KRONIEK
VOOR BELFELD, BEESEL EN SWALMEN - 1810-1819
laatst
opgeslagen: dinsdag 2 maart 2010 CTRL+F = zoeken CTRL+C = kopiëren ALT+TAB = wisselen
1810
24 januari 1810
SWALMEN - Gehuwd: Cretien Custers [Christiaan, ged. Swalmen 25-12-1768, overl. Linne 6-6-1832, zn. van Albert Custers en Petronella Pansaerts] en Gertrude Dousen [geb. Swalmen 18-7-1786, dr. van Mevis Dousen en Jeanne Peters].
GenLias, 2004.
31 januari 1810
NEUSS (D) - Gehuwd: Jean Baptiste Cartigny [geb. en ged. Beauregard (F), dept. de l'Aisne, arr. St.-Quentin 7-7-1772, katoenfabrikant en dagloner 1809, douanebeambte 1810, boswachter 1816, overl. Swalmen 16-11-1832, zn. van wijlen Jean Baptiste Cartigny, kruidenier ('marchand epicier'), overl. Beaurevoir 15-8-1790 en begr. 17-8-1790, en van wijlen Marie Louise Fremaux, overl. Beaurevoir 4-10-1778, begr. ald. 6-10-1778; voor eerder huwelijk van Jean Baptiste zie 26-3-1790], douanebeambte oud 30 jaar, en Marie Catherine Ramakers [Maria Catharina Ramaekers, Romakirck, geb. Swalmen 29-10-1780, overl. ald. 30-9-1854, dr. van wijlen Hendrikus Ramakers en Cornelia Geraedts], oud 29 jaar.
Getuigen: Hubert Wimmers, sergeant van politie oud 42 jaar wnd. te Neuss, buurman van de echtelieden; Germain Ramaekers, landbouwer oud 35 jaar wonend te Schwalm, broer van de bruid; Urbain Prelat, luitenant van de douane oud 34 jaar wnd. te Neuss, buurman van de echtelieden; en Jean Baptiste Derousson, dagloner oud 47 jaar wnd. te Grefrath, buurman van de echtelieden. Bij dit huwelijk worden erkend en gewettigd de vier kinderen André, Jean, Julie en Marie Francoise.
Scan BS Neuss (Brühl) met dank aan Huub van Helvoort,
Almere,
Uit dit huwelijk:
1. Andreas (André) Cartigny, geb. Rondorf (BRD arr. Keulen, Pruissen) 3-11-1805 (zn. van Jean Baptiste x Marie Chatarine Romakirck).
2. Jean Cartigny, geb. Rondorf (BRD) 21-2-1807 (zn. van Jean Baptiste x Marie Chatarine Romarkircken), dienstknecht, woont 6-12-1854 te Leuth (B), 13-5-1855 te Brussel, 3-9-1855 te Brussel, winkelier vanaf 1858, overl. Meeswijk bij Brussel 5-10-1881. Tr. Meeswijk (B) 11-7-1850 met Anna Mechtildis Haerden.
3. Julie Cartigny, geb. Köln-Langel (bij Worringen, BRD; kanton en arrondissement Mülheim) 22-8-1808.
4. Marie Francoise Cartigny, geb. Neuss (D, vader is dagloner wnd. in de Brückstraße) 29-11-1809, overl. Roermond 14-6-1885. Tr. Swalmen 9-11-1840 met Antoon Christoffel Overloop.
5. Ludovicus Henricus Cartigny, geb.
Wieringen 24-9-1811, ged. 26-9-1811 (get. Ludovicus Quiten Binet en Maria
Josephina Godelle), overl. Wilich-Anrath
(BRD) 11-5-1885. Tr. Anrath … met Anna Catharina Helena Hubertina Jäecken.
6. Ernestus
Cartigny, geb. Wieringen-Hippolytushoef 4-1-1813 (vader is
onderluitenant van de brigade douaniers in de haven van Westerland), overl. Swalmen 22-1-1885. Tr. Swalmen
2-6-1841 met Joanna Catharina Bongaerts.
7. Elisabeth Cornelia Francisca Cartigny, geb. Swalmen 15-3-1815. Tr. Swalmen 19-5-1841 met Jan Willem Lafleur.
8. Hermanus Cartigny, geb. Swalmen 15-3-1815, overl. ald. 9-5-1893. Tr. Swalmen 29-1-1845 met Joanna Claessen.
9. Ida Ludovica Cartigny, geb. Mechelen-aan-de-Maas (B) 21-12-1816 (vader is boswachter), overl. … Tr. Swalmen 21-6-1841 met Henricus op 't Roodt.
10. Alexander Cartigny, geb. Mechelen-Heiwijck 5-6-1820, overl. Swalmen 16-9-1910. Tr. 1) Swalmen 5-1-1841 met Anna Catharina Schlangen; 2) Swalmen 4-5-1877 met Margaretha Alers.
11. Josephina Cartigny, geb. Mechelen-Heiwijck (B) 1-12-1821 (vader is boswachter), overl. Swalmen 22-2-1860. Tr. Swalmen 10-10-1857 met Jan Hendrik Sanders.
In de familie bestaat een verhaal dat zij zouden afstammen van een Zwitserse soldaat. Er bestaat een Cartigny bij Genève. Waarschijnlijker is een oorsprong bij Cartigny in de Picardie, dept. Somme (F). Volgens de doopakten van Ida (1816) en Josephina (1821) waren de ouders gehuwd te Neuss.
17 februari 1810
SWALMEN - Gehuwd: Gerard Peters [geb. Swalmen 11-5-1768, dagloner, zn. van Mathieu Peters en Gertrude Springs of Sprungs] en Wilhelmina Meerts [Meertz, geb. Swalmen 21-10-1780, overl. ald. 19-11-1829, dr. van Godefroi Meerts en Anna Catharina Custers].
GHS Swalmen, BS-1810/11; GenLias, 2005.
19 februari 1810
SWALMEN - Gehuwd: Guillaume Sanders [ged. Swalmen 19-2-1770, dus gehuwd op zijn verjaardag?; wedn. van Christina Bongers, geh. Beesel 13-4-1798], oud 40 jaar, landbouwer, zoon van Jean Sanders en van Jeanne Dousen, en Marie Gertrude Mevissen [geb. Swalmen 12-3-1785], oud 25 jaar, dochter van Tilman Mevissen, overleden Swalmen 3 februari 1810, en van Anne Marie Geraedts.
GHS Swalmen, Registers BS.
Getuigen: Leonard Sanders, oud 45 jaar, landbouwer, broer van de bruidegom; Gerard Hendrickx, oud 42 jaar, landbouwer, schoonbroer van de bruidegom; Chretien Bongaerts, oud 53 jaar, neef (cousin) van de bruidegom; en Paul Geraedts, oud 31 jaar, landbouwer en buurman.
Uit dit huwelijk:
1. Leonardus Sanders, woont later te Afferden (1848) en Middelaar (1854).
2. Jan Hendrik Sanders, geb. ... Tr. 1) Swalmen 11-8-1845 met Frederica van Horn. Maakte 2) Swalmen 10-10-1857 huwelijkse voorwaarden op met Josephina Cartigny.
3. Jan Francis Sanders, geb. ... Tr. Swalmen 27-4-1846 met Anna
Catharina Janissen.
4. Anna Maria Sanders
5. Anna Gertrudis Sanders, geb. Swalmen 26-1-1820. Tr. Swalmen 15-4-1850 met Joannes Clumpkens.
Guillaume Sanders en zijn vrouw Maria Gertrudis Meers (sic; onjuist) kochten op 30-8-1813 een huis te Swalmen (gesloopt).
26 februari 1810
MAASNIEL - Gehuwd: Regnier Francois Lintjens [geb. Maasniel 5-10-1766, zn. van Jean Lintjens en Catharine Schrijvers; wedn. van Ide Neelen] en Jeanne Spee [Joanna Spee, geb. Swalmen 3-6-1787, dr. van Leonard Spee en Marie Joosten].
GenLias, 2010.
29 maart 1810
BEESEL ‑ Schets van een perceel op de Reuverse hei langs de weg van Roermond naar Venlo, eigendom van G. van der Renne.
GA Roermond, Familiearchief V 20, inv.nr. 92.
15 april 1810
SWALMEN - Akte van verkoop door J. Beurskens aan Hendrik Raemaeckers van een perceel akkerland op de Ruyscamp te Swalmen, kadastrale sectie A nr. 891 (top. kaart 11 nr. 180).
GA Venlo, Familiearchief Raemaeckers (OV2), inv.nr.
8B.23; 1 stuk.
24 april 1810
REUVER-LEEUWEN - Pierre Joppen te Beesel verkoopt bomen, opbrengst frs. 336.
GA Roermond, Notarieel Archief Milliard, inv.nr. 1810/94.
27 april 1810
BEESEL ‑ Overdracht Schutgensgoed.
Ten overstaan van Henri Antoine Milliard, notaris wonend te Ruremonde, dragen de erfgenamen Schutgens, te weten:
- Pierre Mathieu Eerkens, maire van Mulbracht,
wonend aldaar;
- Jean Mathieu Terpoorten, landbouwer wonend te
Mulbracht;
- Antoine Thör, landbouwer te Mulbracht;
- de weduwe Anna Cathrine Terpoorten en haar minderjarige
zoon Jean Mathieu Thör, waarvoor Antoine Thör en
Jean Mathieu Terpoorten persoonlijk garant staan;
- Jean Damer, landbouwer wonend te
Breijel, zich mede sterkmakend voor zijn echtgenote Marie Elisabeth Terstappen;
- en Guillaume Henri Schöpges, handelaar wonend te Breijel namens de erfgenamen van Francois Erkens wonend te Dulken,
een boerderij met toebehoren genaamd Schutgensgoed onder Besel, inclusief een hoofdsom van 1128 francs, voor een bedrag van 2.500 francs over aan Guillaume Impelmans, wonend te Helden, en diens echtgenote Hermine Bax. De gebouwen bestaan uit boerderij met schuur, stallen, bakhuis en moestuin, gelegen op de Cruijsberg tussen Pierre Janssen en Jean Winckens.
GA Roermond, Notarieel Archief H.A. Milliard, inv.nr. 1810/97.
Betreft pand smabers-3/250. Voor huwelijk Schutgens-Cruijsberg zie Belfeld 9-5-1668].
2 mei 1810
KESSEL - Gehuwd: Guillaume Leenkens [geb. Belfeld 9-2-1780, zn. van Henri Leenkens en Catharine Willemse] en Hendrina Janssen [geb. Kessel, dr. van Henri Janssen en Margarithe Hendricx].
GenLias, 2005.
6 mei 1810
BEESEL - Gehuwd (BS; RK: Beesel 9-5-1810 met toestemming van de ouders van de bruid, getuigen: Jacobus Engelen ged. en wnd. te Besel en Joannes Smeets ged. en wnd. te Besel): Joannes Engelen [geb. Beesel 10-2-1779, zn. van Henricus Engelen en Elisabeth Peeters] en Gertrudis Jansen [Janssen, geb. Beesel 28-6-1788, dr. van Joannes Jansen en Beatrix Beurskens].
GHS Beesel, BS-1/582; DTB-registers St.-Gertrudisparochie Beesel, deel III fol. 171/2.
Uit dit huwelijk (BS):
1. Joanna Engelen, (ontbreekt in BS?), ged. Beesel 27-2-1812 (doopget. Henricus Engelen en Beatrix Beurskens).
2. Joannes Engelen, geb. en ged. Beesel 29-7-1813 (doopget. Petrus Engelen en Beatrix Beurskens). Tr. Beesel 1-9-1865 met Maria Theresia Joosten.
3. Henricus Engelen, geb. Beesel 15-5-1816, ged. 13!-5-1816 (doopget. Jacobus Engelen en Joanna Jansen).
4. Petrus Engelen, geb. Beesel 19-4-1820.
5. Mathias Engelen, geb. en ged. Beesel 20-2-1823 (doopget. Thomas Peters en Joanna Engelen). Tr. MOGELIJK 1) ... met Wilhelmina Hendriks; MOGELIJK 2) ... met Johanna Petronella Joosten.
6. Gerardus Engelen, geb. en ged. Beesel 4-7-1826 (doopget. Petrus Simons en Margaritha Engelen)..
8 mei 1810
BEESEL - Gehuwd (BS; RK: Beesel 9-5-1810, getuigen: Cornelis Slots ged. en wnd. te Kessel en Mathias Peeters ged. en wnd. te Besel): Jean Slots [Joannes, geb. Kessel 9-2-1777, zn. van Rutgerus Slots en Cornelia Doomen] en Marie Gertrude Peeters [Peters, geb. Beesel 25-3-1782, dr. van Conrardus Peeters en Gertrudis Timmermans].
GHS Beesel, BS-1/583; GenLias, 2005; DTB-registers St.-Gertrudisparochie Beesel, deel III fol. 171/1 (eerste aantekening in dit derde register door Joes van Mechelen).
Uit dit huwelijk:
1. Anna Maria Gertrudis Slots, geb. Kessel … Tr. Nunhem 13-10-1843 met Jacobus Noblesse.
2. Gerard Slots, geb. Kessel 24-8-1813. Tr. Maasbree 26-4-1858 met Petronella Coenen.
...
3. Maria Hendrina Slots, geb. Kessel 7-12-1821. Tr. Beesel 14-10-1850 met Joannes Willemsen.
4. Francis Koenraard Slots, geb. Kessel 25-4-1824. Tr. Kessel 26-4-1865 met Johanna Aerts.
5. Anna Elisabeth Slots, geb. Kessel …. Tr. Neer 25-2-1862 met Gerardus Claessen.
Uit dit huwelijk geen kinderen te Beesel.
8 mei 1810
SWALMEN - Gehuwd: Jean Schoonhoven [geb. Swalmen 20-10-1775, zn. van Francois Schoonhoven en Jacomina Bollen] en Ida Geraedts [geb. Swalmen 24-3-1778, dr. van Henri Geraedts en Catharina Ramakers].
GenLias, 2004.
12 mei 1810
ROERMOND - Gehuwd: Jean Joseph Mullenbroch [Meulenbroek, Mullenbruch, Mullenbroech, geb. Karken (D) 12-7-1784, zn. van Martinus Meulenbroek en Maria Agnes Jöries; hij hertr. Roermond 22-4-1820 met Elisabeth Maes] en Jeanne Cruijsbergh [Kruysbergh, ged. Roermond 1-4-1789, dr. van Wilhelmus Cruijsbergh en Caecilia Sibilla Wiltschuts].
GenLias, 2005.
Uit dit huwelijk (volgens Gendalim 5):
1. Maria Agnes Gertrudis Mullenbruch, ged. Roermond 18-3-1811 (get. Martinus Mullenbruch uit Karken en Maria Agnes Kruysbergh). Tr. Roermond 16-4-1842 met Wilhelmus Hubertus Henricus Vaessen.
2. Anna Catharina Caecilia Mullenbroech, ged. Roermond 4-3-1813 (get. Wilhelmus Smeets en Catharina Broedermans). Tr. Roermond 4-8-1843 met Henricus Hubertus Meijers.
3. Maria Hubertina Gertrudis Mullebruch, ged. Roermond 11-10-1815 (get. Bernardus Pangels en Gertrudis Compans).
15 mei 1810
MAASNIEL - Gehuwd (BS): Reinerus Salden [ged. Maasniel 5-12-1776, overl. ald. 22-1-1819; zn. van Albertus Salden en Gertrudis Aengenend], wonend te Swalmen, en Lucia Verspagen [kerk: Sophia Sporen, ook Cécile Verspaeren, Sparen, ged. Belfeld 10-12-1779; dr. van wijlen Joannes Verspaegen en Theresia Turlings, dagloonster te Belfelt].
Uit dit huwelijk:
1. Hubertus Salden, ged. Maasniel 13-5-1811 (get. Mathias Huskens en Gertrudis Aengeneijnde).
2. Joannes Hubertus Salden, ged. Maasniel 12-2-1813 (get. Marcelis Janssen en Gertrudis Smeets voor Theresia Teuren uit Beesel), overl. ald. 16-8-1814.
3. Mechtildis Salden, ged. Maasniel 5-4-1815 (get. Wilhelmus Heijnen uit Beesel en Mechtildis Heuskens).
Geboorte kinderen: GA Roermond, Gezinsklappers Maasniel. Voor geslacht Salden zie ook J. Ruiten: Onder den klockenslagh van Neel, Leeuwen en Asenray, blz. 368.
16 mei 1810
SWALMEN - Gehuwd: Thomas Sleijpen [Thomas Slijpen, geb. Swalmen 1-4-1777, zn. van Josephus Sleijpen en Henriette Joosten] en Jeanna Naus [Joanna Naus, geb. Swalmen 24-11-1785, dr. van Henri Naus en Megtilde Pijpers].
GenLias, 2004.
Uit dit huwelijk:
1. Mechtildis Slijpen. geb. Swalmen 16-2-1812. Tr. 1) Swalmen 11-4-1837 met Joannes Franciscus Rulkens; 2) Swalmen 8-10-1856 met Everardus Janissen.
2. Maria Slijpen, geb. Swalmen 1-4-1818. Tr. Swalmen 8-5-1844 met Jan van den Groenendael.
3. Josephus Slijpen, geb. Swalmen 14-3-1823. Tr. 1) Swalmen 1-6-1857 met Anna Maria Hubertina Simons; 2) Swalmen 21-1-1865 met Joanna Janissen.
4. Joanna Slijpen, geb. Swalmen 30-10-1825. Tr. Swalmen 30-10-1858 met Mathis Sillen.
5. Anna Catharina Slijpen, geb. Swalmen 23-3-1830. Tr. 1) Swalmen 25-4-1855 met Joannes Hendrikus Simons; 2) Swalmen 30-12-1864 met Wilhelmus Franken.
17 mei 1810
SWALMEN - Gehuwd: Sebastian Wijnen [geb. Swalmen-Asselt 30-8-1781, zn. van Peter Wijnen en Margarite Heijnen] en Petronella Janssen [geb. Swalmen 26-1-1782, dr. van Paulus Janssen en Anna Bongaerts].
