Het huurvaarderspad - Toponiemen in de gemeente Beesel
 
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z

 

Deze haak werd rond 1990 gevonden op de Weerd tegenover Kessel.Het huurvaarderspad,
houtvlotten op de Maas en
Beesel als schakel in de houtvaart

door
Loe Giesen

Hoewel de streeknaam 'Holland' zeer waarschijnlijk afkomstig is van 'Holtland', dus houtland, ontstond in de Lage Landen al in de middeleeuwen een groeiende behoefte aan hout, vooral als bouwmateriaal voor huizen en schepen. Door de schaarste aan plaatselijk materiaal waren de bewoners genoodzaakt om hun hout van elders te halen. Dat gebeurde vooral via de Rijn, maar ook de Maas vormde een belangrijke aanvoersroute.
Tot het begin van de 18e eeuw werden grote hoeveelheden boomstammen in de vorm van houtvlotten vanuit met name de Ardennen via de Maas afgevoerd naar kooplieden in de steden langs de rivier, met als belangrijk eindpunt Dordrecht.
Dit artikel beschrijft de flottage op de Maas, met name de positie van de huurvaarders van Roermond in de 16e en 17e eeuw en het traject tussen Ool en Kessel, plus de rol die Beesel speelde bij de houthandel tussen de 'overlanders' en de 'nederlanders'.

 

Het huurvaarderspad bij de Hoosterhof, tussen Beesel en Swalmen. J.J. Smabers, 1781.Om onenigheid onder de belastingbetalers en tiendheffers te voorkomen, werd in 1778 in Beesel een begin gemaakt met het zo nauwkeurig mogelijk in kaart brengen van de tot deze gemeente behorende gronden. In het voorjaar van 1781 kon landmeter J.J. Smabers uit Roermond zijn werkstuk aanbieden aan de Beeselse schepenbank. Het resultaat mocht er wezen. Met veel oog voor detail had de landmeter de toestand van dat moment vastgelegd in dertien deelkaarten plus een overzichtskaart. Ze bevinden zich tegenwoordig in het gemeentearchief van de gemeente Beesel. Als uitgangspunt voor het bestuderen van de geschiedenis van de gemeente zijn deze kaarten van onschatbare waarde. Ook dit artikel werd door deze kaarten geïnspireerd. Met name op de overzichtskaart, die overigens in detail soms afwijkt van de deelkaarten, is een nu grotendeels verdwenen pad ingetekend dat staat aangegeven als huyrvaerderspat. Dit pad vormt een zo kort mogelijke verbinding tussen Beesel en Roermond.

Wie waren deze huurvaarders die deze oude weg gebruikten? Voor een antwoord op deze vraag moeten we ons verdiepen in de Maasvaart in het algemeen en het gilde van de huurvaarders in het bijzonder, plus de machtsstrijd tussen met name Venlo en Roermond.

TETRACHIA DUCATUS GELDRIAE RUREMONDANA sive HISPANICA,  Frederik de Wit, voor 1680.

zegel VenloSinds mensenheugenis wordt de Maas bevaren door schippers, die het grootste gedeelte van hun leven op het water doorbrengen. Ze vormden altijd al een gemêleerde groep, die zich voortdurend verplaatste tussen de Franse grens en het eindpunt Dordrecht. In de middeleeuwen hoorden de schippers, huurvaarders, kremers en zakdragers tot de belangrijkste gilden van menige handelsstad langs de Maas. Dat gold ook voor Roermond en Venlo, waar een groot gedeelte van de Maashandel was ondergebracht bij de huurvaarders, ein besunder gildt wesende und nit under den schieperen gehoerende.
In Venlo stond het schippersgilde in het midden van de 17e eeuw in groot aanzien, zoals we kunnen afleiden uit het feit dat het groot stadszegel werd gehanteerd met rechter wetentheyt onser gildmeysteren van de schipperen die met ons denselvigen siegel in bewaersaem hebben.

Kessel aan de Maas, ca. 1556.In tegenstelling tot de schippers beschikten de huurvaarders aanvankelijk niet over een eigen schip. Zij stelden slechts hun diensten beschikbaar als loods of houtvaarder. Hierin kwam pas in de loop van de 17e en 18e eeuw verandering. Door maatschappelijke en economische omstandigheden kozen steeds meer grootschippers, die eerder met een eigen schip en koopwaar de Maas bevoeren, toen voor een vast verblijf in de stad om zich daar volledig toe te leggen op het koopmanschap. Zodoende verdween deze groep grotendeels. Degenen die overbleven, werden huurvaarder 'nieuwe stijl'. Met behulp van eigen schepen namen deze latere huurvaarders vanaf die tijd het vervoer van de koopwaar voor hun rekening. We zullen ons in dit artikel vooral bezighouden met de 16e en vroege 17e eeuw, toen de houtvaart nog volop in de belangstelling stond. Maar eerst kijken we kort naar de vroegste berichten van Maashandel.

Op basis van o.a. baggervondsten uit de Romeinse tijd mogen we stellen dat toen reeds sprake was van handel over de Maas. Langs beide oevers van de Maas liepen ter hoogte van de regio Roermond-Venlo ook Romeinse handelswegen. Ten oosten van Beesel was dat vooral de tegenwoordige Prinsendijk, een van de best bewaarde Romeinse wegen van Nederland.
Met de ondergang van het Romeinse Rijk zal deze handel minder zijn geworden, maar in de eeuwen daarna vinden we toch de eerste geschreven berichten erover. Op het einde van de zesde eeuw bezong de dichter Venantius Fortunatus (c. 535-na 600) de rivieren Moezel, Aisne en Maas. Over de Maas schreef hij: Aut Mosa dulce sonans, quo BTUS, Banta, anser, oIorque est, Triplice merceferax (alite, pisce, rate). (De zacht ruisende Maas, waar kraanvogel, gans, eend en zwaan leven, draagt drie koopwaren: vogel, vis en vlot). Deze opsomming maakt het waarschijnlijk dat hier geen vlot als vervoermiddel wordt bedoeld, maar veeleer houtvlotten in de betekenis van koopwaar.

