de enkele honderden meters noordelijker gelegen Grijze Paal betreft het een gehouwen steen.

Fotomontage: Loe Giesen

Wiel Luys: Een oudheidkundige ontdekking bij de Witte Paal (Witte Steen) te Offenbeek. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 6 (1986).

 
Wolffaertsgoed    
In 1589 mogelijk eigendom van Gerart Wouffarts alias Itten, die toen was verwikkeld in een proces tegen de tiendheren van Biessel. In ieder geval hadden hij en zijn vrouw Beele an gen Broeck bezittingen in Offenbeek. Als oudste schepen wordt hij vermeld in vele oude Beeselse akten. In 1609 blijkt hij hertrouwd met Thonissken. Hij overleed rond 1621.

Op 2 juni 1600 vernieuwde Peter Wolfaerts bijgenaamd Itten de leeneed van de Nieuwenbroeckse laatboerderij van Dirck en Vranck Ummelen, gelegen aan het Bussereyndt tussen Bongaerdts goed en Wolfaerts eigen goed. Het cijnsregister van Nieuwenbroeck werd in 1644 een tijnshoen betaald door Jan in die Saint wegens Peter Wolfferts goedt. Op 15 augustus 1650 werd de eed opnieuw afgelegd door Aret Wolfaerts. In 1651 betaalde Aret Wolfaerts twee kippen: een wegens Wolfaerts goedt en een wegens  Dirck en Vranck Ummelen goedt. Omdat hij in Geloo in Belfeld woonde, liet hij dit in 1653 over aan Merten Reijners. In 1655 werden de kippen gebracht door Henderick Deckers. Op 18 maart 1662 was het de beurt aan Gerardt Ingels. In de jaren daarna werd zowel het Wolfaertsgoedt als de boerderij van Dirck en Vranck Ummelen gekocht door Peter op den Bongaerdt, die op 12 januari 1667 hiervoor het 1/12 gedeelte van de koopsom betaalde aan Nieuwenbroeck. Op 21 december 1667 legde hij voor beide lenen aan de Busserstraat de leeneed af. Mogelijk was Peter een zoon van Jan op den Bongart en Jacoba Wolffaerts alias Itten.

Op 24 februari 1772 werd Joost Geerlings eigenaar van een huisje op den Bergh gelegen tussen Wolfers goedt en Roosen goedt, dat eerder eigendom was geweest van Jan van Grathem.

 
Wolfsbergen Smabers 8  
Benaming de Wolfsbergen (1832) in plaats van de Walsbergen. Waarschijnlijk betreft het een fout van de betreffende notaris.
 
Wolfsboom    

Foto: Loe Giesen

In Swalmense akten wordt de Wolffsbaum al genoemd in 1625. In maart 1667 werd hier onder de Wolfsboom een pasgeboren meisje gevonden.
De benaming Wolfsboom (2e helft 17e eeuw) herinnert mogelijk aan een van de doorgangen van de Wolfsgraaf. Deze aarden wal werd op deze plaats doorsneden door de huidige RIJKSWEG. Vanaf deze boom liep verder een pad naar de PRINSENDIJK. De benaming verdween waarschijnlijk eerst in de late 20e eeuw. In 1834 meldde de burgemeester van Beesel dat de Beselsturfbroekweg langs de Wolfsboom niet kon of mocht worden gebruikt door de inwoners. In 1841 liet de burgemeester in een brief aan Joris Schepen te Venlo weten, dat deze toestemming kreeg voor het graven van kiezel tegenover het veer van Neer zoveel hij nodig had, tegen 20 centimes per kubieke el. Schepen mocht voor het vervoer slechts gebruik maken van de weg van Rijkel naar de Wolfsboom of Grote Weg van Roermond naar Venlo, door het Turfbroek naast de zogenaamde Dieper. Deze weg moest ook door de aanvrager worden onderhouden.
De laatste schriftelijke vermelding van de Wolfsboom dateert van juli 1913.

