De Sint Dionysiuskerk te Asselt - Toponiemen in Swalmen en Asselt
 
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z

Foto: Loe Giesen, 2013.

Dit webartikel beschijft de geschiedenis van de Dionysiuskerk te Asselt, een zeer geliefde locatie voor o.a. trouw- en doopplechtigheden. Neem voor dit doel contact op met de Parochie van de Heilige Dionysius - Eindweg 2 - 6071 NX Swalmen - tel. 0475 501 501.

Foto: Loe Giesen

Ligging

Foto: Google Maps / AHNDe kerk van de parochie van de H. Dionysius te Asselt, ook wel romantisch Rozenkerkje genoemd, ligt op een kleine hoogte langs de oostoever van de Maas. De situatie zoals we die nu kennen, bestaat al enkele eeuwen. Toch moet het landschap hier door de jaren heen vrij ingrijpend zijn veranderd. De schurende werking van het Maaswater veranderde de loop van de rivier voortdurend en ook de omgeving van Asselt kon zich hieraan niet onttrekken.

Tegenwoordig ligt het kerkje op een soort terp, maar het is nog maar de vraag of dit altijd zo is geweest. De hoogtekaart van dit gebied laat duidelijk zien dat voor de locatie van het kerkje werd gekozen voor de uiterste punt van een natuurlijke hoogte. De weg die tegenwoordig tussen het kerkje en het tegenovergelegen museum loopt, is een latere doorsnijding. Waarschijnlijk werd deze weg aangelegd nadat een meer westelijke route onmogelijk werd nadat de Maas hier alle grond had meegenomen. Asselt bestaat nu weliswaar vooral uit een soort lintbebouwing aan één zijde van de Maas, maar dat was niet altijd zo...

RHLC, kaartenverzameling 57.1De oudste afbeelding van de kerk staat op een anonieme en ongedateerde kaart uit vermoedelijk het midden van de 16e eeuw. Het probleem met zulke kaarten is helaas dat niet altijd duidelijk is hoe betrouwbaar ze zijn. Op de kaart zien we echter een klein kerkje met daarachter twee rijen huizen aan weerszijden van een weg. De woningen aan de westzijde, dus langs de Maasoever, verdwenen later allemaal in de golven en alleen de woningen aan de oostzijde van de weg bleven gespaard.

Foto (c) Loe Giesen, 2012.

Bouwgeschiedenis

Foto: Loe GiesenDe bouwgeschiedenis van een oud kerkje zoals dat van Asselt laat zich niet gemakkelijk beschrijven. De historische bronnen zijn beperkt en de gegevens verkregen door archeologisch en bouwkundig onderzoek zijn niet altijd even eenduidig, veel is in het verleden - bewust of onbewust - geromantiseerd en vervormd.

De oudste vorm zoals we die nu nog gedeeltelijk kunnen herkennen bestaat uit een eenvoudig zaalkerkje, opgetrokken uit maaskeien. Deze waren hier langs de oevers van de Maas ruim voorradig en ook ploegende boeren waren ze liever kwijt dan rijk. De hoeken van het zaalkerkje werden versterkt met grote blokken kolenzandsteen en tufsteen, materiaal dat van verder weg moet zijn aangevoerd. Deze bouwmaterialen werden ook gebruikt voor bijvoorbeeld de 13e-eeuwse woontoren van de Oudenborg bij Herten en de oudste stadsmuren van Maastricht waren eveneens van kolenzandsteen. Rechthoekige uitsparingen in sommige van de grote hoekstenen lijken te wijzen op hergebruik, omdat deze uitsparingen geen enkele functie hebben. Maar in de muren zien we ook andere materialen, zoals oude mortel en stukken van Romeinse tegulae.

Het kerkje rond 1916 (naar Dr. J. Sassen, 1917)Hoewel het voor de hand ligt dat de Asselter kerk nauw was verbonden met de Asselterhof als centrum van de heerlijkheid Asselt (vermoedelijk was het kerkje ooit een zogenaamde eigenkerk), zijn documenten die dit vermoeden ondersteunen zeldzaam. In 1492 bepaalde Willem van Vlodrop, naast erfvoogd van Roermond en drossaard van Montfort tevens eigenaar van de Asselterhof, bij testament dat de kerk van Asselt 20 guldens zou ontvangen tot onderhoud van de kerk; tevens schonk hij een hoeveelheid reubzaad om de godslamp in de kerk brandend te houden. Deze was gesticht door zijn vader.
Willem van Vlodrop was gehuwd met Cecilia van Hamal en Elderen, die hem - als weduwe - opvolgde als drost van Echt. Hier leeft zij nog steeds voort als de legendarische "juffrouw zonder kop". Zonder kop? Jawel, maar daar komen we nog op terug...

Een nieuwe toren

Op 25 oktober 1562 verklaarden Arnt Schinck van Nydechen, heer te Hillenraad, Asselt en Swalmen, Derick van Oest, Nijss Custer en verdere schepenen van de dingbank van Asselt en Swalmen, dat Coert Phebus en Maess Lindemanss, kerkmeesters van het godshuis en de parochiekerk van Asselt, hadden verklaard dat zij van Jan Mews, burger te Roermond, en diens vrouw Marie van Soemeren een bedrag van 100 Joachimsdaalders hadden ontvangen waarmee zij het godshuis, dat "nedergefallen" was, weer hadden laten "tymmeren ind maicken". De geldschieter, Johan Meus of Mevis, was in 1554 schepen van Swalmen en Asselt, in 1555 tollenaar van Asselt en volgens huwelijksvoorwaarden van 1557 woonde hij toen ook nog in Asselt. Het behoud en herstel van het kerkje ging hem wellicht aan het hart.

Foto ca. 1915De kerk werd dus in het midden van de 16e eeuw gerestaureerd. Aanleiding hiervoor was het instorten van de toren aan de westzijde, vermoedelijk als gevolg van uitspoeling door wassend water of kruiend ijs. Doordat een gedeelte van de hoogte waarop de kerk was gebouwd was weggeslagen, werd besloten om de toren te herbouwen aan de oostzijde, tegen het koor aan. Door deze keuze kreeg het kerkje een geheel nieuw aanzien. De toren werd, in tegenstelling tot de rest van de kerk, opgetrokken uit baksteen. Onder in de toren, die geen doorgang bood voor kerkbezoekers, was geruime tijd de sacristie.

Volgens de folklorist D.J. Van der Ven (1948) bevonden zich in de toren jaarankers die het jaartal 1555 aangaven. Deze ankers zouden zijn verdwenen bij de restauratie door Pierre Cuypers in 1916-1920. Ook noemt hij rekeningen uit 1562 waaruit zou blijken dat de terp toen werd versterkt, het schip werd hersteld en de nieuwe toren werd gebouwd.

De heilige Sint Dionysius

Foto: Loe Giesen Het kerkje van Asselt is gewijd aan Dionysius van Parijs, niet te verwarren met Dionysius de Areopagiet. Wanneer en waarom de heilige Sint Dionysius werd gekozen als patroon van het kerkje is niet met zekerheid bekend. Vermeldingen van de Parijse martelaar met betrekking tot de Asselter kerk van vóór de 17e eeuw ontbreken echter en dat op zichzelf is al vreemd.

