| Kasteel Hillenraad - Toponiemen in Swalmen en Asselt |
| A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z |
Ligging Hillenraad werd gebouwd langs de Eppenbeek, die zich een weg zoekt door de laagte van een oude Maasarm. Door de hoge waterstand in de voormalige rivierbedding waren de grachten over het algemeen goed voorzien van water. Enkele beekjes die vanuit het oosten afwaterden in de slotgracht zorgden voor een extra watertoevoer. Ten oosten van het kasteel zien we nog een tweede laagte, waarvan de Veltbeek een klein restant is. Daarmee lag de versterking min of meer op een langgerekte, iets hogere zandwal tussen twee verlande Maasarmen. Het idee om de bescherming van water te zoeken is zeker niet uniek: bij veel zogenaamde moated sites in de omgeving zien we dit principe toegepast.
Om naar de stad Roermond te gaan beschikten de bewoners van het kasteel over een korte verbinding in zuidelijke richting. Deze werd in 1774 aangegeven als wech naer Hillenraedt. Ook op het plan van buurtwegen (1844) wordt de weg aangegeven. De nooit verharde weg liep van kasteel Hillenraad naar Broekhin, waar de situatie door aanleg van de Sint Wirosingel en het bedrijventerrein onherkenbaar veranderd is. In 2006 werd de weg aan het verkeer onttrokken.
De HILLENRAEDERLAAN begint bij de MEESTERSWEG en loopt langs het kasteel, over de Eppenbeek, naar wat eerder een vijfsprong bij een groepje bomen was, waarvan de vijfde 'poot' (de verdwenen Hillenraederweg) in 2006 aan het verkeer werd onttrokken. Vanaf de kruising van wegen loopt de HILLENRAEDERLAAN door tot aan de OUDE BAAN, de oude hoofdweg ten westen van de later aangelegde rijksweg. Het gedeelte tussen OUDE BAAN en het veldkruis wordt door Smabers (1774) aangegeven als wech naer Asselt en Buggenum, terwijl Smabers bij het andere weggedeelte slechts schreef: naer Hillenraedt. Ook het kadastraal minuutplan van 1842 geeft het gedeelte tussen de vijfsprong en de OUDE BAAN aan als weg naar Asselt. De naam: Hillenraad, Hellenraad of toch nog iets anders?
Vroegste geschiedenis In 1339 werd ridder Seger van Swalmen, zoon van wijlen Willem van Broeckhuysen, door graaf Dirk van Loon, heer van Heinsberg en Blankenberg, beleend met enkele landerijen in Swalmen. Vader Willem had al eerder zes bunder aan de graaf in onderpand gegeven in ruil voor een lening en ditmaal had zoon Seger nogmaals acht bunder verpand, gelegen in Hoppenrade. Van een kasteel is in deze akte nog geen sprake. Toch is deze akte belangrijk voor de vroegste geschiedenis van het kasteel, omdat Hoppenrade later samen met het kasteel één leengoed zou vormen.
Hoppenrade is tegenwoordig een stuk land dat grenst aan het huidige kasteel. Omdat het kasteel in de voorgaande akte nog niet wordt genoemd, is het waarschijnlijk dat het slot na 1339 werd gebouwd en dat de familie Van Swalmen nog op het huis Rathem woonde, later ook wel Oudborg of Naborch genoemd.
Theodoricus (Dirk) van Oest stamde van het kasteel Oost, even ten zuiden van Maastricht. Samen met zijn vrouw Felicitas van Uppey (Oupeye bij Luik in België) kocht hij op 18 oktober 1381 (als datum wordt ook 14 oktober 1380 of 8 mei 1381 genoemd - de bronnen zijn niet altijd even eenduidig) het huis Rathem in Swalmen - later aangeduid als Ouborgh of Naborch - met enkele daarbij behorende bezittingen. Dirk werd door de verkoper, Robijn van Swalmen, diens 'neef' genoemd. Hoe deze verwantschap dan wel was, weten we helaas niet. Naast Robijn van Swalmen bezegelden ook Maschareel, heer van Wijnandsrade (verwant aan de Ouppey's), Willem van Eynenburg, ridder, en Goedart Stevenss van Elmpt, Gerart van Tiegelen en Didderich van den Grinde, schepenen van Ruremonde. Dirk was al in 1379 getuige bij het vastleggen van de handhaving van oude rechten van de Swalmenaren. In 1381 verkocht hij bezittingen te Baarlo en in mei 1382 verkocht Dirk, samen met zijn vrouw Felicitas en zijn zwager Adam van Uppey, goederen te Oost en Breust bij Eijsden gelegen. Met deze verkoop nam het echtpaar vermoedelijk afscheid van Zuid-Limburg om zich blijvend in Swalmen te vestigen. De reden van hun vertrek is niet bekend. Uit de akte van 1380 blijkt echter dat Dirk reeds eigenaar was van kasteel Hillenraad vóórdat hij in 1381 ook nog de Naborch kocht. Hillenraad wordt opnieuw vermeld op 7 december 1392, toen Dirk van Oest een verbond sloot met de stad Keulen. Daarin verplichtte hij zich om, indien de stad in oorlog zou komen met aartsbisschop Frederik, de stad met alle middelen te helpen en zijn huis Hellenroide open te stellen ten behoeve van de stad. Uiteindelijk verzoenden de stad en de aartsbisschop zich, waardoor Dirk zijn belofte nooit heeft hoeven inlossen.