GenLias, 2004; de akte is niet opgemaakt, maar er zijn voldoende bijlagen aanwezig.
20 mei 1810 (zie ook 24-5-1810)
BEESEL - Gehuwd (BS): Jacobus Engelen [geb. Beesel 11-2-1776, zn. van Henricus Engelen en Elisabeth Peeters] en Anna Maria Catharina Hinsen [geb. Beesel 8-12-1784, dr. van Joannes Hinsen en Elisabetha Verhaegh].
GHS Beesel, BS-1/586.
Uit dit huwelijk (BS):
1. Petrus Engelen, geb. Beesel 22-2-1811 (BS-1/616). Tr. 1) Beesel 13-5-1835 met Joanna Killaers; 2) Beesel 18-5-1837 met Beatrix Killaers.
2. Joanna Engelen, geb. Beesel 16-2-1813 (BS-2/9). Tr. Beesel 15-5-1835 met Henricus Crins.
3. Elisabeth Engelen, geb. Beesel 6-6-1816. Tr. Beesel 29-7-1839 met Franciscus Franssen.
4. Henricus Engelen, geb. Beesel 15-10-1818.
5. Gertrudis Engelen, geb. Beesel 25-10-1821.
6. Petronella Engelen, geb. Beesel 6-4-1824.
Voor testamenten van Henricus, Gertrudis en Petronella zie 5-12-1866.
23 mei 1810
BEESEL - Gehuwd (BS: RK: Beesel 29-5-1810, getuigen: Wilhelmus Goossens ged. en wnd. te Besel en Henricus Michaeli [lees: Michael Heines] ged. en wnd. teMulbracht): Jean Henri Heijnes [Joannes Henricus, Johann Henrich, Jan Hendrik Heines, geb. Bracht (D) 21-11-1783, overl. Beesel 16-1-1862, zn. van Mathieu [bij overlijden: Martinus] Heijnes en Margaretha Heijnes] en Claire Gertruda Goossens [Clara, geb. Beesel 13-9-1782, overl. ald. 10-1-1839, dr. van Gerard Goossens en Gertrude van Ooijen].
GHS Beesel, BS-1/587; DTB-registers St.-Gertrudisparochie Beesel, deel III fol. 172/1; Genlias, 2005.
Uit dit huwelijk (BS, RK):
1. Anna Gertruidis Heijnes, geb. en ged. Beesel 11-3-1811 (BS-1/618; doopget. Gerardus Goosen en Margarita Heijnes). Tr. Beesel 27-11-1833 met Louis Joseph Cartrij.
2. Petrus Gerardus Heijnes, geb. Beesel
20?-8-1813, ged. 17-8-1813 (BS-2/29; doopget. Mathias Heijnen en Maria
Goossens), overl. ald. 6-5-1815.
3. Anna Margareta Heijnes, geb. en ged.
Beesel 12-2-1815 (BS-2/103; doopget. Petrus Joannes Heijnens en Maria Elisabeth
Goossens), overl. ald. 12-2-1815, oud 5 uur.
4. Joannes Mathias Heijnes, geb. Beesel 21-3-1816 (BS-2/160). Tr. Beesel 19-4-1843 met Petronella Dambacher.
5. Wilhelmus Franciscus Heijnes, geb. en ged. Beesel 22-8-1818 (doopget. Wilhelmus Franciscus Goossens en Margareta van den Broeck).
6. Gerardus Antonius Heines, geb. Beesel
25-7-1820.
7. Helena Margaretha Heijnens, geb. Beesel 14-3-1823 (BS-3/62; doopget. Antonius Meuter en Aldegondis H. Tietelaer - klapper Peeters onjuist: 14-3-1824), ongehuwd overl. ald. 28-3-1843.
8. Gisbertus Theodorus Heines, geb. Beesel 11-9-1826 (doopget. Theodorus Stoffels en Gertrudis Goossens).
Zij hadden een café aan de Rijksweg te Reuver (zie Maas‑ en Swalmdal Jaarboek 10 (1990) blz. 62 voor foto). Voor naturalisatie zie 17-5-1836.
24 mei 1810 (zie ook 20-5-1810)
BEESEL - Gehuwd (RK): Jacobus Engelen [ged. Beesel 11-2-1776, zn. van Henricus Engele en Elisabetha Peters] ged. en wnd. te Besel en Anna Maria Catharina Hinsen [ged. Beesel 8-12-1784, dr. van Joannes Hinsen en Elisabetha Verhaegh] ged. en wnd. te Beesel. Getuigen: Sijbertus Hinsen wnd. alhier en Thomas Janssen ged. en wndn. te Besel.
DTB-registers St.-Gertrudisparochie Beesel, deel III fol. 171/3.
Uit dit huwelijk:
1. Petrus Engelen, ged. Beesel 22-2-1811 (get. Henricus Engelen en Elisabetha Verhaegh).
2. Joanna Engelen, geb. 16-2-1813, ged. Beesel 17-2-1813 (get. Joannes Bongers ged. en wnd. te Besel en Elisabeth Peters ged. te Swalmen enw wnd. te Besel; de akte is abusievelijk genoteerd in het huwelijksregister).
3. Maria Elisabeth Engelen, ged. Beesel 6-6-1816 (get. Nicolaus Hinsen en Joanna Engelen).
4. Henricus (Petrus Henricus) Engelen, ged. Beesel 15-10-1818 (get. Petrus Engelen en Maria Hinsen).
5. Gertrudis Engelen, ged. Beesel 24-10-1821 (get. Joannes Engelen en Helena Linsen).
6. Petronella Engelen, ged. Beesel 8-4-1824 (get. Joannes Hinsen en Margaretha Engelen).
3 juni 1810 (zie ook 20-6-1810)
BEESEL - Gehuwd (RK): Petrus Schreurs [ged. Beesel 26-7-1784; zn. van Joannes Schreurs en Margaretha de Loij] ged. en wnd. te Beesel en Gertrudis Engelen ged. en wnd. te Beesel. Getuigen: Joannes Peeters en Hermanus Schreurs, beiden ged. en wnd. te Besel.
DTB-registers St.-Gertrudisparochie Beesel, deel III fol. 172/2.
Uit dit huwelijk:
1. Margarita Schreurs, ged. Beesel 13-3-1811 (get. Henricus Engelen en Margarita de Loo).
2. Henricus Schreurs, ged. Beesel 12-6-1813 (get. Hermanus Schreurs en Joanna Engelen).
3. Joanna Schreurs, ged. Beesel 29-5-1815 (get. Petrus Engelen en Catharina Schreurs).
4. Elisabetha Schreurs, ged. Beesel 4-4-1818 (get. Jacobus Engelen en Barbara de Loo).
5. Elisabetha Schreurs, ged. Beesel 20-12-1819 (get. Joannes Engelen en Christina Bongers).
6. Joannes Henricus Schreurs, ged. Beesel 11-2-1823 (get. Petrus Meuwissen en Margareta Engelen).
7. Hendrina Screurs, ged. Beesel 11-2-1829 (get. Thomas Janssen en Joanna Engelen).
9 juni 1810
ROERMOND - Gehuwd: Jacques van der Goor en Marie Catherine Spee [geb. Swalmen 8-1-1784, dr. van Bartholomeus Spee en Marie Catherine Visschers], wonend te Roermond.
GA Roermond, Registers DHO.
20 juni 1810 (zie ook 3-6-1810)
BEESEL - Gehuwd (BS): Petrus Schreurs [geb. Beesel 26-7-1784, overl. ald. 6-10-1854, zn. van Joannes Schreurs en Margaretha de Loij] en Gertrudis Engelen [geb. Beesel 10-10-1785, overl. ald. 20-9-1860, dr. van Henricus Engelen en Elisabeth Peters].
GHS Beesel, BS-1/589.
Uit dit huwelijk (BS):
1. Margaritha Schreurs, geb. Beesel 17-3-1811, overl. ald. 30-8-1882. Tr. 1) Beesel 28-4-1843 met Michael Claessen; 2) Beesel 18-5-1847 met Arnoldus Schreurs.
2. Henricus Schreurs, geb. Beesel 12-6-1813.
3. Joanna Schreurs, geb. Beesel 27-5-1815 (BS-2/125, bij aangifte: Joannes). Tr. Beesel 26-4-1841 met Andreas Beurskens.
4. Elisabeth Schreurs, geb. Beesel 4-4-1818,
overl. ald. 9-2-1819.
5. Elisabeth Schreurs, geb. Beesel 20-12-1819. Tr. Beesel 19-4-1852 met Christianus Sillekens.
6. Joannes Henricus Schreurs, geb. Beesel 10-2-1823,
overl. ald. 12-2-1823, oud 2 dagen.
7. Hendrina Schreurs, geb. Beesel-Rijkel 11-2-1829. Tr. Neer 20-8-1860 met Johannes Berben.
6 juli 1810
BEESEL ‑ Willem van den Berg te Roermond verkoopt huis en landerijen te Beesel voor frs. 1300 aan Jean Simons en Anna Maria Boonen te Beesel.
GA Roermond, Notarieel Archief L. Dirix, 1810/169.
11 juli 1810
BEESEL - Gehuwd (BS): Theodorus Spee [geb. Kessel 18-9-1767, zn. van Joannes Spee en Elisabeth Jansen] en Jacomina Houba [Houben, geb. Beesel 18-8-1768, dr. van Leonardus Houba en Petronella Jansen].
GHS Beesel, BS-1/592.
Uit dit huwelijk:
1. Joannes Leonardus Spee, geb. Kessel 11-9-1811. Tr. Beesel 6-4-1834 met Agnes Franssen.
17 juli 1810
SWALMEN - Gehuwd: Willem Conrardus Ramakers [geb. Swalmen 17-3-1783, zn. van Christoffel Ramakers en Maria Mevissen] en Maria Catharina Timmermans [geb. Horn 29-9-1785, dr. van Willem Timmermans en Margarite van Herten].
GenLias, 2004.
Uit dit huwelijk o.a.:
1. Willem Ramakers, geb. Swalmen 20-7-1811. Tr. Maasniel 14-4-1837 met Anna Maria Janssen.
2. Jacobus Ramakers, geb.Swalmen 1-4-1813. Tr. Roermond 10-8-1848 met Maria Gertrudis Hubertina Berger.
3. Godefridus Ramakers, geb. Swalmen 28-3-1815. Tr. Swalmen 9-11-1840 met Martina Cuijpers.
4. Lambertus Hubertus Ramakers, geb. Swalmen 22-6-1825. Tr. Swalmen 2-4-1869 met Hubertina Naus.
Voor deling van de nalatenschap zie 22-4-1861.
20 juli 1810
BEESEL - Gehuwd: Arnoldus Spee uit Kessel en Wilhelmina Houben ged. en wnd. te Besel. Getuigen: Arnoldus Arts ged. en wnd te Kessel en Petronella Beckers ged. en wnd te Besel.
DTB-registers St.-Gertrudisparochie Beesel, deel III fol. 172/3.
Uit dit huwelijk geen kinderen te Beesel.
31 juli 1810
BEESEL - Gehuwd (BS): Nicolaas Simons [geb. Fetij 29-4-1787, zn. van Joannes B. Simons en Maria Frederica Clavet] en Maria Mareille le Brun [geb. Roeroij 15-7-1790, dr. van Petrus R. le Brun en Maria Elisabeth Baillij].
GHS Beesel, BS-1/594.
Uit dit huwelijk geen kinderen te Beesel.
1 augustus 1810
BEESEL - Wolvenjacht.
Brief van A.J. Junckers, burgemeester van Beesel, aan de onderprefect te Roermond, met ingesloten een proces verbaal van diezelfde dag en het verzoek om toestemming voor de inwoners om een geweer te dragen om hiermee op wolvenjacht te gaan.
- Ten overstaan van A.J. Junckers, maire van Beesel, en L. van den Broeck, adjoint, verklaren Joanne Dericks oud 50 jaar, echtgenote van Guillaume Eggels [sic; moet zijn: Engels], dagloner wonend te Bussereind, en Petronella Peeters [ged. Beesel-Bussereind 25-6-1784, dr. van Lambertus Peeters en Joanna Smeets], oud 26 jaar wonend aldaar, dat zij op 31 juli om 7 uur 's avonds op het land van de weduwe Henri Janssen te Beesel, in het Bussereindts Veldt gelegen, bezig waren om rogge te binden die op 30 juli was gemaaid. Petronella Peeters had haar 3-jarig onwettig kind bij zich, Joan genaamd [Joannes, geb. Beesel 7-9-1807]. Het kind begon een beetje te huilen waarop de moeder zei: 'Wees stil, we zijn bijna klaar, dan gaan we naar huis'. Even later wilde zij naar het kind kijken maar zag het niet meer. Ze begon te schreeuwen en de vluchtende wolf van achteren. Joanne Deriks, die heel dicht bij haar werkte, had het kind nog even te voren gezien. Beiden begonnen overal te zoeken maar vonden niets.
Burgemeester en adjoint zijn samen met veldwachter Joseph Peeters, Albert Peeters en de beide vrouwen naar de bewuste plaats gegaan. Van verre herkenden ze reeds de verse voetsporen van de wolf. Op de plaats waar het kind nog dicht bij de vrouwen was geweest, keerden de sporen, maar nu steviger in de aarde gedrukt, en leidden over enkele stukken land in de richting van het bos waar zij ze uit het oog verloren.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
1 augustus 1810
BEESEL - Wolvenjacht.
Ten overstaan van A.J. Junckers, maire van Beesel, L. van den Broeck, adjoint, en Joan Spée verklaren Pierre Peeters en Albert Misdom om 6 uur dat zij diverse ledematen hebben gevonden van het ongelukkige kind zoals nader vermeld in het proces verbaal van diezelfde dag. Beiden zijn naar de vlek genaamd 'op de Heijde' gegaan in het bos toebehorend aan Michiels, lid van het Legioen van Eer en burgemeester van Roermond, ongeveer acht à tien minuten van de plaats waar de dag van tevoren het kind ten prooi was gevallen aan de wolf. Daar zagen ze een grote menigte inwoners die 's morgens waren opgeroepen om te helpen zoeken.
Francois Reijnders, oud 18 jaar, had de linkerarm gevonden die door tandenbeten boven de elleboog was afgerukt.
Mathieu Weijers, oud 17 jaar, de linkervoet tot aan de enkel, met schoen en kous er nog aan.
Albert Misdom het andere (rechter) been, afgeknaagd tot aan de kuit en eveneens met schoen en kous er nog aan.
Mathieu Hellewegh enkele ribben en beenderen.
Henri Bongers, oud 42 jaar, het hemd en de muts, rood van bloed.
Pierre Spee, oud 16 jaar, de rest van de kleding.
Ze hebben alles op een stapeltje in de voorschoot van de moeder gelegd, die er op stond dat ze het ongelukkige kind naar haar huis zou brengen.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
3 augustus 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van A. Liger, onderprefect, aan de prefect van het Departement van de Nedermaas. In zijn brief van 1 augustus heeft de onderprefect al verslag gedaan van de vernielingen die de wolven hebben aangericht in de gemeente Beesel. Deze worden nu uitgebreid naar de gemeenten Belfeldt, Venloo en Swalmen (in hetzelfde departement) en naar Bruggen, Bracht en Breijel (in het Departement van de Roer). Later heeft hij het bijgevoegde proces verbaal ontvangen met nadere gegevens over het ongeluk in Beesel. Denkend over de middelen om aan de voortdurende ongelukken een eind te maken, moet de onderprefect denken aan de tijd dat kapitein De Borgraeve en zijn officieren in dit arrondissement zijn geweest. Hij meent dat de nutteloosheid van hun tochten moet zijn te wijten aan de traagheid om hen in beweging te zetten, veroorzaakt door de formaliteiten die moeten worden vervuld. Tussen een ongeval en de samenkomst van de jagers verstrijken twee à drie weken. Op dit moment is een algemene drijfjacht noodzakelijk maar deze zal zonder resultaat zijn als de overheid zich beterkt tot de zorg voor het vervoer van de officieren van de wolvenjacht. De onderprefect stelt de prefect voor om De Borgraeve opdracht te geven om een volmacht te geven aan de heer Franssen, inspecteur van de bossen, die vervolgens opdracht zou kunnen geven aan de heer Veugen, algemeen opziener, en aan de particuliere boswachters om met de burgemeesters van de drie genoemde gemeenten te overleggen om alle landlieden te verzamelen die kunnen schieten of drijven. Zo zou het spoor van het dier dat deze verontrustende vernielingen aanricht binnen acht tot tien dagen kunnen worden gevolgd en het dier samen met zijn soortgenoten op leven en dood worden achtervolgd en vernietigd. De onderprefect herhaalt nog eens dat het kwaad nijpend is en dat hij met belangstelling wacht op verdere maatregelen en bevelen.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
maandag 6 augustus 1810
KESSEL - Wolvenjacht.
Brief van J.A. Cox, maire van Kessel, aan de maire van Helden. De burgemeester heeft voor a.s. woensdag 8 augustus om 7 uur 's morgens een algemene drijfjacht op wolven bevolen omdat de wolf er reeds vier maal is gezien en hij treurige ongelukken wil voorkomen zoals deze onlangs in Brugge en Besel hebben plaatsgevonden. Cox verzoekt de burgemeester van Helden om zich met goede jagers naar de [niet genoemde] verzamelplaats te begeven. Hij heeft tevens een uitnodiging gestuurd naar de kastelen Aldenghoor, Baerlo, Birk, Raay en Putting.
GHS Helden, archief dorpsbestuur, inv.nr. ... (met dank aan Giel Geraedts).
6 augustus 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Beschikking van de onderprefect te Roermond.