Er lijkt een verband te bestaan met de familie Schellaert van Obbendorf, heren van o.a. Schinnen, die via een huwelijk in 1510 de familie Van Vlodrop waren opgevolgd als heren van de heerlijkheid Asselt. Opmerkelijk is dat de H. Dionysius, samen met de H. Gertrudis, ook van oudsher was verbonden aan de heren van Schinnen. Zou de trieste geschiedenis van Cecilia van Hamal - de juffrouw zonder kop - hieraan ten grondslag liggen?

Foto: Loe GiesenEen van de kerkklokken draagt het opschrift SANCTUS DIONYSIUS, PATRON. ECCLESIE ASSELI ANNO DOMINI 1622. In dat jaar overleed Ursula Scheffaert de Merode, weduwe van Johan Schellaert van Obbendorf (1564-1616), in leven heer van Gürtzenich en eigenaar van de Asselterhof, gelegen tegenover het kerkje. Waarschijnlijk is het overlijden van haar moeder de aanleiding geweest voor haar dochter Albertina Ursula Schellaert van Obbendorf om de klok te schenken. Oudere klokken zijn voor Asselt niet bekend. Wel was er in 1930 nog een in 1790 gegoten Mariaklok.

Op oude foto's van vóór de restauratie door Pierre Cuypers zien we dat het beeld van Dionysius niet altijd op de huidige plaats boven de ingang heeft gestaan. Op deze foto's zien we duidelijk een andere, witte figuur in de nis. Volgens Van der Ven (1948) was dit een beeldje van O.L. Vrouwe en stond het beeldje van Dionysius eerder in een nis in de muur die beneden rond de kerk loopt. Helaas bevatten de oudste foto's van het kerkje onvoldoende detail om te zien wat zich achter de tralies van deze laatste nis bevond. Maar ook indien we met zekerheid zouden kunnen vaststellen dat het Dionysiusbeeld zich daar bevond in het begin van de 20e eeuw, hoeft dit niet te betekenen dat het beeld daar altijd stond. Zo zien we in de loop van de 19e dat de H. Cornelius, beschermheilige van het hoornvee, de aan hem gewijde kapel bij het Reuverse gehucht Ronckenstein kwijtraakte door de opkomende Mariaverering. Iets dergelijks overkwam wellicht ook de H. Dionysius, van wie overigens ook een aardig schilderij binnen in de kerk hangt.

Asselt wordt een kapelanie

Op 6 mei 1700 werd vanwege de afstand naar Swalmen in de kerk van Asselt een vice-patronaat en kapelanie gesticht, waarvan de heer van kasteel Hillenraad het patronaatsrecht kreeg. De bediening zou plaatsvinden vanuit Swalmen. De inkomsten voor dit officie waren afkomstig van o.a. de altaren van de heilige Agnes en Catharina in Asselt, van de H. Maagd Maria in de kerk van Swalmen, de stichtingen van Agnes van Asselt, Johan Quiten en Aquarius alsmede van de Sint Sebastianusbroederschap in Asselt. Rutgerus Janssens werd rector van het St.-Catharina altaar.

Smabers, 1774Godefridus Ruytsen, later pastoor van Herten, was in de jaren 1619-1625 rector van het Sint Catharina altaar.
Volgens de kerkvisitatie van 1677 was Jacobus Smits, kapelaan te Elmpt, toen verbonden aan het Sint Catharina altaar, terwijl Michael Hergraven vanaf 1671 het officie van het Sint Agnes altaar bezat.

 

 

 

 

De Sacramentsprocessie en de Bronk

Net als in tal van andere plaatsen werd (en wordt) in Asselt jaarlijks een Sacramentsprocessie gehouden, een kerkelijk feest waarbij de hele dorpsgemeenschap werd betrokken om de straten en huizen te versieren. Dat gold ook voor de plaatselijke jonkheid, die waarschijnlijk, net als in veel andere dorpen, bestond uit de ongetrouwde mannen vanaf een jaar of twaalf. De jongelingen hielpen o.a. bij het versieren van kaarsen. Sommigen van hen grepen het feest echter aan om zich tot in de late uurtjes 'voor te bereiden'. Tijdens het voogdgeding van 11 juni 1771 klaagde de scholtis van Swalmen en Asselt "dat de bronckers tot Asselt met het schoon maecken van hunne keerse de geheele nacht doorbrengen". De bestuurders besloten daarop "dat de bronckers tot Asselt in toecomende de keerse voor den negen uhren 's avonts in de kercke stellen" op straffe van een ducaat boete "waervoor de ouders voor hunne kinderen en de meesters voor hunne dienstboden sullen instaen". Erg veel haalde dit besluit waarschijnlijk niet uit en het gedrag van de opgeschoten Asselter jeugd zou nog vaker aanleiding geven tot klachten.

De Sacramentsprocessie zou in de vroege 20e eeuw nog een grote opleving beleven, met een hoogtepunt in de 1930er jaren. In juni 1937 deed pastoor Pinckers zelfs in de regionale dagbladen een beroep op alle eigenaren van land langs de Maas, van de stuw te Roermond tot aan den Olieberg te Beesel, om de jeugd hier bloemen te laten plukken voor de jaarlijkse Sacramentsprocessie.

Sloopplannen

Met name door hoog water had de kerk veel te lijden. De waterstanden van bijvoorbeeld 1643, 1740 en 1799 waren ronduit desastreus voor de toestand waarin de kerk verkeerde. Muurwerk en hout werden aangetast, temeer daar het water zowel rondom als binnen de kerk stond. Een notitie uit 1806 beschrijft: "De Eerwaarde Heer Cloquet, pastoor alhier, heeft de permissie van Luik gehad om de kerk van Asselt te laten afbreken, de arbeiders waren reeds besteld. Echter op den bestemden tijd kon hij er niet toe overgaan."

Uit de Belgische Tijd (1830-1839) is weinig bekend over het kerkje. Wel weten we dat Asselt in 1834 een eigen rectoraat kreeg. Onder Belgische bewind lukten voor enkele kleine dorpsgemeenschappen in onze omgeving enkele zaken die eerder niet gelukt waren. Ook de St.-Lambertusparochie in Reuver werd in 1834 zelfstandig, waarmee het dorp kerkelijk werd afgescheiden van de St.-Gertrudisparochie in Beesel. Maar we dwalen af. Na een Oostenrijkse, Franse en Belgische periode werd Asselt in 1839 weer Nederlands.
Op 11 juli 1846 gaf koning Willem II toestemming om het vervallen gebouw te slopen en een geheel nieuwe kerk te bouwen. Gelukkig werd geen gebruik gemaakt van deze sloopvergunning en in 1851 werd de kerk opnieuw hersteld. Alle reparaties konden echter niet voorkomen dat het gebouw rond 1900 werd afgevoerd van de lijst van beschermde monumenten. Het zag er niet goed uit voor het oude kerkje...

Foto (c) Loe Giesen, 2012.

Toch trok het kerkje intussen ook landelijk de aandacht. Zo nam de architect Herman van der Kloot Meijburg, hoofdleraar aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, een afbeelding met begeleidende tekst op in zijn in 1912 gepubliceerd boek 'Onze oude dorpskerken - tachtig schetsen van dorpskerken in Nederland.'

Uit: H. van der Kloot Meijburg, Onze oude dorpskerken.