De volgende eigenaar was Johan van Oest, voor het eerst genoemd in 1423. Johan was in 1425 tevens eigenaar van goederen te Rijkel onder Beesel en ontving datzelfde jaar ruim tien bunder te Swalmen van de hertog van Gelre. Johan was gehuwd met Wilhelma van Bellinghoven - meestal heel onvrouwelijk Willem genoemd -, dochter van Thomas van Bellinghoven. Daarmee werd Johan tevens eigenaar van bezittingen in de omgeving van Weeze (D). In maart 1427 werd Johan namens zijn vrouw Wilhelma beleend met het kasteel te Millingen. Johan zou volgens sommige bronnen zijn overleden vóór 1440, toen zijn oudste zoon Dirk namens zijn zuster werd beleend met de Naborch, maar in een andere akte uit 1443 droegen Johan van Oest en Willem van Bellickhaven nog samen de te Kessel gelegen tol van Asselt over aan hun zoon Dederick van Oest. Datzelfde jaar verkocht Johan, met toestemming van zijn echtgenote Willem, de eerder genoemde goederen te Rijkel. In 1451 werd Johan van Oest voor de laatste maal beleend met "dat huys en hofstadt tot Hillenrade met grave en cingelgrave met de bouwhoven, en wat daartoe behoort". Het feit dat huis en hofstede afzonderlijk worden genoemd, geeft waarschijnlijk aan dat ligging van kasteel en voorhof toen al was zoals ze nu nog is en dat het complex ook was omgracht. De oudste zoon, Dirk van Oest, zou Hillenraad erven, terwijl zijn jongste broer Maes in 1451 wordt vermeld als heer van huis Caen bij Straelen (D). Zus Felicitas van Oest wordt enkele malen vermeld als vrouwe van Rijckholt en Leuth (B). Zij overleed op 16 mei 1492 en wordt in het necrologium van de Munsterabdij van Roermond herdacht als tante van de kloosterlingen Johanna en Wilhelma van Oest (kinderen van Maes). Dirk van Oest maakte al kort na zijn huwelijk schulden, waarvoor hij enkele van zijn bezittingen verpandde. Tevens maakten zijn lijfeigenen zich meer en meer los van zijn laathof en zo moest hij diverse processen voeren over laatgoederen die tot Hillenraad behoorden. Arnold kwam pas in 1471 na ingrijpen van keizer Karel de Stoute weer vrij en in 1472 beval hertog Arnold zijn raad Dirk van Oest diens huis Hillenraad als leen- en open huis voor hem open te stellen ter bescherming van zijn gehoorzame onderdanen. Waarschijnlijk als tegenprestatie verklaarde de hertog later dat jaar in een oorkonde over bierbrouwrechten dat Dirk van Oest en zijn Swalmer onderdanen hun oude rechten zouden behouden. Bovendien gaf de hertog toestemming om gemeentegrond te verkopen aan de kartuizers om de opbrengst te gebruiken tot herstel van de kerk te Swalmen, die arm was en nodig moest worden gerepareerd. Nadat hertog Arnold in februari 1473 was overleden, werd Dirk van Oest op 26 augustus 1473 door Karel de Stoute opnieuw beleend met het recht op het Elmpterwoud, Hillenraede, de kamp genaamd Hoppenraet en de heerlijkheid Swalmen. Op 30 juni 1479 riep maarschalk Adolf, graaf van Nassau, Derick van Oest op om bij de kerk van het dorp Swalmen binnen 14 dagen stallingen voor zijn dienaars en personeel tot maximaal 100 paarden op te richten. Dirk had tenminste vijf kinderen. Johan van Oest was pastoor van Swalmen en Asselt, zo weten we uit een helaas niet gedateerde brief die hij aan zijn vader schreef. In deze brief noemt Johan ook zijn broer Willem, waarvan hij sinds diens vertrek naar Rome niets meer had vernomen. Van beide zonen is dit de enige vermelding. Verder waren er de dochters Isabella en Alverade. Vanaf 1485 zien we tevens hun halfbroer Dirk, een bastaardzoon verwekt bij een onbekende moeder. Deze Dirk was in 1489 plaatsvervanger van zijn zwager Arnold Schenck en daarmee kennelijk een gerespecteerd familielid. Mogelijk was Johan van Oest, in 1489 genoemd als neef van Johan Schenck van Nijdeggen, heer van Afferden, een zoon van deze Dirk. Dirk van Oest x Felicitas van Uppey Conrardus
Johan
x NN
Arnold Schenck en Isabella van Oest hadden tenminste zes kinderen. Johan Schenck, oudste zoon, heer te Ophemert en drost te Middelaar, was eerst gehuwd met Isabelle Pieck van Isendoorn en in tweede huwelijk met Johanna van Werdenburg. Zoon Christoffel zou Hillenraad erven. Verder kennen we de zussen Aleid (gehuwd met Herman van Wachtendonck, drost van Kranenburg), Anna en Ermgard plus een broer Dirk. Isabella van Oest overleed op 15 april 1502 en werd begraven te Sint Agatha, ten zuidoosten van Cuijk; Arnt Schenck overleed op 5 juli 1526 en werd naast zijn vrouw begraven. Christoffel Schenck, heer van Hellenroide, trouwde in 1528 met Anna van Vlodrop, oudste dochter van Gerard van Vlodrop, erfvoogd van Roermond, en Elisabeth van Stammel. Als huwelijksgift schonk Christoffel "synn huyss hoff hoicheit unnd heirlicheide zo Hellenroide unnd Swalmen", alsmede de hof Westerhout te Druten en een windmolen te Puiflijk. Christoffel Schenck sneuvelde in 1543 bij een belegering van de stad Düren (D). Na zijn dood namen zijn weduwe en hun zoon Arnold Schenck het beheer van het kasteel op zich. Als een van de zogenaamde woudgraven behartigden zij tevens hun belangen in het tegenwoordige Grenzwald, waar de Swalmenaren van oudsher rechten (en dus ook conflicten) hadden met die van Brüggen en Elmpt. In 1552 kocht Anna van Vlodrop van de broers Arnold en Otto van Wachtendonck (zonen van Herman van Wachtendonck en Aleid Schenck) hun erfdeel van de Nyenhoeff en de daarbij horende oliemolen te Swalmen, zoals de verkopers dit hadden geërfd van Felicitas van Oest en haar man Evert van Brempt, drost te Straelen. Rond 1560 deed Anna van Vlodrop nog een poging om te worden beleend met de erfvoogdij van Roermond; ze overleed op 6 oktober 1572. Arnt Schenck huwde in januari 1556 Maria Huyn van Amstenrade, dochter van Arnt Huyn van Geleen en Hendrika van Maschereel. Arnt werd nog diezelfde zomer beleend met Hillenraad. Het echtpaar had drie kinderen: Christoffel, Gerard en Gertrudis. Gerard werd kanunnik te Luik, terwijl zijn zus kanunnikes werd in Munsterbilzen, waar ze in 1623 overleed. Zoon Christoffel Schenck trouwde in 1590 in Horn met Aleid van der Lippe, dochter van Caspar van der Lippe, heer van Blijenbeek, Afferden, Grubbenvorst en Betgenhausen en pandheer van het graafschap Horn, en van Gertrudis van den Bylandt. Via dit huwelijk werden de Schenck van Nydeggens tevens heer van Bleijenbeek, Afferden en Grubbenvorst. Met toestemming van zijn moeder Maria van Amstenrade en zijn broer Gerard bracht Christoffel in het huwelijk "dass haus Hillenradt mit seiner herlichkeit sampt der pandtschafft von Assell und Schwalmen". In ruil voor een lijfrente en de belofte dat zijn familie hem aan een geestelijke titel zou helpen, zag Gerard af van zijn rechten op het kasteel en de heerlijkheid. Gerard overleed nà 1614, toen hij als kanunnik te Luik werd beleend met de Horner- en Varkensgriend. Christoffel Schenck en zijn vrouw maakten in juli 1621 op kasteel Hillenraad hun testament op. Christoffel overleed in 1624, zijn weduwe na 1632. Van Aleid is bekend dat zij zich als vrouwe van Swalmen een keer persoonlijk ontfermde over een verwaarloosd kind. Op 16 april 1625 ontving Aleid nog officieel het vruchtgebruik van de nagelaten goederen. Een dag later vernieuwde haar zoon Arnold Diederick Schenck van Nijdeggen de leeneed van Hillenraede.
