| De Sint Dionysiuskerk te Asselt - Toponiemen in Swalmen en Asselt |
| A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z |
|
Ligging
Tegenwoordig ligt het kerkje op een soort terp, maar het is nog maar de vraag of dit altijd zo is geweest. De hoogtekaart van dit gebied laat duidelijk zien dat voor de locatie van het kerkje werd gekozen voor de uiterste punt van een natuurlijke hoogte. De weg die tegenwoordig tussen het kerkje en het tegenovergelegen museum loopt, lijkt een latere doorsnijding. Waarschijnlijk werd deze weg aangelegd nadat een meer westelijke route onmogelijk werd nadat de Maas hier alle grond had meegenomen. Asselt bestaat nu weliswaar vooral uit een soort lintbebouwing aan één zijde van de Maas, maar dat was niet altijd zo...
Bouwgeschiedenis
De oudste vorm zoals we die nu nog gedeeltelijk kunnen herkennen bestaat uit een eenvoudig zaalkerkje, opgetrokken uit maaskeien. Deze waren hier langs de oevers van de Maas ruim voorradig en ook ploegende boeren waren ze liever kwijt dan rijk. De hoeken van het zaalkerkje werden versterkt met grote blokken zandsteen en tufsteen. Rechthoekige uitsparingen in sommige van de grote hoekstenen lijken te wijzen op hergebruik, omdat deze uitsparingen geen enkele functie hebben. Maar in de muren zien we ook andere materialen, zoals oude mortel en stukken van Romeinse tegulae. Hoewel het voor de hand ligt dat de Asselter kerk nauw was verbonden met de Asselterhof als centrum van de heerlijkheid Asselt, zijn documenten die dit vermoeden ondersteunen zeldzaam. In 1492 bepaalde Willem van Vlodrop, naast erfvoogd van Roermond en drossaard van Montfort tevens eigenaar van de Asselterhof, bij testament dat de kerk van Asselt 20 guldens zou ontvangen tot onderhoud van de kerk; tevens schonk hij een hoeveelheid reubzaad om de godslamp in de kerk brandend te houden. Deze was gesticht door zijn vader. Een nieuwe toren Op 25 oktober 1562 verklaarden Arnt Schinck van Nydechen, heer te Hillenraad, Asselt en Swalmen, Derick van Oest, Nijss Custer en verdere schepenen van de dingbank van Asselt en Swalmen, dat Coert Phebus en Maess Lindemanss, kerkmeesters van het godshuis en de parochiekerk van Asselt, hadden verklaard dat zij van Jan Mews, burger te Roermond, en diens vrouw Marie van Soemeren een bedrag van 100 Joachimsdaalders hadden ontvangen waarmee zij het godshuis, dat "nedergefallen" was, weer hadden laten "tymmeren ind maicken". De geldschieter, Johan Meus of Mevis, was in 1554 schepen van Swalmen en Asselt, in 1555 tollenaar van Asselt en volgens huwelijksvoorwaarden van 1557 woonde hij toen ook nog in Asselt. Het behoud en herstel van het kerkje ging hem wellicht aan het hart.
Volgens de folklorist D.J. Van der Ven (1948) bevonden zich in de toren jaarankers die het jaartal 1555 aangaven. Deze ankers verdwenen bij de restauratie door Pierre Cuypers in 1916-1920. Ook noemt hij rekeningen uit 1562 waaruit zou blijken dat de terp toen werd versterkt, het schip werd hersteld en de nieuwe toren werd gebouwd. De heilige Sint Dionysius
Er lijkt een verband te bestaan met de familie Schellaert van Obbendorf, heren van o.a. Schinnen, die via een huwelijk in 1510 de familie Van Vlodrop waren opgevolgd als heren van de heerlijkheid Asselt. Opmerkelijk is dat de H. Dionysius, samen met de H. Gertrudis, ook van oudsher was verbonden aan de heren van Schinnen. Zou de trieste geschiedenis van Cecilia van Hamal - de juffrouw zonder kop - hieraan ten grondslag liggen?