1. de burgemeesters van Beesel, Belfeldt, Swalmen, Maesniel en Elmpt zullen de inwoners onmiddellijk oproepen om donderdag 9 augustus om 5 uur 's morgens samen te komen voor een algemene drijfjacht op wolven;
2. ze zullen een keus maken van alle personen waarvan bekend is dat ze de jacht kennen en in staat zijn een geweer te gebruiken zonder gevaar voor ongelukken;
3. alle anderen zullen gewapend zijn met knuppels, gaffels etc.;
4. de wapens zullen van te voren gereed worden gemaakt om te voorkomen dat ze op de plaats van samenkomst moeten worden geprobeerd;
5. de verzamelde inwoners zullen optrekken in goede orde onder leiding van de burgemeester, bijgestaan door zijn adjoint en eventueel aanwezige raadsleden, in rijen zoals aangegeven in het overzicht;
6. om een volledig geheel te krijgen zullen de burgemeesters van Kaldenkerken, Mulbracht, Breijel en Brüggen worden uitgenodigd om mee te doen, en de inwoners te verzamelen om aan hun kant een rij te vormen om aan de wolven de doorgang te beletten. De rechtervleugel van Kaldenkerken sluit aan bij de linkervleugel van Belfeld en de linker van Brüggen bij de rechter van Elmpt;
7. voor de handhaving van de noodzakelijke orde zal het geheel onder leiding staan van de heren De Reuss [Ruys], commissaris der wegen van het kanton Venlo, Biemont, magistraat van veiligheid, en Veugen, algemeen bosopziener; elk cordon zal onder leiding staan van de chefs (zoals aangegeven in het overzicht);
8. tijdens de jacht dient lawaai te worden vermeden, bij een ontmoeting met de wolf moet niet worden geschreeuwd. Onderweg naar de posten en gedurende de gehele jacht moet het diepste stilzwijgen in acht worden genomen. Uitgezonderd op wolven mag op niets worden geschoten. Bij een enkel schot kan de gehele operatie mislukken alleen al door het geluid van metaal en de reuk van kruit. Iedereen, en vooral diegenen die geen ervaring hebben met de jacht in de bossen, moet er op letten dat alleen wordt geschoten op een dier dat dichtbij is en nooit naar links of rechts te schieten wegens gevaar voor een buurman of verminking of doding van een van de jagers verder weg;
9. om zes uur 's morgens zal de opperjachtmeester het signaal geven voor het begin van de jacht, welk signaal door de cordonchefs te paard zal worden overgebracht naar alle rijen opdat deze zich allemaal gelijk in beweging zetten;
10. deze beschikking behoeft de goedkeuring van de prefect maar, gezien de zeer grote urgentie en de grote risico's die de bevolking loopt door de wreedheid van de wolven, die is toegenomen sinds zij mensenbloed hebben geproefd, zal deze beschikking provisioneel worden uitgevoerd.
|
gemeente |
punt
van samenkomst |
chefs |
opmerkingen |
|
Elmpt |
aan
Meinweg met gezicht naar de bergen van Elmpt, rechterflank aansluitend aan
het cordon van Bruggen |
notaris
Bruel en de
boswachter |
aan
de burgemeesters van Kaldenkirken, Mulbracht, Breijel en Bruggen wordt
verzocht dezelfde regel in hun rijen te volgen |
|
Maesniel |
in
dezelfde richting, rechter flank sluit aan bij de linker van Elmpt |
Page uit Roermond
en Sighoren uit
Swalmen |
|
|
Swalmen |
achter
kasteel Hillenraet, zich richtend naar Baexhoeve, aansluitend rechts aan
Maesniel en links aan Beesel |
Langenhoff uit
Roermond en Fourest |
|
|
Beesel |
tussen
de kerk van Beesel en de moerassen, met de linker flank aansluitend aan
Belfelt |
burgemeester
Kessels en Loomans uit
Roermond |
|
|
Belfeldt |
zich
richtend op Mulbeeker, links aansluitend op het cordon van Kaldenkirken |
|
|
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
7 augustus 1810
MAASTRICHT - Wolvenjacht.
Brief van inspecteur Frantzen aan de heer Loiset, luitenant van de wolvenjacht en commandant ad interim. Hij verwijst naar de gebeurtenissen in Beesel en zal de kapitein ervan op de hoogte stellen; gedurende diens afwezigheid zal de inspecteur ook de luitenant voorzien van alle informatie zodat deze passende maatregelen kan nemen. Hij verzoekt de luitenant om hem te laten weten wanneer deze zijn mensen in beweging zet opdat hij persoonlijk kan meehelpen.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
8 augustus 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van de onderprefect aan de prefect. Hij stuurt hem zijn beschikking van 6 augustus 1810, waarvan de uitvoering geen uitstel kan lijden. In de kantons Roermond en Venlo zijn reeds verschillende mannen en vrouwen aangevallen en twee kinderen verslonden. Er zijn nog meer ongelukken te vrezen. Het is belangrijk om nu te profiteren van de zwakte van de wolvenjongen en zo de wolvinnen te pakken te krijgen. Deze mogelijkheid vermindert echter met de dag en de jongen zullen snel meer kracht krijgen om hun moeder te volgen.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
10 augustus 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van A. Liger, onderprefect, aan de prefect. Op 8 augustus heeft een drijfjacht plaatsgehad. De inwoners van negen gemeenten hebben meegedaan. Ze hebben alle bossen uitgekamd op een oppervlakte van meer dan 4 vierkante mijl zonder dat een van deze dieren werd opgejaagd en zonder ook maar een van hun holen te ontdekken. Toch moeten ze er zijn. Het blijkt daarmee dat de dieren een groter gebied doorkruisen en hun wreedheid op diverse plaatsen uitoefenen. Toen de drijfjacht ten einde liep is ook luitenant De Hoensbroek aangekomen. De onderprefect heeft gemeend dat misschien van zijn aanwezigheid en goede wil kon worden geprofiteerd om op verschillende plaatsen nieuwe drijfjachten te houden. De luitenant verzekerde hem dat kapitein Borgraeve hem had opgedragen om de bewaking van het arrondissement op zich te nemen. Om deze opdracht nuttiger te kunnen uitvoeren heeft de luitenant een bijeenkomst gehouden met de burgemeesters van de omringende gemeenten om te overleggen over nieuwe drijfjachten. De onderprefect zal met alle middelen helpen.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
13 augustus 1810
NIEDERCRÜCHTEN - Wolvenjacht.
Brief van J.A. Roosen, burgemeester van Niederkruchten, aan de prefect te Maastricht. Bijna dagelijks vertonen zich op klaarlichte dag wolven. In Besel en Bruggen hebben ze jonge kinderen verslonden maar vandaag om 11.00 uur heeft een wolf in het gehucht Silvelbeek Jean Bartholomé Dahmen, een jongen van 8 jaar en 7 maanden, aangevallen en gedood op slechts 100 passen van zijn woning. Daarbij heeft de wolf een koe en een geit ongemoeid gelaten die door de jongen samen met nog twee kinderen werd gehoed. De burgemeester heeft meteen de noodklok laten luiden om zoveel mogelijk inwoners bij elkaar te krijgen. Twee mannen zijn de wolf op het spoor gekomen. Ze hebben hem uit het gemeentemoeras genaamd Rythbroek gejaagd maar waren daarbij slechts gewapend met gaffels. Degenen die gewapend waren met geweren en die enkele stukken van het lichaam van het kind hebben gevonden, waren precies een andere richting in gegaan. De wolf is Niedercruchten van dichtbij gepasseerd aan de zijde van Overcruchten, d.w.z. aan de kant van de heide genaamd Meynwegsbosch. Het dier is tevergeefs door een groot aantal mensen achtervolgd. Onder de inwoners heerst algemene verbijstering nu de verslindende dieren tot bij hun haardsteden hun veiligheid in gevaar brengen. Er wordt gevreesd dat dit dier dat mensenvlees heeft geproefd weldra terug zal komen om zich daaraan zat te vreten. De burgemeester vraagt toestemming om buitengewone maatregelen te nemen.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
13 augustus 1810
NIEDERCRÜCHTEN - Wolvenjacht.
Jean Martin Aimé van Mulbracht, vrederechter van het kanton Nedercruchten, heeft rond de middag het gerucht vernomen dat ongeveer een half uur eerder een wolf in het gehucht Silverbeek een kind zou hebben verslonden. Daarop heeft hij van Jean Mathieu Dahmen, oud 15 jaar, zoon van wijlen Arnou Dahmen en Christine Geerkens, vernomen dat diens broer Barthelemi, oud 8 jaar en 7 maanden, door een wolf is meegesleurd en dat de resten van het kind zijn gevonden.
Bijgestaan door de burgemeester van Niederkruchten en Jean Henri Erkens, dokter wonend te Bracht in het Departement van de Roer, is Van Mulbracht naar het huis van genoemde Christine Gierkens (sic) gegaan, landbouwster te Silverbeek en in tweede huwelijk hertrouwd met Henri Clingen. Daar hebben zij Clingen verzocht om hen de resten van het kind te laten zien. Dokter Erkens stelde daarbij vast dat het kind twee schrammen had aan het hoofd: een aan het linkeroog en een andere aan de nek. De hals, rechterarm, long en hart en de eraan zittende ingewanden waren aangevreten. De dokter kon goed zien dat delen waren afgeknaagd en afgescheurd van de rest van het lichaam door een verslindend dier. Henri Clingen verklaarde dat hij aan het hoofd kon zien dat dit Bartholemé was, het kind van zijn vrouw uit haar eerste huwelijk met Arnou Dahmen. Deze was 's morgens om 11 uur samen met Catharine Clingen, zijn 10-jarige dochter uit eerste huwelijk, en de 12-jarige buurjongen Gerard Timmermans, zoontje van Antoine Timmermans, het vee aan het hoeden in de gemeentemoerassen op ongeveer 100 passen van zijn woning. De twee andere kinderen waren naar Clingen toe gekomen en hadden gezegd dat een grote waakhond Bartholemé had meegenomen. Clingen was het dier nagelopen en had de sporen, die hij herkende als die van een wolf, gevolgd tot aan de overzijde van de Slijpsbeek. Daar had hij in de bossen de nog warme ingewanden gevonden. De kinderen verklaarden dat ze een dier als een grote waakhond hadden zien aankomen, waarop ze op de vlucht waren gegaan. Het dier was hen links gepasseerd en hen voorgekomen. Bartholémé was door het beest op de grond gegooid, op de rug geworpen en daarna gegrepen en meegenomen naar het bos.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807/76.
14 augustus 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Reglement van uitvoering.
1) De burgemeester verdeelt de drijvers in groepen van tien man met aan het hoofd van iedere groep een intelligente man;
2) De ruiters stellen zich op achter de linie van hun gemeente teneinde in de gelegenheid te zijn de bewegingen te volgen en de burgemeesters of leiders daarvan op de hoogte te houden;
3) Alle gemeenten vertrekken zo vroeg dat ze om 7 uur 's morgens op de verzamelplaats zijn;
4) Om 7.30 uur marcheert de hele linie naar Amersloo. Daar wordt gestopt bij een tweede linie gevormd door ruiters die zich ervan zullen overtuigen dat deze tweede linie helemaal omgeven is door de drijvers. De ruiters zullen zich naar het bos van Amersloo voor nadere bevelen. Niemand mag het bos binnengaan voordat de orders zijn gegeven.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807; met goedkeuring van de onderprefect d.d. 17 augustus 1810.
14 augustus 1810
REUVER - Wolvenjacht.
Plan van de drijfjacht op wolven zoals op 14 augustus 1810 opgesteld te Reuver tussen de heer De Hoensbroeck [luitenant van de wolvenjacht], de onderprefect van Roermond en de burgemeesters.
|
gemeente |
drijvers |
schutters |
ruiters |
verzamelpunten |
|
|
|
|
|
|
rechts |
links |
|
Tegelen |
80 |
16 |
3 |
Meyelbeeck Aendenborg Wambacht Gaskeuths Vogelstang Hofkeskasteel Bruggender Bücken Bos van Ameren kapel St.-Roger Uebel |
Aendenborg Wambacht Gaskeuths Vogelstang à Hofkeskasteel Bruggender Bücken Bos van Ameren kapel St.-Roger Uebel op de heide van
Korstkeerbongaert |
|
Venloo |
100 |
25 |
4 |
|
|
|
Leuth |
100 |
10 |
2 |
|
|
|
Kaldenkircken |
200 |
30 |
3 |
|
|
|
Breijel |
300 |
30 |
3 |
|
|
|
Mulbracht |
150 |
10 |
3 |
|
|
|
Bosheim |
100 |
10 |
3 |
|
|
|
Dulcken |
100 |
10 |
3 |
|
|
|
Dilkenraedt |
100 |
10 |
3 |
|
|
|
de 2 Amern |
100 |
10 |
3 |
|
|
|
Born |
100 |
10 |
3 |
|
|
|
Brüggen |
100 |
10 |
3 |
|
|
|
Wegberg |
150 |
15 |
3 |
lopend in linie vanaf
hun gemeente en jagend in de richting van heide Korstkeerbongaert. Stoppen
bij gehucht Korstkeerbongaert. Van daar twee ruiters sturen die de heide
oversteken tot ze bij de verzamelplaats komen waar ze de aankomst van hun
gemeenten melden en nadere instructies ontvangen |
|
|
Niedercruchten |
300 |
30 |
3 |
|
|
|
Elmpt |
100 |
10 |
3 |
|
|
|
Dalenbroeck en
Herckenbosch |
150 |
10 |
2 |
|
|
|
Melick |
100 |
10 |
2 |
|
|
|
Maesniel |
150 |
10 |
3 |
deze zullen gaan
van Korstkeerbongaert tot aan Beesel en zich in linie verspreiden. Die van
het gehucht Leeven onder Maesniel trekken door de bossen van Seiberhoff en
Voulbendt en sluiten aan bij Buggenum om daar te stoppen |
|
|
Swalmen |
150 |
10 |
3 |
|
|
|
Neer |
150 |
10 |
3 |
|
|
|
Buggenum |
90 |
5 |
2 |
|
|
|
Beesel |
150 |
10 |
3 |
linie vormen van
Beesel tot Schelkensbeek |
|
|
Kessel |
150 |
10 |
3 |
|
|
|
Belfeldt |
50 |
4 |
3 |
|
|
|
Roermond |
50 |
50 |
3 |
zich verzamelen in
Maesniel bij het gehucht Hasenroy en de beweging van die gemeente volgen. Bij
het verzamelpunt een line vormen |
|
|
|
3260 |
365 |
172 |
TOTAAL 3697 |
|
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
16 augustus 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Besluit van A. Liger, onderprefect van het arrondissement Roermond.
1) De burgemeesters van de gemeenten die zijn blootgesteld aan de strooptochten van wolven zullen een register openen waarin zij de jagers zullen inschrijven die het meest gunstig bekend zijn en die zich bereid verklaren om zich actief in te zetten voor de vernietiging van de wolven;
2) Op deze verklaring zal hen een vergunning worden verleend voorzien van een handtekening, het stempel van de gemeente en inschrijvingsnummer, om tot nader order een geweer te dragen onder de voorwaarde dat zij er slechts gebruik van maken voor de jacht op wolven en dat zij het slechts kunnen laden met het lood bestemd voor de jacht;
3) De burgemeesters zullen aan de onderprefect een verklaring toesturen betreffende het bedrag dat beschikbaar is voor onvoorziene uitgaven. Ze zullen de inwoners voorstellen zich vrijwillig in te schrijven om een of meerdere kassen te vormen voor premies;
4) De hierdoor beschikbaar komende fondsen worden overgemaakt voor het gebied van Venlo tot aan de rechter Roeroever aan de heer Jacquet [geestelijke en rentmeester van Hillenraad], ontvanger van de heer De Hoensbroek, officier van de wolvenjacht, en voor de gemeenten aan de andere Roeroever aan de heer Van Bommel;
5) Iedere gedode wolf wordt gepresenteerd aan de onderprefect; de brenger ervan zal naar zijn keuze onmidddellijk een erecertificaat van vernietiging ontvangen of een premiemandaat, betaalbaar door een van de eerdergenoemde kassen;
6) De onderprefect zal de oren van de wolf laten afsnijden en deze naar de prefect sturen; het lichaam van de wolf laat hij aan de brenger om eventueel de huid te verkopen;
7) De premies bedragen voor een wolvin 50 francs, voor een volwassen wolf 40 francs en voor een wolvenjong 10 francs;
8) administratieve afspraken over de verantwoording van de premies;
9) De gemeenten van het Departement van de Roer worden uitgenodigd om aan deze regeling mee te doen;
10) Dit besluit zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan de prefect
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807/83; op 17 augustus 1810 toegezonden aan de prefect. Met in dorso enkele (gedeeltelijk onleesbare) opmerkingen van de prefect d.d. 31 augustus 1810. De prefect acht het plan in grote lijnen goed en uitvoerbaar maar heeft moeite met het tweede artikel over de vergunning voor het dragen van wapens, hetgeen volkomen afwijkt van de politiewetten, en ziet graag toegevoegd dat deze beschikking slechts geldt voor dagen waarop een algemene drijfjacht wordt bevolen.
19 augustus 1810
ROERMOND - Overleden: Henricus Quiten, ged. Roermond 21-4-1743, oud 67 jaar, wnd. op de Schuitenberg, schrijnwerker, zn. van Hubertus Quiten en Joanna Cornelia Stockmans; echtg. van Anna Christina Hoogmoet. Begr. Roermond 21-8-1810.
GA Roermond, Registers Burgerlijke Stand.
20 augustus 1810
MAASTRICHT - Wolvenjacht.
Brief van Frantzen, inspecteur van 23e conservation van wateren en bossen te Maastricht aan de heer Veugen, algemeen opziener. Gezien de vraatzucht van een wolvin was het zijn eerste gedachte om aan de commandant van de wolvenjacht te schrijven om zijn plicht te doen. De kapitein is echter in Parijs en de luitenants schijnen een beetje te twijfelen aan het dreigende gevaar. Hoewel dit niet helemaal binnen hun bevoegdheden ligt meent Frantzen dat zij iets moeten doen. Hij verzoekt Veugen om te overleggen met de onderprefect en hem de hulp van alle keizerlijke en gemeentelijke opzichters aan te bieden.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
22 augustus 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Verslag van A. Liger, onderprefect, aan de prefect. Hij stuurt hem het plan voor de wolvenjacht zoals dit op 14 augustus samen met De Hoensbroeck en de burgemeesters is opgesteld bij hun vergadering die te Reuver, gehucht onder Beesel, is gehouden. Bij deze jacht, die op 20 augustus heeft plaatsgehad, zijn enkele wolven opgejaagd maar men heeft ze niet te pakken gekregen doordat ze in het kreupelhout en de nog niet gemaaide boekweitvelden zijn gevlucht. De jagers beschikten niet over honden om het spoor te volgen. Wel zijn diverse vossen ontdekt. Ondanks het verbod hierop te schieten zijn er twee gedood, evenals enkele hazen. De onderprefect kan echter in het algemeen slechts tevreden zijn over allen die hebben meegeholpen.