Arnold Diedrick Schenck de Nijdeggen en Maria d'Oijenbrugge de Duras, heer en vrouwe te Hillenrade, maakten in augustus 1651 hun testament. Zoon Christoffel kreeg daarbij Hillenraad met toebehoren, de hof Boequesdries met vee, de hof genaamd Nieuwenhof, de hof genaamd de Noenhof (sic), de visserij te Asselt, de graanmolen met 'canal' liggend te Swalmen, het recht om een slijpmolen en pulvermolen te hebben, en het Cranendoncks leengoed de tol te Asselt. Arnold Dirk Schenck overleed in 1653 en werd opgevolgd door zijn nog jonge zoon Christoffel. Christoffel Schenck van Nydeggen trad meteen daadkrachtig op: in 1653 kocht hij delen van de Naborch en de Nieuwenhof te Swalmen terug van de erfgenamen Van Wisschel. In 1654 kocht Christoffel Schenck enkele vrijheden terug die zijn voorgangers in 1314 hadden verpand aan de graaf van Gelre. Uiteraard beloofde hij dat hij de oude rechten en privilegiën van zijn onderdanen zou eerbiedigen. Ook eigenaren van enkele grote boerderijen zoals de Baxhof en de Wielerhof probeerde hij op hun gemak te stellen. Maar Christoffel had nog grotere plannen en nam in mei 1654 een grote som geld op en in januari 1655 kocht hij van koning Philips IV ook de hogere, middelste en lagere rechtspraak van de dorpen Swalmen en Asselt voor 18.600 Vlaamse ponden à 40 groten. Zijn aanzien zal ongetwijfeld nog verder zijn toegenomen toen zijn zus in 1655 op het kasteel trouwde met Jan Willem van Cortenbach, zoon van de erfvoogd van Roermond. Het bleven echter roerige tijden, ook na het einde van de Tachtigjarige Oorlog. In de zomer van 1658 kreeg Christoffel Schenck van Nijdeggen, heer van Swalmen, van de stadhouder en raden van het Hof van Gelder het bevel de landweren te herstellen en de slagbomen te repareren en te sluiten. Deze landweren bestonden uit langgerekte houtwallen met aan weerszijden greppels; ze waren bedoeld om ongenode gasten buiten de heerlijkheden Swalmen en Asselt te houden. Een restant van zo'n landweer, de zogenaamde Wolfsgraaf, vinden we in het bosgebied rond Groenewoud. Christoffel had grote ambities. In 1659 had Hillenraad zelfs een eigen kapelaan, Franciscus Fabri. In september 1660 kocht Christoffel het Alde Huijs genaamd Rathem, zoals Gerard Bordels deze ruïne in 1653 had aangekocht van de erfgenamen Van Wisschel. Het geld voor de aankoop was gedeeltelijk afkomstig van de Oesterse tol, die hiervoor werd verpand. De heffing van deze tol zou nog jaren voor problemen zorgen.
Hillenraad onderging in deze jaren een flinke gedaanteverandering. Christoffel liet namelijk de ronde toren aan de zuidzijde slopen. Die sloop gebeurde mogelijk in 1665, toen Antonius Nelissen overleed bij een verbouwing van het kasteel. In 1667 kreeg Christoffel Schenck van Nijdeggen van de stad Roermond toestemming om in Asselt kalk te lossen mits deze zou worden aangewend "totte reparatien van sijn adelijck geseess". Toen enkele Swalmenaren het in 1668 hadden over 'den ronden thoorn des huis Hillenraet, den welcken alsnu affgebroken ende den nieuwen sael op de plaetse getimmert is', was de verbouwing waarschijnlijk nog niet lang afgerond. De grote zaal is nog steeds de grootste ruimte van het kasteel en biedt met gemak plaats aan vele tientallen gasten. Op de vloer ligt een uniek parket dat zo is gelegd dat kan worden gedanst volgens de patronen die zichtbaar zijn onder de voeten. 'Saturday Night Fever' à la 17e eeuw... Met de nieuwe aanbouw aan de achterkant van het huis was het karwei echter nog niet af. Ook de voorgevel kreeg een complete facelift, waarbij de oude en waarschijnlijk kleine ramen werden vervangen door grote vensters om het licht binnen te laten. Als kroon op het werk liet het echtpaar een alliantiewapen plaatsen: de leeuw van Schenck van Nydeggen en de balken van d'Oyenbrugge. Met de verbouwing kreeg Hillenraad op het eerste oog een symmetrisch aanzien, maar bij nadere beschouwing blijken de ingangspartij plus het fronton erboven toch niet helemaal in het midden te staan. Desondanks zal de nieuwe gevel met de imposante trappen veel indruk hebben gemaakt op de 17e-eeuwse bezoekers.
Om opnieuw geld vrij te maken, verkocht Christoffel Schenck in november 1669 zijn visserij te Asselt. In januari 1671 verpandde hij samen met zijn broer Caspar het huis Brempt, de Aanwas en de Asselterhof. Met de opbrengst werden militaire aanslagen (executies) betaald. In juni 1671 verpandden Christoffel en zijn vrouw de hoeve Boekweitsdries. Zijn broer Caspar ontving mogelijk tijdelijk de inkomsten van de Asselerhof, die in mei 1672 door hem werd verpacht. Eveneens in mei 1672 kocht Christoffel van jonker Hans Willem van Baexen hoeve de Baxhof, die hij meteen aan zijn broer Caspar in gebruik gaf. De verkoper stelde als voorwaarde dat de Baexhoeve te allen tijde verbonden zou blijven aan
het huis Hillenraedt en de bezitters daarvan, en hiervan nooit mocht worden
afgescheiden. In datzelfde jaar 1672 liet Christoffel Schenck de Syperhof bouwen. Christoffel baron Schenck van Nydeggen kan met recht de meest ambitieuze bewoner van kasteel Hillenraad worden genoemd. Toen hij in maart 1680 op het kasteel overleed, liet hij bezittingen na ter waarde van het astronomische bedrag van meer dan 80.000 pattacons. De meeste bezittingen waren allodiaal, alleen het huis Hillenraedt met zijn grachten, het land gelegen in het Hoppenray en de Alde Borgh met zijn hof genaamd Noenhoff waren leenroerig aan de hertog. Op 24 maart 1680 werd hij in Swalmen begraven.
