De Sint Dionysiuskerk te Asselt - Toponiemen in Swalmen en Asselt
 
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z

Foto: Loe Giesen, 2013.

Parochie van de Heilige Dionysius - Eindweg 2 - 6071 NX Swalmen - tel. 0475 501 501

Foto: Loe Giesen

Ligging

Foto: Google Maps / AHNDe kerk van de parochie van de H. Dionysius te Asselt, ook wel romantisch Rozenkerkje genoemd, ligt op een kleine hoogte langs de oostoever van de Maas. De situatie zoals we die nu kennen, bestaat al enkele eeuwen. Toch moet het landschap hier door de jaren heen vrij ingrijpend zijn veranderd. De schurende werking van het Maaswater veranderde de loop van de rivier voortdurend en ook de omgeving van Asselt kon zich hieraan niet onttrekken.

Tegenwoordig ligt het kerkje op een soort terp, maar het is nog maar de vraag of dit altijd zo is geweest. De hoogtekaart van dit gebied laat duidelijk zien dat voor de locatie van het kerkje werd gekozen voor de uiterste punt van een natuurlijke hoogte. De weg die tegenwoordig tussen het kerkje en het tegenovergelegen museum loopt, lijkt een latere doorsnijding. Waarschijnlijk werd deze weg aangelegd nadat een meer westelijke route onmogelijk werd nadat de Maas hier alle grond had meegenomen. Asselt bestaat nu weliswaar vooral uit een soort lintbebouwing aan één zijde van de Maas, maar dat was niet altijd zo...

RHLC, kaartenverzameling 57.1De oudste afbeelding van de kerk staat op een anonieme en ongedateerde kaart uit vermoedelijk het midden van de 16e eeuw. Het probleem met zulke kaarten is helaas dat niet altijd duidelijk is hoe betrouwbaar ze zijn. Op de kaart zien we echter een klein kerkje met daarachter twee rijen huizen aan weerszijden van een weg. De woningen aan de westzijde, dus langs de Maasoever, verdwenen later allemaal in de golven en alleen de woningen aan de oostzijde van de weg bleven gespaard.

 

Foto (c) Loe Giesen, 2012.

Bouwgeschiedenis

Foto: Loe GiesenDe bouwgeschiedenis van een oud kerkje zoals dat van Asselt laat zich niet gemakkelijk beschrijven. De historische bronnen zijn beperkt en de gegevens verkregen door archeologisch en bouwkundig onderzoek zijn niet altijd even eenduidig, veel is in het verleden - bewust of onbewust - geromantiseerd en vervormd.

De oudste vorm zoals we die nu nog gedeeltelijk kunnen herkennen bestaat uit een eenvoudig zaalkerkje, opgetrokken uit maaskeien. Deze waren hier langs de oevers van de Maas ruim voorradig en ook ploegende boeren waren ze liever kwijt dan rijk. De hoeken van het zaalkerkje werden versterkt met grote blokken zandsteen en tufsteen. Rechthoekige uitsparingen in sommige van de grote hoekstenen lijken te wijzen op hergebruik, omdat deze uitsparingen geen enkele functie hebben. Maar in de muren zien we ook andere materialen, zoals oude mortel en stukken van Romeinse tegulae.

Het kerkje rond 1916 (naar Dr. J. Sassen, 1917)Hoewel het voor de hand ligt dat de Asselter kerk nauw was verbonden met de Asselterhof als centrum van de heerlijkheid Asselt, zijn documenten die dit vermoeden ondersteunen zeldzaam. In 1492 bepaalde Willem van Vlodrop, naast erfvoogd van Roermond en drossaard van Montfort tevens eigenaar van de Asselterhof, bij testament dat de kerk van Asselt 20 guldens zou ontvangen tot onderhoud van de kerk; tevens schonk hij een hoeveelheid reubzaad om de godslamp in de kerk brandend te houden. Deze was gesticht door zijn vader.
Willem van Vlodrop was gehuwd met Cecilia van Hamal en Elderen, die hem - als weduwe - opvolgde als drost van Echt. Hier leeft zij nog steeds voort als de legendarische "juffrouw zonder kop". Zonder kop? Jawel, maar daar komen we nog op terug...