Gezien de moeilijkheid om de volledige orde te handhaven bij het samenkomen van meer dan 3.000 mensen binnen een uitgebreid gebied van 6 vierkante mijl, moet de onderprefect vaststellen dat ze beter kunnen afzien van algemene drijfjachten en dat het meer nut zal hebben indien elke gemeente dat voor zich doet. Het is beter wanneer de burgemeesters gedurende de rest van het mooie seizoen op zondag om 1 uur namiddag de beste schutters van de gemeente verzamelen en ze hun drijfjachten met een zeker aantal drijvers. Deze gedeeltelijke maatregel, tegelijkertijd uitgevoerd, zal nog beter werken indien de prefect zijn goedkeuring zou geven aan de beschikking van de onderprefect d.d. 16 augustus tot vaststelling van de premies voor hen die drijfjachten wolven doden, gelijk aan die voor hen die op de loer gaan liggen of strikken spannen etc.
- Met opmerking in ander handschrift dat het bij nader inzien wellicht beter is om het voorstel van de gemeenten van het Departement van de Roer terug te nemen en zich te beperken tot het Departement van de Nedermaas.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
27 augustus 1810
HELDEN - Wolvenjacht.
Brief van A.M. Hendrix, burgemeester van Helden, aan de burgemeester van Meijel. De wolf heeft hedenavond om 8 uur een kind van 4 jaar meegenomen, waardoor het nodig is een drijfjacht te houden. Hij verzoekt zijn collega om met de inwoners daar in de omgeving van de Peel enkele posten in te stellen om te zien of het 'vleeschvraetig' dier kan worden gevangen.
GHS Helden, archief dorpsbestuur, inv.nr. ... (met dank aan Giel Geraedts).
27 augustus 1810
HELDEN - Wolvenjacht.
Drie (vrijwel gelijkluidende) brieven van A.M. Hendrix, burgemeester van Helden, aan de burgemeesters van Neer, Kessel en Bree. Zoals het geadresseerde bekend is, komt de wolf sinds enige tijd in hun omgeving vaak voor. Zojuist zijn drie vaders bij hem geweest waarvan er een hem tevergeefs heeft gevraagd om zijn kind dat zojuist door de wolf is meegenomen. Volgens Hendrix zijn er dringend buitengewone maatregelen nodig. Daarom heeft hij voor morgen een drijfjacht bevolen die tegen 3 uur 's morgens zal beginnen. Hij verzoekt zijn collega om hetzelfde te doen.
GHS Helden, archief dorpsbestuur, inv.nr. ... (met dank aan Giel Geraedts).
28 augustus 1810 ('s morgens)
HELDEN - Wolvenjacht.
Brief van A.M. Hendrix, burgemeester van Helden, aan De Hoensbroick, luitenant van de Louveterie. Hij meldt dat in zijn gemeente zojuist tegen 8 uur 's avonds een kind van twee (?) jaar midden op straat is meegenomen door een wolf. Het kind werd losgerukt uit de handen van een meisje van 10 jaar dat het kind aan de hand hield. Ondanks de zoekacties die de burgemeester onmiddellijk heeft bevolen om het slachtoffer gezond en wel terug te zien, heeft men het kind niet kunnen vinden. Het zal zonder twijfel zijn opgegeten door het beest.
De voortdurende ongelukken doen een beroep op de autoriteiten van het land om buitengewone maatregelen te nemen. Hendrix beschouwt het als zijn plicht om de luitenant in te lichten en deze te vragen om de geëigende middelen aan te wenden om dit kwaad uit te roeien. Door de verwoestingen zijn de inwoners beangstigd en geschokt. In afwachting van verdere bevelen heeft de burgemeesters vast opgedragen om het beest op te sporen.
GHS Helden, archief dorpsbestuur, inv.nr. ... (met dank aan Giel Geraedts. Deze vermeldt bij dit stuk geen datum, die echter blijkt uit het proces verbaal van diezelfde dag).
28 augustus 1810
ten 3 uhren naer den middag
HELDEN - Extract uit het Register der Proces Verbalen van de gemeente Helden. Ten overstaan van Andreas Michael Hendrix, meijer van de gemeente Helden, verklaren Hendrick de Bruijn en Martinus van Lier, akkerlieden wonend op 'den uythoek genaemt Bieringen', op heden 27 (sic) 1810 omtrent 9 uur 's avonds dat rond 8 uur diezelfde avond een wolf is gezien in het gehucht die 'sagtjens sluypende' voorbij het huis van de echtelieden Peeter Geraets en Hendrine Wilms is gelopen. Daar heeft hij twee dochtertjes van het echtpaar ontmoet, de 10-jarige Maria en Judith, oud 3 jaar, 11 maanden en 10 dagen, die met een kruiwagen vol voer (fouragie) van het veld op weg waren naar huis. Judith is daarbij door het wilde dier aangevallen en onder de ogen van haar zusje Maria weggerukt en meegenomen naar de moerassige heide, waar het ongelukkige kind geheel is verscheurd. Onder aanvoering van adjoint P. van Oijen heeft een groot gedeelte van de inwoners op bevel van de burgemeester met behulp van lantaarns tot op de heide naar het slachtoffer gezocht, echter zonder resultaat. Hendrix heeft het ongelukkige voorval nog diezelfde avond doorgegeven aan zijn collega's van de omliggende plaatsen en hen verzocht meteen de volgende dag een algemene drijfjacht te houden.
Al om 3 uur 's morgens is men op 28 augustus met deze jacht begonnen. Midden op de heide, op een half uur afstand van de plaats waar het kind de voorgaande dag werd geroofd, werden de ingewanden gevonden van het ongelukkig kind waarvan het lichaam was verscheurd en dat door de wolf was opgegeten. De burgemeester gaf opdracht om de resten naar het dichtstbij gelegen huis te brengen, waarop het gezelschap verder trok, de moerassen in. Daar zagen ze het dier, 'sijnde van eene ongeloovelijke geswindtheit en grootheyd', dat echter vluchtte en rond de middag ontkwam over de grenzen van het Departement van de Monden van de Rijn. Wanhopig en teleurgesteld dat het dier hen was ontsnapt, gaf de burgemeester de inwoners toestemming om naar huis te gaan. Op weg naar huis ontmoetten ze de heer De Hoensbroek, luitenant van de wolfsjacht, vergezeld door zijn jagers. Deze was op het bericht over het ongehoorde voorval afgekomen dat de burgemeester hem die ochtend had toegezonden en wilde zich persoonlijk van het verhaal overtuigen. Hij bood meteen al zijn medewerking aan om het bloeddorstige dier te vangen. Omdat het dier nu verder weg was, heeft de luitenant voorgesteld om een tweede jacht nog een dag of vier uit te stellen.
GHS Helden, archief dorpsbestuur, inv.nr. ... (met dank aan Giel Geraedts).
28 augustus 1810
HELDEN - Wolvenjacht - aangifte van overlijden van een kind gedood door een wolf.
Ten overstaan van André Michel Hendrix, burgemeester van Helden en ambtenaar van de Burgerlijke Stand, verklaren Henry de Bruijn, landbouwer te Helden oud 44 jaar en buurman van de overledene, en Martin van Lier, landbouwer aldaar oud 40 jaar en eveneens buurman, op 28 augustus 1810 om 16.00 uur dat op 27 augustus 1810 om 8 uur 's avonds is overleden door een gewelddadige dood: Judith Geraets, geboren te Helden, oud 4 jaar, landbouwster (?), dochter van Pierre Geraets en Henriette Wilms. Van het voorval is een proces verbaal bijgevoegd.
GHS Helden, archief dorpsbestuur, Burgerlijke Stand (met dank aan Giel Geraedts).
z.d., 28 augustus 1810 of later
HELDEN - Wolvenjacht.
Twee (vrijwel gelijkluidende) brieven van A.M. Hendrix, burgemeester van Helden, aan de burgemeester van Horst en Deurne. Zoals het geadresseerde bekend is, wordt hun omgeving vaak bezocht door wolven. Ze halen midden op straat jonge kinderen weg. Ondanks zoektochten weet men niet wat van deze onschuldigen is geworden. Dit kwaad moet dringend worden uitgeroeid. Daarom heeft de burgemeester tijdens een rondtocht door de gemeente overlegd met De Hoensbroeck over het houden van een algemene drijfjacht in de gehele omgeving. Deze drijfjacht is vastgesteld voor komende zaterdag 1 september, te beginnen om 4 uur 's morgens. Aangezien de wolf zich mogelijk in het veen bevindt, gelegen op de grenzen van de gemeente van geadresseerde, denkt Hendrix dat het goed zou zijn om diezelfde dag ook daar een gelijke jacht te bevelen, gericht op de veenderij aldaar, die grenst aan die van Helden en Deurne [resp. Helden en Horst voor de andere geadresseerde]. De burgemeester hoopt dat zijn collega's op zijn verzoek zullen ingaan, te meer daar op genoemde dag ook in de gemeenten Deurne en Meijel een drijfjacht zal worden gehouden. Het is dan ook absoluut noodzakelijk dat de gemeente Horst [resp. Deurne] de grenzen van Horst en Deurne bewaakt. Hendrix hoopt dat de geadresseerden samen met hem de noodzaak van deze maatregel inzien.
GHS Helden, archief dorpsbestuur, inv.nr. ... (met dank aan Giel Geraedts).
28 augustus 1810
HELDEN - Wolvenjacht.
Brief van A.M. Hendrix, burgemeester van Helden, aan dhr. De Keverberg, onderprefect van het arrondissement van Cleves. Hendrix stuurt hem het proces verbaal betreffende de roof van een jong kind door een wolf die het, met uitzondering van de ingewanden, heeft opgegeten. De ingewanden zijn midden op de heide teruggevonden. Volgens de rapporten die de burgemeester heeft ontvangen komen ook in de omgeving van de onderprefect veel wolven voor en worden ook daar mensen aangevallen. De ongelukken veroorzaken angst onder de inwoners. Iedereen is zo door vrees bevangen dat niemand van de ene naar de andere gemeente durft te gaan of zelfs maar van het ene naar het andere gehucht. Voor aanstaande zaterdag heeft de burgemeester daarom een algemene drijfjacht vastgesteld die wordt geleid door de heer Van Hoensbroek. Hendrix zal de onderprefect het resultaat ervan mededelen. Hij dringt aan op buitengewone maatregelen en verzoekt De Keverberg om accoord te gaan met beloningen tot 200 francs per wolvenkop. Na overleg met de burgemeesters van Bree en Kessel heeft Hendrix de premie voor het doden van een wolf op hun grondgebied voorlopig vastgesteld op 100 francs. Hij hoopt dat de onderprefect deze maatregel zal goedkeuren en in voorkomend geval de betaling zal toestaan uit de gemeentelijke fondsen.
GHS Helden, archief dorpsbestuur, inv.nr. ... (met dank aan Giel Geraedts).
28 augustus 1810
HELDEN - Wolvenjacht.
Brief van A.M. Hendrix, burgemeester van Helden, aan de prefect. De burgemeester stuurt hem het proces verbaal over de gebeurtenissen van 27 augustus waarbij na zonsondergang een kind is gegrepen door een wolf. Onder de inwoners tot wel zes mijl in de rondte heerst grote angst en Hendrix dringt aan op buitengewone maatregelen. Indien het bestaande verbod op het dragen van wapens niet wordt versoepeld, moet de prefect rekening houden met nog meer ongelukken. Het land wordt bezocht door meerdere wolven waarvan men er, ondanks de inspanningen van luitenant De Hoensbroeck, geen enkele heeft kunnen doden. Hendrix is van mening dat men het kwaad slechts kan verdelgen door vergoedingen toe te staan tot 200 francs per wolvenkop. Zo kan men er de fanatiekste stropers toe overhalen om de dieren te pakken te krijgen.
GHS Helden, archief dorpsbestuur, inv.nr. ... (met dank aan Giel Geraedts).
28 augustus 1810
MAASTRICHT - Wolvenjacht.
Beschikking van Roggieri, prefect van het Departement van de Nedermaas te Maastricht.
Gezien het rapport betreffende de twee kinderen die door wolven zijn verslonden, overwegend dat de gehouden drijfjachten geen resultaat hebben gehad, dat diverse officieren van de wolvenjacht van het departement afwezig zijn, dat zij die overblijven en aan wie herhaaldelijk is geschreven zonder dat zij tot op heden enig middel tot vernietingen hebben aangereikt, gelet ook het feit dat deze zaak zeer urgent is en een vertrouwenspersoon wordt gemachtigd om zich ter plaatse te begeven, BESLUIT om de heer Caussin, kapitein commandant van de gendarmerie op te dragen om een voorlopige compagnie van wolvenjacht te organiseren, daartoe de leden en chefs te benoemen en draagt alle functionarissen op om de bevelen van de gemachtigde strikt op te volgen.
- Toegezonden aan de Police Général te Parijs, met antwoord d.d. 22 september 1810 dat de beschikking op 20 september 1810 door Zijne Excellentie is goedgekeurd.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807/91. Klad met diverse doorhalingen en wijzigingen.
28 augustus 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Algemene controle van de provisionele compagnie van de wolvenjacht, gevormd ter uitvoering van het besluit van de prefect van het Departement van de Nedermaas van 28 augustus 1810 door de kapitein commandant van de keizerlijke gendarmerie in het departement, als zijn gemachtigde.
Lijst van officieren:
kapiteins Van Bommel en Van Horn, luitenants De Heerma van Roermond, Fourest van Roermond, Cox van Roermond en De Reuss [Ruys] van Beesel, inspecteur Veugen van Roermond.
Lijst van goede schutters:
Gemeente Beesel: brigadier Jean Spé, Albert Meuter, Gerard Slousen, Adolf Blomen, Jacques Engelen, Godefroid Dreesens, Van Walbeck, Pierre Slousen, Martin Timmermans, Louis Blomaerts, brigadier Jean Janssen, Jean Simons, Pierre Simons, Jean Engelen, Henri Nijssen, Jacques Simons, André Mooren, Jacques Cillars, Daniel Neelen en Antoine Goossen.
Gemeente Swalmen: brigadier Jean Akenraet, Jean Cuijpers, Henri Weijnans, Conrard Janssen, Conrard Thielen, Jean Beek, Guillaume Kessels, Jean Schrinewerkers, André Peeters, Henri Schrinewerkers, Pierre Heuts en Hubert Schrinewerkers.
Verder namenlijsten van de gemeenten Maasniel, Niederkurchten, Elmpt, Wegberg, Odilienberg, Maasbracht, Vlodrop, Montfort, Posterholt, Echt, Roermond, Linne, Herten, Horn, Heythuysen, Haelen, Nunhem, Roggel, Neer en Buggenum (in totaal 22 gemeenten met 304 personen).
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
zaterdag 1 september 1810
MAASTRICHT - Wolvenjacht.
Brief van Roggieri, prefect te Maastricht, aan de prefect van de Roer. Inmiddels zijn reeds vijf personen het slachtoffer geworden van wolven, namelijk twee in het Departement van de Nedermaas en drie in het Departement van de Roer. Hij heeft jachtbrigades opgericht in de gemeenten van het arrondissement Roermond en premies vastgesteld ter aanmoediging. Er zijn diverse drijfjachten gehouden onder leiding van de officieren van de wolvenjacht. Tot nu toe is slechts één wolf gedood. Toch moeten er meer zijn, want het laatste ongeluk vond plaats nadat deze ene wolf werd vernietigd. Bovendien wordt gevreesd voor de vraatzucht van de jonge dieren zodra deze zijn volgroeid. Daarom is samenwerking vereist, buitengewone en efficiënte maatregelen en duidelijke afspraken over wat de officieren van de wolvenjacht in dergelijke omstandigheden moeten doen.
Voor de inwoners is een aanmoediging nodig in de vorm van premies die zo goed mogelijk passen bij de ernst van de zaak, aan de gevaren die de mensen lopen en de tijd die zij verliezen. Door beperkte plaatselijke middelen konden de premies niet in verhouding worden vastgesteld. Daarom stelt de prefect voor om deze premies samen en eensgezind vast te stellen. De beide departementen zouden deze premies (ieder?) voor de helft moeten betalen zonder te letten op de preciese plaats waar het dier wordt gedood zolang dit maar is in het gebied begrensd door de arrondissementen Roermond en Creveldt. De prefect stelt voor om de premies vast te stellen als volgt: voor een wolvin 500 francs, voor een wolf 400 francs en voor elke wolvenwelp 150 francs.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
De voorgestelde premies zijn uitzonderlijk hoog (berusten ze niet op een misverstand?). In deze periode werden eenvoudige huisjes verkocht voor zo'n 300 francs. Het besluit van de onderprefect d.d. 6 september 1810 stelt dan ook veel lagere premies vast.
zondag 2 september 1810
HELDEN - Wolvenvangst.
A.M. Hendrix, burgemeester van Helden, verklaart dat hij rond 7 uur 's morgens het gerucht heeft vernomen dat in het gehucht Panningen een wolf is gezien met in zijn bek het hoof van een kind, dat hij in een weide daar heeft laten vallen. De burgemeester is direct naar de wei gegaan waar hij het nog verse hoofd heeft gevonden van een kind van een jaar of vier. Diverse personen hadden de wolf zien lopen met een voorwerp in zijn bek maar niemand had duidelijk kunnen zien wat het was. De burgemeester is er echter zeker van dat het wilde beest dat hier vaak komt het ongeluk heeft veroorzaakt. Hendrix heeft het hoofd naar het gemeentehuis laten brengen in afwachting van iemand die het zal opeisen. De gehele omgeving is van het voorval in kennis gesteld.