Christoffel Schenck liet vier kinderen na: Arnoldus de Schenck, die hem opvolgde als heer van Hillenraad, Henrick de Schenck, Godefrid en Angelina de Schenck, die onder voogdij kwamen te staan van hun oom Caspar Schenck, commendeur te Siersdorf. Mogelijk werd onder zijn bewind het Jagershuys gebouwd, dat in 1688 werd verpand samen met de kasteelhoeve. Christoffel Schenck werd, zoals al gezegd, opgevolgd door zijn zoon Arnold Schenck van Nydeggen, gedoopt op 31 augustus 1662. Deze nam in oktober 1680 een aanwas bij het Buggenumer veer in de Maas in bezit, waarbij hij zich beriep op een oude akte uit 1275. Intussen moest er nog vanalles geregeld worden omtrent de aanzienlijke erfenis. Deze bestond uit o.a. "het schoon steenen nieuw huys" genaamd Boeckes Dries, de korenmolen, een oliemolen alsmede een schorf- of looimolen, de Nuijnhoff, door Christoffel Schenck aangekocht voor 8.000 pattacons, de hof te Asselt, getaxeerd op 42.000 pattacons, een erf genaamd Hawinckels Broeck en het Hoppen Campken. Bij zijn oom Caspar leerde de nog jonge Arnold Schenck diens liefje kennen, Maria Emerentiana Dausque. Arnold wist echter niets van de affaire tussen haar en zijn oom en liet zich wijsmaken dat zij de weduwe was van een graaf de Bruay. Van het een kwam het ander en zo stapten zij op 30 maart 1682 in het huwelijksbootje. Acht maanden later echter ontdekte Arnold het hele complot. Zijn vrouw was in Frankrijk al eerder de minnares geweest van de prins van Condé en daarna van Charles Hypolyte de Spinola, graaf van Bruay, met wie zij twee kinderen had. Na de dood van de graaf was zij diens titel gaan voeren, waartegen een van haar zonen echter had geprotesteerd. Deze liet haar vervolgen, waarop ze gevangen werd genomen en door de Raad van Mechelen was veroordeeld. Ze wist echter te ontsnappen en vluchtte naar het graafschap Gulik, waar ze bij Caspar Schenck van Nydeggen haar oude levensstijl weer opnam. Hoewel Arnold Schenck in naam al Heer van Swalmen en Asselt was, waren zijn belangen intussen nog steeds behartigd door zijn voogd, oom Caspar. Deze stelde in september 1682 een gerechtsbode aan en kocht in februari 1683 de Rodebosche tiende, een Horns leengoed eerder behorend tot de Baxhof. De dagelijkse gang van zaken op het kasteel werden intussen geregeld door knecht Andries Mooren en zijn vrouw. Het echtpaar had al vanaf hun huwelijk in 1655 een goede band met de kasteeleigenaren, zoals blijkt uit de aanwezigheid van Maria de Duras, vrouwe van Hillenraed (1656) en haar schoondochter Anna Philippina de Oijenbroeck, eveneens vrouwe van Hillenraed (1662) als doopgetuigen. Ook Caspar Schenck trad in 1671 op als peter. Knecht Andries kreeg het op een goede dag aan de stok met Jan van Elmpt (vermoedelijk alias Suijlen) die vlees kwam leveren aan "die van den adelijcken huyse Hillenraed". Mooren had het vlees besteld en zei tegen de leverancier dat deze het zelf boven aan de hoofdingang moest gaan afleveren, waar men hem ook zou betalen. Jan wilde echter vooraf geld zien. Het kwam tot een woordenwisseling tussen beiden en er vielen enkele rake klappen. In de aanklacht stelde de schout dat het algemeen gebruikelijk was dat betaling pas plaats had nà levering: "men geeft de hoeren het gelt van te vooren". Op 15 april 1684 werd Arnold Schenck beleend met de heerlijkheid Swalmen en Asselt en met het Alde Huys te Swalmen en de Nieuwenhoff. Arnold had echter andere dingen aan zijn hoofd dan het besturen van een dorp en het beheren van adellijke goederen. Terwijl het proces tegen zijn vrouw nog volop speelde, maakte hij zijn testament op. Hij wilde namelijk in militaire dienst. De Turken waren in 1683 bijna opgerukt tot Wenen en keizer Leopold I kon goed versterking gebruiken. Daarom was Arnold bereid "om des noodigh lijff ende leven tegen den arfvijand van het Christendom te consacreren". Het waren ook rond Swalmen nog steeds roerige tijden. In mei 1684 nam de gemeente geld op van het klooster Maria Weide te Venlo om hiermee brandschatting door Franse troepen af te kopen. En waren het niet de soldaten die de streek onveilig maakten, dan waren het wel de wolven: in de zomer van 1685 werd bij een wolvenjacht een van de jagers levensgevaarlijk gewond door een geweerschot. Arnold had zijn militaire loopbaan intussen alweer beëindigd en was eind 1684 naar Rome gereisd. Zijn vrouw had het vonnis van de Gulikse rechtbank aangevochten en was in Rome in hoger beroep gegaan. Uiteindelijk werd het vonnis echter nogmaals bevestigd en Arnold was weer vrij man. We horen echter enkele jaren niets meer van hem. Het zal duidelijk zijn dat zijn relatie met zijn oom Caspar een flinke deuk zal hebben opgelopen. Deze bestierde intussen de Swalmer bezittingen. In juni 1686 liet voogd Caspar een nieuw altaar bouwen voor de kerk van Swalmen en in augustus 1686 benoemde hij Jan Martens tot kapitein van de heerlijkheid Swalmen en Asselt. De commandeur van Siersdorf droeg in 1688 enkele kapitalen over aan zijn neef Arnold baron de Schenck, die in 1689 weer voor het eerst doopgetuige was in Swalmen. Enkele maanden later werd hij bij testament van zijn broer Godefroid diens enige erfgenaam, dit "tot conservatie van sijnen stam ende familie". De ouderlijke bezittingen die vader Christoffel met zoveel moeite weer bijeen had gebracht, mochten immers niet versnipperd raken. Intussen zien we dat Arnold goede banden probeerde te onderhouden met zijn pachters. Zo werd hij in de zomer van 1691 peetoom van een van de kinderen van de Baxhof. Diezelfde maand nam hij nog drie aanwassen in de Maas in bezit, zich opnieuw beroepend op de oude rechten die in 1275 in handen waren van Rutger van Asselt. Arnold baron Schenck van Nydeggen trouwde in december 1694 op Schloß Haag (D) met Maria Catharina markiezin van en tot Hoensbroek. In het jaar daarop werd op kasteel Bleijenbeek hun enig kind geboren, Christoffel Arnold Adriaan Schenck van Nijdeggen, gedoopt 6 juni 1696. Het bleef voor Arnold Schenck van Nydeggen niet enkel bij financiële tegenslagen. Op 28 september 1703 schoot de achtjarige Christoffel zich tijdens het spelen met een geladen geweer zelf dood. Ook zijn ouders werden natuurlijk zwaar getroffen en hun verdriet om het verlies van hun enige zoon zal onbeschrijflijk zijn geweest. Het echtpaar zou verder kinderloos blijven. Het leven ging echter verder. Arnold Schenck kreeg in juli 1705 toestemmming om zijn koren- en looimolen, in leen gehouden van de erfvoogdij van Roermond, te belasten. In september bepaalde de markgraaf dat de opbrengst van de hoofd- en beestenschat zou worden besteed "tot het maecken van den geprojecteerden orgel der kercke van Swalmen". Op 3 november 1705 stelde rentmeester Arnold Furen zijn hof genaamd de Nieuwen Hoff op de Bouckoul gelegen als borg voor de tolrechten. In de loop van 1708 - de exacte datum is vreemd genoeg niet ingevuld - maakte Arnold Schenck op zijn riddermatig huis Blijenbeek zijn testament op, nadat hij hiervoor toestemming had gekregen van allerlei leenkamers waaraan zijn bezittingen leenroerig waren. Zijn nalatenschap zou allereerst naar zijn vrouw Maria Catharina markgravin van en tot Hoensbroek gaan, hoewel Arnold wel nog even aangaf dat hij nog stilletjes hoopte op kinderen. Na het overlijden van zijn vrouw zouden de goederen vererven op de kinderen van zijn zwager, Willem Adriaan markgraaf van en tot Hoensbroek, te beginnen met diens oudste zoon. Onder goederen die de testateur noemt, zien we o.a. "t'huys Hillenraedt, heerlijckheyt Asselt ende Swaelmen, mit alle de goederen
daeraen clevende ende bouhoeven daerinne gelegen, t'huys Aldeborgh mit den hoff,
Swaelmer meulens", "tot dien den Oostersten Thool, den Asselschen ende Siepenhoff, den Asselschen
Thool, de Boucouler thiende, de visserije tot Asselt, de Lingen, de Bouxweert,
den Aenwas, de Wielerthiende". Op 10 maart 1710 werd Maria Catharina markiezin Schenck van Nydeggen, geboren markiezin van
Hoensbroeck, beleend met de heerlijkheid Swalmen en Asselt. Tien dagen later werd de leeneed afgelegd wegens kasteel Hillenraad en op 22 maart verhief Ernest Hendrick Bammelroy als hulder namens de markiezin tevens het Alde Huys te Swalmen genaamd Rathem. Johan Albert van der Boye, baron van Neerijssche en erfvoogd van Roermond, beleende haar twee dagen later met de watermolen te Swalmen. De douairiere ging voortvarend te werk en lostte op een gedeelte van de hypotheek af die was gevestigd op de Asselterhof en de tol. Het testament van Arnold Schenck werd pas op 7 maart 1711 geopend en riep vele vragen op. Hoe helder van geest was de testateur geweest toen hij de akte opstelde? Hoe was het mogelijk dat de brief zo slecht verzegeld was dat deze kon worden geopend zonder de zegels te verbreken en waarom ontbrak een exaxte datum? Door zijn vrouw en haar familie te benoemen tot erfgenamen, had hij zijn eigen bloedlijn gepasseerd, hetgeen niet in goede aarde viel bij de families De Villers en Bouwens van der Boye de Neerijssche. Al korte tijd later ontstonden dan ook de eerste processen over zijn nalatenschap; hoewel het tussen 1711 en 1732 rustig bleef, zouden deze uiteindelijk tientallen jaren duren en meters oude akten opleveren.