Een nieuwe toren

Op 25 oktober 1562 verklaarden Arnt Schinck van Nydechen, heer te Hillenraad, Asselt en Swalmen, Derick van Oest, Nijss Custer en verdere schepenen van de dingbank van Asselt en Swalmen, dat Coert Phebus en Maess Lindemanss, kerkmeesters van het godshuis en de parochiekerk van Asselt, hadden verklaard dat zij van Jan Mews, burger te Roermond, en diens vrouw Marie van Soemeren een bedrag van 100 Joachimsdaalders hadden ontvangen waarmee zij het godshuis, dat "nedergefallen" was, weer hadden laten "tymmeren ind maicken". De geldschieter, Johan Meus of Mevis, was in 1554 schepen van Swalmen en Asselt, in 1555 tollenaar van Asselt en volgens huwelijksvoorwaarden van 1557 woonde hij toen ook nog in Asselt. Het behoud en herstel van het kerkje ging hem wellicht aan het hart.

Foto ca. 1915De kerk werd dus in het midden van de 16e eeuw gerestaureerd. Aanleiding hiervoor was het instorten van de toren aan de westzijde, vermoedelijk als gevolg van uitspoeling door wassend water of kruiend ijs. Doordat een gedeelte van de hoogte waarop de kerk was gebouwd was weggeslagen, werd besloten om de toren te herbouwen aan de oostzijde, tegen het koor aan. Door deze keuze kreeg het kerkje een geheel nieuw aanzien. De toren werd, in tegenstelling tot de rest van de kerk, opgetrokken uit baksteen. Onder in de toren, die geen doorgang bood voor kerkbezoekers, was geruime tijd de sacristie.

Volgens de folklorist D.J. Van der Ven (1948) bevonden zich in de toren jaarankers die het jaartal 1555 aangaven. Deze ankers zouden zijn verdwenen bij de restauratie door Pierre Cuypers in 1916-1920. Ook noemt hij rekeningen uit 1562 waaruit zou blijken dat de terp toen werd versterkt, het schip werd hersteld en de nieuwe toren werd gebouwd.

De heilige Sint Dionysius

Foto: Loe Giesen Het kerkje van Asselt is gewijd aan Dionysius van Parijs, niet te verwarren met Dionysius de Areopagiet. Wanneer en waarom de heilige Sint Dionysius werd gekozen als patroon van het kerkje is niet met zekerheid bekend. Vermeldingen van de Parijse martelaar met betrekking tot de Asselter kerk van vóór de 17e eeuw ontbreken echter en dat op zichzelf is al vreemd.

Er lijkt een verband te bestaan met de familie Schellaert van Obbendorf, heren van o.a. Schinnen, die via een huwelijk in 1510 de familie Van Vlodrop waren opgevolgd als heren van de heerlijkheid Asselt. Opmerkelijk is dat de H. Dionysius, samen met de H. Gertrudis, ook van oudsher was verbonden aan de heren van Schinnen. Zou de trieste geschiedenis van Cecilia van Hamal - de juffrouw zonder kop - hieraan ten grondslag liggen?

Foto: Loe GiesenEen van de kerkklokken draagt het opschrift SANCTUS DIONYSIUS, PATRON. ECCLESIE ASSELI ANNO DOMINI 1622. In dat jaar overleed Ursula Scheffaert de Merode, weduwe van Johan Schellaert van Obbendorf (1564-1616), in leven heer van Gürtzenich en eigenaar van de Asselterhof, gelegen tegenover het kerkje. Waarschijnlijk is het overlijden van haar moeder de aanleiding geweest voor haar dochter Albertina Ursula Schellaert van Obbendorf om de klok te schenken. Oudere klokken zijn voor Asselt niet bekend.