 
Wolfsgoed    

Mogelijk voor het eerst vermeld als Geirtgen Wolffs guedt aen den bosch (1551). Op 22 november 1593 verkocht Leisken, dochter van Jan Wolffs en wijlen zijn vrouw Treinen, landerijen te Beesel, omdat hun hauss tho Biesel op den berghe gelegen dieser teit gantz wuest und ongerust ligt, und sy die middel niet en hefft sulchs to reparieren. Opdat tzelve haus niet gentzlich oever ein hauff falle, verkocht zij het land aan haar halfbroers Peter en Nelis, zodat haar vader Jan het huis daarmee zou kunnen repareren.
Op 8 mei 1647 vernieuwde Jan van Gratum de leeneed van het Nieuwenbroeckse onderleen genaamd Wolffsgoedt, gelegen op ten berch. Later dat jaar werd in het cijnsregister genoteerd dat Jan van Grattem een tijnshoen betaalde wegens Berger goedt. Waarschijnlijk was het dezelfde Jan van Gratum die op 1 juli 1628 door Nieuwenbroeck werd beleend met de Custerije tot Besell, vacant gekomen door het overlijden van Geurt Quijten; omdat Jan op dat moment nog minderjarig was, werd de leeneed afgelegd door zijn gelijknamige vader. In 1654 noteerde landmeter Keullen achter het Wolffs valderen bij het Venlose Stieghen het huis van Jan op den Berch. Het cijnsregister van Nieuwenbroeck vermeldt in de jaren erna Jan van Gratum wegens Wolffs goedt. In 1773 legden enkele schepenen van Buggenum en Heijthuijsen samen met twee oude inwoners van Beesel een interessante verklaring af. Zij vertelden dat Johanna van Grathem, woonachtig in Biesel, een zus Elisabeth had gehad. Deze was gehuwd met een Judocus Geerlings, en samen hadden zij een zoon Matthijs Geerlings. Uit diens huwelijk met Ida Vaessen was ook weer een zoon geboren, de militair Joost Geerlings, die nu als erfgenaam een huisje in Beesel kwam opeisen. Dit huisje was op 25 februari 1772 door Martinus Joannes Herpin en zijn vrouw Maria Harp verkocht aan de armen van Beesel. Volgens de verkoopakte betrof het een huisje op den Bergh gelegen tussen Wolfers goedt en Roosen goedt.

Vergelijk: Wolffaertsgoed.

Zie ook: SCHOOLBERG en WITTEBERG.

 
Wolfsgraaf Smabers 4/40

De Wolfsgrave wordt voor het eerst genoemd in 1554. Op de kaart van landmeter Muliex uit 1662 staat deze zandwal voor het eerst aangegeven als de Wolfsgrave. Verder staat hij vermeld op twee laat-17e eeuwse schetsen.
Foto: Loe GiesenDe Wolfsgraaf was een zogenaamde landweer: dit waren grote aarden wallen die grote gebiedsdelen omgaven, zoals graafschappen en bisdommen, maar ook kleinere gebieden als steden, heerlijkheden en parochies. Ze werden met name in de 14e en 15e eeuw aangelegd. De gemiddeld 2 meter hoge landweren, vaak aan twee zijden voorzien van een droge spitsgracht, werden beplant met bomen en ondoordringbaar struikgewas; slechts op enkele plaatsen kon men de wallen passeren via doorgangen versterkt met slagbomen en wachtposten. De wallen werden in onze streken tot de 2e helft van de 17e eeuw gebruikt en onderhouden, zoals blijkt uit een rekening van 1658.
Mogelijk was bij de Wolfsboom eertijds een van de slagbomen die de doorgang moesten reguleren. Opvallend bij de Wolfsgraaf is de trechtervorm, die aan de oostzijde in het Meerlebroek uitmondt in de Keel.
Op 21 maart 1774 werd door de inwoners van Swalmen een proces aangespannen tegen de deken Dispa van het kapittel van Roermond. Deze had de euvele moed gehad om tussen de Wolfsgraeven en de Swalmer Galgenbergh door enkele dagloners een greppel te laten graven, hetgeen verboden was en de weidegang van de Swalmer beesten belemmerde.