"Het kerkje vertoont sporen van herhaalde veranderingen", zo stelde Van der Kloot Meijburg vast, "het schip, blijkbaar het oudst, is ogetrokken van zeer onregelmatige stukken breuksteen, die ten deele overpleisterd zijn. Het vierkante koor, dat aan zetting onderhevig schijnt, is ten deele van breuksteen, ten deele van baksteen met natuursteen afgewisseld. Zware, lage steunberen uit later tijd schragen dit gedeelte. De toren, waarin zoowel rondboog- als spitsboogopeningen zijn aangebracht, is bijna geheel van baksteen."

Pastoor Pinckers en de restauratie door Pierre Cuypers (1916-1920)

Pierre Cuypers in 1917.Toen rector Pinckers in september 1915 vanuit Vroenhoven naar Asselt kwam, trof hij daar een oud en vervallen kerkje aan. Pinckers was echter niet de eerste die begaan was met het lot van het kerkje. Zo was zijn voorganger, de in 1911 benoemde en in Maastricht geboren rector Petrus Johannes Hubertus Conraedts, al in 1914 in gesprek met bouwmeester Pierre Cuypers en historicus Alexander Franciscus van Beurden. Samen verzorgden zij in juli 1914 een rondleiding voor het Genealogisch-Heraldiek Genootschap 'De Nederlandsche Leeuw', waarbij o.a. werd gewezen op de aanwezigheid van het vele Romeinse bouwmateriaal in de muren. In het fotoarchief van Spaarnestad bevindt zich een foto van Asselt uit 1914 met daarop een geestelijke die poseert voor een doorgebroken opening, vermoedelijk de nieuwe ingang van de kerk. Dit zou kunnen betekenen dat niet Pinckers maar zijn voorganger Conraedts de aanzet gaf tot de restauratie van de Dionysiuskerk. Hoe het ook zij, in september 1915 werd Conraedts overgeplaatst naar Speckholzerheide, waar hij kapelaan werd. Toch behield hij zijn interesse voor Asselt. In juli 1917 publiceerde hij nog een artikel over Asselt waaruit een grote belangstelling blijkt. Hij overleed op 31 oktober 1918 in zijn geboorteplaats Maastricht, slechts 42 jaar oud.

Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Voordat Cuypers aan de slag ging, werd de kerk gelukkig van diverse kanten gefotografeerd en op 28 december 1915 werd ze tevens opgemeten, zodat we vrij goed weten hoe het gebouw eruit zag voor de verbouwing. Daarnaast helpen ooggetuigenverslagen, zoals dat van Conraedts uit 1917, om ons een beeld te vormen. "Wat het oude kerkgebouw van vóór de restauratie betreft, ook dat was van hooge oudheid", aldus Conraedts. "Zij die het nog hebben gekend, weten, dat het inwendig verdeeld was in een langwerpig vierkant schip, dat door een vlakke houtzoldering was afgedekt en een rechtlijnig afgesloten koor, dat een later gewelf had in mergelsteen, dat in de laatste jaren dreigde in te vallen."

Foto ca. 1916Nevenstaande foto van het kerkje werd gemaakt vóór aanvang van de omvangrijke herstel- en uitbreidingswerkzaamheden. Dit kerkje zou tussen 1916 en 1920 plaats maken voor een creatie van pastoor Jean Pinckers en de hoogbejaarde architect Pierre Cuypers (1827-1921). We zien hier nog de oude vorm: achteraan het oude zaalkerkje met daarvoor wat eerder het koor moet zijn geweest. Helemaal vooraan de toren, die in het midden van de 16e eeuw werd gebouwd ter vervanging van de ingestorte toren aan de andere zijde van het kerkje.

In de hoofdbeuk zien we slechts één zijraam waar zich nu drie ramen bevinden. Boven op zolder een klein raampje, waarschijnlijk een latere toevoeging die bij de restauratie weer ongedaan werd gemaakt. Ook de eenvoudige muurankers werden toen verwijderd. Tevens werden middenschip en koor iets hoger gemaakt door Cuypers.

Op de gescheurde muren de restanten van oud pleisterwerk. Het ligt voor de hand dat het kerkje op enig moment wit was en schitterde in de zon zoals we dat zien op de tekening van Pieter Adrianus Schipperus (1883). Op de eenvoudige schilddaken prijken nog geen dakkapellen.

Pieter Adrianus Schipperus: Asselt (1883)

De ingang van het kerkje werd door Cuypers verplaatst naar de toren, waar eerder de sacristie was. De oude ingang aan de noordzijde verloor daardoor zijn functie en werd dichtgemetseld. Dit moet zijn gebeurd na 1919, getuige een foto waarop we het nét gerestaureerde doopvont zien door een nog open zijingang. Voor het dichtmaken van de doorgang gebruikte de architect opnieuw bouwmateriaal met een historisch tintje.

Foto: Loe Giesen

Foto: Loe GiesenDe dichtgemetselde doorgang staat in de volksmond bekend staat als het Noormannenpoortje. Het verhaal luidt dat de mensen bij het verlaten van het kerkje het hoofd moesten buigen - om zich niet te stoten - en daarmee hun eer betoonden aan de goden van de Noormannen. Een variant van dit verhaal vertelt dat het juist de Noormannen waren die bij het binnengaan hun hoofd moesten buigen. Hoe het ook zij, het poortje dateert natuurlijk van lang na de tijd van de Noormannen, maar in de romantische 19e eeuw en vroeg 20e eeuw was er altijd wel een luisterend oor te vinden voor dit soort volksverhalen.
De foto links werd gemaakt nadat een houten portiekje was gesloopt, dat de oude ingang aan het oog onttrok. Bij het dichtmetselen van de doorgang werden Romeinse bouwresten gebruikt, waaronder een dakpan of tegula en een ronde tegel zoals deze, op elkaar gestapeld, werden gebruikt voor een hypocaustum of vloerverwarming.

http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/afbeelding/20025920

Op deze foto uit 1915 zien we de noordzijde, een kant die minder vaak werd gefotografeerd, wellicht ook vanwege de minder gunstige lichtomstandigheden. We zien hier dat het Noormannenpoortje toen nog was voorzien van een eenvoudig houten voorportaaltje. Rechts daarvan zien we zogenaamde speklagen: afwisselende lagen van baksteen en natuursteen (waarschijnlijk mergel). Als we goed kijken, zien we dat de natuursteenlagen worden afgewisseld door telkens drie lagen baksteen. Dat wijst op een verbouwing in de 16e of 17e eeuw; in de 18e en 19e eeuw liep het aantal baksteenlagen op tot zeven of acht. Toen in het midden van de 16e eeuw niet alleen de toren instortte, maar ook een gedeelte van het middenschip, bleven de speklagen achter als stille getuigen van dit herstel (vergelijk ook de Salviuskerk in Limbricht voor een vergelijkbaar mengsel van bouwstijlen en -materialen). Cuypers was echter geen architect die hield van bouwsporen en wég gingen de speklagen.

Romeins bouwmateriaal treffen we ook aan in de oostgevel van het oorspronkelijke koor, waar in de 16e eeuw de toren tegenaan werd gebouwd. Met name de ronde hypocaustumtegels vallen hier weer op: links en rechts van de toren zien we drie rijen met de tegeltjes die ooit de holle vloer droegen waarlangs de Romeinen hun huis verwarmden. Op de foto's van vóór de verbouwing is niet duidelijk te zien of deze versiering toen ook al aanwezig was en we mogen niet uitsluiten dat we kijken naar een van pastoor Pinckers' pogingen om 'zijn' kerkje te romantiseren en romaniseren.