Op oude foto's van vóór de restauratie door Pierre Cuypers zien we dat het beeld van Dionysius niet altijd op de huidige plaats boven de ingang heeft gestaan. Op deze foto's zien we duidelijk een andere, witte figuur in de nis. Volgens Van der Ven (1948) was dit een beeldje van O.L. Vrouwe en stond het beeldje van Dionysius eerder in een nis in de muur die beneden rond de kerk loopt. Helaas bevatten de oudste foto's van het kerkje onvoldoende detail om te zien wat zich achter de tralies van deze laatste nis bevond. Maar ook indien we met zekerheid zouden kunnen vaststellen dat het Dionysiusbeeld zich daar bevond in het begin van de 20e eeuw, hoeft dit niet te betekenen dat het beeld daar altijd stond. Zo zien we in de loop van de 19e dat de H. Cornelius, beschermheilige van het hoornvee, de aan hem gewijde kapel bij het Reuverse gehucht Ronckenstein kwijtraakte door de opkomende Mariaverering. Iets dergelijks overkwam wellicht ook de H. Dionysius, van wie overigens ook een aardig schilderij binnen in de kerk hangt.

Asselt wordt een kapelanie

Op 6 mei 1700 werd vanwege de afstand naar Swalmen in de kerk van Asselt een vice-patronaat en kapelanie gesticht, waarvan de heer van kasteel Hillenraad het patronaatsrecht kreeg. De bediening zou plaatsvinden vanuit Swalmen. De inkomsten voor dit officie waren afkomstig van o.a. de altaren van de heilige Agnes en Catharina in Asselt, van de H. Maagd Maria in de kerk van Swalmen, de stichtingen van Agnes van Asselt, Johan Quiten en Aquarius alsmede van de Sint Sebastianusbroederschap in Asselt. Rutgerus Janssens werd rector van het St.-Catharina altaar.

Smabers, 1774Godefridus Ruytsen, later pastoor van Herten, was in de jaren 1619-1625 rector van het Sint Catharina altaar.
Volgens de kerkvisitatie van 1677 was Jacobus Smits, kapelaan te Elmpt, toen verbonden aan het Sint Catharina altaar, terwijl Michael Hergraven vanaf 1671 het officie van het Sint Agnes altaar bezat.

 

 

 

 

Sloopplannen

Met name door hoog water had de kerk veel te lijden. De waterstanden van bijvoorbeeld 1643, 1740 en 1799 waren ronduit desastreus voor de toestand waarin de kerk verkeerde. Muurwerk en hout werden aangetast, temeer daar het water zowel rondom als binnen de kerk stond. Een notitie uit 1806 beschrijft: "De Eerwaarde Heer Cloquet, pastoor alhier, heeft de permissie van Luik gehad om de kerk van Asselt te laten afbreken, de arbeiders waren reeds besteld. Echter op den bestemden tijd kon hij er niet toe overgaan."
Op 11 juli 1846 gaf koning Willem II toestemming om het vervallen gebouw te slopen en een geheel nieuwe kerk te bouwen. Gelukkig werd geen gebruik gemaakt van deze sloopvergunning en in 1851 werd de kerk opnieuw hersteld. Alle reparaties konden echter niet voorkomen dat het gebouw rond 1900 werd afgevoerd van de lijst van beschermde monumenten. Het zag er niet goed uit voor het oude kerkje...

Foto (c) Loe Giesen, 2012.

Pastoor Pinckers en de restauratie door Pierre Cuypers (1916-1920)

Foto ca. 1916Toen rector Pinckers in 1915 vanuit Vroenhoven naar Asselt kwam, trof hij daar een oud en vervallen kerkje aan. Pinckers was echter niet de eerste die begaan was met het lot van het kerkje. Zo was zijn voorganger, rector Conraedts, al in 1914 in gesprek met bouwmeester Pierre Cuypers en historicus Alexander Franciscus van Beurden.

Nevenstaande foto werd gemaakt vóór aanvang van de omvangrijke herstel- en uitbreidingswerk-zaamheden. Dit kerkje zou tussen 1916 en 1920 plaats maken voor een creatie van pastoor Jean Pinckers en de hoogbejaarde architect Pierre Cuypers (1827-1921). We zien hier nog de oude vorm: achteraan het oude zaalkerkje met daarvoor wat eerder het koor moet zijn geweest. Helemaal vooraan de toren, die in het midden van de 16e eeuw werd gebouwd ter vervanging van de ingestorte toren aan de andere zijde van het kerkje.