Foto: Loe Giesen Op de Smaberskaart uit 1781 treffen we de benaming Wolfsgraeff aan tussen de RIJKSWEG en de Turfheierweg ongeveer tegenover de ST.-JOZEFDIJK. De wal en gracht ter hoogte van de RIJKSWEG was toen kennelijk nog aanwezig; de westzijde werd beakkerd, de oostzijde was bebost. In het bosperceel aan de overzijde van de RIJKSWEG, tussen ST.-JOZEFDIJK en GRENSWEG, is de wal nog gedeeltelijk flauw herkenbaar in het landschap.

Of de wallen ook een rol speelden bij de wolvenjachten die tot de eerste helft van de 19e eeuw in de gemeente regelmatig werden gehouden, wordt nergens vermeld.

Wiel Luys: De Wolfsgraaf: een Middeleeuwse landweer in Beesel-Swalmen. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 3 (1983).

 
Wolfsvalder of Wolffers valder Smabers 6  
Foto: Loe GiesenDeze naam is mogelijk ontleend aan de familienaam Wolfs of Wolfferts. Reeds in 1654 is sprake van land aen den Muelencamp aen Wolffers valderen. De stichtingsoorkonde van de kapelanie van Beesel (2 april 1661) maakt melding van landerijen buyten het Wolfs valderen in de Sants bergh. Op de Smaberskaart staat de benaming Wolfsfalder aangegeven in de ST.-JORISSTRAAT op enkele tientallen meters van de Eiermarkt.
 
Wor(m)veld  
De oudste vermelding van dit zeer oude toponiem dateert uit 1382, toen Peter van der Masen en zijn tante Eva 2 malder rogge erfpacht kochten, afkomstig van 4 bunder land te Offenbec in het Wornveld. Bij het huwelijk tussen Engelbrecht van Holtmolen en Isabella van Boickholt bijgenaamd Mulraede (bij de Hariksee; Dld.) in 1472 bracht Engelbrecht behalve de hoff t'geen Raide vele tienden in het huwelijk, waaronder de tienden te Offenbeeck genaamd dat Worfelt. In 1477 verklaarden Engelbrecht van Holtmuelen en zijn vrouw Isabele van Boickholt bijgenaamd van Mulraede dat zij, 'omme die halffscheidt wille', de tienden van het Woervelt, het Molenvelt en de Offenbecker Oe hadden verkocht aan Henrick Kellener.
In 1609 liet Keun, weduwe van Heindrich Eulen uit Venlo, beslag leggen op de goederen van Loeij van der Meulen en zijn vrouw Thrijn, gelegen in den Offenbecker Wormveltt en op den Nijen Erff gelegen.
Op de kaarten van landmeter Smabers (1781) staan de met tiend belaste landerijen aangegeven; uitgaand van de voorgaande informatie en deze kaarten komt vooral het gebied tussen KEULSEWEG, MARIASTRAAT, GRESWARENSTRAAT, WILHELMINALAAN en EMMASTRAAT in aanmerking voor de juiste ligging van het veld.
 
Wylrehof    
Toponiemen als 'Wylre' of 'Wieler' zijn ontstaan uit het Romeinse woord 'villare', de landerijen die tot een villa behoorden. De huidige wylre-namen gaan dan ook zeer ver terug in de geschiedenis.
 