Op oude foto's van vóór de restauratie door Pierre Cuypers zien we dat het beeld van Dionysius niet altijd op de huidige plaats boven de ingang heeft gestaan. Op deze foto's zien we duidelijk een andere, witte figuur in de nis. Volgens Van der Ven (1948) was dit een beeldje van O.L. Vrouwe en stond het beeldje van Dionysius eerder in een nis in de muur die beneden rond de kerk loopt. Helaas bevatten de oudste foto's van het kerkje onvoldoende detail om te zien wat zich achter de tralies van deze laatste nis bevond. Maar ook indien we met zekerheid zouden kunnen vaststellen dat het Dionysiusbeeld zich daar bevond in het begin van de 20e eeuw, hoeft dit niet te betekenen dat het beeld daar altijd stond. Zo zien we in de loop van de 19e dat de H. Cornelius, beschermheilige van het hoornvee, de aan hem gewijde kapel bij het Reuverse gehucht Ronckenstein kwijtraakte door de opkomende Mariaverering. Iets dergelijks overkwam wellicht ook de H. Dionysius, van wie overigens ook een aardig schilderij binnen in de kerk hangt. Asselt wordt een kapelanie Op 6 mei 1700 werd vanwege de afstand naar Swalmen in de kerk van Asselt een vice-patronaat en kapelanie gesticht, waarvan de heer van kasteel Hillenraad het patronaatsrecht kreeg. De bediening zou plaatsvinden vanuit Swalmen. De inkomsten voor dit officie waren afkomstig van o.a. de altaren van de heilige Agnes en Catharina in Asselt, van de H. Maagd Maria in de kerk van Swalmen, de stichtingen van Agnes van Asselt, Johan Quiten en Aquarius alsmede van de Sint Sebastianusbroederschap in Asselt. Rutgerus Janssens werd rector van het St.-Catharina altaar.
Sloopplannen
Pastoor Pinckers en de restauratie door Pierre Cuypers (1916-1920)
In de hoofdbeuk zien we slechts één zijraam waar zich nu drie ramen bevinden. Boven op zolder een klein raampje, waarschijnlijk een latere toevoeging die bij de restauratie weer ongedaan werd gemaakt. Ook de eenvoudige muurankers werden toen verwijderd. Tevens werden middenschip en koor iets hoger gemaakt door Cuypers.
Op de gescheurde muren de restanten van oud pleisterwerk. Het ligt voor de hand dat het kerkje op enig moment wit was en schitterde in de zon zoals we dat zien op de tekening van Pieter Adrianus Schipperus (1883). Op de eenvoudige schilddaken prijken nog geen dakkapellen.
De ingang van het kerkje werd door Cuypers verplaatst naar de toren, waar eerder de sacristie was. De oude ingang aan de noordzijde verloor daardoor zijn functie en werd dichtgemetseld. Dit moet zijn gebeurd na 1919, getuige een foto waarop we het nét gerestaureerde doopvont zien door een nog open zijingang. Voor het dichtmaken van de doorgang gebruikte de architect opnieuw bouwmateriaal met een historisch tintje.
Romeins bouwmateriaal treffen we ook aan in de oostgevel van het koor, waar in de 16e eeuw de toren tegenaan werd gebouwd. Met name de ronde hypocaustumtegels vallen hier weer op: links en rechts van de toren zien we drie rijen met de tegeltjes die ooit de holle vloer droegen waarlangs de Romeinen hun huis verwarmden. Op de foto's van vóór de verbouwing is niet duidelijk te zien of deze versiering toen ook al aanwezig was en we mogen niet uitsluiten dat we kijken naar een van pastoor Pinckers' pogingen om 'zijn' kerkje te romantiseren en romaniseren.
Dit wil niet zeggen dat Cuypers de toren ongewijzigd liet. De opening van de galmgaten werd vergroot, de dichte ramen werden opengemaakt en voorzien van extra ribben. Een kleine aanbouw aan de zuidzijde - zichtbaar op de foto uit ca. 1915 - werd gesloopt.
Toen architect Cuypers in 1918 klaar was met de verbouwing, was hij 91 jaar. Asselt was dan ook een van zijn laatste opdrachten.
De doopvont De doopvont van Asselt dateert mogelijk uit de 10e eeuw of 11e eeuw en vormt het belangrijkste argument voor de ouderdom van het kerkje. Het doopbekken werd - mogelijk tijdens het instorten van de toren in de 16e eeuw - verwoest. Toch prijkt het nu weer in het kerkje. Dat behoeft enige uitleg.
Godefridus Ruytsen, pastoor van Herten en vermoedelijk zelf afkomstig uit Swalmen of Asselt, wist in het midden van de 17e eeuw te vertellen dat in zijn jaren als rector van het Sint Catharina altaar (1619-1625) nog alleen de voet van het doopvont aanwezig was. De overige brokstukken waren spoorloos. Deze kwamen pas in 1898 door groot toeval weer aan het licht. Een gedeelte van de kerk vanTegelen brandde toen af en voordat kon worden begonnen met de wederopbouw, moesten eerst de fundamenten worden vernieuwd. Bij het uitbreken van de oude fundering trof de Tegelse rector Jos Moubis 33 brokstukken aan die hem bijzonder leken. Hij legde ze apart en ze leken opnieuw vergeten tot de Duitse cultuurhistoricus Dr Ferdinand Hestermann (1878- 1959) een bezoek bracht aan Moubis in het kader van een onderzoek naar oude doopvonten in het Rijnland en directe omgeving. Hij wist van de verdwenen doopvont van Asselt en bracht beide zaken met elkaar in verband. Rijksarchivaris Willem Goossens uit Maastricht en bouwmeester Pierre Cuypers werden erbij gehaald en na uitgebreid onderzoek kwamen ze gezamenlijk tot de slotsom dat de verloren gewaande doopvont teruggevonden was. Ook pastoor Pinckers was intussen op de hoogte en tijdens een ziekte van Moubis werden de brokstukken - vermoedelijk zonder diens toestemming of medeweten - door koster Piet Loven vanuit Tegelen naar Asselt gebracht. Latere protesten van de Tegelse rector mochten niet baten: Pinckers had weer eens laten zien dat hij voor het vervolmaken van 'zijn' Asselt niet altijd de diplomatieke weg bewandelde.