- In de marge een aantekening z.d. in een ander schrift: aangezien zich nog niemand heeft gemeld om het gevonden hoofd te herkennen, heeft hij de ouders laten oproepen van kind dat verslonden is. Aan de hand van diverse gevonden kenmerken menen zij dat dit het hoofd is van hun kind dat enkele dagen geleden is gedood.
GHS Helden, archief dorpsbestuur, inv.nr. ... (met dank aan Giel Geraedts).
maandag 3 september 1810
HELDEN - Wolvenjacht.
Brief van de burgemeester van Helden aan de onderprefect van het arrondissement Cleves met een beschrijving van het kinderhoofd d.d. 2 september. Hendrix dringt nogmaals aan op buitengewone maatregelen, daar de dreiging ondanks herhaalde drijfjachten met de dag toeneemt. Volgens diverse inwoners uit de omgeving zou het een doeltreffend middel zijn om in elke gemeente 10 à 15 jagers te machtigen om wapens te dragen en hen te verplichten om voortdurend jachten te houden.
GHS Helden, archief dorpsbestuur, inv.nr. ... (met dank aan Giel Geraedts).
5 september 1810
Z.P. - Wolvenjacht.
Brief van NN [de perfect te Maastricht] aan NN, belast met het 1e arrondissement van de Police Générale [vgl. 28-8-1810], waarover hij bericht over kinderen van 3 en 8 jaar die zijn verslonden. Hij heeft de officieren van de wolvenjacht verzocht zich ter plaatse te begeven en heeft de inspecteur van de bossen opdracht gegeven hen met zijn opzieners bij te staan [vgl. 20-8-1810]. Met uitzondering van een enkeling waren alle officieren die hun domicilie hebben in dit departement afwezig. Degene die hier is gebleven heeft er op gewezen dat het zeer moeilijk zou zijn om in dit seizoen met succes een drijfjacht te houden omdat nog veel gewassen in het veld staan. Dit heeft de onderprefect van Roermond er niet van weerhouden om te voldoen aan de wens van de mensen uit zijn streek en twee drijfjachten te bevelen. Ze zijn gehouden onder leiding van De Hoensbroek, officier van de wolvenjacht.
Ofschoon uitgevoerd door meer dan 3.000 man over een oppervlakte van meer dan 6 vierkante mijl is de jacht zonder resultaat geweest. Wel zijn enkele wolven gezien en enkele schuilplaatsen gevonden in de bossen en graanvelden. Het ontbreken van honden en de vrees de oogst te vernieten verhinderden betere resultaten. De schrijver merkt op dat het verschijnen van wolven in dit departement een zeldzaamheid is. De heren van de wolvenjacht beschouwen hun baantjes zuiver als erebaantjes en ze zijn niet voorzien van een geschikte uitrusting met uitzondering van hun chef De Borchgrave, die echter afwezig was. De nutteloosheid van de beide jachten heeft de publieke onrust slechts vergroot. Zoals gewoonlijk wordt overdreven. Het volk heeft het aantal wolven en slachtoffers verveelvoudigd en er heerst een buitengewoon grote opwinding. Ongeruste en bezorgde mensen hebben geprofiteerd van deze volksstemming om te verstaan te geven dat de wolven spoedig zouden zijn vernietigd indien de burgemeesters vergunningen zouden kunnen afgeven voor het dragen van wapens en dat het bestuur de toestemming hiervoor slechts zou tegenhouden door lage hebzucht en omdat ze dan de daarvoor verschuldigde heffing dan zouden missen. Toen men zag dat de onderprefect de maatregel scheen te aanvaarden heeft men de eisen uitgebreid en verlangd dat de burgemeesters vuurwapenvergunningen zouden kunnen geven aan de inwoners van 30 gemeenten. Het bestuur mag aan deze eisen niet toegeven. Anderzijds moet het bestuur geëigende maatregelen treffen. De schrijver heeft reeds opgemerkt dat de 'gisting der geesten' zeer groot is geweest en de omstandigheden daar ook naar waren. De ouders van de beide kinderen en de bewoners van de betreffende dorpen hadden immers enkele resten van ledematen en bebloede kleding gevonden en verzameld. Zowel de inwoners als de onderprefect zijn van mening dat met tussenpozen drijfjachten moeten worden uitgevoerd door de dorpelingen, die voor deze taak echter de benodigde ervaring en voorzorgsmaatregelen missen. De jachten waren zo wel gedoemd te mislukken en het zou voordeliger zijn geweest wanneer iedere gemeente waar de wolf zich vermoedelijk bevindt, over gewapende jagers beschikt. De schrijver komt daarom met een naar zijn mening verzoenend voorstel. Hij heeft de commandant van de gendarmerie opdracht gegeven om zich ter plaatse te begeven. Daartoe heeft hij hem de noodzakelijke volmachten gegeven en uitgenodigd om in de betreffende gemeenten provisorische compagnieën op te richten voor de wolvenjacht om zo de geconstateerde tekortkomingen van de gewone ambtenaren van de wolvenjacht aan te vullen. Deze compagnieën zullen chefs hebben die rekening en verantwoording afleggen en de overheid zal dan ook in staat zijn om hun functioneren te controleren en te sturen. De leden van deze provisorische wolvenjacht zullen gewapend zijn. Dat is eerder een recht dat hoort bij hun hoedanigheid dan dat het een concessie is van het bestuur. De commandant van de gendarmerie heeft hem reeds rapport uitgebracht dat de organisatie geen moeilijkheden ondervindt en bijna voltooid is. Men verwacht er dan ook veel goeds van. De particuliere premies zullen overigens aan de wolvendoders worden betaald door middel van de vrije fondsen van enkele gemeenten en uit vrijwillige giften. De schrijver hoopt al met al dat geadresseerde een en ander zal goedkeuren. Hij heeft begrepen dat Borchgrave terug is en hij zich onverwijld aan het hoofd van een nieuwe drijfjacht zal stellen, die succes zou kunnen hebben omdat de hulpmiddelen die voor zijn terugkeer ontbraken nu wel beschikbaar zijn en de granen inmiddels zijn gemaaid.
PS (1): schrijver sluit zijn beschikking bij met betrekking tot de organisatie van de provisorische wolvenjacht.
PS (2) d.d. 7 september 1810 [zie ook brief 6-9-1810, waarop dit PS een reactie is]: De organisatie is goed geslaagd. 350 Van de beste jagers vormen diverse brigades. Ze hebben een eerste drijfjacht gehouden waarbij een wolvin werd gewond en een wolf werd gedood, waarvan hij net de oren en een poot heeft ontvangen. Dit moedigt de jagers aan. Hij verwacht binnenkort goede resultaten en prijst de commandant van de gendarmerie voor zijn ijver en schranderheid.
Bij dit schrijven bevindt zich verder een ongedateerd en niet-ondertekend stuk in ongeveer hetzelfde handschrift met vier punten:
1) Stand van zaken bekijken wat de wolven aangaat. Hoeveel kinderen zijn in dit departement en dat van de Roer hun slachtoffer geworden?
2) Rapporten horen van de voornaamste administratieve functionarissen en voorschrijven wat kan worden gedaan zonder te blijven stilstaan bij de kreten van het volk dat telkens voldaan zal zijn als het een officier ziet verschijnen die is belast met een dergelijke missie.
3) Nagaan welk onderhoud de onderprefect [zie de anonieme brief] met verschillende personen over de wolf heeft gehad en wie deze personen zijn. Welke burgemeester heeft verklaard dat hij zijn inwoners ondanks de verboden zou bewapen?
4) Wie zou de schrijver van deze anonieme brief kunnen zijn. Dit te achterhalen vereist veel omzichtigheid.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
5 september 1810
HELDEN - Akte van attestatie door notaris A.M. Hendrix op verzoek van Jean Henri Wolters, rentenier te Roermond, als lasthebber van Maximilien Emanuel Marie Joseph d'Overschie de Neerrijssche, eigenaar van de hoeve genaamd Hoef onder Helden gelegen, inzake werkzaamheden aan het Canal du Nord, rakende de bezittingen van genoemde lastgever.
RAL Maastricht, Notaris M. Hendrix te Helden d.d. 5-9-1810/118.
6 september 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van de onderprefect aan de prefect. Op 5 september is 's morgens onder leiding van luitenant Fourest een drijfjacht gehouden door vijf brigades waarvan drie gevormd door de provisorische compagnie van wolvenjacht van Maasniel en twee door die van Roermond, waarbij een moeder-wolvin gewond werd. Door de draaiende bewegingen die ze maakte bij haar terugtocht verried ze dat haar hol en haar jongen niet ver weg konden zijn van de plaats waar ze werd aangeschoten. Verder werd een grote wolf geschoten waarvan de onderprefect hierbij de beide oren en een poot toestuurt. Het lijkt een krachtig dier, vermoedelijk geboren in 1808. De onderprefect heeft gemeend een aanmoedingspremie van 50 francs te moeten betalen, te verdelen over de heren Ziegenhoren, jachtopziener van De Hoensbroek [Hillenraad] en brigadier van Swalmen, en Corneille Strouk, J. Simons, Arnold Geraets, Jean Claessen, vier landbouwers uit Maasniel die allen hebben meegeholpen bij de vernietiging. Deze betaling kon geen uitstel lijden en de onderprefect vraagt hiervoor de accordatie.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
6 september 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Extract uit het register van besluiten van de onderprefectuur van het arrondissement Roermond. De onderprefect, overwegend dat het elke dag dringender wordt om alle middelen te gebruiken ter vernietiging van de wolven en tot beëindiging van de vernielingen, besluit:
1) De burgemeesters van de gemeenten die zijn blootgesteld aan de strooptochten van de wolven zullen zo spoedig mogelijk hun verklaringen sturen aan de onderprefect met daarin vermeld de bedragen die zouden kunnen worden vrijgemaakt uit de fondsen die bij de begrotingen reeds zijn goedgekeurd, om deze aan te wenden voor de betaling van onvoorziene gemeente-uitgaven en om aan de inwoners voor te stellen een vrijwillige inschrijving te doen voor de oprichting van een of meerdere premiekassen.
2) De hierdoor te verkrijgen gelden zullen worden overgemaakt: voor het gebied vanaf Venlo tot aan de rechteroever van de Roer aan de heer Jacquet, ontvanger van de heer Hoensbroek, officier van de wolvenjacht in actieve dienst van dit departement. Voor de gemeenten aan de andere zijde van de Roer aan de heer Van Bommel, kapitein van de provisorische compagnie van de wolvenjacht, gevormd tot uitvoering van het besluit van de prefect van de Nedermaas d.d. 28 augustus 1810.
3) Iedere gedode wolf zal naar de onderprefect worden gebracht waarna de brenger ervan onmiddellijk naar zijn keuze een erecertificaat van vernietiging ontvangt of een premiemandaat, betaalbaar aan toonder bij een van bovengenoemde kassen.
4) De onderprefect zal de oren van de wolf doen afsnijden en deze doen toekomen aan de prefect teneinde deze de verantwoording te geven over het verloop van de vernietiging. Het lichaam van de wolf zal hij aan de brenger ervan laten, die daarover kan beschikken en zijn voordeel kan doen met het verkopen van de huid.
5) De premies zijn vastgesteld als volgt: voor een wolvin moeder 60 francs, voor een volwassen wolf 50 francs en voor elke wolvenwelp 20 francs.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
vrijdag 7 september 1810
LUIK - Wolvenjacht.
Brief van De Borchgrave, kapitein van de wolvenjacht, aan de prefect van de Nedermaas te Maastricht. Hij heeft alle wolvenjachtmeesters van het Departement van de Nedermaas bijeen geroepen om aanstaande woensdag 12 september in het logement van de prefect te Roermond te gaan, waar de kapitein op 13 september eveneens naar toe zal gaan met de heren Libotton, Selijn? en Loysel. Het is noodzakelijk dat de prefect de onderprefect waarschuwt, hem per dringende ordonnantie een ingesloten stuk doet toekomen en hem de nodige orders geeft om voldoende schutters en drijvers te vinden. Bovendien moet de prefect de onderprefect dringend waarschuwen dat, als de schutters en drijvers zich niet aan een strenge discipline houden, de wolvenjachtmeesters geen bevredigend resultaat kunnen behalen. In elke jacht moet orde en stilzwijgen zijn, vooral bij de jacht op wolven die het moeilijkst is.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
14 september 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van de onderprefect aan de prefect waarbij het zijn rapport d.d. 6 september stuurt, dat hij was vergeten te ondertekenen. Hij voegt tevens zijn besluit bij, dat hij heeft aangepast aan het besluit van de prefect d.d. 28 augustus. Sedertdien is niets gebeurd dat een nieuw rapport noodzakelijk maakt. Op 12 september 1810 is Borchgraeve gearriveerd met diverse officieren van zijn compagnie. De onderprefect heeft onmiddellijk de burgemeesters bijeen laten roepen om hem in de gelegenheid te stellen om op 15 september een algemene drijfjacht te houden. Hiertoe zijn 4.000 drijvers beschikbaar, 550 schutters en 5 gendarmes.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
15 september 1810
NIEDERCRÜCHTEN - Wolvenjacht.
Brief van J.A. Roosen, burgemeester van Niederkruchten, aan de onderprefect te Roermond. Hij heeft zojuist van Guillaume Jordans, inwoner van het gehucht de Raedsen onder Aersbeek (Roer), een goede mijl van Niedercruchten gelegen, gehoord dat die morgen om 11 uur een meisje van 11 à 12 jaar door een wolf is gegrepen en vrijwel volledig verslonden. Er is niets teruggevonden dan de ingewanden, een paar schoenen, een stuk van haar rok en een flard van haar hemd. Dit is gebeurd in een bos van Dalheim dicht bij het bruggetje genaamd Spickendijk. Twee andere even oude kinderen die bij het slachtoffer waren, Joseph Jelissen en de dochter van Antoine Landmesser, hebben gezien dat het dier op het meisje sprong, haar onmiddellijk doodde en haar vervolgens naar het bos sleepte waar de genoemde resten werden gevonden.
- Met PS van de onderprefect Liger: men heeft de wolf naar de hoogte van de Chevelsberg op de Winckels Lohe zien lopen, zeer dicht bij het bos van Dalheim aan de kant van Vlodrop en heel dicht bij de plaats genaamd Vlodropper Koye Rast.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
15 september 1810
BUGGENUM - Wolvenjacht.
J. Verheggen, burgemeester van Buggenum, verklaart dat kleermaker Arnold Sanders en de boeren Martin Pijls en Nijcolaes Thijssen hebben geweigerd deel te nemen aan de algemene wolvendrijfjacht, reden waarom de burgemeester deze akte van weigering heeft opgesteld.
Deze akte is op 17 september 1810 toegezonden aan de onderprefect te Roermond. De eerste weigeraar was de landbouwer Jean Pierre Engelen, gevolgd door Arnold Sanders. Enkelen die wel van goede wil zijn beklagen zich nu en weigeren om in de toekomst te verschijnen als de weigeraars niet worden gestraft. De burgemeester rekent op de onderprefect bij de handhaving van de goede orde.
Met aantekening d.d. 19 september 1810 dat de onderprefect de akte met bijlage aan de prefect heeft verstuurd. Dit voorbeeld van kwade wil zou volgens de onderprefect niet alleen nagevolgd kunnen worden in Buggenum maar ook in andere gemeenten. Naar zijn mening dient een geldboete te worden opgelegd om voor de toekomst hun gehoorzaamheid te garanderen. De onderprefect verzoekt de prefect hierover te beslissen.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
16 september 1810
ROERMOND / MAASTRICHT - Wolvenjacht.
Brief van A. Liger, onderprefect te Roermond, aan baron Roggieri, prefect van het Departement van de Nedermaas te Maastricht. De drijfjacht die hij op 14 september bij de prefect heeft aangekondigd, heeft gisteren plaatsgehad. De kapitein van de wolvenjacht stelde eerst voor deze jacht slechts gedeeltelijk te houden, maar op de bijeenkomst van burgemeesters werd unaniem besloten tot een algemene drijfjacht. Ondanks de wijze maatregelen heeft het resultaat ervan de mening bevestigd die de onderprefect reeds had gevormd op basis van de twee voorgaande jachten, namelijk dat zij in deze omgeving onvoldoende middelen hebben voor de uitvoering van een zo uitgebreide operatie en dat ze zich moeten beperken tot gedeeltelijke jachten en wel zo veel mogelijk per gemeente.
Volgens bericht van de burgemeester van Niederkruchten heeft een wolf tijdens de jacht van gisteren een meisje van 11 à 12 jaar verslonden op twee mijl afstand van waar de jacht plaatsvond. Het bericht, dat de onderprefect gisten om 8 uur 's avonds ontving, heeft hij onmiddellijk doorgegeven aan de officieren van de wolvenjacht. Die gaan vandaag naar het kanton Niederkrüchten om er morgen drijfjachten te houden met alle drijvers en schutters die Liger hen ter beschikking heeft gesteld.
Terugkomend op de overwegingen die hebben geleid tot zijn beschikking van 16 augustus merkt de onderprefect op dat hij steeds (meer) denkt dat het het beste zou zijn om de burgemeesters te bevelen om hun drijvers en schutters onmiddellijk op iedere wolf af te sturen op het moment dat deze zich in hun gemeente vertoont. Dit middel, een voortvloeisel van het besluit van 28 augustus, is zodanig georganiseerd dat eventuele misverstanden bij voorbaat worden voorkomen. De onderprefect heeft echter vastgesteld dat de officieren van de wolvenjacht zich ergeren aan de benaming 'provisorische wolvenjacht' en dat ze die beschouwen als een inbreuk op hun bevoegdheden. Deze vaststelling heeft hem ervan weerhouden om de officieren voor te stellen aan de hoofden van de provisorische compagnie omdat het de onderprefect belangrijker leek om te voorkomen dat kinderen door wolven worden verslonden dan te gaan twisten over voorrechten. Een dergelijk conflict zou gemakkelijk leiden tot ruzies die een nadelig effect zouden hebben op het welslagen van de operatie. Liger gelooft dat alle onaangenaamheden en een mogelijk slechte verstandhouding moeten worden vermeden door de naam te veranderen in 'jagers opgericht om samen te werken met de heren van de wolvenjacht en hen te helpen bij de vernietiging van wolven'. Om slechte verstandhoudingen te voorkomen en omdat de plaatstelijke omstandigheden ertoe dwingen om de dienst in gedeelten en per gemeente te laten opereren, stelt de onderprefect voor om de compagnie te verdelen in brigades van 12 man onder het bevel van een hoofd en onder leiding van de burgemeester, die hen laat optreden naar gelang de omstandheden dat vereisen. Men zou de dienst bovendien kunnen verbinden met die van de heren van de wolvenjacht, indien de kapitein brigadiers en inspecteurs aanstelt die met de plaatselijke autoriteiten overleg plegen. Door de opgerichte brigades van elke gemeente tot haar beschikking te stellen, zouden de activiteiten van de dienst nuttiger en effectiever kunnen zijn.