In de hoofdbeuk zien we slechts één zijraam waar zich nu drie ramen bevinden. Boven op zolder een klein raampje, waarschijnlijk een latere toevoeging die bij de restauratie weer ongedaan werd gemaakt. Ook de eenvoudige muurankers werden toen verwijderd. Tevens werden middenschip en koor iets hoger gemaakt door Cuypers.

Op de gescheurde muren de restanten van oud pleisterwerk. Het ligt voor de hand dat het kerkje op enig moment wit was en schitterde in de zon zoals we dat zien op de tekening van Pieter Adrianus Schipperus (1883). Op de eenvoudige schilddaken prijken nog geen dakkapellen.

Pieter Adrianus Schipperus: Asselt (1883)

De ingang van het kerkje werd door Cuypers verplaatst naar de toren, waar eerder de sacristie was. De oude ingang aan de noordzijde verloor daardoor zijn functie en werd dichtgemetseld. Dit moet zijn gebeurd na 1919, getuige een foto waarop we het nét gerestaureerde doopvont zien door een nog open zijingang. Voor het dichtmaken van de doorgang gebruikte de architect opnieuw bouwmateriaal met een historisch tintje.

Foto: Loe Giesen

Foto: Loe GiesenDe dichtgemetselde doorgang staat in de volksmond bekend staat als het Noormannenpoortje. Het verhaal luidt dat de mensen bij het verlaten van het kerkje het hoofd moesten buigen - om zich niet te stoten - en daarmee hun eer betoonden aan de goden van de Noormannen.
Bij het dichtmetselen werden Romeinse bouwresten gebruikt, waaronder een dakpan of tegula en een ronde tegel zoals deze, op elkaar gestapeld, werden gebruikt voor een hypocaustum of vloerverwarming.

Romeins bouwmateriaal treffen we ook aan in de oostgevel van het koor, waar in de 16e eeuw de toren tegenaan werd gebouwd. Met name de ronde hypocaustumtegels vallen hier weer op: links en rechts van de toren zien we drie rijen met de tegeltjes die ooit de holle vloer droegen waarlangs de Romeinen hun huis verwarmden. Op de foto's van vóór de verbouwing is niet duidelijk te zien of deze versiering toen ook al aanwezig was en we mogen niet uitsluiten dat we kijken naar een van pastoor Pinckers' pogingen om 'zijn' kerkje te romantiseren en romaniseren.

Foto: Loe Giesen

Foto: Loe GiesenOok deze toren ziet er anders uit dan tegenwoordig. Cuypers wilde de toren in 1916 hoger optrekken en bekleden met maaskeien, maar de Rijksdienst voor Monumentenzorg gaf hiervoor geen toestemming. Dankzij dit besluit bleef de toren goed herkenbaar als een latere toevoeging.

Dit wil niet zeggen dat Cuypers de toren ongewijzigd liet. De opening van de galmgaten werd vergroot, de dichte ramen werden opengemaakt en voorzien van extra ribben. Een kleine aanbouw aan de zuidzijde - zichtbaar op de foto uit ca. 1915 - werd gesloopt.

 

 

 

 

 

 

Foto ca. 1920Boven de galmgaten werd een wijzerplaat gemonteerd die in een latere fase naar de met leien gedekte torenspits verhuisde. Bij de vernieuwing van deze spits werd tevens een kleine dakkapel toegevoegd aan de voorzijde.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De duidelijkste wijzigingen bracht Cuypers aan aan de westzijde, waar eerder de oorspronkelijke toren had gestaan. Vergelijking met de foto van ca. 1915 laat zien dat voor deze uitbreiding de terp moest worden vergroot. Cuypers voegde aan de achterzijde van het kerkje een nieuw priesterkoor met links en rechts daarvan een sacristie en kinderkapel; hij gaf daarmee het godshuis een bijna kasteelachtig uiterlijk, inclusief twee traptorens. Omdat deze toevoegingen geen deel uitmaken van de oudste geschiedenis van de kerk, blijven ze hier verder onbesproken. Dit geldt ook voor de versieringen in het interieur.

