KRONIEK VOOR BEESEL, BELFELD EN SWALMEN - 1550-1559

laatst opgeslagen: zaterdag 4 februari 2017 CTRL+F = zoeken CTRL+C = kopiëren ALT+TAB = wisselen

© Loe Giesen, Reuver 1983-2017

 

1550

zondag 26 januari 1550

De nalatenschap van wijlen Dedrich van Dript en diens weduwe Margriet van Meer wordt gedeeld tussen Dederick van Dript en zijn echtgenote Cornelia van Erp; Johan van Boickholt als man van Johanna van Dript; en Agnes van Dript, weduwe van Caspar Hoeveler.

Johan van Boickholt ontvangt o.a. de halve hof te Swalmen (Wielerhof), waarvan Merten van Oeyen-Dript de andere helft bezit.

RHCL Maastricht, Familie-archief Van Merwijck-de Keverberg V 1504, Aldenghoor inv. nr. 269 + 151.

 

woensdag 5 maart 1550

MAASBRACHT - Lambert van Cruchten, als erfgenaam van zijn ouders na erfdeling, wordt beleend met een goed genaamd de Moelengrynt, gelegen in het ambt van Montfoort in het kerspel van Bracht tegen Wissem, tussen de Nije Maze en Heyn van Have enerzijds en de Alde Maze anderzijds, met de onderste korte zijde grenzend aan de grienden van St. Joost en de Karthuizers van Rurmund, en boven aan Severijns griend, ten Gelderse rechten te verheergewaden.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 107.

Zie 8-7-1544 en 12-6-1556.

 

23 mei 1550

ROERMOND - Dirich Klumpenmecker, priester, met toestemming van Rener Rupkens, zijn vader, en Margarete, zijn moeder verklaart schuldig te zijn uit huis in de Schoenmakersstraat, tussen Herman van Elmpt en wijlen Huge Tolleners, een jaarrente van 3 gld aan Tijss van Buell en Merie, losbaar met 60.

Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 311 fol 18 vs; Res Gestae III nr. 2047.

Dirk Reijpkens alias Clompemakers was in 1553 eigenaar van de Baxhof te Swalmen.

 

donderdag 19 juni 1550

ST.-ODILIENBERG ‑ Mathijs Bartscherer als hulder namens het klooster van St.-Petersberg genaamd Odiliënberg en de Minderbroeders te Roermond worden beleend met de hof in gen Ouwe in het kerspel (St.-Odiliën)Berge gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 92.

 

dinsdag 24 juni 1550

"op synt Jans dach baptist"

KESSEL / BEESEL ‑ Gerart Stockman en Goert Bueskens, schepenen te Kessel, oorkonden dat zij de plaats tussen Beesell en Bracht hebben bezichtigd en daar turf en heide hebben aangetroffen die door die van Bracht hadden gestoken om naar huis te voeren.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door de geërfden van Beesel en Belfeld overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

woensdag 25 juni 1550

BLERICK / BEESEL ‑ Reyner Jacobss en Derick Smitzen, schepenen te Blerick, oorkonden dat Thys Koessmanz voor hen heeft getuigd dat hij in het Meerlebroeck is gegaan om een kar turf te halen, toen enkele inwoners van Kaldekercken naar hem toe zijn gekomen, de turf van zijn kar hebben gesleurd en hem wilden dwingen om de lading naar Kaldekercken te voeren.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door de geërfden van Beesel en Belfeld overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

donderdag 26 juni 1550

"donredach post Jois Baptista"

NEER / BEESEL ‑ Jenthis Klerck en Jan van Vynckenraay, schepenen te Neer, oorkonden dat Arnt Noen voor hen heeft getuigd dat hij op het broek turf heeft gestoken, toen enkele inwoners van Kaldekercken met schoppen en hakken op Gelders gebied heide hebben gehouwen en deze naar huis hebben afgevoerd.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door de geërfden van Beesel en Belfeld overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

donderdag 26 juni 1550

"donresdach nae Jois Baptista"

TEGELEN / BEESEL ‑ Pouwels der Wyrt en Henrick Boell, schepenen te Tyegelen, oorkonden dat Met Nouwen voor hen heeft getuigd dat hij heeft gezien dat die van Bracht en anderen op de donderdag van Johannes de Doper met 9 wagens en 19 man "flaggen" hebben gehouwen zoveel zij wilden.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door de geërfden van Beesel en Belfeld overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

donderdag 26 juni 1550

"donresdachs na Jois Baptista"

TEGELEN / BEESEL ‑ Pouwels der Wyrt en Henrick Boell, schepenen te Tyegelen, oorkonden dat Jacop Emontz zoon van Bracht voor hen heeft getuigd dat hij op de gemeinte aan het maaien was toen hij gezien heeft dat 9 man van Bracht eveneens op Gelders gebieden aan het maaien waren.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door de geërfden van Beesel en Belfeld overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

zondag 29 juni 1550

"op Petri et Pauli"

ROERMOND / BEESEL ‑ Burgemeester, schepenen en raad van de stad Roermond verzoeken kanselier en raden van Gelderland om een vergadering te beleggen opdat de geërfden (te Beesel en Belfeld) niet zo belast worden.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door de geërfden van Beesel en Belfeld overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

14 juli 1550

Missive van het Hof aan de drost van Montfort, dat hij de schepenen van Beesel gelasten moet aan Ryck in den Haen de door hem verlangde kondschap van de bedoelden brief op zijn kosten te geven.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1247

 

dinsdag 15 juli 1550

BRÜGGEN ‑ De rentmeester van Bruggen laat de vorst (van Gulik?) weten dat hij op diens bevel de omstreden plaats heeft bezocht, verhoren heeft afgenomen en stukken heeft bestudeerd.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door die van Bracht en Kaldenkirchen overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

woensdag 16 juli 1550

KALDENKIRCHEN ‑ Hertog Willem van Gulich schrijft aan stadhouder, kanselier en raden in Gelderland dat hij zijn onderdanen (in Bracht en Kaldenkirchen) heeft gevraagd hem bericht te sturen inzake de situatie aangaande het Meerlebroek.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door die van Bracht en Kaldenkirchen overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

2 augustus 1550

ROERMOND - Anna van Vlodrop, vrouwe van Hellenraij, attesteert inzake de helft van een obligatie met betrekking tot wijlen haar echtgenoot Christoffel Scenck [sic] en Johan Zegers.