Willem Adriaan van Hoensbroeck werd op 5 mei 1733 beleend met de heerlijkheid Swalmen en Asselt, het huis Hillenraad en het Alde Huys te Swalmen genaamd Rathem met de Nieuwenhof. Zijn zus behield echter het vruchtgebruik en verpandde op 13 januari 1734 opnieuw de hoeve Boekweitsdries. De baronnen De Villers hadden intussen echter ook niet stilgezeten. Op 15 januari 1734 liet Eustachius Felix baron Van Villers, vicomte van Judoigne, zich mede namens zijn broer Arnold Caspar baron Van Villers belenen met de heerlijkheid Swalmen en Asselt, Hillenraad, Naborch en Nieuwenhof. Maar op het kasteel van Swalmen wist men nog van niets...
Zo werd de overleden Willem Adriaan opgevolgd zijn zoon Frans Arnold Adriaan van en tot Hoensbroeck. Frans Arnold, in 1696 geboren op Schloß Haag, had na zijn studie in Aken enkele reizen gemaakt naar Bonn, Koblenz, Trier, Nijmegen, Utrecht, Amsterdam en Parijs, waar hij o.a. Versailles bezocht. In 1718 werd hij benoemd als raadslid aan het Hof van Gelre in Roermond, nadat zijn vader vrijwillig afstand had gedaan van deze functie. Frans Arnold liet zich in september 1735 belenen met de heerlijkheid Swalmen en Asselt alsmede het erfmaarschalk-ambt van Gelre. Op 5 september 1736 overleed ook zijn tante, Maria Catharina van Hoensbroeck. Nu de weduwe Schenck eveneens gestorven was, kwamen de baronnen De Villers en De Neerijssche opnieuw in actie. De onderhandelingen werden gevoerd door baron Eustachius Felix de Villers, die mede optrad namens vrouw en kinderen van zijn inmiddels overleden broer Arnold Caspar en namens de erfgenamen van Jan Albert van der Boye. Beide partijen waren van plan om er zonder dure advokaten samen uit te komen, maar dat zou niet lukken... Op 2 maart 1737 namen de baronnen De Villers bezit van de Baxhof, in 1672 door Christoffel Schenck aangekocht van Hans Willem van Baexen met de - opmerkelijke - voorwaarde dat deze nooit van Hillenraad zou worden afgescheiden. Verder maakten de baronnen aanspraken op goederen in Asselt en Brempt. Diezelfde maand ontmoetten Frans Arnold en zijn opponenten elkaar voor het Roermondse gerecht. Het ging hard tegen hard. Ook hoeve Boekweitsdries en een van de watermolens werden inzet van het proces, pachters werden van beide zijden geïntimideerd.
Intussen had het gezin Van Hoensbroeck zijn intrek genomen op kasteel Hillenraad, waar in 1740 een vijftiende kind werd gedoopt. Vader Frans Arnold was de zomer ervoor naar Wenen gereisd, waar hij was benoemd tot keizerlijk kamerheer. Met de geboorte van dit zoveelste kind in het vooruitzicht vonden de ouders het toch wel tijd om een testament op te maken. Bij hun plotseling overlijden zou de vererving immers grote problemen kunnen opleveren met zoveel erfgenamen. Als universeel erfgenaam wezen zij hun oudste zoon aan: Lotharius. Hij zou na het overlijden van zijn ouders aan ieder van zijn broers 300 pattacons moeten betalen; zijn zussen moesten genoegen met een eenmalig bedrag van 2.000 pattacons. Frans Arnold Adriaan werd op 20 juli 1742 beleend met de Oesterse tol op de Maas bij Asselt. Intussen bood Hillenraad ook nog steeds plaats aan zijn broers en zussen, ook al werd het ook weer iets minder druk. Op 22 maart 1744 trouwde Catharina Elisabetha van Hoensbroeck, kanunnikes te Thorn, met Franciscus Wilhelmus Antonius graaf van Nesselrode a Reichenstein. Ruim drie jaar later, op 15 oktober 1747, trouwde zus Maria Theresia met Joannes Hugo Franciscus graaf van Metternich.
Op 23 november 1749 werd Lotharius Frans Hyacint Victor markies van en tot Hoensbroeck door keizerin Maria Theresia beleend met het Oude Huys te Swalmen genaamd Rathem, in de volksmond Aldenburg genaamd, en met de Nieuwenhof. Twee jaar later liet hij ten behoeve van het riddermarig goed Iverheim een kwartierstaat maken waarop we zijn afstamming in bonte kleuren zien weergegeven.
Het kasteel kende intussen ook droeve momenten: op 19 april 1755 werd Erwinus van Hoensbroeck in Swalmen begraven. Zijn vader overleefde hem slechts enkele jaren: Frans Arnold markies van en Hoensbroeck werd op 23 augustus 1759 bijgezet in de kerk van Swalmen. Opnieuw was het onrustig in de omgeving: tussen 1756 en 1763 werd de Zevenjarige Oorlog uitgevochten tussen Engeland en Pruisen enerzijds en Rusland, Frankrijk en Oostenrijk anderzijds. Hoewel Frankrijk een bondgenoot was van keizerin Maria Theresia van Oostenrijk, werden de inwoners van Swalmen geregeld lastig gevallen door vooral Franse soldaten.
Op 3 januari 1762 verliet opnieuw een van zijn zussen het oudelijk huis: Isabella van Hoensbroeck trouwde op die dag met Adamus Alexander graaf van Schellaerdt en verhuisde naar Ter Borch in Schinnen. Mogelijk had haar broer Frans Arnold niet voldoende geld om haar de bruidschat mee te geven: op 2 juli 1762 leende hij een bedrag van 6.000 gulden Kleefs met als onderpand alle allodiale goederen onder de heerlijkheid Swalmen en Asselt gelegen. Waarschijnlijker is, dat hij het geld nodig had voor zijn eigen bruiloft. Op 4 augustus 1762 trouwde hij In Koblenz (D) met Sophia Charlotte von der Leyen und Hohengerolzeck. Het gezin nam zijn intrek op kasteel Hoensbroek, waar in 1764 en 1766 twee kinderen werden geboren.