Toen architect Cuypers in 1918 klaar was met de verbouwing, was hij 91 jaar. Asselt was dan ook een van zijn laatste opdrachten.

 

 

 

 

Archeologisch onderzoek en opgravingen door Prof. Dr. Holwerda

Prof. Dr. Jan Hendrik HolwerdaIn 1928 werden bij de Asselterhof en de Dionysiuskerk archeologische opgravingen gehouden door prof. dr. Jan Hendrik Holwerda, directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Deze was in 1925 begonnen met opgravingen bij Wijk bij Duurstede, waar hij de oude stad Dorestad onderzocht. Holwerda kende de verhalen over een Frankische nederzetting bij Asselt en hoopte er aanvullende informatie te vinden over de Vikingen in de Lage Landen. Hij was van mening dat het Noormannenkamp dat in de Annalen werd beschreven niet bij Elsoo, maar bij Asselt moest worden gezocht. "Die plaats, waarover de Frankische Annalen zoo uitvoerig handelen heeft men tot dusver altijd in Elsoo gezocht of liever een schrijver uit de zeventiende eeuw heeft beweerd, dat Ascloa Elsloo moet zijn geweest en sedert heeft men dit voortdurend nagepraat", zo zou Holwerda in september 1929 na afloop van zijn opgravingen nog op snerende toon schrijven.

Op maandag 30 juli 1928 startte Holwerda met zijn opgravingen. Al tijdens de tweede dag lukte het de hoogleraar om aan de achterzijde van het kerkje resten bloot te leggen van wat hem een hoektoren leek te zijn. Aan de overzijde van de weg, in de directe omgeving van het museum, werden even eens oude torenresten gevonden. Om de aarden wal te vinden die rondom het Noormannenkamp moest hebben gelopen, werden drie proefsleuven gegraven, zo berichtte de Nieuwe Roermondenaar enkele dagen later.

Algemeen Handelsblad, 3 augustus 1928.

Willem Goossens. Limburger Koerier, 9 juni 1934.Binnen een week mengde ook Willem Goossens, die enkele maanden later zou worden aangesteld als rijksarchivaris aan het Rijksarchief in Limburg, zich in de discussie. Hij was van mening dat Holwerda niet het Noormannenkamp maar de Frankische koningshof had gevonden. Al vrij snel werden de hoofden echter weer bijeen gestoken en in de kranten stelden beiden - o.a. op basis van gevonden scherfmateriaal - dat het inderdaad om een Frankische nederzetting moest gaan. Tevens konden zij melden dat er een tweede gracht was ontdekt, waarvan aard en omvang nog moesten worden vastgesteld. Hun mening kreeg bijval van Van Beurden, de archivaris van Roermond, die zich kennelijk eveneens in de discussie had gemengd. Diezelfde maand kwam ook Marius Waszink, minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, een kijkje nemen. Voorafgaand aan de bezichtiging was hij op kasteel Hillenraad, waar hij in gezelschap van de gravin, burgemeester Charles Strens en rector Pinckers werd bijgepraat.

De Nieuwe Roermondenaar, 26 augustus 1929In augustus 1929 plaatste de Nieuwe Roermondenaar een artikel met de stand van zaken. Op de begeleidende afbeelding zien we o.a. het kerkje (I) en het museum (II). Rond het kerkje drie oude bastions, aangeduid met A, B en C. De oude, weggespoelde weg die vroeger achter het kerkje door liep (XI) viel ooit ten prooi aan het water. De vroegere pastorie (X) was eenzelfde lot beschoren, zo meenden de onderzoekers.
Ten oosten van het museum hadden zij diverse grachten aangetoond (III t/m VI). Twee daarvan (III en IV) waren extra versterkt met pallisaden (zie ook dwarsdoorsnede IX), terwijl de andere twee (V en VI) een platte bodem hadden. Bij het plaatsen van een electriciteitspaal (VII) waren de scherven gevonden op basis waarvan men meende dat ze van Karolingische aard waren. De hoek van een Romeins huis, achter het museum, werd aangegeven met VIII.