GA Roermond, Hoofdgerecht Roermond, Overdrachten deel 1, fol. 20.

 

zaterdag 23 augustus 1550

Bartholomeusavond

Zie 27-8-1550.

 

na 23 augustus 1550, z.d.

BEESEL ‑ Schepenen en gemene naburen van Beesell laten Johan van Wyttenhoirst, drost van het ambt Montfort, weten dat hun beëdigde vorsters onlangs een inwoner van Bracht hebben aangetroffen bij het maaien van heide op Gelders grondgebied. De man is daarop door de vorsters gepand en naar Beesel gebracht, waar hij drie dagen is vastgehouden. Ze hebben hem aangeboden om hem tegen een borgsom vrij te laten, hetgeen hij heeft geweigerd met de mededeling dat zijn opdrachtgevers hem schadeloos zouden houden. Ook na verdere dreigementen heeft hij aanhoudend geweigerd, waarop hij naar Montfort is overgebracht.

De nacht daarna zijn die van Bracht met geweld Beesell binnengevallen, hebben allereerst de kerk omsingeld zodat de noodklok niet kon worden geluid, en zijn daarna het huis van de bode binnengevallen. Hier hebben ze de glasvensters vernield, vlees, spek, boter, brood en zelfs de eenvoudige kinderkleren meegenomen. Zouden ze de bode persoonlijk hebben aangetroffen (die echter mee naar Montfort was gereisd) dan hadden ze hem misschien doodgeslagen.

Hierna zijn ze het huis van schepen Heynrich Slapbart binnengevallen door het slot open te breken. Hier werden rundvlees, drie hamhaken ("schyncken heuck"), handschoenen ("haezen"), mouwen en "boenetten" gestolen.

Vervolgens zijn ze het huis van de weduwe op de beek binnengevallen, waar ze heide zeisen, brood en alles wat verder te vinden was hebben meegenomen, "ouch etzeliche ontoeffliche woyrde gespraecken die nyet behoirlich toe schryven".

In Beelffen (Belfeld) op de hoeve hebben ze tenslotte een schepen genaamd Peter gevangen genomen, vlees en spek meegenomen en "eijnen schemelen man", Peter Dorsser, eveneens ontvoerd.

De schepenen en naburen vragen om bescherming tegen dit soort wandaden, te meer omdat zij onder deze omstandigheden onmogelijk de schattingen kunnen opbrengen.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Stuk, door de geërfden van Beesel en Belfeld overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

maandag 25 augustus 1550

BEESEL ‑ Hertog Wilhem van Gulich etc. verzoekt stadhouder, kanselier en raden in Gelderland om van beide zijden de rechtbrieven te onderzoeken en verhoren af te nemen opdat beide partijen in hun oude rechten worden gehandhaafd.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door die van Bracht en Kaldenkirchen overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

woensdag 27 augustus 1550

ROERMOND / BEESEL ‑ Burgemeester, schepenen en raad van de stad Roermond oorkonden dat Jacop aen gen Broick, priester, Henrick Slabbert en anderen, waaronder Trintgen, echtgenote van van Johan de gerechtsbode, getuigd hebben dat die van Mulbracht afgelopen Sint Bartholomeusavond (23 augustus) om 2.00 uur na middernacht met ongeveer 100 man Besel zijn binnengevallen om hun gepande Gylken Mauwen met geweld te bevrijden.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49.

 

vrijdag 29 augustus 1550

"auff S Johans tagh in Augusti"

TEGELEN - Ten overstaan van de leenmannen Theis Haegens en Lenhart de Laet wordt Henrich van Ruyschenbergh zu Rurych, heer te Eyx?, zwager van Frantz van Holtmullen, door laatstgenoemde als leenheer beleend met de tiende te Bredell zoals Henrichs voorouders deze eertijds hebben ontvangen, en in huwelijksvoorwaarden van die van Wachtendonck aangeerfd.

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 4.

Jaartal mogelijk echter 1560.

 

4 september 1550

Missive van de schout van Montfort aan het Hof over een zending naar Cleve in verband met geschillen tussen Gelderse en Kleefse onderdanen. Hij heeft de indruk gekregen, dat men de zaak op de lange baan tracht te schuiven.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1260; zie idem 1261 d.d. 6-9-1550.

 

6 september 1550

Missive van de drost van Montfort aan de kanselier over dezelfde zaak als No. 1260 [zie 4-9-1550]. Het blijkt, dat de zaak gaat over geschillen tussen die van Beesel en Bracht en dat laatstgenoemden met geweld dreigen, als die van hen niet worden losgelaten.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1261.

 

8 september 1550

Missive van de rentmeester van Montfort aan de kanselier over dezelfde zaak als No. 1260 en 1261. Hij hoopt, dat men de te Montfort gevangen zittende persoon zal vasthouden en de andere geweldenaars, die zich te Roermond, Venlo en elders nog vrij bewegen, vatten zal, opdat eindelijk tegen hen geprocedeerd mag worden.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1262.

 

10 september 1550

Missive van de stadhouder aan de schouten van Roermond en Venlo, houdende bevel om personen, wier namen op de hierbij gaande cedel voorkomen, gevangen te nemen. (Zie No. 1262).