In oktober 1766 overleed Joannes Gereght uit Born bij werkzaamheden aan Hillenraad ('tegularius qui tecto in Hillenrath dilapsus subito obiit'). Dit ongeval komt vrijwel overeen met het jaartal 1767 dat is verwerkt in een chronogram met de tekst DoMIne hInC fVLgVra qVaeso repeLLas, oftewel Heer, ik bid U, weer de bliksem af van hier. Tellen we de cijfers in deze tekst bij elkaar (MDCLLLVVVII = 1000+500+100+50+50+50+5+5+5+1+1) dan komen we uit op het jaartal 1767. De spreuk wordt geflankeerd door Vulcanus en Neptunus, de goden van vuur en water. Met deze verbouwing, waarbij opnieuw vier hoektorens werden toegevoegd, kreeg Hillenraad in grote lijnen zijn huidige uiterlijk.
In navolging van zijn broer Lotharius liet Damianus in 1779 in de huidige Hillenrader Bossen een stuk heide ontginnen. Deze ontginning kreeg al vrij snel de naam Damianuskamp of Bisschopskamp. De ontginning was niet onomstreden. Op een vergadering van geërfden en regeerders van Swalmen en Asselt werd o.a. gesproken over "het nederwerpen der wallen en graven opgeworpen door sijne excellentie den heer marquis van Hoensbroeck, bisschop tot Ruremonde".
Philippus Damianus maarschalk van en tot Hoensbroeck overleed op 17 april 1793 in Roermond. Hij werd twee dagen later begraven in het koor van de Sint Martinuskerk te Blerick.
Hillenraad had inmiddels weer bewogen jaren achter de rug. In de zomer van 1776 kreeg Swalmen te maken met een ernstige veeziekte. Van de 1037 koeien, runderen en kalveren overleefden slechts 253 dieren de ziekte. In de 80er jaren stonden de Oostenrijkse Nederlanden, waartoe ook Swalmen behoorde, steeds vaker onder druk van Franse troepen. Op 3 maart 1793 kwam het in Swalmen tot een botsing tussen troepen van de Franse keizer en soldaten van de koning van Pruisen. Of Lotharius op dat moment in Swalmen was, is niet bekend. In juni 1793 was hij samen met zijn broer Joseph in Roermond, toen Frans Ziegenhorn werd aangesteld "tot jager en boschwaghter van onse goederen, jacht en bosschen gehoerende aen
den casteel van Hillenraeth". De komst van de Fransen zou echter alles veranderen...
Een litho van Ambroise M. Jobard naar een origineel van Alexander Francois van Aefferden, getiteld Vue du chateau d'Hillenraede près de Ruremonde toont het kasteel in al zijn pracht gezien vanaf het zuiden. We zien duidelijk dat de kappen op de torens nog een andere vorm hebben dan pakweg een eeuw later (vergelijk hiervoor de eerder foto uit 1897 met bijna hetzelfde standpunt). De onder Christoffel Schenck gebouwde danszaal figureert prominent op de afbeelding. Links zien we de massieve voorhof met toegangspoort. Het dak van de noordvleugel van de voorburcht is iets hoger dan bij de westelijke vleugel en van de tegenwoordige slotkapel zien we geen spoor. Op de gracht zien we twee bootjes met mensen. Zou de man rechts aangeven hoe groot de snoek was die hij hier gevangen heeft? Rechts op de achtergrond zien we nog de oranjerie. De tekenaar heeft kennelijk niet geprobeerd om het alliantiewapen boven de deur van het theehuis weer te geven. Clemens Wenceslaus Johan Baptist van en tot Hoensbroeck volgde zijn vader op als heer van Hillenraad. Hij werd op 6 mei 1776 geboren op Schloß Haag en trouwde, na een studie in Duisburg, in 1801 met Alexandrina Maximiliana barones van Loë tot Wissen. Zij schonk hem twee kinderen: Frans Egon (1805) en een dochter. In 1809 hertrouwde Clemens met Eugenia Ludovica rijksgravin van Schaesberg. Ook uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren: zoon Karel Clemens Hubert (1810) en een dochter. Karel Clemens Hubert rijksgraaf von und zu Hoensbroeck (geb. 30 september 1810), zoon uit Clemens' tweede huwelijk, vinden we vanaf 1846 eveneens bij de Roermondse notarissen. Zijn halfbroer Frans Egon was inmiddels op 5 april 1840 getrouwd met Mathilde Francisca barones van Loë tot Wissen. Hij erfde de goederen in Hoensbroek, Blijenbeek, Afferden, Haag bij Geldern en Burchfeld. Uit het huwelijk van Karel Huibert en Sophia von Brenken waren twee zonen geboren, waarvan de jongste op 17-jarige leeftijd overleed. De oudste, Franz Eugen rijksgraaf von und zu Hoensbroeck (geb. 13 mei 1851), erfde Hillenraad, Türnich, Schackum en Welterode (Kreis Siegburg). Graaf Eugen of Eugène - zoals we hem meestal in de notariële archieven aantreffen - trouwde op 7 mei 1878 met Hermengilde gravin Wolff Metternich. Vanaf dat moment zien we hem ook in de notariële archieven, niet alleen wonend te Frechen maar ook te Kellenberch (D). Ook in het archief van Schloß Kellenberch bevinden zich nog oude akten die betrekking hebben op Swalmen. Eugen liet, net als zijn vader, de meeste zaken over aan zijn rentmeester Frans Burghoff, sinds 1872 zelf eigenaar van Zuijdewijck Spick te Swalmen-Boukoul. Karel Clemens Hubert rijksgraaf von und zu Hoensbroeck overleed te Türnich op 28 september 1878 zonder kleinkinderen. Dit zou ook zo blijven: het huwelijk van zijn zoon Franz Eugen zou kinderloos blijven. Hermengilde gravin Wolff Metternich (geb. 1858) overleed al in 1886 op een veel te jonge leeftijd. In 1883 verscheen het boek 'Wandelingen door Limburg' door de predikant J. Craandijk. Hij beschrijft zijn bezoek aan Hillenraad als volgt:
Craandijk liet voor zijn boek litho's maken door P.A. Schipperus, waardoor we naast de tekst ook nog een fraaie afbeelding hebben. Zoals Craandijk al opmerkte, zien we hierop nog verschillende kappen op de torens aan de voorzijde.
Al vóór haar dood in 1886 had Hermengilde Wolff Metternich het kasteel cadeau gedaan aan haar neef Herman Jozef bij diens huwelijk. Maar pas op 26 augustus 1909 droeg Frans Eugen rijksgraaf Von und zu Hoensbroeck het kasteel met graanmolen, lusttuin en verdere toebehoren ter waarde van fl. 750.000 over aan Herman Jozef graaf Wolff Metternich en zijn vrouw Amélie rijksgravin von Schall Riaucour. Zij introduceerden de blauw-witte luiken en poorten die menig Swalmens gebouw sieren als symbool van de verbondenheid met Hillenraad en de familie Wolff Metternich. Frans Eugenius overleed in 1934.
Graaf Wolff Metternich liet vooral de bijgebouwen tussen 1909 en 1922 ingrijpend verbouwen. Tweedehands bouwmaterialen afkomstig van de sloop werden in november 1912 te koop aangeboden en nog diezelfde maand werden metselaars en bouwlieden aangetrokken. In december 1913 werden opnieuw deuren, vensters en een poort verkocht. Op 10 augustus 1914 verklaarde koningin Wilhelmina de zuidelijke Nederlanden in staat van oorlog. Gedurende de oorlog was de graaf, luitenant in een kurassiersregiment, veel afwezig. In november en december 1918, na het einde van de Eerste Wereldoorlog, bood Hillenraad korte tijd onderdak aan de Duitse ex-kroonprins. Over de rol van de graaf werd in de pers openlijk getwijfeld, waarbij Henri Hermans het opnam voor de graaf. Op 7 november 1919 bracht prins Hendrik een bezoek aan het kasteel.