Johan Bussemacher, ca. 1600In de 9e eeuw werd de Maas bevaren door o.a. de Vikingen, die in de rivier een gemakkelijke route vonden naar rijke steden die vervolgens geplunderd werden. Berichten over handelsverkeer over de Maas uit deze periode zijn niet bekend, maar het aantal teksten uit deze jaren is dan ook beperkt. Daarom maken we de overstap naar de late middeleeuwen, een periode waarover meer bekend is. Met name in deze periode ontstonden er problemen tussen Venlo en Roermond, waarbij vooral het stapelrecht van beide steden centraal stond en waarbij ook de positie van de Roermondse huurvaarders ter discussie werd gesteld. Het stapelrecht was een recht dat middeleeuwse steden verwierven of zich aanmatigden en waarmee zowel neergaand als opgaand verkeer ('overlanders' en 'nederlanders') te maken had. Kwam een handelaar via een bepaalde route in de buurt van een stapelstad, dan moest hij zijn koopwaar (en dus ook hout) veelal naar deze stad brengen en ze gedurende enkele dagen te koop aanbieden. Via het stapelrecht hadden de burgers van de desbetreffende stad een soort recht van eerste aankoop en mochten ze de koopwaar tevens omladen, waarbij de kooldragers-, huurvaarders- en schippersgilden van de stapelstad het verdere transport voor hun rekening mochten nemen. Het spreekt vanzelf dat de economische bloei van een stad sterk werd beïnvloed door deze stapeldwang ten opzichte van nabijgelegen plaatsen en dat het stapelrecht slechts aan enkele steden was voorbehouden.

Venloa, Nicolaas Geelkercken, 1654

Venlo bezat volgens eigen zeggen ongeschreven rechten die teruggingen tot de tijd dat Venlo noch ein dorp was op den stroem. Toen dit dorp in 1343 stadsrechten ontving, werd deze nieuwe stad bovendien voorzien van bijzondere privileges met betrekking tot de Maas. Het Venlose stapelrecht maakte in de 16e eeuw geen deel uit van de stadsrechten, maar was persoonsgebonden. Zo verkocht Karel van Egmond, hertog van Gelre, het stapelrecht in 1532 voor 660 overlandse Rijnse guldens aan Henrick Kyspenning uit Venlo. Volgens een brief van Willem van Beieren, graaf van Holland, uit 1355, was Venlo zelfs de enige stad langs de Maas die zich stapel stat mocht noemen van oudsher, hetgeen tevens bleek uit oude tolboeken van de Hollandse steden uit die tijd. De aanspraken die Dordrecht en Mézières (Masiers) maakten, werden dan ook niet erkend. De Venlose aanspraken daarentegen werden ook in 1495 en 1505 nog eens bevestigd door Philips de Schone, eerst in zijn hoedanigheid van hertog van Oostenrijk en later nog eens als koning van Castilië.

In 1523 kwam Roermond tegen de Venlose stapeldwang in opstand door zichzelf als stapelstad te betitelen en, wat uiteraard voor Venlo belangrijker was, zich ook als zodanig te gedragen. Uiteindelijk kwamen hertog Karel van Gelre en de drie hoofdsteden Nijmegen, Zutphen en Arnhem echter tot de overtuiging dat Venlo dit recht al meer dan honderdvijftig jaar bezat, dat Roermond geen stapelrecht had en zodoende alle schepen en andere goederen ongehinderd moest laten passeren. Om misverstanden te voorkomen, benadrukten de Venlonaren dat hieronder ook die holtferden und dergelicken moesten worden verstaan. Om toekomstige ongeregeldheden te voorkomen, bepaalden de hertog en de drie hoofdsteden dat zij hun uitspraak zouden herzien wanneer Roermond haar rechten kon aantonen.

Houtvlot op de bovenloop van de Rijn, ca. 1600.

Het duurde tot 1579 tot Roermond hiertoe kans zag. In de Tachtigjarige Oorlog, die op dat moment overigens nog bijna zeventig jaar zou duren, had Roermond zich samen met de rest van het ambt Montfort aan Spaanse zijde aangesloten, terwijl Venlo was overgegaan in Staatse handen. Swalmen, Beesel en Belfeld vormden dan ook lange tijd een frontgebied, doordat Spaanse en Staatse legers elkaar voortdurend bestookten. In deze periode kwam het ook sporadisch voor dat vanuit Beesel hout werd vervoerd over de Maas. Zo lieten enkele eigenaren van de Raederhof in Beesel rond 1570 gekapte bomen afvoeren over de Maas.
In 1572 werd Roermond ingenomen en geplunderd door de Staatse troepen, maar de stad werd na twee en een halve maand door de Spanjaarden heroverd. In 1577 en 1578 werden de Roermondenaren opnieuw meer dan twaalf weken belegerd en door vele schansen omsingeld. Bovendien had in 1554 een verschrikkelijke brand gewoed, waarbij volgens de Roermondenaren het grootste en beste gedeelte van hun stad was verwoest. In een brief aan de Spaanse koning presenteerde Roermond zich in 1579 als trouwe bondgenoot van Spanje en wees het op de offers die het hiervoor had moeten brengen. Hierdoor was de stad nagenoeg bankroet en vandaar dat de burgers zich tot hun koning wendden met een verzoekschrift voor hulp voor de wederopcompste van oere gemeinte. Ze vroegen Philips II om de stad het stapelrecht te geven en de burgers zo opnieuw met genade te verlenen. De stad zou namelijk als eens eerder, namelijk met Pasen (paschae) 1372, van Willem en Maria, hertog en hertogin van Gelre en Gulik, het stapelrecht hebben ontvangen en hierdoor gemachtigd zijn geweest om schepen en kooplui te verplichten om in Roermond acht dagen stapel te houden. Uiteindelijk liet Philips II in december 1579 vanuit Maastricht een brief uitgaan waarbij hij Roermond toestond om daar passerende goederen te stapelen. Omdat acht dagen hem to zweerlick duncken solde, bleef het bij een stapeltijd van twee dagen. Opmerkelijk aan deze akte, die wordt bewaard in het gemeentearchief van Roermond, is het ontbreken van een exacte dagtekening en de afwezigheid van het zegel van de keizer.