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1263.

 

10 september 1550

Missive aan de drost van Montfort in antwoord op No. 1261. Aan de schouten van Roermond en Venlo is gelast de bedoelde personen in hechtenis te nemen. De gevangene te Montfort moet worden vastgehouden (zie no. 1280 d.d. 24 september 1550).
Voorts wordt hem gelast te onderzoeken of het waar is, dat Johan van Stalburch van Venlo, nu in hechtenis te Venlo, in de Duitse oorlog tegen Z.M. heeft gediend.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1264.

 

10 september 1550

Missive van de stadhouder aan de drost van Gelre over gevangenen en gevangennemingen.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1265.

 

zondag 14 september 1550

BEESEL ‑ Johan van Wytenhorst (drost van het ambt Montfort) laat in een brief aan kanselier en raden in Gelderland weten dat hij hun brieven heeft ontvangen en hierop met doctor Stalberch naar Biesell is geweest, waar hem gezegd is dat de donderdag daarvoor geprobeerd is om paard en wagen van iemand van Bracht te panden; de man is echter met zijn paard gevlucht.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door de geërfden van Beesel en Belfeld overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

zondag 14 september 1550

BEESEL ‑ Hertog Wilhem van Cleve schrijft een brief aan stadhouder, kanselier en raden in Gelderland, inzake het Meerlebroek.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door die van Bracht en Kaldenkirchen overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

dinsdag 16 september 1550

BEESEL ‑ Frantz van Holtmoelt en Tyelman Beer [rentmeester, zie 29-6-1549] schrijven in een brief aan de vorst (van Gelre en Gulik) dat enkele "lossledige gesellen mit zoedoen des gevangen fruntschap" zich bij nacht hebben verzameld omdat zij meenden dat deze (op Gulikse grond?) gevangen was genomen.

RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 124 h, anno 1550 nr. 49. Regest van een stuk, door die van Bracht en Kaldenkirchen overgeleverd t.b.v. een proces inzake het Meerlebroek.

 

zaterdag 19 september 1550

Saterdach den negenthienden Septembris anno xv c end vijfftich

MEERLEBROEK / BRACHTER BUSCH - Overeenkomst over de grenzen en het gebruik van Meerlebroek en Brachter Busch, tussen Beesel, Belfeld, Geloo en Swalmen enerzijds en Bracht en Kaldenkirchen anderzijds.

             "Wir Franss von Holtmullen, Amptmann und Joachim Hagk Vogt des Ampts Bruggen thuen kundt und bekennen hiemit offentlich, nach dem sich zwischen dennen vonn Beesel, Belvelt unnd Loe, auch dennen von Schwamen an einem, unnd dennen von Bracht unnd Kaldenkirchen andertheils gebrachen erhalten, dess dieselb durch des allerdurchluichtigsten, durchluichtigsten, durchluistigen und hoichgebohrnen Fürsten und Herren Herren Carolij des fünfften Römischen Keijseren Heren Philipssen Königs zu Hispanien, als Hertzogen zu Geller, und Herren Wilhelmen Hertzogen zu Gülich, Cleve und Berge, unserer aller Allergnedigstenn, gnedigsten, gnedigen Herren dair zu verordenten Rethen und Commissarien, zu verscheiden Zeitten, und gehaltenen Beikompsten in der guitte hingelacht und vertragenn seindt, wilche Vertrage durch Ire Keisserliche und Königlichen Majesteijten auch F.G. folgentz auch ratificirt und bestettigt worden, wie von vort hernach beschriben volgt:

             Then i[rsten] als sich Irthumb en Gebreiken erhalden hebben tuschen den von Bessel, Belvelt en Loe eins, und den von Bracht und Kaldenkirchen anderdeils, aengaende thenn Deill die Hoichheit, en suss den Gebruick des Flincken en Heid hawens, Torf steckens en Weidtgancks inn dem Merlenbroick.

             So sein dieselven Gebrecken mit Bewilligungh en Vorweten beider voirss. Partheienn nach folgender Maeten verglecken;

             Ende then Irsten so viell die Hoichheit aengaet, ist verabscheidt und up Welgefallen Kon. Maijtt. en hoichgedachte Fürsten von Guilich verdragen, dat die Bepaelijngh en Scheidungh der Hoicheit ghan sall uth der Mazen in die Aelbeck, en uth der Aelbecke die Vehe en Leijsterstraet recht up den Mirgelwegh biss an den Bergh, vann dair vort over den Bergh biss an den Hoender Kampe, en van dair langs den Moelenwegh totter der Platzenn boven der Moelen naer Venloe toe, dar men ein Paell stellen sall, en van daer vorts aver die Heide recht uth biss an den Patt, daer die Spitzeler Hondtschap oer Vehe van den Bergh afdreifft bei dem Hoeff tho Moelbeck, ende so vort langs die Erfschafft desselven Hoeffs inn den Wegh der tuschen dem Kamp des gedachten Hoffs, en der upgegraven bembden gaet, den Wegh vort up doer id Broick bis up den Steinwegh, den man noempt Konigs Karls Wegh onder den Hogen Stall, denselven Wegh vort recht uith bis an die Vijff Eicken, von denn Vijff Eicken onden langs den Bergh, daer dat Gericht up staet, dat Gericht Gelrisch, und die andere Zijde Guilisch, von dair vort biss inn die Schwalm;

             Ende belangen den Gebruijck des Merlenbroichs, is vertragen, dat die van Bracht ende Caldenkirchen iere Beesten, die sie inn oeren hoeven ende stallen uitwinterenn in dat Merlenbroick nefens end mit den van Bessel, Belvelt end Loe, von van Alders gewoenlich, dreijven end weijden moegen;