De vrijstaande toegangspoort werd opgenomen in de nieuwe vleugel. Gedurende de verbouwingen werden de tuinen geregeld gebruikt voor feesten, terwijl de grachten 's winters werden gebruikt als ijsbaan, waarvoor zelfs geregeld werd geadverteerd in de kranten. Aan beide zijden van de oprijlaan werden twaalf lindes gepoot, die door de gravin de Twaalf Apostelen worden genoemd.
Tenslotte kreeg het fronton boven de poort het alliantiewapen Wolff Metternich - Von Schall Riaucour met daaronder op een banderol het jaartal 1922: het jaar waarin de restauratiewerkzaamheden werden voltooid. Onderstaande luchtfoto laat zien hoe het slot en zijn directe omgeving er kort na voltooiing van de restauratie uitzagen. De landerijen van Hillenraad omvatten tegenwoordig ongeveer 175 hectare, waarvan het kasteel met de tuinen en bossen slechts een klein gedeelte uitmaakt.
|
| De tuinen en hoveniers van Hillenraad |
Achter deze formele tuin lag in 1774 een sterrenbos, opnieuw strak van opzet. De noordelijke helft van de grote omgrachting waarbinnen Franse tuin en sterrenbos zich bevinden, is door Smabers niet verder ingetekend. Mogelijk lag hier eenvoudigweg niets wat de moeite waard was om in te tekenen.
In de 19e eeuw was het terrein voor een groot deel in gebruik als kwekerij die tot in de verre omstreken bekendheid genoot. Dankzij de registers van doop, huwelijk en begraven van de St.-Lambertusparochie kunnen we ook iets achterhalen over degenen die deze tuinen hebben aangelegd en onderhouden. Naar verwachting bevatten ook de rentmeestersrekeningen van Hillenraad, die zich bevinden in Schloß Haag, nog gegevens, maar deze werden pas gedeeltelijk geraadpleegd. De eerste tuinman die we met naam kennen, is een zekere Franciscus de Bruijck. Bij zijn begraven op 7 april 1666 noteerde de pastoor: 'hortulanus in Hillenraed'. Hillenraad werd op dat moment grondig verbouwd op last van de toenmalige eigenaar Christoffel Schenk van Nydeggen, die in 1661 in België was getrouwd met Philippina Anna van Oyenbrugge. Een van de werklieden kwam bij het instorten van een muur om het leven en werd op 7 juli 1665 in Swalmen begraven. Het kasteel werd rond die tijd tevens geplaagd door de pest. In juni 1667 overleed de koetsier van Hillenraad aan deze vreselijke ziekte. In september 1673 stelde Christoffel Schenck een zesjarig pachtcontract op samen met een nieuwe gardenier: meester Hendrick Beusinck of Beusingh. De tuinman moest alle wegen, bloemperken en doolhoven goed onderhouden, net zoals de gesnoeide heggen bestaande uit 'haembeucken, cornoulien ende palmen'. Naast de siertuin was er in 1673 ook plaats voor groenten en fruit, zodat de bewoners beschikten over 'kerssen, appels, peeren, pruymen, mispelen, druyven, erbeeren, meloenen ofte eynige van alsulcke nature'. Als laatste kreeg de gardenier 'een kamer op het huys Hillenraet'. Omdat het bewaard gebleven contract alleen werd ondertekend door Beusingh, weten we niet of hij ook daadwerkelijk als tuinman van Hillenraad heeft gewerkt.
In maart 1680 overleed ook de heer van Hillenraad zelf. Christoffel werd opgevolgd door zijn nog jonge zoon Arnold, in 1662 op kasteel Hillenraad geboren. Uit deze periode kennen we een derde tuinman: Joannes Swaen, gehuwd met een Engelberta waarvan we de achternaam niet kennen. Bij de doop van hun dochtertje Anna Margareta Swaen op 3 december 1680 staat achter de naam van 'meester' Joannes vermeld: 'temporis hortulani in Hillenraet'. Als doopgetuige vinden we o.a. Joannes Gulielmi, 'hortulani in Ghoor', die zich voor de gelegenheid echter liet vervangen door Arnoldus Mooren. Maria Maren trad op namens Henrica Mullers. Het is meteen de laatste vermelding van deze tuinman. In maart 1682 trouwde Arnold Schenck, de heer van Hillenraad, met Maria Emerentiana Dausque. Al vrij kort na het huwelijk bleek zij niet te zijn voor wie zij zich steeds had uitgegeven en na een lang proces werd het huwelijk in 1684 nietig verklaard. Hovenier Joannes Swaen was inmiddels opgevolgd door Joannes Mooren, op 20 april 1682 in Swalmen getrouwd met de reeds hoogzwangere Magdalena del Vaugalle uit Luik. Uit dit huwelijk werden tussen 1682 en 1686 vier kinderen geboren: Margareta (1682), Arnoldus Franciscus (1683), Magdalena (1685) en Maria Margreta (1686). In 1694 trouwde Arnold Schenck op het kasteel Haag met Maria Catharina markiezin van en tot Hoensbroek. De band tussen Hillenraad en Schloß Haag zou vanaf dat moment blijven bestaan en nu nog bevindt een immense hoeveelheid archivalia over Hillenraad en Swalmen zich in het archief van Schloß Haag. Daar ook werd in 1696 hun enige zoontje gedoopt, dat echter in 1703 overleed toen het dodelijk werd getroffen bij het spelen met een geladen geweer. In 1709 overleed ook Arnold zelf, nadat hij in een omstreden testament zijn vrouw en zwager tot erfgenamen had benoemd. Zijn weduwe Maria Catharina van Hoensbroek had ook een tuinman in dienst: op 28 november 1713 werd in Swalmen de kleine Johanna gedoopt, als buitenechtelijke dochter van Hermanus, tuinman van Hillenraad ('hortulanus in Hellenradt'), en Agnetis Meuters. Getuigen waren Arnoldus Meuters voor Jacobus Meuters en Elisabetha Buijs. Hermanus' achternaam weten we niet en verdere vermeldingen van hem ontbreken. Mogelijk was hij slechts knecht. Op 1 juni 1717 trouwde in Swalmen Andreas Cuijpers met Maria Andressen, ook wel Driessen genoemd. Getuigen hierbij waren Jacobus Hijnen en Johannes Sillen. Maria overleed reeds in juni 1718; haar man, tuinman Andreas, overleed ruim een maand later. Het kortstondige huwelijk was kinderloos.