 

Het huurvaarderspad (links) tussen Beesel-Ouddorp en Rijkel.In het voorjaar van 1580 ontstonden prompt weer opnieuw problemen, omdat Venlose schippers opeens in Roermond met de nieuwe stapeldwang werden geconfronteerd. Venlo had meteen een antwoord klaar en enkele Roermondse schippers en huurvaarders werden in Venlo met hun schepen en koopwaar aangehouden. Het werd de Roermondse houtvaarders verboden om het hout verder te vervoeren, aangezien de Venlonaren dit recht zelf opeisten. De Venlonaren waren van mening dat de gildebroeders van het Sint Nicolaasgilde van Roermond het alleenrecht opeisten om de houtveren van de 'overlanders' met hun gezellen stroomafwaarts te voeren, niet alleen tot groot nadeel van de Venlose houtvaarders, maar bovendien tegen oude gewoonte, recht, uitspraken en bevelen in. Venlo verlangde van de Roermondse schippers en huurvaarders dan ook dat zij hun vermeende rechten met bewijzen zouden aantonen. Als eigen bewijs haalden de Venlonaren de hiervoor genoemde brieven uit 1355, 1495, 1505, 1523 en 1532 aan. Roermond zal ongetwijfeld de kersverse akte uit 1579 hebben aangevoerd, maar de Venlonaren waren hiervan kennelijk niet zo onder de indruk, zeker niet wat het gedeelte uit 1372 betrof. Volgens Venlo was het overduidelijk dat het hier op zijn minst om een vergissing moest gaan. Dit recht werd immers verleend of verkocht om de kopers en verkopers van diverse landen bijeen te brengen en de handel met behulp van makelaars te coördineren. Omdat de landheer via het stapelrecht een sturende functie uitoefende op de handel, lag het voor Venlo voor de hand dat dit recht indertijd dan ook niet aan twee zo naburige steden zou zijn verleend of verkocht. Ondanks de protesten van de Venlonaren handhaafde Roermond echter de stapeldwang, die pas bij de Franse machtsovername in 1794 zou worden opgeheven.

Roermond in 1590. Detail van een tekening door Frans Hogenberg.

Intussen liet de Tachtigjarige Oorlog de Maashandel niet ongemoeid. In april 1584 legden de Staten Generaal beperkingen op voor de handel, nadat kooplieden in Venlo koopwaren hadden geleverd aan de vijand. Toen Willem van Oranje op 10 juli werd vermoord, bereikte het conflict een nieuw dieptepunt. Voor de kooplieden in Dordrecht ging de handel echter gewoon door. Op 30 augustus kregen zij van de Staten Generaal toch weer toestemming om in o.a. hout te handelen met aerbeyters ende huyrvaerders van Roermonde ende Venloo, volgende het accord, tusschen denzelven steden van Roermonde ende Venloo dyenaengaende gemaeckt. Helaas is de tekst of strekking van deze overeenkomst niet bekend.

In de zomer van 1586 bereikte het geschil tussen Roermond en Venlo een nieuwe fase, doordat Venlo zich moest overgeven aan de Spanjaarden. De toch al niet beste verhouding tussen de nu weer allebei Spaanse steden Venlo en Roermond verslechterde opnieuw en de discussie over de vervoersrechten tot aan Dordrecht laaide weer hoog op. Op verzoek van Pieter Henrixz en Marten Beerkens als woordvoerders van de gildebroeders van de holtvlotters van Remunt werd op 4 oktober 1588 ten overstaan van het Dordtse stadsbestuur een verklaring onder ede afgelegd door de ongeveer 43-jarige Willem van Beuyl Arentszoon uit Amsterdam. Deze vertelde dat hij en zijn overleden broer Dirck ongeveer tweeëntwintig jaar geleden, toen beiden als burger te Nijmegen in hout handelden, nooit enig ander volk of andere personen op hun hout hadden gehad dan de houtvlotters van Roermond, volgens de oude gewoonte (usantie) en vrijheden van deze huurvaarders. Ook hun vader, die meer dan veertig jaar via de Maas in hout had gehandeld, hadden ze vaak horen zeggen dat hij niemand anders op de houttransporten had gehad dan Roermondse huurvaarders. Tenslotte was hem bekend dat ook diverse houthandelaren uit Grave altijd gebruik hadden gemaakt van de Roermondse houtvlotters.

De bijzondere positie van de Roermondse huurvaarders was gedeeltelijk te danken aan het traject tussen Ool en Kessel. Meer nog dan tegenwoordig was de Maas vroeger een echte regenrivier. De stroom kon in de wintermaanden een enorme omvang aannemen. Zo veranderde deze handelsroute soms in een kolkende stroom die met hoog water en ijsgang de aanwassen wegspoelde en laaggelegen landerijen bedierf. Langs de oevers probeerde men de schade te beperken door de kanten zo nodig te beschoeien of te 'batten' en met keien te verzwaren. Voor de vaart was de Maas in periode van hoog of laag water nauwelijks te gebruiken. Ook onder 'normale' omstandigheden leverde de rivier al genoeg problemen op en eiste ze veel vakmanschap van de schippers en huurvaarders.
Tijdens een droge zomer kon de stroom zich op vele plaatsen versmallen tot een nauwe geul van slechts enkele meters breed. Bovendien kronkelde de rivier vaak enorm, zodat lange schepen op dit crom waeter al snel onbruikbaar werden. Zo waren de omstandigheden, ondanks de voorzorgsmaatregelen in de vorm van diverse soorten aangepaste schepen, een groot gedeelte van het jaar ontoereikend om scheepvaart op de Maas toe te laten. Noodgedwongen werd dan gebruik gemaakt van de oude weg tussen Roermond en Venlo, dwars door de soms gevaarlijke Roversheide. Vanwege die risico's door rondtrekkende soldaten gaven enkele Roermondse afgevaardigden op weg naar Venlo er in maart 1572 de voorkeur aan om toch maar met een schip over de Maas te gaan (diewyle op Rouvers heide seer periculoes unnd verscheiden rouverien unnd geweltlicke spolieronghen van den straetenschenderen aldair gedain siin); helaas verging het schip ter hoogte van Tegelen. Soms was het kiezen tussen twee kwaden.