Volgens de inlichtingen die de onderprefect heeft gekregen, is de plaag begonnen door een uitgehongerde wolvin die zich, op zoek naar voedsel voor zichzelf en haar jongen, op het eerste kind heeft geworpen dat in Beesel is verslonden. Deze rampzalige poging heeft haar de smaak van mensenvlees gegeven en is herhaald bij een tweede kind in Niederkrüchten, een derde in Bruggen, een vierde in Helden en een vijfde in Arsbeck. Dat betekent twee kinderen in dit departement en drie in dat van de Roer, maar desalniettemin in gemeenten dicht bij elkaar.
De wolf heeft ook een poging gedaan tegen de burgemeester van Kessel (Departement van de Roer) die 's morgens was uitgegaan en zich op een kwart mijl van zijn dorp bevond met voor zijn verdediging niets dan zijn handen. Hij kwam een van die dieren tegen en kon zich er slechts van ontdoen door achterwaarts lopend naar de huizen te gaan. De onderprefect benadrukt dat hij slechts feiten aanhaalt, maar realiseert zich dat er mogelijk ook volksverhalen bijzijn die de ronde doen.
- In de marge aantekeningen van de prefect (z.d.): hij zal de onderprefect bedanken voor zijn inlichtingen en hem machtigen om datgene te doen wat de omstandigheden vereisen om de wolven te vernietigen. De heren officieren zouden groot ongelijk hebben indien ze zich ergeren aan het bestaan van een provisorische wolvenjacht die door hun eigen nalatigheid noodzakelijk is geworden. Deze provisorische wolvenjacht moet trouwens samenwerken met en staan onder de leiding van de officiële wolvenjacht. De prefect heeft geen moeite met de voorgestelde naamsverandering maar stelt zich enkele vragen. Loopt men niet het risico de eigenliefde van de reglementaire wolvenjacht te kwetsen door steeds haar verlangens in te willigen? Is nu wel het moment om hierover te discussiëren? Moet niet ieders streven gericht zijn op dat ene doel: de vernieting van de wolven? Moeten niet alle omgangsvormen terzijde worden gezet, die thans niet om zijn minst nutteloos, om niet te zeggen onbetamelijk zijn? Zou de onderprefect niet met deze inzet met de officieren van de wolvenjacht moeten spreken en hen laten voelen dat het niet fraai van hen zou zijn om te zeuren over omgangsvormen terwijl ze hun plicht verwaarloosd hebben? De onderprefect, die hierbij wordt gemachtigd om datgene te doen wat de omstandigheden vereisen, zou dit in overweging moeten nemen.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
17 september 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van G. De Borchgrave aan de onderprefect te Roermond. De kapitein is met luitenant Libotton en al zijn jachtmeesters en de algemeen opziener Veugen naar de bossen en moerassen van de voormalige abdij van Daelheim (gemeente Overbeek) geweest en heeft de omgeving verkend vanaf het punt waar een 11 à 12-jarig meisje is verslonden. In overleg met genoemde heren heeft hij maatregelen genomen voor een drijfjacht. Twee boeren hadden de wolf gezien, twee uur voordat deze het meisje verslond. Het bloedspoor volgend hadden de boeren de beide dijen en een deel van de onderbuik gevonden die de wolf in het moeras had verborgen. Volgens de boeren had de wolf de grootte van een grote hond met een ongelijk ingevallen buik, een rossig grijze vacht, een grote kop en een snuit met een lange baard. Het signalement werd door een derde boer bevestigd.
De officieren lieten zich naar Asbeek brengen naar het huis van de ouders van het verslonden kind, om de beten te inspecteren die zich op de billen en dijen bevonden. Ze waren breed en diep.
Van daaruit ging het gezelschap naar Cruchten, het centrale verzamelpunt voor de jagers en drijvers. Ze verzamelden hen op de heide waar Borchgrave de drijfjacht leidde. De drijvers werden opgesteld in een lange rij vanaf de heide van Warbeek tot aan de kapel van Rosendael, langs het bos van volwassen bomen van de abdij van Daelheim. De rij van jagers sloot daar bij aan, vanaf Rosendael langs het bos van Daelheim naar de weg van Roermond, dwars door het moeras tot aan de voet van de berg die dit moeras scheidt van de heide van Waerbeek.
De kapitein werd gewaarschuwd dat de wolf om 4 uur 's morgens uit het moeras was gekomen waar het meisje was verslonden en dat hij naar het Elmpterbos was gegaan. De Borchgrave herkende zijn spoor, dat hem van een mannelijke wolf leek te zijn. Hij liet het spoor volgen en gaf bevel om de jacht in het bos van Daelheim te beginnen. Dit verliep in goede orde.
Opnieuw werd de kapitein gewaarschuwd, ditmaal dat de wolf het Elmpterbos in was gelopen; onmiddellijk stuurde hij jagers naar de plaats genaamd Wolfpas (gorge du loup). De drijvers stuurde hij vanuit de tegenoverliggende zijde, d.w.z. naar het dorp Elmpt. Nadat het bos omsingeld was en de drijvers erin waren gegaan, liet de kapitein door tien jagers de rand van een klein moeras in de gaten houden waar de drijvers niet in hadden durven door te dringen. Zelf begaf hij zich direct naar de rechtervleugel van de drijvers, waar enkele ongeregeldheden waren.
Nauwelijks bij de drijvers aangekomen werd de kapitein opnieuw gewaarschuwd, ditmaal dat de jagers bij het moerasje hem wilden spreken. Ze hadden de wolf gezien en vertelden hem dat een herder het dier uit het Elmpterbos had zien lopen in de richting van Herkenbosch. De herder zette hem op het spoor, volgens de kapitein hetzelfde spoor dat hij die ochtend had gezien. De drijfjacht in het Elmpterbos was natuurlijk vruchteloos. Toch waren de kapitein en zijn mannen niet ontmoedigd en Borchgrave verzekert de onderprefect ervan dat hij al het mogelijke zal doen om zijn departement van dit wilde dier te bevrijden.
Tenslotte (PS) merkt de kapitein nog op dat de heer Loijsel, luitenant van de wolvenjacht, heden in Roermond zal aankomen en zal meewerken aan de vernietiging van de wolf.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
Lees ook het verslag d.d. 18 september dat door de kapitein wordt uitgebracht aan de prefect.
18 september 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van de onderprefect aan de prefect, waarbij hij hem het rapport toestuurt van Borchgrave d.d. 17 september 1810. Het verslag is niet gelukkiger dan de voorgaande. Borchgrave beklaagt zich daarin over de zorgeloosheid van de bewoners van het platteland. De prefect zal moeite hebben het te geloven, maar een van hen, die meer belangstelling had voor zijn koe dan voor zijn familie, antwoordde: 'als de wolf me een kind opeet heb ik er nog negen andere over'. Hoe weerzinwekkend zo'n antwoord ook is, waar of onwaar, het zal de ijver van de onderprefect niet bekoelen.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
18 september 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van G. Borchgrave, kapitein van de wolvenjacht van het 23e bosbeheer, aan de prefect te Maastricht. De kapitein heeft drijfjachten bevolen op de beide Maasoevers maar deze inspanningen zijn vruchteloos geweest. Ingesloten een gedetailleerd rapport en zijn waarnemingen. Hieruit moet blijken dat het onmogelijk is om bevredigende resultaten te behalen uit een algemene drijfjacht indien men geen beschikking heeft over linietroepen om de boeren, die ongelooflijk apatisch zijn, in bedwang te houden en te laten doorlopen. Volgens de kapitein moet de grootste aandacht worden besteed aan de vernietiging van de lynx die zich vaak vertoont in het bos van Daelhem. Hiervoor is overleg nodig met de divisie-generaal opdat deze troepen beschikbaar stelt. Ook moet worden overlegd met de prefect van de Roer, opdat ook het arrondissement Creveldt meedoet. Zelf zal de kapitein overleg hebben met de luitenants van de wolvenjacht van de Roer. Hij zal enkele opperjachtmeesters achterlaten die per expres contact met hem zullen houden. Ook heeft hij een order achtergelaten voor luitenant Loyset en heeft hij de dienst zo georganiseerd dat de dienst wolvenjacht in Roermond zal blijven totdat het wilde dier is vernietigd. Borchgrave zal een stuk sturen over de samenstelling van het lokaas, alsmede vier wolfshonden. Hij wijst de prefect er echter nadrukkelijk op dat het dier zich naar zijn mening slechts zal laten lokken door mensenvlees. Graag verneemt de kapitein de verdere plannen van de prefect betreffende de wolvenjachten in dit deel van het departement.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
18 september 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Rapport van de kapitein van de dienst wolvenbestrijding van de 23e boswachterij aan de prefect te Roermond, over de drijfjachten gehouden in het arrondissement Roermond.
De kapitein is op 12 september om 6 uur 's avonds in Roermond gearriveerd. Enkele wolvenjachtmeesters waren al uren eerder aangekomen. Deze zijn naar de onderprefect gegaan om hem namens de kapitein te vragen de burgemeesters van de geteisterde gemeenten uit te nodigen om samen met hem te overleggen op welke wijze de te houden drijfjachten de meeste kans van slagen zullen hebben.
Op 13 september is de kapitein 's morgens samen met luitenant Libotton bij de onderprefect geweest. Deze heeft hen verzocht om om 2 uur in de namiddag terug te komen om aanwezig te zijn bij het burgemeestersoverleg. Nadat hij van de burgemeesters inlichtingen heeft ingewonnen, heeft de kapitein voorgesteld om kleine gedeeltelijke drijfjachten te houden in de gebieden waar de wolven zich schijnen op te houden en heeft hij hen laten weten dat hij wegens het gebrek aan orde en nauwgezetheid van de inwoners geen enkel heil ziet in een algemene jacht. De inwoners beschouwen dit soort massale jacht namelijk als een ouderwetse herendienst. Op basis van zijn vele ervaringen meent de kapitein dat een gedeeltelijke en ordelijk uitgevoerde jacht meer nut heeft. De heer De Keverbergh [burgemeester van Haelen], die beweerde namens al zijn collega's te spreken, heeft echter toch aangedrongen op een algemene jacht. Doordat de burgemeesters geen jagers zijn en absoluut onkundig zijn van de moeilijkheden verbonden aan algemene jachten, volgden zij dit dringend verzoek van De Keverbergh op. De kapitein heeft daarop bij de onderprefect nog aangedrongen op een stemming, echter met als resultaat dat alle burgemeesters om een algemene drijfjacht op beide Maasoevers hebben gevraagd.
Op 14 september werd begonnen met de eerste voorbereidingen. Op de linker Maasoever gaf de kapitein het bevel aan luitenant Libotton, met onder zijn bevel drie wolvenjachtmeesters en met als adjoint de heer Veugen, algemeen opziener van wateren en bossen. Op de rechter Maasoever nam de kapitein zelf het bevel, bijgestaan door luitenant De Hoensbroek en vijf wolvenjachtmeesters. Links van de Maas zou worden samengekomen in Horn en Kessel, op de rechter Maasoever in Asselt voor de jagers komend van Roermond en in Steijl voor Venlo en omgeving. De drijvers werden verzameld in Kurskenbongart en in Wambach. Op beide Maasoeverd werden, nadat de wapens waren nagekeken en de jachtreglementen van Zijne Doorluchtige Hoogheid de Grootjager waren voorgelezen, rijen jagers gevormd op 40 pas van elkaar. De rij drijvers op de linkeroever vormde een omsingeling die zich uitstrekte vanaf de eerste post van jagers, geplaatst aan de Maas in de richting van Horn tot aan laatste post in Kessel en omsloot zo de gemeenten Horn, Haelen, Buggenum, Nunhem en Neer. De drijvers op de rechteroever, van een eerste post bij Steijl tot aan een laatste post aan de Maas bij Roermond, omsloten de gemeenten Tegelen, Belfelt, Beezel, Swalmen, Maasniel [er staat abusievelijk: Maesbrach] en een gedeelte van Roermond. De drijvers aan beide oevers hadden de opdracht om langzaam in de richting van de Maas te lopen, waar de jagers waren opgesteld. Ze moesten goed hun afstand houden en met stiptheid de bossen en beboste moerassen doorkruisen. De jagers hadden opdracht om eveneens hun afstand te bewaren, niet te praten of te roken en in geen geval hun post te verlaten. De kapitein had besloten om de Maas te laten bewaken door jagers daar hij, na bestudering van de uitwerpselen en krabsporen, had vastgesteld dat de wolf de rivier in beide richtingen overstak. Op basis van deze uitwerpselen had de kapitein tevens vastgesteld dat het om een wolvin moest gaan.
Nadat jagers en drijvers zo in een cirkel waren opgesteld, werd op 15 september om 9 uur 's morgens door de kapitein het bevel gegeven om op te marcheren. De kapitein voerde zelf temidden van de drijvers van de rechteroever het bevel, bijgestaan door De Hoensbroek op de linkervleugel en De Libotton op de rechter. Gedurende een half uur verliep alles in goede orde. Toen Borchgrave werd gewaarschuwd dat in het midden van de linkervleugel wanorde was ontstaan, begaf hij zich in volle galop daarheen. Met pijn zag hij dat alle drijvers van Nedercruchten bij de ingang van het bos van Amersloh waren gaan liggen en niet verder wilden. Met de hulp van de gendarmerie van Roermond lukte het de kapitein uiteindelijk met veel moeite om de inwoners weer een rij te laten vormen en ook dit dichtbegroeide bos uit te kammen. Dit alles gebeurde met versnelde pas, omdat de kapitein weer snel de gelederen wilde sluiten die door de onwillige boeren verbroken waren. Ook de tempoverhoging kon de kring niet doen sluiten en zo belandde de kapitein met het weerspannig volk bij een moeras bedekt met riet en waterlopen. Opnieuw stopten de inwoners en weigerden ze verder te gaan. Borchgrave stapte van zijn paard en door als eerste het moeras in te gaan bracht hij een twintigtal van de mannen ertoe hem te volgen. De kapitein was nog geen 50 pas in het moeras toen een van de drijvers begon te roepen: 'au loup, au loup'. Hij volgde de drijver naar een goed gevormd wolfsleger. Drie drijvers verzekerden hem dat de wolf naar de rechtervleugel was gelopen. De kapitein verliet het moeras, steeg weer op zijn paard en begaf zich in volle galop daarheen terwijl hij een signaal ('la vue') liet blazen dat de wolf was gezien. Daar aangekomen trof hij de jagers weliswaar nog in een rij maar allen met een pijp in de mond. De kapitein vertelde dat het dier was opgejaagd, maar doordat meer drijvers slechts langzaam vooruit kwamen in de bossen die de Maas omzoomden, nam de wanorde toe. Uiterste pogingen van de wolvenjachtmeesters om de rijen gesloten te houden en de orde te handhaven, mochten niet baten. Zo moest de kapitein moedeloos toezien hoe een jacht die zo goed was begonnen, ten gevolge van ongehoorzaamheid eindigde in een mislukking en kon de wolf ontsnappen door de opening die de drijvers van Nedercruchten hadden laten ontstaan. De jacht op de linkeroever voltrok zich intussen in alle orde, maar daar werd geen wolf gezien.
Toen allen aan de oevers van de Maas waren aangekomen, liet de kapitein de mislukte aftocht (retraite manquée) blazen. Deze treurige toon herhaalde zich op beide oevers en markeerde zo de trieste afloop van deze algemene drijfjacht.
Meer dan ooit was de kapitein ervan overtuigd dat een algemene drijfjacht nooit een succes kon zijn zonder een groot aantal jagers en 300 of 400 man geregelde troepen. Zo zou op iedere 10 boeren een soldaat mee moeten gaan om hen te ondersteunen en aan te sporen. Drijfjachten zouden volgens hem toch echt noodzakelijk worden indien het aantal wolven in het arrondissement zich vermeerderde. Zo'n drijfjacht moest dan plaatsvinden samen met het Departement van de Roer. De kapitein had vernomen dat de wolven ook daar verwoestingen hadden aangericht in de omgeving van Cleves en Creveldt. De diverse drijfjachten waren ook daar net zo vruchteloos geweest als hier.
Nadat de mislukte aftocht was geblazen, gingen de jagers naar Roermond waar het gezelschap om 8 uur 's avonds aankwam. Op zijn logeeradres kreeg hij vrijwel onmiddellijk bezoek van de onderprefect. Deze vertelde hem dat diezelfde dag (15 september) om 11 uur 's morgens een 11 à 12-jarig meisje door een wolf was verslonden in een bebost moeras nabij het bos van Dalhem, dat alles op een afstand van nauwelijks meer dan twee mijl van de rij drijvers van de rechter Maasoever.
Op 16 september gind de kapitein samen met De Libotton, Veugen en de wolvenjachtmeesters erheen, om de noodzakelijke maatregelen te treffen voor een nieuwe algemene drijfjacht op 17 september. Aangekomen in Dalhem gemeente Aersbeek werd het terrein verkend. Aan de voet van een zandberg nabij het moeras, niet ver van het dichtste gedeelte ('fort') van het bos van Dalhem, kreeg de kapitein weer hoop dat ze de volgende ochtend wellicht succes konden hebben. Ze doorliepen de zoom van het bos en kwamen twee boeren tegen. Deze hadden diezelfde dag 's middags de wolf gezien die het meisje had opgegeten. De wolf was kennelijk teruggekeerd om de resten te halen van zijn ongelukkige slachtoffer. Twee uur voordat het dier werd gezien, waren deze resten, verborgen in het moeras, ontdekt door het bloedspoor te volgen. De boeren gaven de kapitein ook een beschrijving. Het dier was zo groot als een grote hond, met een smalle buik, een rossig grijze vacht, een lange snuit en lange baard. Een derde boer had de wolf terug zien gaan naar het bos en bevestigde verder het verhaal van de andere twee.