1. Beesel-Bussereind Smabers 6  
Reeds op 14 april 1554 is volgens het tijnsboek van Nieuwenbroeck sprake van de verkoop van huis en hof tegen gen Raij over en geheiten Wijlregoedt. Hetzelfde tijnsboek plaatst het goed van Wilm te Obroeck alias Wylregoed in 1587 naast het laatgoed genaamd Rutten goed. Volgens een niet gedateerde aantekening bezat Jan van Wijlre een gedeelte van de hof T'gen Raede als een manleen. Op 19 mei 1603 werd Henrich van gen Raij na het overlijden van diens broer Thijs van gen Raeij door Nieuwenbroeck beleend met het onderleen eertijds genoemd Wijlregoedt, gelegen tegen gen Raij over. Daarmee is de ligging tegenover de versterkte boerderij Gen Raede in Bussereind bekend. Het was een zogenaamde laatboerderij: omdat tot Gen Raede veel meer landerijen behoorden dan vanuit één boerderij konden worden bewerkt, waren in de middeleeuwen diverse kleinere boerderijen over deze grond verdeeld en volgens het leenstelsel beheerd. De leenmannen werden in dit geval echter 'laten' genoemd. Wanneer de leenman van het Wylregoed overleed, moest zijn opvolger de leeneed afleggen en de jaaropbrengst ('jaerschaer') van de laatboerderij afdragen plus (de waarde van) een dier naar keuze voor de heer van Gen Raede. Dit zogenaamde 'heergewaad' en de 'keurmede' werden bij een volgende belening van Wijlre goedt, gelegen recht tegen den Rayer moeshoff, op 7 januari 1643 opnieuw afgedragen door Thijs van gen Raij na het overlijden van diens vader. Nadien wordt de laatboerderij niet meer genoemd, zodat ze mogelijk in de loop van de 17e eeuw verdween of van naam veranderde.
 
2. Rijkel    
Op 15 juni 1451 kocht het klooster Maria Weide, eigenaar van de Klerkenhof, 4 morgen weidegrond bij Wijlre onder Beesel.
Op 1 maart 1462 werd het klooster beleend met de helft van 4½ bunder akkerland te Wijlre onder Besel gelegen. Volgens drie andere afschriften van deze akte was deze grond gelegen te Rijckel. Dit land zou vroeger eigendom zijn geweest van Gobel of Goebbell Grouwels en tot de hof te Ryckell hebben behoord; deze boerderij was daarna van heer Peter van der Maesen den Alden geweest. Volgens een nog enkele eeuwen oudere akte, die helaas niet kon worden geverifieerd, zou de helft van dit land afkomstig zijn van de hof Tgenen Broick en de andere van de Raeder Hoef. In 1543 wordt de Wylrehoff te Rijckel opnieuw vermeld.
 