Foto: Loe Giesen

Foto: Loe GiesenOok de toren, opgetrokken in drie geledingen, zag er vroeger anders uit dan tegenwoordig. Vermoedelijk was het rector Conraedts die - al dan niet in samenspraak met Cuypers - in 1914 kennelijk een opening maakte in de oostgevel, zoals te zien in onderstaande afbeelding. Maar kennelijk werd deze opening toch weer vrij snel dichtgemetseld. Cuypers wilde de toren in 1916 hoger optrekken en bekleden met maaskeien, maar de Rijksdienst voor Monumentenzorg gaf hiervoor geen toestemming. Dankzij dit besluit bleef de toren goed herkenbaar als een latere toevoeging.

Dit wil niet zeggen dat Cuypers de toren ongewijzigd liet. De dichte ramen werden opengemaakt en voorzien van extra ribben. Een kleine aanbouw aan de oostzijde - zichtbaar op de tekening uit 1912 en de foto uit ca. 1915 - werd gesloopt. En kijk ook nog eens terug naar de manier waarop architect Van der Kloot Meijburg de zijramen in de toren intekende in 1912.

Foto ca. 1920De witgepleisterde oostgevel van de toren is een klein beetje zichtbaar op bovenstaande foto uit 1915. We zien nog geen ingang en ook geen nis. Tegen de gevel prijkt een kruisbeeld, zodat de groet van de bijganger niet verloren gaat. In het dichtgezette raam in de voorgevel van de toren zien we een eenvoudig uurwerk met dichte wijzerplaat. Ook deze liet Cuypers verdwijnen.

Boven de galmgaten werd een nieuwe, open wijzerplaat gemonteerd die in een latere fase naar de met leien gedekte torenspits verhuisde. Bij de vernieuwing van deze spits werd tevens een kleine dakkapel toegevoegd aan de voorzijde. De galmgaten zouden later nog eens worden vergroot. En nu we toch aan het kijken en vergelijken zijn: daar boven de ingang op nevenstaande foto, is dat de H. Dionysius? Maar waarom zit er dan een hoofd boven op dat witte lijf? Nee hoor, dat is gewoon een Mariabeeld!

Deze niet-gedateerde foto werd overigens gemaakt door Cornelis Gijsbertus Weers, hoffotograaf te Roermond, die in 1935 overleed in Maastricht.

 

De duidelijkste wijzigingen bracht Cuypers aan aan de westzijde, waar eerder de oorspronkelijke toren had gestaan. Vergelijking met de foto van ca. 1915 laat zien dat voor deze uitbreiding de 'terp' moest worden vergroot. Cuypers voegde aan de achterzijde van het kerkje een nieuw priesterkoor toe met links en rechts daarvan een sacristie en kinderkapel. Hij gaf daarmee het godshuis een bijna kasteelachtig uiterlijk, inclusief twee traptorens. Een ervan leidt vanuit de kinderkapel naar het privékoor van de grafelijke familie, een voorrecht dat de eigenaren van kasteel Hillenraad in 1922 kregen in ruil voor bruikleen van het museum (d.w.z. het voormalige koets- en bakhuis van de Asselterhof).

Toen architect Cuypers in 1918 klaar was met de verbouwing, was hij 91 jaar. Met de Graeterhof in Swalmen-Boukoul rond 1857 had hij een van zijn vroegste opdrachten, met de Dionysiuskerk een van zijn laatste.

 

De doopvont

De doopvont van Asselt dateert mogelijk uit de 10e eeuw of 11e eeuw en vormt een belangrijk argument in de discussie over de ouderdom van het kerkje. Het doopbekken werd - mogelijk tijdens het instorten van de toren in de 16e eeuw - verwoest. Toch prijkt het nu weer in het kerkje. Dat behoeft enige uitleg.

Foto's: Loe Giesen

Godefridus Ruytsen, pastoor van Herten en vermoedelijk zelf afkomstig uit Swalmen of Asselt, wist in het midden van de 17e eeuw te vertellen dat in zijn jaren als rector van het Sint Catharina altaar (1619-1625) nog alleen de voet van het doopvont aanwezig was. De overige brokstukken waren spoorloos.

Het gerestaureerde doopvont door een nog niet dichtgemetseld Noormannenpoortje, vermoedelijk 1919 (D.J. van der Ven)Deze kwamen pas in 1898 door groot toeval weer aan het licht. Een gedeelte van de kerk van Tegelen brandde toen af en voordat kon worden begonnen met de wederopbouw, moesten eerst de fundamenten worden vernieuwd. Bij het uitbreken van de oude fundering trof de Tegelse rector Jos Moubis 33 brokstukken aan die hem bijzonder leken. Hij legde ze apart en ze leken opnieuw vergeten tot de Duitse cultuurhistoricus Dr Ferdinand Hestermann (1878- 1959) een bezoek bracht aan Moubis in het kader van een onderzoek naar oude doopvonten in het Rijnland en directe omgeving. Hij wist van de verdwenen doopvont van Asselt en bracht beide zaken met elkaar in verband. Rijksarchivaris Willem Goossens uit Maastricht en bouwmeester Pierre Cuypers werden erbij gehaald en na uitgebreid onderzoek kwamen ze gezamenlijk tot de slotsom dat de verloren gewaande doopvont teruggevonden was. Ook pastoor Pinckers was intussen op de hoogte en tijdens een ziekte van Moubis werden de brokstukken - vermoedelijk zonder diens toestemming of medeweten - door koster Piet Loven vanuit Tegelen naar Asselt gebracht. Latere protesten van de Tegelse rector mochten niet baten: Pinckers had weer eens laten zien dat hij voor het vervolmaken van 'zijn' Asselt niet altijd de diplomatieke weg bewandelde.

Foto: Loe GiesenIn de Maas- en Roerbode van 8 november 1919 lezen we: "De inwendige restauratie van ons kerkje is nu bijna voltooid. De verloren oude doopvont bleek gedeeltelijk terecht gekomen in de fundamenten van de kerk te Tegelen en is aldaar teruggevonden in 33 stukken. Rector Pinckers heeft ze kunnen uithalen en in Steijl restaureeren door den beeldhouwer K. Lücker. Ze prijken nu weer op haar oude en oudste voetstuk. Met de hernieuwing der missie van 18-23 Nov. e.k. zal ze plechtig worden ingezegend. De schildering der kerk is ook af, alleen moeten nog dezen winter worden de retabels der altaren volgens reeds goedgekeurde teekening. Thans gaat men beginnen met de restauratie van de crypte, waarin J. Toorop zal kunnen vereeuwigen de verheerlijking van het H. Aanschijn bij Zijn Heilig Graf."

Het doopvont, gemaakt van Naamse steen, bestaat uit een versierd doopbekken gedragen door een centrale ronde zuil en op iedere hoek een cilinder steunend op een monsterachtig hoofd. De maten van een doopvont werden al vroeg vastgelegd in diverse synoden (kerkelijke vergadering). Hoogte en buitendiameter bedroegen gewoonlijk ca. 90 cm. Vanwege de dikte van de laag kolenzandsteen waaruit de blokken werden vervaardigd (zo'n 60 cm), was een doopvont opgebouwd uit meerdere delen.