Aankomst van een houtvlot op de Merwede, ca. 1775

Hoewel de huurvaarders met hun goede kennis van het vaarwater ook wel werden ingezet als knecht of loods op een schip, beperkte hun werk zich rond 1600 toch voornamelijk tot het vervoeren van houtvlotten tussen Frankrijk en Dordrecht. De houtvlotten waren voornamelijk afkomstig uit het stroomgebied rond de Ardennen. Wanneer de eerste houtvlotten op de Maas verschenen, is moeilijk aan te geven. Zoals reeds gezegd, lijkt Venantius Fortunatus' beschrijving uit de 6e eeuw te wijzen op houtvlotten. In het Oostzeegebied zakten in de 14e eeuw immense houtvlotten de rivieren af, terwijl het 'hout drijven' in grote delen van Frankrijk pas in het midden van de 16e eeuw werd toepast. We mogen echter aannemen dat de houtvlotten op de Maas in het begin van de 16e eeuw al een vertrouwd beeld waren tussen de Ardennen en Dordrecht.

Houthaven bij Dordrecht, Aelbert Cuyp, 1639

De bomen werden vooral in najaar en winter gekapt en door ruwe bewerking met bijlen en langbeitels (het zogenaamde snicken) gereed gemaakt voor het transport. Dit prepareren gebeurde niet altijd tot volle tevredenheid van de vlotters, die soms onhandelbare stammen moesten vervoeren. Dit was vooral het geval bij hout dat afkomstig was uit het graafschap Namen en omgeving. Deze soms gigantische stammen waren vanwege de groite snickicheyt tot drie maal zo zwaar als soortgelijke vlotten uit Frankrijk. Ook pyxholt (buxus), klapholt (o.a. gebruikt voor de bekleding van gevels, ook wel 'potdekselen' genoemd), geneust holt, waeghholt (jeneverbes) ende ander licht holt werd steeds ruwer gekapt en voorbewerkt, zodat de huurvaarders rond 1610 naar eigen zeggen veel harder moesten werken dan voorheen.

houtvlot onder brug Het hout werd vervoerd in vlotten (knyen) van meerdere stammen (kloffenyen) breed en diverse afdelingen (kameren) achter elkaar. De knyen moesten er, als een soort kniegewricht, voor zorgen dat de aan elkaar gekoppelde vlotten toch wendbaar bleven in de bochtige rivier.
De opbouw van de vlotten was afhankelijk van het soort hout en varieerde van 6 (klapholt) tot 29 (balken) stukken langhout naast elkaar. De brugdoorgangen bij Namen, Huy, Luik en Maastricht waren bepalend voor de uiteindelijke breedte, die maximaal veertig voet (ruim twaalf meter) bedroeg. De vlotten werden gekoppeld tot zeven of acht kameren, zodat de totale lengte van deze treinen mogelijk de honderd meter benaderde of zelfs overschreed.
Aangezien de brug bij Dinant niet wordt genoemd, is het goed mogelijk dat de grotere vlotten pas achter Dinant werden gevormd. De verhoging van het rendement werd vooral gezocht in het dikker maken van de vlotten. Zo werd het draghholt, dat eerder in drie lagen werd vervoerd, rond 1590 in vijf lagen gespannen. De Roermondse huurvaardersgezellen vonden het door de steeds zwaardere eisen dan ook steeds moeilijker om hun goede reputatie waar te maken. Om hun eer en faam hoog te houden, verzochten de gezamenlijke houtvlotters van Roermond dan ook in een brief aan de houtkooplieden om hen niet nog meer te belasten dan zij als arme onderdanen konden nakomen. Zo ver het in hun macht lag, zouden de vlotters intussen proberen om hun werk zo goed mogelijk te blijven doen.

Rijnvlot bij Mittelheim, 1833.

Uit de hierboven geschetste afmetingen van de transporten (tot 12 m breed, mogelijk tot 100 m lang, tot 5 lagen dik) blijkt dat de vlotten op de Maas een kolossale omvang konden hebben, waarschijnlijk vergelijkbaar met bovenstaande afbeelding van een Rijnvlot in 1833 en mogelijk nog een stuk dikker. Wanneer een vlot of een hele trein op drift raakte, waren de gevolgen nauwelijks te overzien. Dit gevaar voor de scheepvaart zorgde er waarschijnlijk mede voor dat de vlotten in de loop van de 18e eeuw verdwenen. Om de risico's te beperken, kregen de Roermondse schippers op 2 november 1690 het voordeel om mitte scheepen te vaeren voor d'andere van t'huyrvaerders ampt die de holtvlote hebben aengenomen, ende dat de selve alle daegen geduerende dit tegenwoordich groot waeter sullen wachten tot dat de supplianten eerst hunnen tour sullen hebben gehadt in't vaeren.

Luik 1649, detail van een gravure door Julius Milheuser.  Links van een van de bruggen over de Maas ligt een houtopslag.

De huurvaart op de Maas was in de praktijk verdeeld onder een paar gilden uit diverse steden. Samen bevoeren ze de rivier van ongeveer Mézières tot aan Dordrecht. De Luikse huurvaarders beheersten de stroom tussen Luik en Ool bij Roermond. Van Ool of Linne tot aan Dordrecht waren het vooral de Roermondse gildebroeders die in weer en onweer zorgdroegen voor het vervoer. De Roermondse huurvaarders waren, zoals we gezien hebben, verenigd in de Sint Nicolaasbroederschap. Men werd pas tot het gilde toegelaten nadat men had laten zien dat men zijn vak verstond. De leertijd die aan de toelating of installatie voorafging, bedroeg voor schipperskinderen drie jaar en voor kinderen van andere burgers vijf jaar. Gedurende deze periode moesten de leerlingen als schippersgezel geregeld het traject Luik-Dordrecht afleggen om de benodigde kennis en ervaring in de praktijk op te doen. Werd men na deze waarschijnlijk vaak harde leerschool toegelaten als cogelbroeder, dan moest men zich houden aan de vele geschreven en ongeschreven regels die voor de huurvaart bestonden.