             Ende vonn denn uppersten Orde vann den Stein offte Konigh Karls Wegh onder den Hoegen Stall naer den Hoeff genoempt die Groete Hofve, linie recht uith, sall inn der rechter Middenn vonn dem Broick offte Heidenn ein Paell gesatt werden, end vonn daer rechtdoer idt Broick biss up dat underste Ende naer der Mazen tho vann denn Aldenn utgegeven Bempdenn, vann daer langs die Erfschafft des Hoefs thoe Moelbeck biss aenn den Berg, inn welcken voir seijdenn Bezirck sullen en moegen die van Bracht end Caldenkirchen mit denn van Bessel, Belvelt end Loe thosamen flincken hauwen, end die van Kaldenkirchen sullen inn demselven Bezirck oick daselfs mit den van Bessel, Belvelt end Loe Torfstecken moegen, doch dat denn von Bracht end Kaldenkirchen onbenommen seij tuschen den Hoge Stall end dem Wege tho Moelbeck daer sich die Hoicheit scheiden sall, Heide te hauwen, avers nit over den voirseiden Wegh, denn voirss. van Bessel, Belvelt end Loe insgelijcken vorbehalden tuschen den voirss. Wegh, end den Bergh van Moelbeck aff totten Hogen Stall tho oeren Gebruijck vann Heijden, Weiden, Torf end Flincken Steckens naer alde Gewoente, derglijcken off die Beesten van Beesel, Belvelt end Loe up den Bergh, offte over den Stein oft Konigh Karls Wegh then Busch wart, ongeverlick end ungedreven liepen, en sullen om Vrede ende goede Naeberschap tho underhalden, nit gepant ofte geschut, aver voll moegen te rugge gekeirt end gedreven werden, sonder dieselve te quetsen offte te schedigenn, ende so langh als men dat groene Broick befreden sall, en sullen oick die van Bracht, ende Caldenkirchen int selve, voir so veel dat sich bijnnen den vorss. Limiten strecken mach, gein Torven offt Flincken stecken offte hauwen moegen;

             Alsus geschiet ende geschloeten up Behagen Keijss. Maijtt. ende F.G. tho Venloe up Saterdach den negenthienden Septembris anno xv c end vijfftich.

-           Volgt akte d.d. 17-6-1562; zie aldaar.

RHCL Maastricht, Familiearchief Hillenraad 16.0509, inv.nr. 2 (varia betreffende Brachterbusch), stuk 39. Origineel op papier met zegel van notaris Maassen in goede staat.

 

23 september 1550

Missive van het Hof aan (o.a.) de vrouwe van Hillenraede over betaling van de restanten van de tweeden termijn der schatting.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1276.

 

24 september 1550

Missive van het Hof aan de drost van Montfort, dat hij die van Beesel behulpzaam moet zijn tot het herkrijgen van het hun afgenomen goed; dat hij de gevangene, indien deze op Guliks grondgebied is gegrepen, zoals die van Bruggen beweren, moet loslaten, maar anders hem te recht moet stellen voor een onpartijdig gericht, dus niet te Beesel, en tenslotte dat hij die van Beesel moet gelasten zich tegen de Gulikers als goede naburen te gedragen (zie No. 1264 d.d. 10 september).

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1280.

 

maandag 17 november 1550

GELDERN-PONT - De kinderen van Loeff van Egeren, drost, worden beleend met de hof te Keeckhem met de Borchstegen, de Aschorst met de Olygrave en de laten van Walbeke en van Pont die tot voornoemde hof behoren, zoals deze met alle andere toebehoren in de jurisdictie van Pont zijn gelegen. Jacob in gen Haiff is hun hulder.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 5.

Zie 24-10-1538 en 31-5-1560.

 

1550, z.d.?

BEESEL - Proces van die van Beesel tegen die van Kaldenkirchen betreffende de limieten. Hierin enkele schetskaartjes.

V. Spaen nrs. 1809, 1825 en 1336.

RA Gelderland te Arnhem (0124), Archief van het hertogdom Gelre en graafschap Zutphen, inv.nr. 4920; met dank aan Marcel Dings, Tegelen.

 

1550, z.d.

NIEUKERK - Steven van Huchtenbroeck geeft zijn echtgenote Woltera van der Hoeven het vruchtgebruik van het gehele goed en huis te Asselt oftewel Niersdom, zoals dit vanouds gelegen is in de voogdij van Gelderland in het kerspel en gericht van der Nyerkerk, met akkerland, bossen, broeken en 'peschen', water en weiden en alle verdere rechten en toebehoren.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 3.

 

1550, z.d.

GELDERN - Steven van Huchtenbroeck geeft zijn echtgenote Woltera van der Hoeven het vruchtgebruik van zijn aandeel en gerechtigheid van het gehele leengoed genaamd die Stove met de korengulden en de laatschap daartoe behorend.

zie 25 februari 1539 en 15 juni 1553.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 3.

 

 

1551

donderdag 15 januari 1551

ASSELT ‑ Johan Hennen, tollenaar te Asselt, doet opgave van de tolrechten die de burgers van Roermond verschuldigd zijn te Asselt.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 345, blz. 155; regest nr. 1194.

 

23 februari 1551

Minuut-missive van het Hof aan de Raad van State. Tussen de bewoners van Bracht en Kaldenkirchen in Gulik en Besel in het Overkwartier heersen geschillen over de grensscheiding, die reeds aanleiding hebben gegeven tot geweld (zie brief van 21 september 1550) en meerdere doen verwachten. Het Hof dringt aan op onverwijlde aanstelling van gecommitteerden om de grens definitief vast te stellen.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven uit en aan het Hof, inv.nr. 651 no. 564.

 

donderdag 7 mei 1551

ARNHEM - Brief van kanselier en raden in Gellerlandt aan Johan von Witenhorst, drost van Monfort.