Foto: Loe Giesen

Het doopbekken van Asselt is versierd met een afbeelding van een levensboom die ontspringt uit de mond van een hoofd in de aarde. Aan de ranken (zogenaamde palmetten), die wellicht het Oude en Nieuwe Testament verbeelden, zien we geopende granaatappels, vanwege de vele zaadjes symbool van heil en vruchtbaarheid. Op doopbekkens zien we ook wel wijnranken met druiventrossen, die in dat geval een vergelijkbare betekenis hebben ("Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken", Joh. 15:5). De afbeelding en de vorm van het doopvont hebben stylistisch enige gelijkenis met bijvoorbeeld het doopvont van Lichtervelde (B), dat eveneens wordt gedateerd in de 11e of 12e eeuw.

M. Schönlank-van der Wal, Middeleeuwse doopvonten in Limburg, in: De Maasgouw 188 (1999)

 

Een nieuw interieur

Asselt, interieur ca. 1920De veranderingen door Cuypers beperkten zich niet tot de buitenkant; ook het interieur kreeg een volledige facelift. Daarbij riep Cuypers de hulp in van enkele andere kunstenaars, zoals Joseph Lommen, die in Antwerpen had gestudeerd en rond 1880 in Roermond een eigen bedrijf was gestart dat zich specialiseerde in het vervaardigen van en handelen in kerkschilderingen, gepolychromeerde heiligenbeelden en kruiswegen. Lommen werkte geregeld nauw samen met Cuypers. Intussen had Pinckers ook de jonge vrouwen en meisjes in zijn parochie aan het werk gezet. Zij startten in 1918 met de vervaardiging van gobelins, vloerkleden, lopers en een conopeum (baldakijn) voor het tabernakel.

Een heel andere wind waaide uit de richting van de jonge Henriëtte Willebeek Lemair (1889-1966), die al op haar 15e haar eerste kinderboek (Premières Dondes Enfantines) publiceerde. Toen ze in 1919 betrokken raakte bij het kerkje van Asselt, had ze al een internationale reputatie opgebouwd als illustrator van Engelstalige kinderboeken. Hoe de jonge kunstenares aan de opdracht kwam en hoe zij in contact kwam met de rector (of wellicht graaf Herman Wolff Metternich?) is niet bekend. Mogelijk geven de dagboeken van Pinckers echter een antwoord op deze vraag.

De schilder Willy van Schoonhoven van Beurden, een geboren Roermondenaar die naar Laren was verhuisd, schreef in 1920: "Het moeten wel kunstenaars zijn, doortrokken van den geest van het katholieke geloof, die dit alles zóó tot een harmonisch Romaansch geheel hebben gebracht.
Er zijn beschilderingen, die uitgevoerd zijn in den Romaanschen stijl door de firma Jos. Lommen en Zn. uit Roermond en er zijn ook beschilderingen in de kinderkapel in laten we noemen modernen stijl door mej. Willebeek Lemair. Een stijl die teekenend is voor den tijd, is eigenlijk van alle tijden.
Een kerk, die gebouwd is in Romaanschen stijl, vraagt noodzakelijk een beschildering in dienzelfden stijl om tot een harmonisch geheel te geraken. Het beschilderen nu van dit kerkje in Asselt was een moeilijk en subtiel werk. Het moest door gevoelige handen geschieden, en dit is geschied. De kunstenaars toch moesten volkomen ingewerkt zijn in den Romaanschen stijl om tot een goed resultaat te komen. Zij moesten den geest van dien stijl doorvoelen, moesten zich daar totaal in verplaatsen en zich er aan geven. Nu zijn deze schilderingen volkomen geslaagd en met grooten eenvoud en piëteit voor het geloof uitgevoerd.
Doopvont en schildering LommenLijn en kleur passen zich volkomen aan bij de architectuur van het gebouwtje en de tijd zal zijn werk doen om er nog grootere fijnheid over te brengen. De lijnen zijn strak, de kleuren vlak.
In 't koor, dat hier eigenlijk aan den tegenovergestelden kant ligt dan de plaats die er volgens de wetten voor is aangegeven, zijn twee tafereelen aangebracht, voorstellende den Mannaregen en het Paaschlam. Op de zijmuren van het koor de onthoofding van den Heiligen Dionysius, eerste patroon der kerk, met een stad op den achtergrond. De ruimte, waarin deze voorstelling is gebracht, was zeer eigenaardig van vorm. Niettegenstaande dit is de schilder erin geslaagd deze decoratief heel goed op te lossen, door de stad aan den horizon. Aan den anderen kant van het koor komt voor een schildering met als hoofdfiguren de tweede patroons der kerk, nl. Petrus en Paulus. Men ziet deze twee Heiligen in de gevangenis, waar een wonder gebeurt. Er springt uit den vloer een bron, waardoor van de andere gevangenen en bewakers, die er met verwonderde gezichten van het water dienst zal doen bij den opstaan.
De bogen zijn gedecoreerd met medaillons, op elken boog vijf. Op den boog aan den koorkant ziet men: Christus in het Sacrament met milde uitdrukking op het edele gelaat. Hieronymus van Weert (martelaar van Gorkum), Norbertus, Juliana van Luik en Lidwina van Schiedam.
Op den boog aan den tegenovergestelden kant komen voor vijf medaillons met voorstellingen van het laatste oordeel.
Het bovenste medaillon: een Christus, in tegenstelling met den vorigen met rechtvaardige, ernstige uitdrukking, verder Maria met rein, vroom gelaat, Johannes; een symbolische voorstelling van een rechtvaardige ziel en een uitbeelding van een verdoemde ziel, waarvan de houding zeer fijn gevoeld is.
Achter de doopvont is de doop van Christus in beeld gebracht.
Foto: Loe Giesen.Dit zijn alle figurale voorstellingen, waaromheen als omlijsting of vulling zeer eenvoudig geometrisch ornament voorkomt: zonder bladmotieven of ranken, waardoor de rust van het ornament volkomen wordt.
In de kapel der kinderen, waarin in tegenstelling met het gedempte licht der kerk een fijn paarszilveren licht hangt, heeft mej. Willebeek Lemair heel fijngevoelde figurale voorstellingen ontworpen en uitgevoerd, die wat stijl betreft heelemaal in onzen tijd thuishooren. In de strakke lijnen en bescheiden mooi tegen elkander afgewogen kleuren voelt men pure rustige vroomheid.
Jammer, dat deze mooie moderne schilderingen in disharmonie komen met al 't overige. Men krijgt hier het gevoel als op sommige tentoonstellingen, waar maar onoordeelkundig allerhande soort schilderijen naast elkander hangen. In een modernen tempel zouden deze werken van mej. Lemair veel meer op hun plaats zijn.
En zoo meen ik, dat het voor iedereen een groote voldoening zal zijn eens een tocht te maken naar dat schilderachtige plekje aan de Maas, naar het kerkje van Asselt."

Foto: Loe Giesen.

De 'smeltende Egyptianiseerende haut reliefs' van Henriëtte Willebeek Lemair komen opnieuw aan de orde in een artikel genaamd 'In het Roermondsche, rondom het kerkje van Asselt', dat Willem Eland in 1929 schreef voor Ons Eigen Tijdschrift. Eland bekeek eerst de plafond- en wandschilderingen van Cuypers' Fabriek voor Kerkelijke Kunst en vond deze 'mat en zonder beteekenis. Cuypers was niet sterk in zijn kleurgeving', aldus de schrijver, die wel Cuypers' verdiensten als bouwmeester roemt.