Een maand later, in september 1929, rondde Holwerda zijn onderzoek af. Hij was er stellig van overtuigd dat hij ook het Noormannenkamp had aangetoond. Hij was tot de conclusie gekomen dat er buitenom een min of meer ronde gracht had gelopen. Ook had hij een poort gevonden, die de buitenste gracht verbond met de binnenste, de eerder genoemde pallisadengracht. Vanaf de poort liep een tweede omwalling, zodat er een dubbel kamp moest hebben gelegen. Dit tweede gedeelte, gedeeltelijk achter het lagerliggende terrein achter de Asselterhof gelegen, was echter weggespoeld door de Maas. Ook had Holwerda nog een bastion gevonden, aan de rechterkant van het kerkje in het verlengde van de beide eerder beschreven bastions.
Een 'merkwaardige ontdekking' was een onderaardse, geplaveide weg in de richting van een geheime gang die uitmondde in de kelder van het museum. Volgens de rijksarcheoloog was deze kelder, met zijn 1,5 meter dikke muren, een overblijfsel van een zeer oud kasteel, getuige de gebruikte bakstenen en het metselverband. Het andere eind van de weg leidde naar 'een oude versterking van veldkeien met leem, uit zeer ouden tijd, waarom heen in latere eeuwen, in de 15e of 16e, baksteenen muren waren gebouwd."

In september 1930 schonk Holwerda een gipsen maquette aan het museum; deze is daar nog steeds te bezichtigen.

Limburger Koerier, 3 december 1928.

De doopvont

De doopvont van Asselt dateert mogelijk uit de 10e eeuw of 11e eeuw en vormt het belangrijkste argument voor de ouderdom van het kerkje. Het doopbekken werd - mogelijk tijdens het instorten van de toren in de 16e eeuw - verwoest. Toch prijkt het nu weer in het kerkje. Dat behoeft enige uitleg.

Foto's: Loe Giesen

Godefridus Ruytsen, pastoor van Herten en vermoedelijk zelf afkomstig uit Swalmen of Asselt, wist in het midden van de 17e eeuw te vertellen dat in zijn jaren als rector van het Sint Catharina altaar (1619-1625) nog alleen de voet van het doopvont aanwezig was. De overige brokstukken waren spoorloos.

Het gerestaureerde doopvont door een nog niet dichtgemetseld Noormannenpoortje, vermoedelijk 1919 (D.J. van der Ven)Deze kwamen pas in 1898 door groot toeval weer aan het licht. Een gedeelte van de kerk vanTegelen brandde toen af en voordat kon worden begonnen met de wederopbouw, moesten eerst de fundamenten worden vernieuwd. Bij het uitbreken van de oude fundering trof de Tegelse rector Jos Moubis 33 brokstukken aan die hem bijzonder leken. Hij legde ze apart en ze leken opnieuw vergeten tot de Duitse cultuurhistoricus Dr Ferdinand Hestermann (1878- 1959) een bezoek bracht aan Moubis in het kader van een onderzoek naar oude doopvonten in het Rijnland en directe omgeving. Hij wist van de verdwenen doopvont van Asselt en bracht beide zaken met elkaar in verband. Rijksarchivaris Willem Goossens uit Maastricht en bouwmeester Pierre Cuypers werden erbij gehaald en na uitgebreid onderzoek kwamen ze gezamenlijk tot de slotsom dat de verloren gewaande doopvont teruggevonden was. Ook pastoor Pinckers was intussen op de hoogte en tijdens een ziekte van Moubis werden de brokstukken - vermoedelijk zonder diens toestemming of medeweten - door koster Piet Loven vanuit Tegelen naar Asselt gebracht. Latere protesten van de Tegelse rector mochten niet baten: Pinckers had weer eens laten zien dat hij voor het vervolmaken van 'zijn' Asselt niet altijd de diplomatieke weg bewandelde.