De kapitein liet zich naar Aerbeck brengen om de resten van het kind te inspecteren. Het ging om een gedeelte van de onderbuik met ingewanden en beide dijen. Veugen en een opperjachtmeester constateerden aan de rechterheup een brede en diepe beet die zonder twijfel moesten duiden op een zeer groot dier. De kapitein vertelde de burgemeester van zijn plan en verzocht hem te voorkomen dat in de huizen bij het bos lawaai zou worden gemaakt.
Het gezelschap ging naar Cructen [sic], het centrale verzamelpunt van de jagers en drijvers. Op 17 september 's morgens om 4 uur kwam de wind uit het noordwesten. De kapitein verzamelde zijn mensen op de heide tussen Cructen en Aerbeck. Op niet meer dan een halve mijl van het moeras en het bos van Daelhem werden in de grootste stilte en in alle orde de laatste voorbereidingen getroffen. Veugen leidde de kop van het kolonne van jagers, De Libotton voerde de drijverskolonne aan. Zorgvuldig werden het bos en het moeras omsingeld: de jagers geplaatst volgens de regels van de jacht en de opperjachtmeesters geposteerd om de drijvers te ondersteunen. Nauwelijks was men zo ver, of de kapitein werd gewaarschuwd dat de wolf het gebied kennelijk nog vóór 4 uur 's morgens had verlaten. Een jager van een zekere mevrouw De Mirbach had hem gezien in de maneschijn. De jager, die zich op enige afstand van de kapitein bevond, werd opgeroepen. Deze bracht hem naar een spoor, 400 passen verwijderd van de verzamelplaats. De kapitein herkende het voetspoor van een enorme mannelijke wolf. Mannelijk omdat het dier een grove en brede hiel had, de voet smal en de tenen tamelijk uit elkaar, met grove korte nagels. Het spoor was over grote afstand te volgen. Terwijl de kapitein het spoor liet volgen, begaf hij zich zelf naar het bos van Dalheim, waar de drijfjacht inmiddels in goede orde verliep dankzij de goede inzet van de inwoners van Cructen en omgeving.
Nadat de jacht was afgelopen verzamelde de kapitein zijn mensen tussen de bossen van Dalheim en Elmpt. Van een opperjachtmeester vernam Borchgrave dat het spoor rechtstreeks naar het Elmpterbos liep. Hij stuurde alle jagers naar het bos waar ze zich moesten opstellen bij een plaats genoemd Wolfspas. De drijvers werden naar de tegenoverliggende zijde gedirigeerd. Het dichtste gedeelte van het bos werd omsingeld en de drijvers begaven zich naar binnen. Tien jagers bewaakten de kant van een klein moeras waar de drijvers niet in wilden gaan. De kapitein begaf zich intussen naar de rechter vleugel van de drijvers, waar wat ongeregeldheden waren. Nauwelijks aangekomen bij deze rij, werd Borchgrave gewaarschuwd dat de jagers bij het moerasje hem wilden spreken en dat de wolf was gezien. In galop ging de kapitein erheen. Men vertelde hem dat de wolf was gezien door een herder die vlak bij het moeras op de hoger gelegen heide was. De wolf was uit het Elmpterbos gekomen en in de richting van het dorp Herkenbosch gelopen. Na wat doorvragen zette de herder hem op het spoor, dat van hetzelfde dier moest zijn als de wolf die 's morgens bij het bos van Dalhem was gezien. Vanaf dat ogenblik was de kapitein er van overtuigd dat zij niet zouden vinden waarnaar ze zochten.
Borchgrave is niet ontmoedigd en belooft dat hij al het mogelijke zal doen om het wilde dier, naar zijn overtuiging een lynx, te vernietigen. Bijgevoegd sluit hij enkele waarnemingen in, die hem geen twijfel laten dat het dier geen wolvin is die zich, om haar jongen te voeden, op een kind stort, maar een lynx die zich slechts voedt met mensenvlees. De kapitein verzoekt de prefect om deze notities door te lezen om zich er eveneens van te overtuigen dat het hier niet gaan om andere wolven zoals deze veel voorkomen in het arrondissement Roermond. Omdat alle wolvenjachtmeesters buitengewoon moe zijn en de paarden bekaf, zal de kapitein met zijn gezelschap vandaag naar huis terugkeren. De luitenants Loysel en Pelys plus enkele opperjachtmeesters in Roermond heeft hij opdracht gegeven om zijn taken waar te nemen. Na zijn terugkeer, binnen tien dagen, zal hij hen zes wolvenvallen sturen. Intussen zal de kapitein graag overleg voeren met de prefect over de drijfjachten die in het arrondissement Roermond moeten worden gehouden.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
18 september 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Waarnemingen van G.G.Fr. de Borchgraeve, kapitein van de dienst Wolvenbestrijding, betreffende de wolven die voorkomen in het arrondissement Roermond.
1. Hier komen tamelijk grote wolven voor. De wilde dieren komen vooral voor in de bossen van Elmpt en Amerslooh, de bossen en moerassen van Bezel en Reuvel (sic; moet zijn: Reuver), de omgeving van Maesniel, Cruchten en Dalhem; ook dringen ze diep door in de grote wouden van het arrondissement Creveldt, Departement van de Roer. Deze wolvensoort, waarvan op dit moment een wolvin en 5 of 6 jongen bestaan, richt slachtingen aan onder het vee, wild en gevogelte. Deze slachtingen komen veel voor rond de genoemde wouden omdat (?) de kapitein er verschillende sporen van heeft gevonden. Dit is tevens vastgesteld door bosbeheer. De wolven zijn zilverachtig grijs en vallen geen mensen aan. Bij de wolvenjacht van 15 september heeft de kapitein overigens slechts het spoor van één wolvin en een jong herkend. De uitwerpselen waren schijfvormig en zacht en de krabsporen klein en ondiep. Na uitvoerig en nauwkeurig onderzoek door zijn wolvenjachtmeesters is de kapitein dan ook van mening dat in de omgeving van Roermond slechts één wolvin met haar jongen zit en dat het niet deze wolvin is die de kinderen verslindt.
2. Waarnemingen met betrekking tot de wolf die kinderen verslindt in de arrondissementen Roermond en Creveldt. Op 14 en 15 september heeft de kapitein heel goed de sporen van de wolvin en een wolvenjong herkend. Iedere jager moet beide kunnen onderscheiden door het spoor, de uitwerpselen en de krabsporen. De Borchgraeve blijft van mening dat het dier dat kinder verslindt geen wolf is, maar een lynx. Daarvoor geeft hij de volgende redenen:
- de wolf die op 15 september 1810 om 11 uur 's morgens het kind opat, op het moment dat de kapitein een drijfjacht hield op de oevers van de Maas, volgt een zelfde (?) richting want zijn verwoestingen hebben steeds plaats op een kromme lijn die loopt van het bos van Dalheim via een oversteek bij Besel tot aan de bossen op de linker Maasoever in de richting van Neer en Nunhem. Volgens De Borchgraeve is 'bewezen' dat het hierbij steeds om hetzelfde dier gaat.
- volgens inlichtingen van diverse boeren die de wolf hebben gezien, gaat het om een groot en heel smal dier met grijs-rossige haar, een langwerpige snuit en een lange baard.
- de kapitein heeft persoonlijk het voetspoor onderzocht. Het dier heeft een grovere hiel en bredere, grove klauwen met uit elkaar staande tenen. De gang is regelmatig, waarbij de afdruk van de achterste poot steeds precies 3 vingerdikten van de voorpoot staat.
- de uitwerpselen zijn hard.
- de krabsporen die zich bij deze uitwerpselen bevonden, zijn grof en diep.
- het dier loopt recht vooruit, gewoonlijk in draf.
- nadat het dier op 17 september in Kerkenbosch (sic; moet zijn: Herkenbosch) is gezien, heeft de kapitein rapporten ontvangen met een beschrijving die wat betreft vorm en kleur overeenkomt met de beschrijving door boeren in Waerberich die het dier een dag eerder hadden gezien.
- Ook de broer van de burgemeester van Kessel heeft eenzelfde beschrijving van bouw en kleur gegeven.
- de inlichtingen die zijn ontvangen door (?) de heer Veugen, algemeen opziener van de wateren en bossen van het arrondissement Roermond, wiens ijver en werk boven alle lof verheven is, zijn precies hetzelfde als die van de dienst wolvenjacht.
- het is algemeen bekend dat de lynx gemakkelijk 6 tot 7 dagen zonder eten kan mits hij steeds water vindt om zijn dorst te lessen, en dat hij daarom niet probeert om eerder kinderen te grijpen daar alle kinderen zijn opgegeten met tussenpozen van 7 tot 8 dagen. Dode dieren hebben hem nooit kunnen lokken. De kapitein is er van overtuigd dat het dier zich niet in een strik laat lokken tenzijn men zou besluiten dat te doen met resten van een ongelukkig slachtoffer van zijn wreedheid.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807 (door Giel Geraedts aangeduid als een 'verward en ongeloofwaardig verhaal met veel schrijffouten en taalfouten en diverse woorden die niet in het woordenboek staan'). In de marge een aantekening van (kennelijk) de prefect: de lynx is minder dik dan de wolf en staat lager op de poten. Hij is gewoonlijk zo groot als een vos. De gerekte snuit is typisch eigen aan de wolf. De lynx loopt niet als een wolf maar loopt en springt als een kat. M.a.w.: de prefect hecht weinig waarde aan de mening van de kapitein.
22 september 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van de onderprefect aan de prefect. Toen de onderprefect de brief van de prefect d.d. 19 september ontving, waren de officieren van de wolvenjacht reeds vertrokken. Wegens gebrek aan succes bij de twee drijfjachten - hetgeen deze officieren niet kan worden verweten - hebben zij besloten om verdere opdrachten te geven aan een inspecteur en drie (sic) brigadiers: inspecteur is Rubens, landeigenaar te Thorn, de brigadiers zijn De Heerma uit Roermond [o.a. eigenaar Zuijdewijck Spick te Boukoul], Reuss junior te Beesel [Ruijs van Nieuwenbroeck], Magnée junior uit Horn en neef De Plewitz uit Roosteren.
De heer Loysel, luitenant van de wolvenjacht, is daags na het vertrek van de officieren aangekomen. Hij heeft twee drijfjachten gehouden zonder resultaat. Ook hier is dit niet aan hem te wijten, daar het met de boeren onmogelijk is om de orde en samenhang in de linies te handhaven, niet bij de algemene drijfjachten en zelfs nauwelijks bij de gedeeltelijke jachten. Naar de mening van de onderprefect zou bij elke burgemeester moeten worden aanbevolen om zo snel mogelijk jagers en drijvers te verzamelen zodra een wolf in de gemeente verschijnt.
Als alternatief middel kan een kreng aan de staart van een paard worden gesleept en het kadaver vervolgens aan een boom worden gebonden, waarna enkele jagers op de loer gaan liggen om de wolf, die zeker zal worden aangetrokken door de reuk van de prooi, te schieten. Daarbij kunnen ook de premies worden verhoogd. De burgemeesters hebben nog niet gereageerd op zijn circulaire. De onderprefect kan tot nu toe nog ieder oor en elke poot uitbetalen, ook al heeft hij er zijn tractement van augustus aan moeten opofferen. Hij gelooft echter heilig dat de premies moeten worden verhoogd tot 120 francs in de hoop dat de hebzucht van de bevolking groter zal zijn dan hun zorgeloosheid.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
25 september 1810
Z.P. - Wolvenjacht.
Brief van B. Lossey [Loysel?], luitenant van de wolvenjacht, aan de prefect.
De luitenant heeft afgelopen vrijdag en zaterdag twee drijfjachten laten houden in Maasniel, Swalmen, Besel en Belfeld, echter zonder resultaat. De wolven blijven zich vertonen. Bij zijn vertrek uit Roermond op zondag zijn hem geen nieuwe gevallen gemeld. De kapitein acht het moeilijk om de sporen te blijven volgen: de boeren zijn de herendiensten meer dan zat en van de gevraagde aantallen (300 voor de eerste dag en 400 voor de tweede) is nauwelijks 2/3 komen opdagen. Enkel door te luisteren naar gesprekken tussen de inwoners krijgt men enig idee van de enorme apathie.
De luitenant heeft kapitein Borchgrave aangeraden andere middelen aan te wenden en als het goed is heeft de kapitein reeds aan de prefect laten weten welke maatregelen hij heeft genomen om op elk moment gereed te zijn om zo snel mogelijk ter plaatse te zijn waar de wolven zijn gezien. Onder de voornaamste landeigenaren en de meeste befaamde jagers heeft hij brigadiers van de wolvenjacht benoemd, met ieder een eigen arrondissement. Bovendien zijn in alle gemeenten jagers aangewezen die bij het eerste signaal de vervolging moeten inzetten. Zolang de huidige warmte aanhoudt, is dit ongeveer het enige middel dat kan worden ingezet. De luitenant hoopt dat de officieren het departement tegen het begin van de winter van de plaag kunnen bevrijden.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807 (regesten met dank aan Giel Geraedts, naar de oorspronkelijke Franse tekst).
27 september 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van Quisthoudt, burgemeester van Roermond, aan de onderprefect. Omdat er diverse geruchten gaan over het kind dat in Mulbracht is gegrepen, heeft hij nadere inlichtingen ingewonnen. Op 25 september zijn twee bedelende kinderen, broer en zus van 8 respektievelijk 12 jaar oud, tussen 6 en 7 uur 's avond niet ver van het kasteel van mr. Vorst [van Voorst tot Voorst] in Mulbracht aangevallen door een wolf. De jongen is gegrepen en meegenomen naar een naburig bos. Doordat het meisje hard is gaan schreeuwen zijn direkt veel mensen gekomen die tevergeefs hebben gezocht. Daarbij heeft iemand met een geweer een schot gelost, waarop de wolf er vandoor is gegaan en zijn prooi heeft laten liggen. Bij een drijfjacht die de volgende dag werd gehouden, is het lichaam dood maar verder intact gevonden.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807/121.
28 september 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van de onderprefect aan de prefect. De onderprefect twijfelt aan het nut van grote drijfjachten. Ze dienen nergens toe en vermoeien slechts de bevolking. Hij heeft iedere gemeente aangeraden om iedere zondag na de mis een gedeeltelijke jacht te houden.
Bijlage: recept voor wolvenvergiftiging.
Voer aan een hond die men eerst heeft laten vasten opdat hij
zonder tegenzin eet, 1 ons braaknoot vermengd met stukgehakte haren, bedekt met
vet of boter of verwerkt in een omelette. Neem vervolgens
Maak diepe insnijdingen in de (dode) hond op de plaatsen waar het meeste vlees zit, vooral in borst en ingewanden, en doe het mengel hierin. Leg de hond in warm mest totdat hij de geur ervan heeft overgenomen en de huid gemakkelijk loslaat. Sleep het kadaver over de grond op plaatsen waar de wolf vaak komt en leg het op ongeveer een kwart mijl van een bos, dicht bij een beek waar dieren komen drinken. Nadat de wolf van de vergiftigde hond heeft gegeten en heeft gedronken, zal hij zeker sterven.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807/121.
29 september 1810
MAASTRICHT - Wolvenjacht.
Rapport van de prefect aan de Minister van Binnenlandse Zaken met daarbij gevoegd twee post scripta:
1. Door de schrik wordt het aantal wolven volgens hem overdreven. Volgens een rapport van de kapitein van de wolvenjacht is er slechts sprake van een wolvin met drie jongen. De kapitein spreekt van een lynx, de prefect is er echter van overtuigd dat het moet gaan om een wolf die uit Duitsland afkomstig zal zijn, waar de oorlog genoeg middelen heeft verschaft om gewend te raken aan mensenvlees. De kapitein zegt dat het dier groter is dan een wolf en loopt met een regelmatige gang. Een lynx is echter kleiner en springt als een kat.
2. De prefect heeft juist brieven ontvangen van de onderprefect uit Roermond waarbij deze een nieuw voorval meldt. Een kind van 8 jaar uit Mulbracht (Departement Roer) is op 25 september meegenomen door een wolf. Diverse boeren zijn op het gegil van een zus van het slachtoffer toegesneld en hebben tevergeefs in het bos gezocht. Na een geweerschot heeft de wolf zijn prooi vermoedelijk achtergelaten. De volgende dag is het lichaam tijdens een drijfjacht in zijn geheel gevonden in het bos. Dit is inmiddels het zesde slachtoffer. De prefect overweegt meer gebruik van vergif en de inzet van soldaten om een algemene drijfjacht te houden die beter moet worden geleid dan de voorgaande. Hij is dan ook van plan deze persoonlijk bij te wonen.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
4 oktober 1810
SWALMEN - Gehuwd: Herman Ramackers [geb. Swalmen 8-6-1774, zn. van Henri Ramackers en Cornelia Geraedts] en Antoinette Hendricks [geb. Swalmen 16-4-1774, dr. van Lambert Hendricks en Catharine Geraedts; wed. van Franciscus Meuter, geh. Swalmen 9-5-1799].
GenLias, 2004.
5 oktober 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van Louette te Roermond aan de prefect te Maastricht. Hij stuurt drie exemplaren van een werkje genaamd 'Een fabel die er geen is', dat hij in zijn vrije tijd heeft geschreven om zich nuttig te maken. Hij verzoekt de prefect om de aantekeningen ten goede te laten komen aan de bewoners van het platteland om zo van de wolvenplaag te worden verlost.