Heel anders wordt Elands toon als hij de kinderkapel (de 'leering') beschrijft. "Hier zijn lange en zeer lage gotisch-aandoende bankjes, en hier heeft mejuffrouw Willebeek Lemair de ramen mogen van gebrande glazen voorzien en de cementen wanden mogen beschilderen. Dit is roerend werk van haar: mij zeer sympathiek om de vergevorderde lieftalligheid der vormgeving bij een uiterst bescheiden, misschien wel te bescheiden kleur. Helaas schilfert dit werk nu af, terwijl de schilderes zich voortdurend in Engeland bevindt, zoodat dit alles onhersteld blijft, zeer tot verdriet van den heer rector."

Joep NicolasHet werk van Cuypers, Lommen en Willebeek Lemair zou nog een aanvulling krijgen. Kerkschilder Jos Lommen had connecties met het atelier van de Roermondse glazenier Frans Nicolas. Diens veelbelovende kleinzoon Joep Nicolas (1897-1972) kreeg in 1922 opdracht om de nieuwe crypte van het kerkje van Asselt te voorzien van wandschilderingen. Tevens mocht hij een opaline versiering voor het altaar maken plus drie gebrandschilderde glas-in-loodramen. In de toren zien we tegenover elkaar de heilige Catharina en de heilige Henricus (waarschijnlijk niet geheel toevallig de roepnamen van de ouders van opdrachtgever Jean Pinckers). Voor de crypte onder het priesterkoor maakte hij een gebrandschilderd raam met als voorstelling Jesus' graflegging. Bezoeker Van den Eeckhout schreef in 1930 dat zich ook beneden in de toren een schildering van Nicolas bevond, maar hij doelde hiermee kennelijk op de crypte.

Eerder lazen we in een krantenbericht dat er in november 1919 kennelijk plannen waren om de beschildering in de crypte te laten vervaardigen door Jan Toorop, met als onderwerp De verheerlijking van het H. Aanschijn bij Zijn Heilig Graf. Helaas weten we niet waarom Toorop uiteindelijk toch niet in Asselt aan het werk ging.
Hoe het ook zij, in 1922 (een artikel noemt Aswoensdag), ging Joep Nicolas aan de slag in de donkere crypte.

In de zomer van datzelfde jaar 1922 ontmoette Nicolas tijdens een partijtje tennis de Belgische beeldhouwster Suzanne Nijs; zij zouden twee jaar later trouwen. De enthousiaste Joep, die met zijn baanbrekend werk in Asselt in één slag bekend zou worden, betrok zijn vriendin al snel bij zijn project. Zo maakte zij de grote crucifix die een plaatsje zou krijgen tegen de muur van het museum, pal tegenover het kerkje.

Joep Nicolas, schilderingen in crypte

Terug echter naar de crypte, een gedeelte van de Dionysiuskerk dat slechts bij hoge uitzondering wordt opengesteld voor bezoekers. Juist vanwege deze beperkte openstelling laat ik u een kijkje nemen; anders zou u deze fraaie schilderingen immers nooit kunnen zien. De kwetsbare schilderingen in de crypte werden aangebracht als fresco. Ze stellen de 'cyclus van dood en eeuwig leven' voor. In het linker voorportaal zien we de dood van de wereldgenieters, de stoffelijke mens. In het rechter de dood van de vergeestelijkten, verpersoonlijkt in Sint Franciscus van Assissië. De centrale ruimte was gereserveerd voor Christus en de vreugde der zaligen. In de verbindingsgangen zien we hoofden van mensen, soms verwrongen, peinzend over leven en dood. Koele en warme tinten wisselen zich af, daar in de donkere crypte, waar de jonge Nicolas zijn verborgen werk maakte, slechts schaars verlicht door zijn glas-in-loodraam met de Graflegging van Jesus.

Joep Nicolas, de worgengel.De meningen over de nieuwe versieringen van het kerkinterieur door Lommen, Willebeek Lemair en Nicolas waren niet altijd onverdeeld positief. In 1924 bracht de jonge graaf Giacomino Antonini een bezoek aan Swalmen en Asselt, waar hij de Syperhof, het kerkje en het kasteel bezocht. Hij was zeer gecharmeerd van juffrouw Hendriks op de Syperhof, maar de sfeer in het kerkje sprak hem niet aan. "De kerk van den rector, neen, ik kan haar niet in alles bewonderen, zij is mij te druk, te lawaaierig, te weinig dorpskerk, stilte, rust en stemming zocht ik er te vergeefs; ik erken dat het misschien iets zuiver persoonlijks is, maar van die moderne schilderijen die slechts door beredeneeren te benaderen en te waardeeren zijn moet ik in een kerk niets hebben. Maar wanneer ik nu nog aan die kerk denk, zie ik niets meer van alles wat zoo 'mooi' is of moet zijn, ik zie alleen den rector zooals hij ons tegemoet kwam, afdalend van het lage heuveltje aan de oevers van de langzaam stroomende Maas, met aan de eene zijde de rustig grazende koeien en paarden en aan de andere zijde dat troepje kinderen dat met ijver en spanning het koper van de kerk poetsten om daarna op een wenk van den rector hun spel te beginnen 'Abraham had zeven zonen, zeven zonen had Abraham'. In dat tafereel dat niets moderns en niets 'moois' had, lag voor mij veel meer schoonheid dan in alle schilderijen en kussens en muurschilderingen die de toch zeer merkwaardige kerk versieren." De schrijver was overigens wel onder de indruk van kasteel Hillenraad, dat hij aansluitend bezocht.

Joep Nicolas, schilderingen in crypte

Tijdens hoog water in 1926 werd het kerkje, zoals zo vaak daarvoor, omspoeld door het Maaswater en de crypte kwam onder water te staan. In De Nieuwe Eeuw schreef Jan Engelsman hierover: "De crypt liep onder, maar de muurschilderingen, die Nicolas hier in een speciale techniek uitvoerde, en die (door de poriën) letterlijk doorspoeld werden van den vloed, hielden het uit (zooals het zich liet aanzien). De moeilijke opdracht, om de enge ruimte van deze crypt boeiend te decoreeren, zóó dat gerekend werd met het bijzondere licht en de afstanden van waarneming, heeft Nicolas, op détails na, voorbeeldig uitgevoerd."

De schilderingen bleven de aandacht trekken in tal van bladen, zoals in het eerdergenoemde artikel van Willem Eland in Ons Eigen Tijdschrift in 1929, waarvoor hij werd rondgeleid door de rector. "Maar in de crypte toonde hij mij iets anders, dat wellicht nog meer zijn trots uitmaakt: de met jeugdig vuur geschilderde fresco's van Joep Nicolas. Want zoo klein is Cuypers' gerestaureerde kerkje niet, of het heeft net zoo goed als de cathedrale Sint Servaes van Maastricht een crypte! Een driedeelige crypte is het hier, waar ook Mis gelezen kan worden, een kelderruimte in het midden, met twee daarin overloopende kleinere ruimten links en rechts. De Hemel is door Nicolas boven het crypt-altaartje voorgesteld door indrukwekkend geschilderde, levensgroote heiligen, die den Christus in hun midden hebben, terwijl links het Onzalig en rechts het Zalig Einde door hem met grooten hartstocht afgebeeld werden."

In 1931 schreef het R.K. Bouwblad in een artikel van A. Plasschaert over de wandschilderingen, waarbij ook enkele details van Nicolas' Christus, Geneugte der Zaligen werden afgebeeld. Ditzelfde tijdschrift stelde overigens drie jaar later dat Nicolas 'na Asselt' wel wat teleurstelde als muurschilder. Tja, soms zijn verwachtingen wat hoog gespannen...