De gezanten van Ruremundt hebben geklaagd dat diverse onderdanen in het ambt Monfort zich in toenemende mate schuldig maken aan het hebben van een opslag van mergel, kalk, stenen en kolen met het doel deze te verhandelen en verkopen. De stad heeft er op gewezen dat dit slechts is toegestaan voor eigen gebruik en verwijst naar een plakkaat van hertog Karl van Gelder d.d. 30 juni 1532, toegevoegd in afschrift.

De stad verzoekt de drost, of iemand op zijn bevel, om toezicht op naleving van dit plakkaat, om "mircklichen verderben" van de stad te voorkomen.

GA Roermond, Hss inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nijdeggen, heer van Hillenraad, ca. 1560; eenvoudig afschrift op papier, fol. 56.

 

8 mei 1551

Missive van het Hof aan de drost van Montfort en de vrouw van Hillenraedt en Swalmen. Naar aanleiding van een klacht van die van Roermond over opslag en verkoop van mergel, kalk, steen en kolen, die in strijd zou zijn met zeker plakkaat van hertog Karel, wordt hun gelast te onderzoeken, of door verbod daarvan iemand in zijn recht verkort zou worden.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1405.

 

23 juni 1551

Missive van het Hof aan Wynandt van Dursdael, dat hij te Venlo moet komen om de pandsom op de tol te (Roermond) ontvangen en deze ten behoeve van Z.M. over te geven.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1435.

 

27 juni 1551

Missive van het Hof aan de schout en de magistraat van Roermond, dat zij Wynant van Dursdael behulpzaam moeten zijn bij het innen van de achterstallige tolgelden, die hij van verschillende burgers te vorderen heeft (zie No. 1435 d.d. 23 juni 1551).
Voorts moeten zij de burgers te kennen geven, dat van tolvrijheid geen sprake kan zijn, voordat zij bewezen hebben daarop recht te hebben.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1439.

 

maandag 6 juli 1551

GREFRATH ‑ Volmacht van de herbergiers van Grefrath inzake het proces betreffende de Gruit, dat zij voeren tegen Reinhart van Holthausen.

Schaesberg-Krieckenbeck: Urk. 73.

 

16 juli 1551

Missive van het Hof aan de vrouw van Hillenraedt, dat zij schout en schepenen van Swalmen moet gelasten vóór het Hof te verschijnen, daar dit met hen te spreken heeft.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1466.

 

21 juli 1551

SWALMEN - Willem van A, scholtis te Zwalmen, bekent dat hij in zijn woning te Swalmen onderdak heeft geboden aan de ketterse predikant Gielis van Aken, 'een van de principaelste wederdoupers', en dat deze hem heeft onderwezen in de nieuwe leer.

De commissarissen geven aan Anna van Vlodrop, weduwe van Christoffel Schenck van Nijdeggen 'tho Hellenraeede' en vrouwe van de heerlijkheid Swalmen en Asselt, de opdracht hem te ontslaan. De scholtis kan het ambt behouden als hij er binnen drie maanden in zal slagen om Gielis van Aken op te sporen en hem aan justitie over te leveren. In dat geval zal hij gehandhaafd blijven in zijn ambt, volledig vergiffenis krijgen van alles wat hij mocht hebben misdaan en als extra beloning een bedrag van 100 gulden ontvangen.

Als het hem niet lukt om Van Aken te vinden, zal hij 'het scholtisampt niet wijders mogen bedienen', tenzij hij tot genoegen van de kanselier en raadsleden van het Hof van Gelder kan aantonen dat hij daarvoor voldoende ijver en vlijt aan de dag heeft gelegd.

Kennelijk is het Willem van A niet gelukt om de wederdoper te vinden. De prediker week uit naar Vlaanderen waar hij in 1667 werd opgepakt. Op 15 juli 1557 werd hij in Antwerpen terechtgesteld.

Giel Geraedts: 'Alzoe Willem van A scholtis tot Zwalmen … bekent heeft in sijn Huijs een van de principaelste wederdoupers … geherbercht te hebben…' In: Periodiek MHVS 1990 nr. 1, blz. 30-31. Noemt als bron een boek getiteld 'Oude landsaeken' in het Archief der Geldersche Leenkamer.

Willem van Ae en zijn vrouw Elisabet kochten op 27-1-1544 een huis in Swalmen.

 

15 september 1551

VENLO - Grensverdrag tussen Gelre en Gulik.

Van Gots gnaden wir Wilhelm Hertzog zu Guilich, Cleve Und Bergh, Grave zu der Marck und Ravensberg Her zu Ravensteyn Cc. Doin Allen Jhenigen der disser unser Brieff furbracht wirdet, zu wissen, nachdem allerley irthumben und gebrechen hiebevor gewest und lange gestanden haven, zusschen dem Amptluiden und Bevelhaveren des Furstenthombs Gelre an einer, und den Amptluiden und Bevelhaveren des Furstendumbs Guilich an der ander syden betreffende die bepaelingen und scheidungen der Hoocheyt, und beider vurgenanter Fursthenthummen, Jurisdictions, und auch zuissche ettlichen Untherthanen der selver Furstenthummen angainde die Vehedrift, Heidhauwen, Torfsstechen, Holtzhauwen und anders mit Sambt vielerley pendungen wederpendungen, gewelden, und anderen beswerungen darussz erfolgt, und aber zu hinlegung und vergleichin solcher irthumben und gebrechen in dem vergangen Jaer eyn und funfszigh zusschen der Romischer Keiserlicher Majestatt unsers allergnedigsten Herren Commissarien und unseren Rethen und verordenthen Gutliche Bykomst und Communicatien gehalten, welcke Commissarien sambt unseren Rethen und verordenthen nach fleissiger besichtigung der strydigen plaetsen, und als sie beyde partyen aen ieder siden wal und in 't lange verstanden ire bescheydt gesehen und sig uff alles waill und wie sig gebuert informirt hadden, entlich uff hoich gedachter Keizerlicke Majesteit und unser wailbehaegen und believen einen freundtlichen Verdrach zuisschen beiden gemacht und uff gericht haven, daervan der inhalt van wortt zu wortt hier nach volgt:

Als die Romische Keiserlicke Majestatt unser allergnedichster Herr die Edele ende Hoichgelerten Adrian Nicolai oerer Mait. Cantzeler des Furstenthumbs Gelre, Christoffel Greven van Moers, Meester Johannen Baedt, Meester van Requesten Ordinaris in oerer Majt. Grooten Raede ende Doctor Johan Stalbergh oerer Mat. Raed ther einer ende die Doorluchtigh, Hooghgebooren Furster WILHELM Hertoug tho Gulich, Cleve und Bergh etc. die Erentvesten ende Hooggelerten Johannen Ghogrieff Cantzeler, Wernheren van Hoesteden Hofsmeister ende Amptman tho Grevenbroich ende Gladbach, Alexander van Drynborn Hoffmeister ende Amptman tho Born ende Godarten Gropper der rechten Doctoren ter ander syden verordent, die gebrecken die sich tusschen den Amptluiden ende Bevelhebberen der bepaelingen ende hoocheyt halven beider Furstentummen Gulich ende Gelre ende ouch tusschen etlichen Onderdaenen van wegen der Vehedrifft, Heidhauwens, Torffstechens, Holthauwens, ende ander tho gedraegen ende eyn tijt lanck erhalden (wa moiglich) gutlich tho verglijcken ende tho vereynigen, daer nae hebben de vurgemelte Verordenthe Rede tho beyden syden die strijdige plaetsen besichtiget, den voirgebrachten bewijs ende kondtschappen verhoert, oick sich der gelegentheyt soo veel moglich erkundigt ende nae veel gutlicker underredingen ende communicatien sig in der gutlicheyt soo veel moglich erkundigt ende nae veel gutlicheyt op wailgefallen ende behagen Keiserlicke Majesteyt ende Hoichgedachte Herthogen vergliecken ende verdraegen in maeten wee hernahe volgt:

Ten eersten als sich gebrecken erhalden tusschen den Amptluyden, Bevelhebberen ende Mulleren tho Millen ende der Nuwerstadt, van wegens eynes Dijcks oft Dhams ende Kallen oft Canails gelegen onder Sittart op der beecke so doer Sittart loept, soe ist verdragen dat die Moelenaer van der Nuwerstadt sall laeten leggen in den Dham ofte Dijck tegens den stroum nae der Moellen van Millen hin aff up synen kost een Grondt block ofte Vloer, gelyck den grondt van der overster beecke ende daer upsetten in 't waterpass een Canall ofte Kaal thien voet lanck ende haldende einen voet waters binnen 't vierkhant ende die onderste plancken van den Canaell sullen niet dicker sein dan Schipplancken; ende die van der Nuwerstadt soo wel om desen Dijck ofte Dham tho maecken, als om den selven, mit sambt die boert der Beken tho onderhalden, sullen moegen die erde nemen up den Guyllichssen grondt, mits oirlof begerende welck oirloff men hem niet en sal mogen weygeren, des sullen sy die selve erde gehouden syn te nemen ter plaetsen daer men hem wijsen sal, ther minsten schaeden ende ther naester gelegentheyt; ende die Dham sal nitt hooger gemaeckt werden dan die bempden syn ende up ter ander syden nae der Gemeynten eyn palm leger ofte nederer dan ander syden nae den bempden; oock sullen die van den Nuwerstadt die vurss: Canaill ende Dham onderhalden ende als van nooden syn sall die vurss vloer ofte grondt block mogen fegen doch niet dieper nog anders maecken dan vorgeseet is,

Them anderen als oock irdomb geweest is tusschen den Gerichteren tho der Nuwerstadt ende tho Born der Hoocheyt halven ende den Decken tho Sittart ende den Heeren van Hoemen, des Thienden halven by den Wolff, up eenen stuck Landts van der plaetsen an dar die breide eyck gestain heeft, bis up ein klein eycksken da die Herlicheit Lymborgh aengaet, d'welk stuck in den hoff to Guttinckoven hoert, ende vormails heide geweest aver nu to Lande gemackt, is in præsentie des Decken van Sittart (d'welck soviell hem aengaet geconsentiert heeft in 't geene dat doer ons soude gehandelt werden) doer ons Commissarien veraccordiert, dat die voorseyde platz mit der hoocheit ende Thienden nae der Nuwerstadt blyven sall, ende dat op die platz daer die breide eick gestaen heeft, ende paelstein, ende ein ander boem, en an dat ander klein eicksken oock ein paelstein sullen gesat werden, ende ist den Herren van Hoemen up behaegen als boven geconsentiert, die Thiende up den selven Lande liggende nu ende voirtain inne to foeren sonder præjuditie nogtans eins jeders Gerechtigheydt, indien dat Verdrag by Keiserl. Majest. ofte Hoichgedachten Hertogen niet aengenomen en worde,