- Met antwoord van prefect Roggieri d.d. 15 oktober:
De prefect heeft het werkje diverse malen met plezier gelezen. De daarin beschreven methoden zijn allemaal goedgekeurd door de auteurs die deze materie hebben behandeld, met name de methode van dubbele omheining, waarvan abt Rozier de uitvinding toeschrijft aan de bewoners van de Camarque in de Provence. De methode wordt toegepast in verschillende Zwitserse kantons en in delen van Lotharingen. De poort van de constructie moet echter zo zijn gemaakt dat ze zich vanzelf opent en sluit zodra de wolf erdoor is. Zo kunnen meerdere wolven gevangen worden in één nacht.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
5 oktober 1810
BEESEL - Gehuwd (BS): Henricus Nissen [Nijssen, geb. Melick 24-1-1774, zn. van Conrardus Nissen en Catharina Reuthen; wedn. van NN] en Mechtilda Spee [geb. Swalmen 23-3-1785, dr. van Leonardus Spee en Maria Joosten].
GHS Beesel, BS-1/599.
Uit dit huwelijk (BS):
1. Leonardus Nissen,
geb. Beesel 5-6-1813.
2. Barbara Nissen, geb. Beesel 22-12-1814.
3. Maria Catharina Nijssen, geb. Beesel 22-3-1817.
4. Jean Nijssen, geb. Beesel 13-9-1819.
5. Gerardus Nijssen, geb. Beesel 30-11-1821. Tr. Beesel 22-11-1860 met Margaretha Hubertina Bors.
6. Christianus Nijssen, geb. Beesel 13-8-1824. Tr. Beesel 12-5-1873 met Maria Elisabeth Smits; 2) Beesel 3-9-1877 met Joanna Hubertina Saeijen.
Een Hendrik Nijssen kocht op 7-9-1823 een huis te Beesel.
5 oktober 1810
BEESEL - Gehuwd (BS; RK: 9-10-1810, get. Leonardus Janissen ged. te Asselt en Gerardus Jansen ged. te Swalmen): Joannes Engelen [RK: Engels; ged. Swalmen 10-1-1763, zn. van Cornelius Engelen en Elisabeth van der Linden; wedn. van Maria Gubbels, geh. Swalmen 23-9-1792, overl. Beesel 31-5-1810] en Gertrudis Beckers [geb. Beesel 30-1-1773, overl. ald. 4-2-1833, dr. van Leonardus Beckers en Elisabeth Janssen; wed. van Egidius Smeets, geh. Beesel 10-5-1808].
GHS Beesel, BS-1/600; DTB-registers St.-Gertrudisparochie Beesel, deel III fol. 173/1.
Uit dit huwelijk geen kinderen te Beesel.
7 oktober 1810
BEESEL - Gehuwd (RK): Henricus Niessen [Nissen] ged. te Millick [Melick] en Mechtildis Spee ged. te Swalmen. Getuigen: Gerardus Bongaerts ged. te Besel en Leonardus Jaenissen ged. te Asselt.
DTB-registers St.-Gertrudisparochie Beesel, deel III fol. 172/4. Eerste aantekening door Lambertus Sprengers.
Uit dit huwelijk:
1. Leonardus Niesen, ged. Beesel 17-5-1811 (get. Arnoldus Meuter en Maria Joosten).
2. Leonardus Niesen [Nieten], ged. Beesel 6-5-1813 (get. Petrus Vermeulen en Elisabetha Nieten).
3. Barbara Niesen, ged. Besel 22-12-1814 (get. Mathias Piels en Joanna Spee).
4. Catharina Nieen, ged. Beesel 21-3-1817 (get. Henricus Vermeulen en Leonora Spee).
5. Joannes Niesen, ged. Beesel 13-9-1819 (get. Gerardus Hendrickx en Joanna Meers).
6. Gerardus Niesen, ged. Beesel 30-10-1821 (get. Leonardus Reijnders en Joanna Spee).
7. Christianus Nijssen, ged. Beesel 13-8-1824 (get. Joannes Knapen en Catharina Piepers).
8 oktober 1810
HELDEN / ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van de onderprefect aan de prefect. De onderprefect heeft vernomen dat op 5 oktober 1810 een 9-jarig meisje uit Helden vlak bij het huis van de ouders bij het hoeden van een koe is aangevallen door een wolf. De moeder heeft het kind horen schreeuwen en heeft alarm geslagen. De boeren hebben de wolf dier daarop van zo dichtbij achtervolgd dat hij zijn prooi zwaargewond heeft achtergelaten; het meisje is enige tijd later overleden. Helaas had niemand van de achtervolgers de tijd om een geweer te pakken.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
18 oktober 1810
Z.P. - Wolvenjacht.
Brief van de Minster van Binnenlandse Zaken aan de baron Roggieri, prefect van de Nedermaas, inzake goedkeuring van maatregelen ter vernietiging van wolven en handhaving van de premies zoals bepaald in 1807.
De minister bevestigt het schrijven d.d. 29 september 1810 waarin staat dat reeds zes kinderen slachtoffer zijn geworden van wolven; dat de onderprefect van Roermond op 7 en 20 augustus drijfjachten heeft gehouden; dat daarbij enkele wolven zijn waargenomen maar geen dieren zijn gevangen of gedood; dat op 28 augustus is gelast om opnieuw een drijfjacht te houden in het arrondissement Roermond met inzet van in totaal 304 jagers uit 22 gemeenten onder leiding van de commandant van de gendarmerie, welke jacht op 9 september heeft plaatsgevonden met als resultaat 1 gewonde wolvin en 1 gedode wolf. Op 13 en 17 september zijn eveneens drijfjachten gehouden door de dienst van de wolvenjacht waarbij ondanks de inzet van meer dan 300 jagers en schutters geen enkele wolf werd gevangen.
De minister heeft vernomen dat de prefect opnieuw een jacht wil organiseren waarbij deze persoonlijk aanwezig zal zijn, waarbij tevens vergif zal worden gebruikt dat door natuurkundigen zal worden aanbevolen. De minister verzoekt om goed toe te zien op de vervaardiging van dit vergif en geeft opdracht geen arsenicum te gebruiken. In veel departementen heeft men veel succes met braaknoot (noise vomique), met name in de gebieden Gironde en Côte d'Or. Dit gif is niet gevaarlijk voor planteneters aangezien het wordt toegepast op een dierlijke substantie. Honden dienen echter aan de lijn te worden gehouden.
De prefect heeft voorgesteld om de premies te verhogen en vast te stellen als volgt: 150 francs voor een wolvin, 100 voor een wolf en 30 voor een wolvenjong. De prefect hoopt zo de ijver bij de vernietiging van de wolven te stimuleren. De minister onderschrijft de beweegredenen van deze maatregel maar wijst tevens op de nadelen. Zo zouden de nieuwe premies in strijd zijn met de voorschriften die sinds drie jaar in alle departementen gelden: 18 francs voor een drachtige wolvin, 15 voor een niet drachtige wolvin, 12 voor een wolf en 3 francs voor een wolvenjong. Deze regel wordt zonder protest overal in het land nageleefd, ook in streken waar de wolf zich in even grote aantallen vertoont. Indien voor dit jaar voor het Departement van de Nedermaas een verhoging zou worden toegestaan, zouden ook andere departementen daarop aanspraak kunnen maken. Voor de toekomst zou men vervolgens gelijke premies kunnen eisen en in geval van weigering zouden er misschien zelfs geen jagers meer te vinden zijn.
De minister is ervan overtuigd dat de prefect er met goed geplande drijfjachten, met de thans geldende premies, met behulp van vergif en dankzij het persoonlijk belang van de boeren en andere plattelandsbewoners in moet slagen om een bevredigend resultaat voor de veiligheid van zijn onderdanen te bereiken.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
21 oktober 1810
BEESEL - Gehuwd (BS): Wilhelmus Reijnders [geb. Beesel 6-12-1783, zn. van Leonardus Reijnders en Mechtilda Peeters; hij hertr. Beesel 23-1-1812 met Maria Elisabeth Evers] en Gertrudis Geelen [geb. Kessel 26-2-1783, overl. Beesel 11-11-1811 oud 24 jaar, dr. van Henricus Geelen en Elisabeth Jansen].
GHS Beesel, BS-1/602.
Uit dit huwelijk geen kinderen te Beesel.
25 oktober 1810
BEESEL - Gehuwd: Wilhelmus Reijnders ged. te Besel en Gertrudis Geelen ged. te Kessel. Getuigen: Joannes Arnoldus Meuter ged. te Bruggen en Jacobus Reijnders.
DTB-registers St.-Gertrudisparochie Beesel, deel III fol. 173.
Uit dit huwelijk geen kinderen te Beesel.
29 oktober 1810
REUVER-LEEUWEN - Pierre Joppen, landbouwer te Beesel, woont op Groot Kamperhof.
GA Roermond, Notarieel Archief Milliard, inv.nr. 1810/94; vgl. 24-4-1810.
1 november 1810
NIEDERKRÜCHTEN - Wolvenjacht.
Proces verbaal door Jean Antoine Roosen, burgemeester van Nedercruchten.
Roosen is heden 1 november om 8 uur 's morgens gewaarschuwd door Pierre Jans, kleermaker wonend in het gehucht Merbeek. Daags daarvoor, op 31 oktober 1810 tegen 6 uur 's avonds, heeft een dier, waarschijnlijk een wolf, zich in de Meirstraet bij het huis genaamd Wijnen Bertuse Huys bij het huis genaamd Pechtheyde, op de ongeveer 10-jarige Guillaume Lenaerts geworpen. De ouders van het kind, Leonard Lenaerts en Helena Delissen, zijn beiden reeds overleden. Van het kind is aanvankelijk niets teruggevonden dan een paar schoenen.
Even later heeft de burgemeester van Jean Guillaume Paulsen, 26 jaar oude zoon van de weduwe Bartholomi Paulsen uit Merbeek, vernomen dat het dode lichaam hedenmorgen om 6 uur door Paulsen en de 16-jarige Jean Gerard Clingen is gevonden in een moeras te Merbeek genaamd Bongaertshoff. Daarop heeft de burgemeester de veldwachter naar Wegberg (Departement van de Roer) gestuurd om de aldaar wonende officier van gezondheid, Jean Henri Haghman, te roepen.
De 14-jarige Anne Catherine Jans verklaart dat zij gisteravond tegen 6 uur samen met Guillaume Lenaerts, die zij aan de hand hield, vanuit haar huis genaamd Sentishoff naar haar oom Pierre Jans is gegaan, wonend op de Pechtheide, om daar en kledingstuk te halen dat door de oom was gerepareerd. Op niet meer dan 20 passen verwijderd van het huis van Wijnen Bertus is het dier vanaf een heuvel aan de linkerkant gekomen en is het op Guillaume gesprongen. Het jongetje schreeuwde even, het dier gromde en Anne Catherine is op de grond gevallen. Ze is daarna opgestaan en naar het huis van de oom gelopen.
De wolf is later verjaagd met geweerschoten in de lucht en heeft het lijk laten liggen op ongeveer 100 pas van de plaats waar het kind werd aangevallen. Op het pasgeploegde land waren nog sleepsporen te zien. Het lichaam is vanuit het moeras overgebracht naar het huis van Henri Jans, aangetrouwd oom van moederszijde van het slachtoffer.
De heer Haghman heeft na zijn aankomst het lijk onderzocht op de tafel in het huis van Henri Peters en daarbij meer dan 14 wonden geconstateerd aan weerzijden van de hals en een wond aan de linker wang. Zes wonden waren zo diep dat twee kootjes van de wijsvinger er gemakkelijk in konden. De strot en direkte omgeving waren geheel verscheurd. De beenderen van de nek waren geheel verbrijzeld zodat het hoofd nog slechts met de huid en enkele pezen vast zat aan de romp. Volgens de arts heeft de wolf het kind direkt van voren bij de strot gegrepen. Verder heeft de dokter geen wonden aangetroffen behalve een kneuzing op de borst veroorzaakt door een poot.
Volgens de burgemeester was iedereen ervan overtuigd dat de wolf, mogelijk ook een lynx, het gebied zou hebben verlaten maar op 31 oktober kennelijk opnieuw heeft toegeslagen.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807/128.
8 november 1810
POSTERHOLT - Wolvenjacht.
Proces verbaal door H.J. Janissen, burgemeester van Posterholt.
Hij heeft om 9 uur vernomen dat Lambert Segers, 9 jaar oude zoon van dagloner Pierre Segers en Anne Marie Rutten uit Posterholt, is aangevallen en meegenomen door een wolf. Het kind was samen met zijn 12 jaar oude broer Jean Segers hout aan het sprokkelen tegenover het ouderlijk huis. De burgemeester heeft direkt de noodklok laten luiden om mensen bijeen te krijgen om het dier te achtervolgen. Tevens heeft hij de burgemeester van Odiliënberg gewaarschuwd om een cordon te vormen in Munninckxbos. De wolf heeft het kind daarop dood achtergelaten en is gevlucht in de richting van Paerle, gemeente Berg, waar hij de Roer is overgestoken.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
12 november 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van de onderprefect aan de prefect.
De onderprefect stuurt een pootafdruk die op 9 november is achtergelaten door het dier dat in Posterholt de zoon van Pierre Sleegers heeft aangevallen en meegenomen. De afmetingen van deze afdruk, die slechts vier klauwen heeft, wijzen volgens de onderprefect op een hyena. Deze alarmerende ontdekking en de vrees dat het dier in de loop van de winter zijn verwoestingen zal voortzetten, verplichten de onderprefect tot het nemen van vèrgaande maatregelen. De eerder gebruikte middelen hebben geen resultaat gehad. Veel inwoners zijn volgens hem laf en te bang om in de bossen door te dringen om het dier op te drijven. Sommigen hebben het dier zelfs laten passeren zonder gebruik te maken van hun geweer. Om deze angst te overwinnen stelt de burgemeester voor om in overleg met de generaals ditmaal tevens militairen in te zetten waarvan een gedeelte bereden en een gedeelte te voet, in ieder geval voldoende mensen om het dier volledig in te sluiten en samen met de officieren van de wolvenjacht een drijfjacht te houden. Door de soldaten en boeren onder streng toezicht gemengd te laten optreden, bijeen gehouden door het cordon van mensen te paard, hoopt te onderprefect de samenhang te bewerkstellingen die nodig is voor het welslagen van een jacht.
RAL Maastricht, Departement van de Nedermaas, inv.nr. 2807.
23 november 1810
ROERMOND - Wolvenjacht.
Brief van de onderprefect aan de prefect. De onderprefect beschikt niet over voldoende informatie om de prefect te laten beslissen of men te doen heeft met een hyena of met een gewone wolf. Niemand van degenen die het dier heeft gezien heeft de moed gehad om het dier zo goed te bekijken dat een goede beschrijving kan worden gegeven. De pootafdruk die de onderprefect eerder aan de prefect heeft gestuurd [zie 12-11-1810] vormt de enige reden waarom de onderprefect twijfelt aan zijn eerdere mening dat het zou gaan om een wolvin die zich, gedreven door honger en de noodzaak haar jongen te voeren, om het eerste het beste voorwerp heeft geworpen. Nadat het dier eenmaal mensenbloed heeft geproefd, is het gedreven door zijn instinct voortdurend terug gekomen op dit voedsel. Zonder helemaal op zijn twijfels terug te komen, geeft de onderprefect aan dat deze twijfels mede zijn bebaseerd op de 'verwaandheid' van enkele personen die hem hebben verzekerd dat dit soort dieren is voorgekomen in Thüringen. Van daaruit kan het dier naar onze omgeving zijn verdreven waar het zich, ondanks de afwezigheid van grote wouden, voldoende schuil kan houden door holen te maken.
De onderprefect weet dat de vernielingen en 10 verslonden kinderen de bezorgheid van de prefect wekken en dat de ervaringen hebben bewezen dat de tot nog toe aangewende middelen onvoldoende zijn. Hij wil graag de boeren aanmoedigen, die niet bang zijn voor de jacht op haas en patrijs maar bij de jacht op dit grote dier kennelijk zo 'behoedzaam' zijn dat diversen onder hen de zwakte hebben gehad om het dier bij hun post ta laten passeren zonder er zelfs maar op te durven schieten. De onderprefect denkt deze aanmoediging te kunnen bereiken door, in overleg met de generaals en de prefect van de Roer, samen met de boeren militairen in te delen bij de diverse cordons zoals nader beschreven in het bijgevoegde overzicht.
De groepen zouden voor elke gemeente kunnen worden samengesteld uit een onderofficier of een intelligente oudere soldaat en vier mensen gewapend met een geweer of karabijn, voorzien van bajonet en met vijf patronen waarvan een in het wapen en de andere vier in de patroontas. Het hoofd van elke afdeling (cantonnement) zou in overleg met de burgemeesters worden voorzien van de beste schutters. Dit hoofd zou iedere dag een jacht moeten leiden, zijn mensen verdelen in groepjes van twee of vier mensen die op gepaste afstand van elkaar de gemeente te voet doorkruisen op zoek naar voetsporen. 's Avond bij terugkeer zou iedereen verantwoording moeten afleggen aan zijn hoofd, die op zijn beurt zou moeten rapporteren aan zijn hogere chef die in Roermond zal zijn gestationeerd als centraal punt.
|
Noms des communes du cordon |
nombre d'hommes qu'elles peuvent
fournier par les batues |
force de la troupe a cantonnier
dans chaque commune |
||
|
|
en traqueurs |
en chasseurs |
à pied |
à cheval |
|
Venlo |
100 |
25 |
5 |
- |
|
Heringen |
80 |
10 |
5 |
- |
|
Luyt |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Kaldekirken |
200 |
20 |
5 |
- |
|
Bracht |
150 |
10 |
5 |
- |
|
Breyel |
200 |
20 |
5 |
- |
|
Dulken |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Bosheim |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Dukelraet |
100 |
10 |
5 |
- |
|
les deux Ameren |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Waldniel |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Nedercruchten |
200 |
20 |
5 |
- |
|
Wegberg |
150 |
10 |
5 |
- |
|
Dalheim |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Steinkirken |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Kempen |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Kirkhoven |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Waldfucht |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Echt |
200 |
20 |
5 |
- |
|
Maesbracht |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Linne |
100 |
10 |
5 |
- |
|
Begden |
80 |
8 |
5 |
- |
|
Horn |
80 |
8 |
5 |
- |
|
Haelen |
80 |
8 |
5 |
- |