Foto: Loe GiesenIn de Maas- en Roerbode van 8 november 1919 lezen we: "De inwendige restauratie van ons kerkje is nu bijna voltooid. De verloren oude doopvont bleek gedeeltelijk terecht gekomen in de fundamenten van de kerk te Tegelen en is aldaar teruggevonden in 33 stukken. Rector Pinckers heeft ze kunnen uithalen en in Steijl restaureeren door den beeldhouwer K. Lücker. Ze prijken nu weer op haar oude en oudste voetstuk. Met de hernieuwing der missie van 18-23 Nov. e.k. zal ze plechtig worden ingezegend. De schildering der kerk is ook af, alleen moeten nog dezen winter worden de retabels der altaren volgens reeds goedgekeurde teekening. Thans gaat men beginnen met de restauratie van de crypte, waarin J. Toorop zal kunnen vereeuwigen de verheerlijking van het H. Aanschijn bij Zijn Heilig Graf."

Het doopvont, gemaakt van Naamse steen, bestaat uit een versierd doopbekken gedragen door een centrale ronde zuil en op iedere hoek een cilinder steunend op een monsterachtig hoofd. De maten van een doopvont werden al vroeg vastgelegd in diverse synoden (kerkelijke vergadering). Hoogte en buitendiameter bedroegen gewoonlijk ca. 90 cm. Vanwege de dikte van de laag kolenzandsteen waaruit de blokken werden vervaardigd (zo'n 60 cm), was een doopvont opgebouwd uit meerdere delen.

Foto: Loe Giesen

Het doopbekken van Asselt is versierd met een afbeelding van een levensboom die ontspringt uit de mond van een hoofd in de aarde. Aan de ranken (zogenaamde palmetten), die wellicht het Oude en Nieuwe Testament verbeelden, zien we geopende granaatappels, vanwege de vele zaadjes symbool van heil en vruchtbaarheid. Op doopbekkens zien we ook wel wijnranken met druiventrossen, die in dat geval een vergelijkbare betekenis hebben ("Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken", Joh. 15:5). De afbeelding en de vorm van het doopvont hebben stylistisch enige gelijkenis met bijvoorbeeld het doopvont van Lichtervelde (B), dat eveneens wordt gedateerd in de 11e of 12e eeuw.

M. Schönlank-van der Wal, Middeleeuwse doopvonten in Limburg, in: De Maasgouw 188 (1999)

Grafmonumenten

Foto: Loe GiesenVroeger werden overledenen begraven in en rond de kerk. Waarschijnlijk gebeurde dat ook aan de westzijde van de kerk, waar eerder de ingestorte toren stond. Een akte uit 1657 noemt een drenkeling die in de Maas werd gevonden 'ende tot Assell op den verloeren kerkhoff begraeven'.

 

 

 

 

 

Foto: Loe GiesenLinks naast de toren staat het grafkruis van Jan Ruesen uit 1558. Joannes Rutsen (Reutzen, Rusen, Russen) was in 1531 schepen van Swalmen. Ook later komen we de familienaam nog geruime tijd tegen in Asselt en omgeving. De benoeming van Godefridus Ruytsen als eerste rector van het Sint Catharine-altaar in Asselt illustreert nogmaals de bijzondere band tussen deze familie en het Asselter kerkje.

Foto: Loe GiesenIngemetseld in de toren bevindt zich een kleine steen met gotische tekst in opgelegd inschrift: 'Beel Russe miit hore kijderen'. Mogelijk betreft het een chronogram dat het jaartal 1559 oplevert.

 

 

 

 

Foto's: Loe GiesenRechts van de toren bevindt zich een kruis met aan beide zijden een tekst:

AN 1615 / 20 IVNY /IS GEST/ORVEN / WILLEM / QVITEN (,) ANNO 1629 / 12 SEPTEMBRIS IS / GESTORVEN GOERDT / QVITEN

WINNOU / EIISEN IS / GESTORVE/N ANNO / 1615 AM 20 IVNY GOD / TROIST DIE SIELE

Willem Quiten, in 1590 te Asselt gehuwd met de weduwe Gertruda van Horn, was pachter van de Asselterhof en overleed kennelijk op dezelfde dag als de - verder onbekende - persoon die op de achterzijde vermeld staat. Na Willem's dood nam zijn zoon Godefridus de pacht over.