Ten derden als tussen den van Susteren ende Dieteren ter einer ende van Roesteren ter andere zyden lange tyt gebreeken geweest syn aengaende de reyninge ende bepaelinge der Hoocheit, oick den gebruyck etlicker Gemeynden up die Geleen ende vloedt Graeff schietende, die Koeckeler ende Sijpe genoempt, syn die selve nae besichtigung der plaetsen, verhoer der kuntschappen ende bewijs tho beyden dheylen dogh up behaegen wo voirss. mit voirweten ende believen beyder partien verdragen, wo volcht: Nemlich dat die bepaeling ende scheydinge der Hoicheit hin furder syn ende gehalden werden sall, van der Alderlerssen wijden biss in die Heerstraet voirt alle die Heerstraet aff biss an Brysacksgutt tusschen huijs ende schuyr, alsoo dat datt huys up den Gellerschen und die schuyr up Gulischen gronde verblyven, van daer vort biss up dat steegh oft vonderen in die Geleen ende soo voirt die Geleen aff biss an den Kuckelaer, van den Kuckelaer uit der Geleen langs die Thuin biss uff den vloedtgraeft vort van dar langs die Thuin so an der sypen stain, alsoo dat die Geleen boven den Kuckeler ende die Tuyn an dem Kuckeler ende sypen die hoicheyt scheyden en die Kuckeler en sypen in die Gellersche hoicheyt verblyven ende die Bempden ende Erfschaft so over die Geleen ende Tuyn nae Dieteren liegen in die Gulissche hoicheyt gehoeren; van dem Tuyn der sypen langs Berndt van Gressenichs Bempden ende langs Rochus Bempden ende langs Thier Qwalichs Bempgen hinder dem huys ende langs Pollarts Bempden biss up die Leymkuyll, daer ein brugge plag to staen alsoo dat die vurss. Berndt van Gressenichs Bempden ende Rochus Bempden, Thier Qwalichs Huys ende Bemptgen, derglichen Pollarts Benden in die Gellersche hoocheyt ende die Kessels ende Lysbercks Bembden, voirt alle andere Bempden ende Erfschaffen nae Dieteren in die Gullischen Hoogheyt gehoeren sullen; van den Leymkuylen upt landt van Putten vort all den graff aff in einen graff dairtegens gelegen die vijf borne, van daer doer den hoff tho Boeningen, also als die alde schuyr daer plag to staen, over den Denne achter door den Bongardt, van daer in Vencken hoeffken, van daer oever die straet doer Boeninger bempden bis an den stappen by dem fonderen, van den stappen bis an die kuyll der oversten kanails offt rennen in den doden broick. Wes Bempden ofte Erffschafft nu vermoge deser voorss. reynigen up der einer oft der ander syden lygen ende bequam werden sullen mit aller Hoocheyt oock da hin gehoeren, doch sullen die van Dieteren ende Backhoven wanneer die Bempden aepen lygen, up den Kuckeler ende Sypen wie van alders, mit oerer beesten die voir ende nae weyden mit gebruycken, ende durch die van Roesteren dar innen nit verhindert werden, ende off der van Roesteren beesten door die Tuyn wanneer sy aepen lygen loepen, mag men sie kehren oft uith dryven ende nit schutten, so vern sie niet dar in gedreven oft gehoidt werden; derglicken sal idt oick up den Kuckeler ende Sypen mit den willigen gehalden werden, ende ein jeder der synen gebruicken woe bis her geschiet,

Ten vierden in den gebrecken tusschen den van Susteren ende Dieteren ther einer ende den van Echt ende Uphoven ther ander syden belangende die Hoocheyt ende Gebrueck der weiden mit den Beesten up dem Doedenbroick, Hambroick ende Veheweyd ende van der bepaeling up dem velde tusschen beide gelegen is gutlicken verdragen, dat die hoicheyt in den dooden broick sal gedeillt werden, nemlich van die Kuyl des oversten Canails by den vloedtgraff dwers over den Dodenbroick recht uit bis aen die hegge daer die voetpatt aen dat Dodenbroick schuyt, alsoo dat dat deyll nae Boningen bempden ende velde, Overmeer genoemt, tho Susteren ende dat ander verblyvende deyll neest den vloetgraff mit der hooicheyt tho Echt gehoeren sall, ende dat die voetpatt oft foer van den Dodenbroick over dat velt in Cormtz graeff daer ein steyn ligt, recht uit biss op die straet die scheydung der hoicheyt syn ende blyven sall. Ende als die van Susteren ein deyll des Hambroicks ende die Veheweyd samen in oere bepaelung gain, ende die van Echt dat gantze Hambroick, ende eyn groet dheyl vander Veheweyden, biss aen den wittensteyn nae sich gaen, so is verdragen dat solick geschillen tusschen beyder dheils reynungen halff ende halff gedeilt sullen werden, alsoo dat t’ gene soe nae Dieteren velde gelegen mit hoicheyt tho Susteren ende dat ander dheill to Echt gehoeren sall, ende sullen tusschen beyden Paelsteyn gesat ende in den Gemeynten vurss. Graven upgeworpen werden die hoocheyt tho intscheyden. Ende soveill die Vehe-drifft ende Weid der Beesten aengaet, sullen sie in den gedeilten plaetsen, so wel in den Dodenbroick als in den Hambroick ende Veheweid tho gelijck gebruycken, ende dat grass mit den monde dheilen, avers tho geiner syden sal men plaggen oft reysschen mehen. Ende ingefall mit beyder deilss bewilligung hiernamails bedacht wurde, dat eyn jeder up syner syden verblyven soll mochten sie oick doin. Ende van dem wittenstein sall die reynunge en bepaeling voirt oever ghain up die platz dar vermaleten eick gestaen heeft, van dar vort op Nelis graff, van daer dwers doer dat Venne all die Laeckbane aff tusschen Susteren ende den heseler broick bis up die Rheyn eyck,