3. Rijkel-Swalmen    
Foto: Loe GiesenOp 24 februari 1323 beleende ridder Johan van Kessel Godfried van Heinsberg-Blankenberg met tien bunder land bij Byssel. Willem van Swalmen (zijn zwager) was medebezegelaar van deze akte. Vijf jaar later, op 25 augustus 1328 gaf Johan van Kessel als leenheer toestemming aan Beatrix van Besel en haar zus en zwager Fredeswind en Arnold om enkele rechten te verkopen aan Dederik Bake met als onderpand acht bunder land en haar aandeel in de tiende van Beesel.
In 1346 werd Seger van Kessel door hertog Reinoud van Gelder beleend met de Wilderhof te Beesel. In de Pondschatting van 1369, een soort belastinglijst, wordt hij onder Beesel genoemd. Vrijwel zeker was hij een kleinzoon van Seger van Broekhuizen bijgenaamd van Swalmen.
In de Pondschatting van Beesel vinden we tevens Zibert van Wilre vermeld met een maximale aanslag van acht pond; grondeigenaren werden meestal slechts aangeslagen in de plaats waar zij de meeste bezittingen hadden, en onder Swalmen wordt hij dan ook niet vermeld. Hij was wel in 1378 aanwezig bij een proces tussen Robijn van Swalmen en de hertog van Gelre over de rechten van Swalmen. Twee jaar later wordt hij vermeld als leenman van de voogd van Roermond.
Ook Johan van Wylre, in 1406 (mogelijk als hulder) beleend met het Valkenburgse leengoed Wolfrath ten oosten van Holtum, had belangen in Beesel. Hij zegelde met het Kesselse ruitenkruis, vermeerderd met een hamer in de rechterbovenhoek. Op 25 mei 1412 oorkondde Zegher van Kessel Johanszoon, dat Dederic Bake uit Roermond (zie: Klerkenhof) voor hem als leenheer en voor zijn leenmannen Johan van Wylre, Henken Gobbelssoen en Raebe van den Kruytsberch, de tienden van Beesel had verkocht aan pastoor Peter van der Maesen. Johan van Wilre, in 1416 samen met zijn vrouw Bertte, Sybrecht van Kessel en diens vader Matthijs van Kessel vermeld, verpachtte in datzelfde jaar een gedeelte van de tol, die hij in 1400 van Willem van Kessel had gekocht, voor een periode van 10 jaar aan de stad Roermond. Uit deze akte blijkt tevens dat Willem ook een gedeelte had verpand aan Margrete, de weduwe van Rijkalt van Kinswijlre (zie: Rayerhof). Dit gedeelte was in 1326 door de graaf van Gelder verpand aan Diederich Averecht; diens weduwe Hadewich en haar kinderen waren in 1350 pandhouders. Deze helft van de tol werd in 1428 door Vullinck van Holtmolen en diens vrouw Guedele Herckenbosch verkocht aan de stad, waarbij de broers van de verkoper (waaronder de eigenaar van de Rayerhof) borg stonden.
Op 1 augustus 1425 verklaarde Johan van Wylre samen met Willem van Vlodrop, de erfvoogd van Roermond, dat hij ermee akkoord ging dat de hertog van Gelder ongeveer 10 bunder heide in Swalmen aan Johan van Oyst (de heer van Swalmen) had gegeven. Van ongeveer 1419 tot 1436 was Johan richter en schepen van Roermond, terwijl hij in 1428 wordt vermeld als leenman van Horn. Omdat zijn vrouw Bertte hierom gevraagd had op haar sterfbed, verkocht hij op 10 november 1438 een gedeelte van zijn bezittingen op de Maeswert in Swalmen gelegen en eerder tot de hoeve Nopp behorend, aan Johan van Oeste. Na het overlijden van Johan van Wilre en Berten de Vorde werd hun nalatenschap gedeeld door de erfgenamen Van der Hoeve.
Omdat het echtpaar Van Wylre kennelijk overleed zonder wettige kinderen na te laten, concentreren we ons op de familie Van Kessel. Hoe de vererving na Johan van Kessel verliep, is nog onbekend, zodat de volgende gegevens worden gegeven onder voorbehoud. Het sterfboek van de Munsterabdij in Roermond noemt Mathijs van Kessel en zijn vrouw Hillegundis. Hun zoon Sibert van Kessel en diens echtgenote Bela van Groesbeek hadden vele kinderen, waarvan de zussen Hillegonda (kloosterlinge Munsterabdij), Wilhelma (abdis Munsterabdij), Christina, Bela (kloosterlinge in Keiserbos), Mechtildis (priorin in Burscheid), Margaretha (bijgenaamd van Wambeeck), Catharina en Theodora van Kessel en hun broers Fredericus en Mathijs (gehuwd met Hillegonda N) op het eind van de 15e eeuw genoemd worden in het sterfboek van de abdij.
Theodora van Kessel trouwde met Johan van Dript. Hun kinderen Elisabeth (gehuwd met NN van Egeren), Isabella of Bela (abdis van het Munsterklooster in Roermond) en Johan (gehuwd met Aleidis NN) erfden de boerderij vermoedelijk. Laatstgenoemde had waarschijnlijk twee zonen, Herman en Dirk. Toen zij in 1525 de leeneed voor de boerderij aflegden, werd het leengoed in ieder geval al niet meer tot Beesel gerekend. Vanaf die periode komt het leengoed enkel nog voor in stukken met betrekking tot Swalmen. Mogelijk onderging de gemeentegrens tussen Swalmen en Beesel in de late middeleeuwen een wijziging. Geschillen over de preciese grens waren ook de aanleiding voor de totstandkoming van de kaart van landmeter Mulier in 1662.
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
 
© Loe Giesen, Reuver 1983-2017