We moeten enkele tientallen jaren wachten voordat we iets wijzer worden. Toch werd Hillenraad gedurende deze periode bewoond en er was ook personeel. Zo werd op 14 december 1751 koetsier Paulus begraven, 'rhedarius in Hillenraet'. In mei 1757 wordt een zekere Christophorus Streitzich vermeld als tuinman van Hillenraad, wanneer deze optreedt als doopgetuige bij een van de kinderen van de jager van Hillenraad. Streitzich trouwde op 20 juli 1760 in Swalmen met de reeds zwangere Maria Ceuven. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren. De oudste van de twee, Joannes Josephus Streitzich (1760), woonde in 1788 te Parijs. Van de jongste, Joannes Franciscus Streitzich (1764), is verder niets bekend. In deze periode moet ook weer een nieuwe koetsier zijn aangetrokken, want op 14 februari 1774 overleed Jacobus March..neck, de koetsier van Hillenraad ('rhedarius in Hillenraeth') en echtgenoot van Christina Hecken. Ruim een jaar later, in oktober 1775, arriveerde op Hillenraad Philip Damiaan van Hoensbroek, die er geruime tijd zou blijven wonen. Tuinman Christoffel Streitzich moet na maart 1776 zijn overleden. Streitzich werd opgevolgd door Joannes Baptista Vincent. Hij werd geboren nabij Wavre in België, vermoedelijk in het dorpje Archennes langs de Dijle (het Swalmer kerkregister vermeldt als geboorteplaats 'Darschen'). Vincens, zoals hij zelf ondertekende, tekende op 11 augustus 1782 zijn eerste contract. Toen hij in Swalmen arriveerde was hij al getrouwd met Anna Mulders. Zij overleed tijdens of kort na de bevalling van hun enige dochter, Maria Elisabeth, op 7 december 1783 in Swalmen geboren. Het gezin woonde in de bijgebouwen van het kasteel. Op zondag 25 januari 1784 trouwde Vincent opnieuw, ditmaal met de uit Herten afkomstige Margaretha Mevissen. Voor dit huwelijk verleende Philippus Damianus van Hoensbroek, bisschop van Roermond en tevens huurder van Hillenraad, dispensatie wegens verwantschap in de 3e graad gemengd met de 2e graad. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren: Anna Margaretha (1785), Henricus (1787), Jacobus (1789), Anna Catharina (1792) en Maria Ida (1794). Moeder Margaretha overleed na de geboorte van haar laatste dochter. Op maandag 28 maart 1796 trouwde Vincent voor de derde maal, nu met Catharina Joosten uit Swalmen. Hun zoon, geboren in december 1796, werd vernoemd naar de nog kersverse nieuwe eigenaar van Hillenraad, Clemens markies van Hoensbroek, die zijn twee maanden eerder overleden vader Lotharius was opgevolgd. Het zoontje kreeg de namen Clemens Augustus Wenceslaus Josephus. Als peter was Petrus Josephus Lutters aanwezig, de rentmeester van Hillenraad, die optrad namens de markies. Volgens de Franse bevolkingslijst uit 1796 werd gaardenier Vincent bijgestaan door gardenier Joannes Clumpkens. Deze trouwde in 1804 te Kaldenkirchen (D) met Theodora Lappen, een familienaam die eveneens nauw verbonden is met tuinieren.
|
| Hillenrader Bossen |
De Hillenrader Bossen liggen ten oosten van het kasteel en worden vooral gevormd door de Riet, het Lothariusbos en de Damianuskamp, ook wel Bisschopskamp genoemd.
Henri Smeets: De Swalmen-Roermondsche Ruiterclub en haar renbaan in Boukoul. In: Maas- en Swalmdal 6 (1986).
|
| Overige goederen (ooit) behorend tot Hillenraad |
|
Tegenover de oprijlaan van kasteel Hillenraad ligt een in 1916 tot woonhuis verbouwde schuur uit 1745. Het noordelijke gedeelte van het pand dateert blijkens aparte jaarankers boven de schuurpoort van 1759. |
![]() |
| De rentmeesters van Hillenraad |
Over de periode 1672-1695 zijn in het archief van kasteel Haag enkele rentmeesterrekeningen bewaard. De meeste rentmeesters kennen we ook al uit andere bronnen. Joannes Swaken of Swaecken, scholtis van Swalmen en Asselt (1684-1702) en rentmeester van Hillenraad (1686-1688), verpachtte in 1688 de kasteelhoeve. Hij was gehuwd met Catharina Ketelaers. Arnoldus Mooren (1656-1711) was in 1691 rentmeester van Hillenraad. Aret Mooren werd in 1682 benoemd tot gerechtsbode en kocht samen met zijn vrouw Mechtildis Beijers in 1687 de helft van een huis aldaar. Wilhelmus Raemaeckers, vermeld als rentmeester 1698-1702. Volgens een lijst uit 1691 (met latere wijzigingen?) was Wilhelmus Raemeckers, renckmeister van Hillenraedt, lid van de broederschappen van de H. Rozenkrans en St.-Jan Baptist. Arnoldus Furen of Fueren, vermeld als rentmeester 1703-1705, werd mogelijk op 20 maart 1653 gedoopt te Thorn als zoon van Arnoldus Fueren en Magdalena Ruijters. Johan Jooris wordt vermeld in 1710 bij de inbezitneming van de Sint Augustinusgriend. Balthasar Wijhers trouwde vóór 1713 met Joanna Maria Philippina Böckel van Böcklinsau. Wijhers was behalve rentmeester ook bouwheer van de hoeve Oud Waterloo in Beesel. In 1743 wordt hij 'gewezen rentmeester' genoemd. Hij werd op 22 mei 1756 in Swalmen begraven, zijn weduwe op 16 maart 1756. Uit de vele processtukken waarin hij genoemd wordt, komt hij niet bepaald naar voren als een aimabel persoon. Hermanus Coulen, vermeld als rentmeester in 1746 bij de verpachting van 'den nieuwen hoff Klein Hoffken genoemt achter het huis Hillenraet'. Hermanus Coulen, op 7 april 1711 gedoopt te Grubbenvorst, verving al in 1740 Frans Arnold van Hoensbroek als doopgetuige te Swalmen. In 1747 voltrok hij als geestelijke een huwelijk in Swalmen. Hermanus Coulen wordt in 1756 vermeld als pastoor van Grubbenvorst, waar hij op 20 mei 1785 werd begraven. Joannes Nicolaus Jacobi, vermeld als rentmeester in 1758. In 1766 en 1771 was hij samen met Philip Damiaan van Hoensbroeck respektievelijk diens broer Lothar Frans doopgetuige in Maastricht. Hij werd mogelijk op 28 februari 1799 begraven te Hoensbroek.
Joannes Henricus Dreessens, gedoopt 30 september 1732 in de parochie St.-Jacob te Maastricht, was rentmeester van de markies van Hoensbroek op kasteel Hillenraad. Hij werd op 5 januari 1780 benoemd tot secretaris van de vrije heerlijkheid Swalmen en Asselt en van de laatbank van het huis Hillenraad. Hij was op 8 december 1778 te Swalmen gehuwd met Maria Joanna Christina Quisthoudt, geboren 3 december 1749 te Roermond en overleden aldaar op 16 februari 1834. Vermeld als rentmeester 1770-1787. Petrus Josephus Lutters, werd in 1796 als rentmeester van Hilllenraad wegens geweigerde nabetaling van oorlogscontributie gevangen genomen en afgevoerd naar Roermond. In 1784 was hij doopgetuige te Afferden, waar hij wellicht ook al voor de Van Hoensbroecks werkte. Franciscus Jacquet 1804-1817. Jacquet wordt in 1814 tevens genoemd als agent municipal, in 1817 als rooms priester wonend te Hillenrade. Jacobus Burghoff 1856 (gevolmachtigde) Frans Burghoff 1864-1892 Theodoor Vallen Jean Hubert Vallen 1899
|
© Loe Giesen, Reuver 2008-2012 |
| A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z |