Foto: Loe Giesen.In de crypte bevindt zich een altaar met een voorstelling van Jonas en de walvis. Nicolas maakte voor dit werkstuk gebruik van opaline, een soort melkglas. Het thema van Jonas en de Walvis zou Nicolas in 1954 opnieuw uitvoeren voor een gebrandschilderd raam in de kerk van Sint Odilienberg (waar hij in 1972 ook werd begraven) en in 1966 voor de kerk van Lottum.

Na de Tweede Wereldoorlog raakten de schilderingen in de crypte in vergetelheid. Door de grote stromen toeristen en kunstliefhebbers die zich jarenlang al tastend een weg zochten door de donkere, enge ruimten, waren de fresco's bovendien beschadigd. Om de kwetsbare schilderingen van Nicolas te beschermen is de crypte al tientallen jaren slechts bij hoge uitzondering toegankelijk voor bezoekers.

Archeologisch onderzoek en opgravingen door Prof. Dr. Holwerda

Prof. Dr. Jan Hendrik HolwerdaIn 1928 werden bij de Asselterhof en de Dionysiuskerk archeologische opgravingen gehouden door prof. dr. Jan Hendrik Holwerda, directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Deze was in 1925 begonnen met opgravingen bij Wijk bij Duurstede, waar hij de oude stad Dorestad onderzocht. Holwerda kende de verhalen over een Frankische nederzetting bij Asselt en hoopte er aanvullende informatie te vinden over de Vikingen in de Lage Landen. Hij was van mening dat het Noormannenkamp dat in de Annalen werd beschreven niet bij Elsoo, maar bij Asselt moest worden gezocht. "Die plaats, waarover de Frankische Annalen zoo uitvoerig handelen heeft men tot dusver altijd in Elsoo gezocht of liever een schrijver uit de zeventiende eeuw heeft beweerd, dat Ascloa Elsloo moet zijn geweest en sedert heeft men dit voortdurend nagepraat", zo zou Holwerda in september 1929 na afloop van zijn opgravingen nog op snerende toon schrijven.

Op maandag 30 juli 1928 startte Holwerda met zijn opgravingen. Al tijdens de tweede dag lukte het de hoogleraar om aan de achterzijde van het kerkje resten bloot te leggen van wat hem een hoektoren leek te zijn. Aan de overzijde van de weg, in de directe omgeving van het museum, werden even eens oude torenresten gevonden. Om de aarden wal te vinden die rondom het Noormannenkamp moest hebben gelopen, werden drie proefsleuven gegraven, zo berichtte de Nieuwe Roermondenaar enkele dagen later.

Algemeen Handelsblad, 3 augustus 1928.

Willem Goossens. Limburger Koerier, 9 juni 1934.Binnen een week mengde ook Willem Goossens, die enkele maanden later zou worden aangesteld als rijksarchivaris aan het Rijksarchief in Limburg, zich in de discussie. Hij was van mening dat Holwerda niet het Noormannenkamp maar de Frankische koningshof had gevonden. Al vrij snel werden de hoofden echter weer bijeen gestoken en in de kranten stelden beiden - o.a. op basis van gevonden scherfmateriaal - dat het inderdaad om een Frankische nederzetting moest gaan. Tevens konden zij melden dat er een tweede gracht was ontdekt, waarvan aard en omvang nog moesten worden vastgesteld. Hun mening kreeg bijval van Van Beurden, de archivaris van Roermond, die zich kennelijk eveneens in de discussie had gemengd. Diezelfde maand kwam ook Marius Waszink, minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, een kijkje nemen. Voorafgaand aan de bezichtiging was hij op kasteel Hillenraad, waar hij in gezelschap van de gravin, burgemeester Charles Strens en rector Pinckers werd bijgepraat.

De Nieuwe Roermondenaar, 26 augustus 1929In augustus 1929 plaatste de Nieuwe Roermondenaar een artikel met de stand van zaken. Op de begeleidende afbeelding zien we o.a. het kerkje (I) en het museum (II). Rond het kerkje drie oude bastions, aangeduid met A, B en C. De oude, weggespoelde weg die vroeger achter het kerkje door liep (XI) viel ooit ten prooi aan het water. De vroegere pastorie (X) was eenzelfde lot beschoren, zo meenden de onderzoekers.
Ten oosten van het museum hadden zij diverse grachten aangetoond (III t/m VI). Twee daarvan (III en IV) waren extra versterkt met pallisaden (zie ook dwarsdoorsnede IX), terwijl de andere twee (V en VI) een platte bodem hadden. Bij het plaatsen van een electriciteitspaal (VII) waren de scherven gevonden op basis waarvan men meende dat ze van Karolingische aard waren. De hoek van een Romeins huis, achter het museum, werd aangegeven met VIII.

Een maand later, in september 1929, rondde Holwerda zijn onderzoek af. Hij was er stellig van overtuigd dat hij ook het Noormannenkamp had aangetoond. Hij was tot de conclusie gekomen dat er buitenom een min of meer ronde gracht had gelopen. Ook had hij een poort gevonden, die de buitenste gracht verbond met de binnenste, de eerder genoemde pallisadengracht. Vanaf de poort liep een tweede omwalling, zodat er een dubbel kamp moest hebben gelegen. Dit tweede gedeelte, gedeeltelijk achter het lagerliggende terrein achter de Asselterhof gelegen, was echter weggespoeld door de Maas. Ook had Holwerda nog een bastion gevonden, aan de rechterkant van het kerkje in het verlengde van de beide eerder beschreven bastions.
Een 'merkwaardige ontdekking' was een onderaardse, geplaveide weg in de richting van een geheime gang die uitmondde in de kelder van het museum. Volgens de rijksarcheoloog was deze kelder, met zijn 1,5 meter dikke muren, een overblijfsel van een zeer oud kasteel, getuige de gebruikte bakstenen en het metselverband. Het andere eind van de weg leidde naar 'een oude versterking van veldkeien met leem, uit zeer ouden tijd, waarom heen in latere eeuwen, in de 15e of 16e, baksteenen muren waren gebouwd."

In september 1930 schonk Holwerda een gipsen maquette aan het museum; deze is daar nog steeds te bezichtigen.

Limburger Koerier, 3 december 1928.

In juni 1934 vierde Asselt groot feest. Het was een eeuw geleden dat het dorp een eigen rectoraat kreeg en ditmaal zou dit rectoraat worden verheven tot parochie. Rector Pinckers kon zich vanaf nu pastoor Pinckers noemen. Van heinde en verre stroomden bezoekers toe: achteraf spraken de kranten over wel 5000 bezoekers. Op onderstaande foto zien we o.a. mgr. Lemmens, de bisschop van Roermond, met schuin achter hem graaf Herman Wolff Metternich.

Over de overige kunstschatten in de Dionyniuskerk is ook nog het een en ander te vertellen, maar de herkomst ervan is in veel gevallen onduidelijk. Rector Pinckers hield gedurende ongeveer vijfentwintig jaar dagboeken bij, waarin soms te lezen is waar hij en zijn rechterhand, koster Piet Loven, sommige spullen vandaan haalden. Veel 'draagbare' kunstwerken zijn ook te kostbaar om hier uitvoerig te beschrijven.

Foto (c) Loe Giesen.Foto (c) Loe Giesen.