Foto: Loe GiesenEveneens rechts van de kerk de grafsteen voor Godefridus Bomen:

Aº 1616 / STARF GOERT BO / MEN. GODT TROST / DE ZIEL

Over Goert Bomen (Baum, Boemen, Boom, Boomen, Boumen) is verder weinig bekend. Blijkens een akte uit 1619 liet hij kinderen na en de achternaam kwam ook na zijn overlijden nog vele tientallen jaren voor in Asselt en omgeving.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kerkbegravingen

Door de eeuwen heen werden overledenen niet alleen begraven buiten de kerk maar ook daarbinnen. Uiteraard was daarbij geen plaats voor alle parochianen. We zien dat vooral personen van enig aanzien een plaatsje in de kerk bemachtigden. Van de adellijke eigenaren van hoeve Zuydtwijcks Spick op de Boukoul (behorend tot de parochie Asselt) mogen we aannemen dat ze in de kerk werden begraven, hoewel dit slechts bij uitzondering werd vermeld. Zo noemt het begraafregister bijvoorbeeld ook niet expliciet dat kapelaan Rutgerus Janssens in de kerk van Asselt werd bijgezet, terwijl diens grafsteen met familiewapen een typisch voorbeeld is van een kerkmonument. Ook de eigenaren en pachters van de Asselterhof namen een voorname plaats in, net als mensen die in hun testament geld of inkomsten nalieten aan de Dionysiuskerk.

Foto: Loe Giesen

Foto: Loe Giesen, 2013.1676: Agnes aan de Beeck, dochter van Jan a/d Beeck en Wendelina Quiten; echtgenote van Dirk Aquarius.
1677: Christianus Maessen, zoon van Silvester Maessen en Maria Gubbels.
1679: Theodorus Aquarius, zoon van Stephanus Aquarius en Theodora Cnops.
1700: Agnes Smeets, dochter van Arnoldus Smeets, pachter van de Asselterhof, en Matthia Spee.
1700: Wilhelmus Smeets, zoon van Arnoldus Smeets, pachter van de Asselterhof, en Matthia Spee.
1702: Jacobus Spee, gezworene en eigenaar van het Gebrouwhuis te Asselt, echtgenoot van Matthia Dorssers.
1703: Joanna Janssens, dienstmeid op de Asselterhof.
1703: onbekende dochter van Arnoldus Smeets en Matthia Spee.
1770: Maria Clara Everaedts, dochter van Anselmus d'Everard en Anna Maria van Dursdael, eigenaren van hoeve de Spick te Swalmen-Boukoul.
1771: Cornelia Beurskens, echtgenote van Albertus van Dael.
1784: Franciscus Chefneue, pachter van de Asselterhof

In 1916 tekende de Roermondse landmeter en amateurhistoricus A.F. van Beurden een schets van vondsten te Asselt. Op de plaats waar hij de verdwenen toren situeerde gaf hij drie sarcofagen aan. In 1924, in een van de artikelen die later de aandacht van archeoloog Holwerda zouden trekken, schreef Van Beurden: "Waar nu het koor boven de de crypte staat, dus op de oude plaats van den verdronken toren, lagen zes troggraven of sarcophagen, een halven meter verheven boven het oevervlak. Wat buioten die graven lag, was volgens een volksoverlevering ongewijd; in een troggraf werd een mes met een ivoren hecht gevonden, zo een, als bij het sluiten van koop door den verkooper aan den kooper ten overstaan der schepenen gegeven werd. De grafplaats, oudtijds onder den eersten toren, wordt als het familiegraf der Van Asselt's beschreven."

Literatuur:

Frans G.J. Geerlings, Oude grafmonumenten tot rond 1900. Inventarisatie van hetgeen nog over is. Deel 1: Asselt. In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 11 (1991).
D. Sassen, Asselt. Zijn kerk, zijn museum en het slot Hillenraad. Maastricht, 1928.
D.J. van der Ven, Asselt aan de Maas. Eindhoven, 1948.

 

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
 

© Loe Giesen, Reuver 1983-2014

GASTENBOEK