Hoeveel leden tot het gilde werden toegelaten, is niet niet voor elke periode aan te geven. Een lijst van 28 mei 1593 van het Roermondse gilde noemt de namen van zeventig personen, ingedeeld in zeven groepen of rotten van ieder tien man. Een 17e eeuwse lijst van schippers-burgers noemt nog niet de helft, waarvan zeventien ingeboren, negen ingetrouwd of ingehylickt en vijf ingekocht. Grote schommelingen in de grootte van beide gilden voorbehouden, mogen we het economisch belang van het huurvaardersgilde voor Roermond al met al niet onderschatten.

Maastricht met op de achtergrond de Maas. F. Hogenberg, 1590.

Zoals reeds opgemerkt, lag het beginpunt voor de Roermondse huurvaarders tussen Ool en Linne, waar het hout soms enkele dagen aan de kant bleef liggen voordat het door de Roermondenaren werd opgehaald. Maar al te vaak betekende dit dat het hout slecht afgemeerd en bewaakt werd, waardoor het geregeld op drift raakte met alle schade vandien. Met name de Dordtse houthandelaren drongen er in een brief van 12 mei 1612 dan ook op aan dat het hout voortaan door de Waalse huurvaarders zou worden afgemeerd bij Roermond in plaats van bij Linne, zoals gebruikelijk, om zo het toezicht te kunnen verbeteren. Het Roermondse gilde stemde hier echter niet mee in, naar eigen zeggen in verband met de te verwachten protesten van Waalse houtvlotters.

De Stenen Brug in Roermond. Foto (c) Loe Giesen.

Het Zwaluwenschoor lag bij de zogenaamde Lus van Linne,  tussen Linne (boven) en Merum (onder).Wanneer een lading hout tussen Ool en Linne ariveerde, begaven de huurvaarders zich 's morgens om zes uur naar de Stenen Brug aan de Roer. Laatkomers kregen een forse boete. Door hun beroepscode verplichtten ze zich om te wachten op een karwei. Ze mochten zich niet aanbieden, maar moesten liefst door de schipper of houthandelaar persoonlijk worden gevraagd. Deze moest zijn tijdelijke bemanning samenstellen naar gelang de grootte van het transport. Het was gebruikelijk dat de huurvaarders die het eerst persoonlijk door de koopman of diens agent werden benaderd de reis aannamen. Op zondagen en heiligendagen werd gewoonlijk niet gewerkt. Bij hoog water of in oorlogsnood werd hierop een uitzondering gemaakt. De opdrachtgever moest in dat geval volgens oud gebruik achttien stuivers extra geven voor de armen. Nadat de bemanning was samengesteld, begaven de vlotters zich naar de Swalgenberg, even ten noorden van Linne, waar het hout lag afgemeerd. Op een oude schets van het gebied (zie afbeelding) staat deze hoogte, in de 17e eeuw kennelijk een broedplaats voor oeverzwaluwen, aangegeven als Swaluen schoor (nu het Schoor bij Solvay Chemie). Door latere ingrepen in het landschap is de Lus van Linne ingrijpend veranderd.

De koopman die het eerst bij de Swalgenberg had aangelegd, werd ook het eerst geholpen. Wanneer het hout voor Roermondse kooplui bestemd was, beperkte het werk zich tot de zogenaamde Oolse of Linse vaart, die meestal ongeveer een uur kostte. De vlotters verdienden hiermee twaalf stuivers; een voor die tijd hoog loon, maar het was dan ook een lastig stuk Maas dat de nodige ervaring vereiste. Was het hout bestemd voor plaatsen voorbij Roermond, dan maakten de kooplui veelal tot aan Beesel of Kessel gebruik van de diensten van de huurvaarders. Dit werd aangeduid als de Beeselse of Kesselse vaart. In de regel waren een tot drie dagen nodig voor dit traject. Rond 1600 werd hiermee vierentwintig stuiver verdiend; een in verhouding laag bedrag, waarop we nog terugkomen. Was het hout bestemd voor de handelaren uit Venlo, dan werd het transport door Venlose gildebroeders overgenomen tussen den wierdt und Scherkens Beec. Mogelijk houdt debenaming Conijnsberg, in de volksmond uitgesproken als 'Kniensberg', verband met de vlotten of knyen die hier van bemanning wisselden.

De Weerd tegenover Kessel. Detail uit de Domeinenatlas van Blum, 1743.

Bij meerdaagse vaarten werden 's nachts een of twee wakers aangesteld. Op rustige trajecten voer men ook na het vallen van de avond door. Op de Rijn werden zelfs kleine barakken op de vlotten gebouwd voor de overnachting. Het zogenaamde 'nachtdrijven' bracht op de Maas rond 1610 tien stuiver per persoon per nacht op. Door dit relatief lage loon was het vooral bij de kooplui geliefd. In plaats van te rusten of door te varen, werden soms ook hele dagen en nachten doorgebracht met drinken. De Dordtse handelaren eisten meer dan eens maatregelen tegen dit drankmisbruik. De reis van Roermond tot helemaal in Dordrecht duurde vaak zeven weken en was rond 1612 niet zonder risico's. Door de Gulikse en Kleefse oorlogen (1609-1614) en veelvuldige strooptochten reisden de vlotters onder gevaarlijker omstandigheden dan ten tijde van de Gelderse oorlogen (1478-1543), toen ze met eene pasport frij ende franck mochten passeren.