Van den Eeckhout schreef in 1930 nog: "Het betreden van 't kerkje is allereenvoudigst. Niemand, die u tegenhoudt. De deur staat open." Het mag echter duidelijk zijn dat niet iedere bezoeker dezelfde bedoelingen had en gaandeweg ging de poort op slot. Zo zijn schilderijen als dat van Sint Caecilia en de heilige Sebastianus natuurlijk toch wat beter beschermd.

 

Grafmonumenten

Foto: Loe GiesenVroeger werden overledenen begraven in en rond de kerk. Waarschijnlijk gebeurde dat ook aan de westzijde van de kerk, waar eerder de ingestorte toren stond. Een akte uit 1657 noemt een drenkeling die in de Maas werd gevonden 'ende tot Assell op den verloeren kerkhoff begraeven'.

Van den Eeckhout beschreef de dodenakker in 1930 als "een kerkhofje met drie en een half kruisje, geloof ik, en stamrozen. De graven zijn meerendeels oude graven. Maar de roemruchtste liggen natuurlijk onder den kerkvloer zelf, of lagen er, of liggen er gedeeltelijk, immers van de geraamten der vijftiende-eeuwsche Schenk van Nijdeggen bijv., vertelt dr. D. Sassen, een der ijverige beschrijvers van Roermondsche geschiedenis, dat men er de hoofden van mist, best mogelijk uit hun familiekelder weggespoeld door de kracht van het water."

Foto: Loe GiesenLinks naast de toren staat het grafkruis van Jan Ruesen uit 1558. Joannes Rutsen (Reutzen, Rusen, Russen) was in 1531 schepen van Swalmen. Ook later komen we de familienaam nog geruime tijd tegen in Asselt en omgeving. De benoeming van Godefridus Ruytsen als eerste rector van het Sint Catharine-altaar in Asselt illustreert nogmaals de bijzondere band tussen deze familie en het Asselter kerkje.

Foto: Loe GiesenIngemetseld in de toren bevindt zich een kleine steen met gotische tekst in opgelegd inschrift: 'Beel Russe miit hore kijderen'. Mogelijk betreft het een chronogram dat het jaartal 1559 oplevert.

 

 

 

Foto's: Loe GiesenRechts van de toren bevindt zich een kruis met aan beide zijden een tekst:

AN 1615 / 20 IVNY /IS GEST/ORVEN / WILLEM / QVITEN (,) ANNO 1629 / 12 SEPTEMBRIS IS / GESTORVEN GOERDT / QVITEN

WINNOU / EIISEN IS / GESTORVE/N ANNO / 1615 AM 20 IVNY GOD / TROIST DIE SIELE

Willem Quiten, in 1590 te Asselt gehuwd met de weduwe Gertruda van Horn, was pachter van de Asselterhof en overleed kennelijk op dezelfde dag als de - verder onbekende - persoon die op de achterzijde vermeld staat. Na Willem's dood nam zijn zoon Godefridus de pacht over.

Foto: Loe GiesenEveneens rechts van de kerk de grafsteen voor Godefridus Bomen:

Aº 1616 / STARF GOERT BO / MEN. GODT TROST / DE ZIEL

Over Goert Bomen (Baum, Boemen, Boom, Boomen, Boumen) is verder weinig bekend. Blijkens een akte uit 1619 liet hij kinderen na en de achternaam kwam ook na zijn overlijden nog vele tientallen jaren voor in Asselt en omgeving.

 

 

 

 

 

 

 

Kerkbegravingen

Door de eeuwen heen werden overledenen niet alleen begraven buiten de kerk maar ook daarbinnen. Uiteraard was daarbij geen plaats voor alle parochianen. We zien dat vooral personen van enig aanzien een plaatsje in de kerk bemachtigden. Onze uitdrukking 'rijke stinkerds' herinnert aan de lijkgeur die na iedere begraving nog lang in de kerk hing. Van de adellijke eigenaren van hoeve Zuydtwijcks Spick op de Boukoul (behorend tot de parochie Asselt) mogen we aannemen dat ze in de kerk werden begraven, hoewel dit slechts bij uitzondering werd vermeld. Zo noemt het begraafregister bijvoorbeeld ook niet expliciet dat kapelaan Rutgerus Janssens in de kerk van Asselt werd bijgezet, terwijl diens grafsteen met familiewapen een typisch voorbeeld is van een kerkmonument. Ook de eigenaren en pachters van de Asselterhof namen een voorname plaats in, net als mensen die in hun testament geld of inkomsten nalieten aan de Dionysiuskerk.

Foto: Loe Giesen

Foto: Loe Giesen, 2013.De begraafregisters van de Dionysiusparochie noemen o.a. (in chronologische volgorde) diverse personen die binnen de kerkmuren hun laatste rustplaats vonden: Agnes aan de Beeck, dochter van Jan aan de Beeck en Wendelina Quiten en echtgenote van Dirk Aquarius (1676); Christianus Maessen, zoon van Silvester Maessen en Maria Gubbels (1677); Theodorus Aquarius, zoon van Stephanus Aquarius en Theodora Cnops (1679); Agnes Smeets, dochter van Arnoldus Smeets, pachter van de Asselterhof, en Matthia Spee (1700); Wilhelmus Smeets, zoon van Arnoldus Smeets, pachter van de Asselterhof, en Matthia Spee (1700); Jacobus Spee, gezworene en eigenaar van het Gebrouwhuis te Asselt, echtgenoot van Matthia Dorssers (1702); Joanna Janssens, dienstmeid op de Asselterhof (1703); een onbekende dochter van Arnoldus Smeets en Matthia Spee (1703); Maria Clara Everaedts, dochter van Anselmus d'Everard en Anna Maria van Dursdael, eigenaren van hoeve de Spick te Swalmen-Boukoul (1770); Cornelia Beurskens, echtgenote van Albertus van Dael (1771); Franciscus Chefneue, pachter van de Asselterhof (1784).

In 1916 tekende de Roermondse landmeter en amateurhistoricus A.F. van Beurden een schets van vondsten te Asselt. Op de plaats waar hij de verdwenen toren situeerde gaf hij drie sarcofagen aan. Oud-rector Conraedts noemt ook enkele van de kerkbegravingen in zijn artikel uit 1917. In 1924, in een van de artikelen die later de aandacht van archeoloog Holwerda zouden trekken, schreef Van Beurden: "Waar nu het koor boven de de crypte staat, dus op de oude plaats van den verdronken toren, lagen zes troggraven of sarcophagen, een halven meter verheven boven het oevervlak. Wat buioten die graven lag, was volgens een volksoverlevering ongewijd; in een troggraf werd een mes met een ivoren hecht gevonden, zo een, als bij het sluiten van koop door den verkooper aan den kooper ten overstaan der schepenen gegeven werd. De grafplaats, oudtijds onder den eersten toren, wordt als het familiegraf der Van Asselt's beschreven."

Literatuur:

P. Conraedts, Asselt. In: De Roermondenaar, 24 juli 1917.
NN van den Eeckhout, Het Asseltsche kerkje in het Limburgsche landschap. In: Elsevier, 1930,
Frans G.J. Geerlings, Oude grafmonumenten tot rond 1900. Inventarisatie van hetgeen nog over is. Deel 1: Asselt. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 11 (1991).
D. Sassen, Asselt. Zijn kerk, zijn museum en het slot Hillenraad. Maastricht, 1928.
D.J. van der Ven, Asselt aan de Maas. Eindhoven, 1948.

 

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
 

© Loe Giesen, Reuver 1983-2014

GASTENBOEK