Het doopvont, gemaakt van Naamse steen, bestaat uit een versierd doopbekken gedragen door een centrale ronde zuil en op iedere hoek een cilinder steunend op een monsterachtig hoofd. De maten van een doopvont werden al vroeg vastgelegd in diverse synoden (kerkelijke vergadering). Hoogte en buitendiameter bedroegen gewoonlijk ca. 90 cm. Vanwege de dikte van de laag kolenzandsteen waaruit de blokken werden vervaardigd (zo'n 60 cm), was een doopvont opgebouwd uit meerdere delen.
Het doopbekken van Asselt is versierd met een afbeelding van een levensboom die ontspringt uit de mond van een hoofd in de aarde. Aan de ranken (zogenaamde palmetten), die wellicht het Oude en Nieuwe Testament verbeelden, zien we geopende granaatappels, vanwege de vele zaadjes symbool van heil en vruchtbaarheid. Op doopbekkens zien we ook wel wijnranken met druiventrossen, die in dat geval een vergelijkbare betekenis ("Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken", Joh. 15:5). De afbeelding en de vorm van het doopvont hebben stylistisch enige gelijkenis met bijvoorbeeld het doopvont van Lichtervelde (B), dat eveneens wordt gedateerd in de 11e of 12e eeuw. M. Schönlank-van der Wal, Middeleeuwse doopvonten in Limburg, in: De Maasgouw 188 (1999) Grafmonumenten
AN 1615 / 20 IVNY /IS GEST/ORVEN / WILLEM / QVITEN (,) ANNO 1629 / 12 SEPTEMBRIS IS / GESTORVEN GOERDT / QVITEN WINNOU / EIISEN IS / GESTORVE/N ANNO / 1615 AM 20 IVNY GOD / TROIST DIE SIELE Willem Quiten, in 1590 te Asselt gehuwd met de weduwe Gertruda van Horn, was pachter van de Asselterhof en overleed kennelijk op dezelfde dag als de - verder onbekende - persoon die op de achterzijde vermeld staat. Na Willem's dood nam zijn zoon Godefridus de pacht over.
Aº 1616 / STARF GOERT BO / MEN. GODT TROST / DE ZIEL Over Goert Bomen (Baum, Boemen, Boom, Boomen, Boumen) is verder weinig bekend. Blijkens een akte uit 1619 liet hij kinderen na en de achternaam kwam ook na zijn overlijden nog vele tientallen jaren voor in Asselt en omgeving.
Kerkbegravingen Door de eeuwen heen werden overledenen niet alleen begraven buiten de kerk maar ook daarbinnen. Uiteraard was daarbij geen plaats voor alle parochianen. We zien dat vooral personen van enig aanzien een plaatsje in de kerk bemachtigden. Van de adellijke eigenaren van hoeve Zuydtwijcks Spick op de Boukoul (behorend tot de parochie Asselt) mogen we aannemen dat ze in de kerk werden begraven, hoewel dit slechts bij uitzondering werd vermeld. Zo noemt het begraafregister bijvoorbeeld ook niet expliciet dat kapelaan Rutgerus Janssens in de kerk van Asselt werd bijgezet, terwijl diens grafsteen met familiewapen een typisch voorbeeld is van een kerkmonument. Ook de eigenaren en pachters van de Asselterhof namen een voorname plaats in, net als mensen die in hun testament geld of inkomsten nalieten aan de Dionysiuskerk.
1676: Agnes aan de Beeck, dochter van Jan a/d Beeck en Wendelina Quiten; echtgenote van Dirk Aquarius. In 1916 tekende de Roermondse landmeter en amateurhistoricus A.F. van Beurden een schets van vondsten te Asselt. Op de plaats waar hij de verdwenen toren situeerde gaf hij drie sarcofagen aan. Literatuur: Frans G.J. Geerlings, Oude grafmonumenten tot rond 1900. Inventarisatie van hetgeen nog over is. Deel 1: Asselt. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 11 (1991). |
|
| A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z |
| © Loe Giesen, Reuver 1983-2010 |