Een houtvlot bij Dordrecht. N.J. Roosenboom, 1850.De grote houttransporten waren van de ene kant lucratief, maar anderzijds ook erg vermoeiend. Niet alle gedeelten van het traject waren zo snel als het gedeelte tussen Lith en Gorinchem, dat slechts een tot anderhalve dag kostte. Bij terugkomst in Roermond moesten de huurvaarders dan ook eerst als loods of knecht met een boot de Maas af, voordat ze opnieuw een houtvlot mochten drijven. Deze bepaling gold niet voor de kortere Oolse en Kesselse vaarten. De Dordtse vaart leverde het volgens de kooplieden schandalige bedrag van tweeëntwintig tot vijfentwintig gulden 'zwaar geld' op. Een betaling in zwaar geld was voor de Dordtenaren een uitzondering. Op de Rijn en in Dordrecht werd gewoonlijk betaald met licht geld. De reis Venlo-Dordrecht leverde voor de Venlose vlotters achttien gulden 'licht' op.

Rond 1600 was er sprake van een inflatiegolf, die ook de houtprijzen niet onberoerd liet. De bossen in Holland waren al bijna helemaal verdwenen en ook elders ontkwam men er niet aan dat de bossen van dag tot dag afnamen. Niettemin al is 't alsoo dat het houdt nu dierder vercocht wordt als wel in voerleden tijden, daerom en is 't nyet te segghen dat (wij) alsnu daerop soe veel meer winnen, zo schreven de Dordtse handelaren in 1615 aan de Roermondse huurvaarders. Deze laatsten hadden namelijk, uiteraard zeer tegen de zin van de kooplieden, hun tarieven aangepast. Het geschil werd in een zeer uitvoerige correspondentie tussen beide steden breed uitgemeten, waarbij de snerende opmerkingen niet van de lucht waren.

gebonden houtvlotInzet waren vooral de kosten die voortkwamen uit de werkzaamheden bij Beesel en uit de grootte van de bemanning. De kooplieden eisten dat de huurvaarders die het hout richting Dordrecht brachten hun vracht tot Biesel helpen setten, ende de vaerten helpen prepareren, hetgeen eerder in het reisloon was inbegrepen, zonder iets apart in rekening te brengen ten laste van de kooplui.  Het opnieuw in orde brengen van de vlotten bij Beesel hoorde van oudsher tot de routine-werkzaamheden van de houtvaarders. Bij hoog of laag water werden de stammen vaak uit hun verband gerukt of moesten ze vanwege de breedte van de vaargeul juist opzettelijk worden losgemaakt. Achter Beesel, en zeker tegenover Kessel achter de Weerd, kwamen de vlotters echter weer in rustiger water. De stammen werden hier, waarschijnlijk met behulp van wilgentenen, opnieuw geordend en omdat het verval de de Maas kleiner werd en de vlotters geen bruggen meer hoefden te passeren, konden de vlotten bovendien verbreed worden. Net als bij Ool moesten de kooplieden bij Beesel geholpen worden naar de volgorde van aankomst en mocht den eenen den anderen niet verrassen ofte voordrijven, tenzij diens hout was vastgelopen in de modder.

De Maas tussen Roermond en Venlo, met in het midden de weerd tegenover Kessel. Kaart van Guillaume Dheulland, 1748.Het prepareren van het hout achter Beesel kostte twee of drie dagen. Het kwam echter geregeld voor bij winter dach, dat er als men tot Besel vaerdich is om te drijven, quaet weder ofte groot water opcompt, waerdoor men genoodsaeckt is een daech, twee ofte drye te blijven leggen. In een brief van 9 april 1615 schreef het Roermondse gilde zelfs dat sij seven offt acht dagen te Biesell still moeten liggen om het hout weer te ordenen voor de verdere reis en dat verscheyden parcelen (vrachten) van houtfharten tot Biesel noch ten tijdt gestuickt liggen, dewelcke niet alleyn niet in acht offt thien dagen niet gevlot konden worden maar bovendien door huysluyden ende mit schup ende spae uyter aerde sullen gegraeven moeten werden.
Waarschijnlijk gebeurde het geregeld dat de grote stammen zich diep in de modder boorden en zich onwrikbaar vastzogen. Ook met de hulp van dagloners uit Beesel en omgeving duurde het oponthoud voor de houtvlotters minstens enkele dagen die niet apart betaald werden. De loonsverhoging tot drie gulden per man die die voor de Kesselse vaart bij de Dordtse kooplui in rekening werd gebracht was echter meer dan de handelaren wilden betalen. Wel herhaalden ze een eerdere toezegging  om de dagloners te betalen. Het was namelijk in het verleden herhaaldelijk voorgekomen dat houttransporten zwaar gehavend in Dordrecht aankwamen, zodat dit handelsverlies door latere transporten moest worden aangevuld. Om dit verlies terug te dringen, werd de hulp van de huislieden dan ook toegestaan en vergoed.

Omdat zowel Beesel als de Weerd tegenover Kessel een vaste plaats innamen in de route, maakten de houtvlotters kennelijk gebruik van een gemeenschappelijk en min of meer permanent onderkomen. In een akte uit 1629 is sprake van een Fluttershuisken langs de Maas. Op 10 juli 1641 verkocht de gemeente Beesel, door de hogh verderfellijcken chrichstijt (oorlogstijd) in geldnood gekomen, een stuk laaggelegen hooiland aen gen Vluttershuissken aan het echtpaar Quyten (spreek uit: Kwieten); nakomelingen waren in 1740 nog steeds eigenaar van het Fleuttershusken. Over het karakter van het huisje is niets bekend. Mogelijk was het weinig meer dan een eenvoudige schuilhut. Voor overnachtingen werd in ieder geval ook gebruik gemaakt van de herberg in Ouddorp.

Het vlottershuisje lag vermoedelijk hier bij paal 93, stroomafwaarts van Beesel-Ouddorp op het eind van de Ervenweg. Foto (c) Loe Giesen.

Na een jarenlange briefwisseling was voor de huurvaarders de maat vol in 1615. Ze waren niet langer van plan om hun werk bij Beesel op deze manier te blijven doen, te meer daar  de handelaren de onbeschaamdheid hadden om het hout vaak onbehouwen (snickachtich) vanaf de Ardennen aan te voeren en op deze manier het werk van de houtvesters op de vervoerders af te schuiven. Of hadden de kooplui soms niet in de gaten dat men ten laatsten eynen esel wel te bodem can laden?

Luik, 1616, naar Jacob van Deventer

Wat de grootte van de bemanning betrof, waren de partijen het ook helemaal niet met elkaar eens. De huurvaarders stelden, dat de vlotten steeds breder en onhandelbaarder werden. De Dordtenaren spraken dit tegen, aangezien de breedte van de brugdoorgangen niet veranderd was en derhalve die van de vlotten evenmin. Veeleer was het zo dat de geringe diepte van de Maas tussen met name Luik en Roermond er voor zorgde dat men de knyen bijna gedurende het hele jaar smaller moest maken in plaats van breder. Bovendien waren de transporten bij hun weten nooit bemand naar het aantal vlotten, maar op basis van het aantal stammen dat vervoerd werd, zodat de grootte van de bemanning overeenkwam met de vervoerde last.

Zuydhollandia, Wilhelmus en Johannes Blaeu, 1645. Biesbosch en land van Maas en Waal, met geheel links Dordrecht.

Kennelijk hadden de vlotters zich in Dordrecht bemoeid met de kleding van de kooplui. Zo lieten de handelaren hen weten dat de fluwelen broeken en de Leidse zijden mantels de kooplieden meer ende beter vougen dan de huurvaarders. Het zou beter zijn wanneer de vlotters ook wel in't habijt zouden zijn en hun loon beter zouden besteden in plaats van dat zij slecht gekleed en onverzorgd waren en altijd berooid bleven, wel wetende dat een hongerighe luys 't hardtste bijt. De huurvaarders beten inderdaad van zich af en wezen erop dat hun lonen helemaal niet zo hoog waren, want waer sijn die groite huysen ende casteelen die sij van hun Dordrechtsche vhaerten bouwen? En dat zij hun laarzen meer met vissen dan met hout varen zouden verslijten was ook al onjuist en kennelijk in Dordrecht in het Wilgenbosch bij een glas wijn verzonnen.
De huurvaarders hadden echter zelf ook een goede reputatie als drinkebroers opgebouwd, ondanks gildevoorschriften die het 'verdwalen'of een langdurig oponthoud in eenige huysen moesten tegengaan. Onder hen waren er die er een gewoonte van maakten om wijn, brandewijn of Lübecks bier te drinken zonder te betalen, zodat de rekening achteraf aan de kooplui werd gepresenteerd. En als het bier hen niet smaakte, eisten ze van de waarden en waardinnen hun geld terug om het in andere herbergen opnieuw te verdrinken. Kortom, die sulx derven doen, derven oyck wel wat papier met ongherijmde beuselmerckten te doen bekladden.

Zicht op Dordrecht, Aelbert Cuyp. Rechts een klein houtvlot.

Het zal duidelijk zijn dat de verstandhouding tussen de Roermondse huurvaarders en de Dordtse kooplieden niet optimaal mag worden genoemd. Dat de kritiek op de huurvaarders niet alleen afkomstig was van de Dordtenaren, illustreert een proces dat de Venlose houthandelaren Jan en Mathijs to Putt in 1619 aanspanden tegen het Roermondse gilde. In een brief van 18 oktober beklaagden ze zich over het onbevuegte attentat der huyrvahrders van Ruremondt. Deze hadden tijdens de voorgaande zomer tussen Ool en Kessel op vier kleine houtvaarten tweeëndertig huurvaarders gezet. Ieder van hen had drie gulden ontvangen; naar hun zeggen volgens de oude gewoonte. Bovendien hadden ze de euvele moed gehad nog acht stuiver per man extra te eisen vanwege de lage waterstand. Deze bemanning, die volgens schampere opmerkingen van de vlotters tot overmaat van ramp bestond uit kruepelen ende laemen, onbequaem totten arbeidt, was volgens de broers To Putt ongehoord. Met name hun aantal stond in geen enkele verhouding op eene sodaenige cleene streck van water, waar men op een gelijke afstand van Kessel tot Venlo volstond met slechts drie mannen. Drie weken later voerde het Roermondse gilde ter verdediging aan dat het altijd geoorloofd was geweest wegen het perickel des waters, d'welck om diesen streck mit krumpten meer tho besorgen is als boven, om op elke vaart één man meer te zetten dan hun Luikse collega's, en aan deze oude gewoonte hadden ze zich gehouden. De toevoeging van deze extra man, die van oudsher ankerman werd gedoopt, benadrukt nog eens het bijzondere karakter van de Kesselse vaart en de macht van het gilde.

De Maas (Groote Maes) stroomafwaarts van Roermond (rechtsonder), met op de rechteroever o.a. Asselt (met Asselse Maes) en Swalmen (Swame).

Het loon was inderdaad hoger geweest dan normaal, maar daar stond tegenover dat men van te voren was overeengekomen dat de vlotters in dit geval op eigen buidel moesten eten en drinken. En wat betreft het laag water dat nu (God betere het) een tijdlang de vaart bemoeilijkte, dat kwam wel meer voor. Op de acht stuivers hadden ze van ouds recht, omdat zij vanwege het cleyn water tot Asselt hun moeten ontkleyden, ende tsamender handt van d'een vhaert op d'ander malcanderen helpen ende somtijts dry off vier uhren extraordinarie (abnormaal hard) mitten nackten lijve het holt met knyen ende stucken duer in de diepte met vorcken huffen, draghen, sleypen ende dringhen weer vlot moesten proberen te krijgen. Volgens de nieuwe ambtsbrieven uit 1658 bedroeg dit schouwergelt veertig jaar later nog slechts drie stuivers.

De Maas bij Asselt. Detail van de Ferrariskaart, 1777.Houtvlot op de Vecht bij Nieuwersluis, begin 18e eeuw.

Van hun snerende opmerkingen over een lamme en kreupele bemanning konden de vlotters zich niets meer herinneren. Ze moesten wel toegeven dat er onder hun gilde enige bedaechde alde mannen waren, die echter door hun ervaring bij het draaien en keren vaak effectiever werkten dan een jongeman met kracht en geweld. Deze mannen moesten gewoon op hun beurt wachten als ieder ander en werden als van ouds gebruikelijk gerot en ingedeeld daermit men hun den mont niet levendich en sluyte, daarbij overwegend dat alde voyrluyden die beste weghwijsers sijn. De gebroeders To Putt benadrukten slechts dat zij als houthandelaren dezelfde verplichtingen wensten te hebben als andere kooplieden. Dat betekende dat ze voorbij Beesel niet gedwongen wilden worden om van de diensten van de huurvaarders gebruik te maken. Wilden ze de vlotters verder huren dan tot Beesel, te weten tot Kessel, dan wensten ze zelf vanaf Beesel het aantal vast te stellen zonder gebonden te zijn aan de grootte van de voorafgaande bemanning.

Houtvlotten op de Merwede in de Biesbosch, ca. 1775.

Een Rijnvlot na aankomst te Dordrecht, ca. 1800.Uit het voorafgaande mag blijken dat voor veel huurvaarders de reis bij Beesel erop zat. Sommigen overnachtten eerst nog in de herberg in Beesel-Ouddorp, weesende eene herberghe alwaer de huyrvaerders van dese stadt gewoon sijn aen te gaen. In het voorjaar van 1711 spande Catharina Simons, dienstmeid bij herbergier Geurt Quyten, bij de kerkelijke rechtbank in Roermond een proces aan tegen Wilhelmus van Hinghen, een van de huurvaarders. Tijdens een koude nacht had zij, omdat het boven te koud was, op aanraden van de herbergier in een kamer bij enkele huurvaarders geslapen. Kennelijk had ze het niet lang meer koud gehad...

Vanaf Ouddorp probeerden de huurvaarders uiteraard allereerst een schip te vinden dat via het lijnpad richting Roermond ging. De meesten begaven zich echter via de kortste weg terug naar Roermond om daar bij de Stenen Brug op nieuw werk te wachten. Het zal niemand verbazen dat hun route dwars door de landerijen en bossen liep, via Rijkel, Wieler en Middelhoven. Mogelijk maakten ook anderen gebruik van deze verbinding. Zo moest Goert Kremers, pachter van de Kloostershof te Swalmen-Middelhoven, in 1535 de oogst toe Rykell voren off op die Maese, waer dat cloester wyll. Op het eind van de 18e eeuw werd er in Beesel kennelijk wel sporadisch gelost en geladen. Op de Smaberskaart wordt vermeld dat de weg langs Geurt Claessen naar de Maas vanwege de toegang tot de laedinge der scheepen openbaar werd gemaakt ter breedte van een roede.

Het huurvaarderspad tussen Beesel-Ouddorp en de Vreeberg. J.J. Smabers, 1781.

Als overslagplaats heeft Beesel waarschijnlijk nooit veel betekend, ondanks de ligging direct langs de Maas. Dit was mede het gevolg van de stapeldwang die door Roermond werd opgeëist en met hoge boetes werd afgedwongen. Toen landmeter Smabers het huurvaarderspad rond 1781 intekende, behoorden de grote houttransporten reeds lang tot de verleden tijd. In de geraadpleegde stukken ontbreken gegevens na circa 1710. Langzaam raakte het pad, en daarmee ook het verhaal van de huurvaarders, in vergetelheid. In de wegenlijst van 1843 wordt vermeld dat het Huurvaderspat vervallen was. De foutieve schrijfwijze geeft al aan dat de benaming niets meer betekende voor de schrijver. In de decennia erna raakte ook de benaming in onbruik. Niets herinnerde meer aan de houtvlotten.

Het huurvaarderspad tussen de Vreeberg en grens met Swalmen. J.J. Smabers, 1781.

Slechts dankzij de vermelding op de oude kaarten uit 1781 en een uitgebreide studie naar de huurvaarders werd het Huurvaarderspad in een artikel in 1987 weer tot leven gewekt. Tussen Beesel en Rijkel is het pad nog over een korte afstand te volgen. In Swalmen liep het pad via Wieler en het bruggetje bij kasteelruïne Naborch naar Asselt. Via de Sieperhof, de Vuilbemden en de Gebrande Wijer tussen Maasniel en Leeuwen liep het pad verder naar Roermond. Op een kaart van Maasniel en Leeuwen uit 1786 wordt het huurvaarderspad nog met naam genoemd.

In Beesel is een klein gedeelte van het huurvaarderspad tegenwoordig opgenomen in een wandelroute. Deze korte wandeling werd op 15 maart 2011 uitgeroepen als winnaar van de zogenaamde Ommetjesprijsvraag, die werd georganiseerd door de Provincie Limburg en de Stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen (IKL). Het 'ommetje' werd op 23 september 2012 officieel in gebruik genomen.

Het huurvaarderspad bij de Vreeberg te Beesel. Foto: Loe Giesen.

De wandeling biedt o.a. uitzicht op windmolen De Grauwe Beer, die oorspronkelijk in het begin van de 17e eeuw werd gebouwd als houtzaagmolen in de Zaanstreek. En zo komen heden en verleden toch weer bij elkaar...

 

 
 

(c) Loe Giesen, Reuver 1987-2013.

Loe Giesen: Beesel als schakel in de houtvaart. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 7 (Beesel, 1987, ISBN 90 70717 08 5), blz. 65-82. Deze webpagina is een uitgebreide en geactualiseerde versie van dit artikel.

 
Trefwoorden: huurvaart huurvaarder houtvlot vlotterij houtvaart houthandel radeau radeaux de bois radelage radeleur flottage flotteur pikhaak croc trein train Flößerei Floß Waldfloß Flößen Flößer Holländerfloß timber driving lumber driving raftsmen maderada

 

GASTENBOEK