Ten vunfsthen als tusschen den Ampteren Montfort ende Millen ende sunderlings den Underthanen van Echt eins, ende den van Fucht, Havert ende Saeffelen anderdeils van der Hoicheyt, Gerechtigheyt ende Gebruyck des Waldts ende Gemeynten lange tijdt twijst geweest, ende aver in den jair vyffthien hondert negen en dertigh up den sievenden dag van May tho Montfort ein verdrag upgerigt wie id mit der Geregtigheit ende gebruick der onderdaenen tho beyden deillen sall gehalden werden, ende hoe well dar innen oick allerley gebrecken gefallen, so is dog jetzundet mit bewilligung beider partien wederomb verdragen ende verabscheydt, dat men sich to beiden deillen dem selven verdrage to Montfort opgericht wie die tho ende dusses affscheyts van wordt tho wort salll gestalt ende inseriert werden, in allen puncten ende artijckelen gemeeshalden ende van geynen deyl daer tegens gedain ofte voirgenomen werden sall. Dweill aver in dem vurss. verdrage die bepaeling der hoocheyt nit uitgedruckt ende derhalven oick twijst geweest, alsoe dat die Amptluiden tho Millen idt daer fur gehalden, dat ein deill des waldts in die hoocheyt tho Millen gehoeren solde, so is up behaegen wie vurss. verdragen dat die hoocheyt des vurss. waldts tho Montfort gehoeren, en dit bepaeling ende scheydung der hoocheit tusschen den Ampteren Montfort ende Millen syn en gehalden werde sall in maeten woe her nae folcht: Ten eersten van der plaetsen daer die Rein Eick op der Laeckbanen tusschen dem Susterer ende der van Havert ende Echterbroick gestain heeft, all die Laeckbaen recht uit na dem bossch to bis up den wegh der langs den bossch gaet, vort al den selven wegh op bis an der Heilre, van daer langs den Heilre bis up den wegh der nest den graven ende heggen van dem Staeffelr veldt gaet, alsoe dat die Heilre in die hoocheit des Ampts Millen verblyven sall, doch voirbehalden dat die van Echt, wanneer Ecker up den Waldt is die vercken oever den Heilre biss in die saeffel sullen dryven ende drencken mogen, woe van alders gewoinlig; vorts den jetztgemelten wegh allet uit langs voirss. hegge ende graeffen by den Staeffeler velde dwers over die straet die in Staeffelen gaet allet langs die ander heggen bis an die Lewenbock, van der Lewenboecken die Landtwerung aff bis an gen sandtgaet, van dan die Landtwerung aff biss up den Duven poell van den Duven poell bis aen die seven bonre up dem Hulterkamp, langs die hegge des hulteren kamps biss an dat lantt so in dem selven kamp ligt ende einen Burgher to Vucht tobehoert, van dair langs die ruwe hegge so daeromme gelacht is bis an die Hulterstraet alsoe dat die Hulterkamp to Echt ende dat stuck landts, so dem Burger van Fucht toebehoert, to Fucht gehoeren sall, vort die hegge up bis an die heide, jedoch sal die straete geheel Gulissch verblyven ende die voedtpatt ende stegh so oeuer den Hulterkamp gaet sal verblyven, ende van den van Vucht onverhindert gebruyckt werden; vort oever die Hulterstraet langs dat Hulterveldt ende der van Vucht erff biss an dat ort desselven veldts, van dem orth den wegh recht uyt bis op dat ort ende graven tusschen Tieler ende Rijndtwegerveldt, daer ein wegh van Tieler veldt affcompt, van daer den wegh up neest de velde biss an die platz dar die Streupeick gestain heeft, van dair dat velt langs biss up die platz dair die Panhuys eick gestain heeft, van daer dat veldt langs biss an Harenre dhaill, vort omme den selven Harenre dhaill wederumb aen Harenre veldt, vort langs Harenre veldt bis op dat ort desselven veldts, van daer recht den wegh op langs die eick so by dat bilden-stocksgenstraet, vort den wegh recht aff langs dat erve dat die Cluise up staet biss an Kupgens schorensteen, doch sal Kupgens huis ende erff so daer aen ligt op Gelrischen Gronde verblyven,

Ten sesten, als oick tuschen den van Echt ende den van Karcken der hoocheit, weidtganckt, drifften ende des Heeren van Milendonck tho Schlachs halven irthomb geweest, syn solcke gebrecken verdragen: Erstlich das die scheidung ende bepaeling der hoocheit tusschen den Ampteren Heinsbergh ende Montfort hin forder syn sal, van dem orde an Kupgens erve recht uit door die Brantlaeck bis op dat ort des Heeren van Montfort bempden tegens Karcke naert bosch an den Graeff also dat die selve bempden mit sambt de Dham ofte Wahl inde hoocheit van Montfort gehoeren sall; soviell oock den weidtganck aengaet sullen die van Karcken ende insgelycken die onderdane des Ampts Montfort oeren weidtganck ende vehedrifft behalden ende onverhindert gebruycken, woe solicks van Alders geschiet ende gehalden is worden, so waill in des einen als in des anderen Herren hoicheit; ende die van Kirckhoven sullen oick ire vehedrifft dirglycken oeren gebruyck des plaggenmehens ofte heidthouwens mogen behalden biss aen die Brandtlaeck woe van alders geschiet,

Ten sievenden in den gebrecken die sich tusschen den van Vlodrop ende Karcken erhalen hebben, is nae verhoer der saecken soviell die Hoocheit aengaet verdragen, dat die scheydinge der hoocheit syn sal van der plaetsen an dar die Noppeneick gestanden heeft bis in die beke, al die beke up bis and die Landtwehr ende so vort op Pottschorenstein, dweill aver des Herren van Tusschenbroick ende Joirgens van Hoengen hoeve so up der syden nae Vlodrop gelegen, derglicken der Pastoir tho Vlodrop op der Heinsberchscher sijden oock ennich Landt hebben, sullen die selve wanneer dat veldt ledigh is, mit oeren biesten over die voorseyde beke bis an die schudeick mit den van Karcken dryven moegen woe sy van alders gedain.

Ten achten, aengaende die twyst so tusschen den van Lirop als Gellerschen eins ende den van Melich ende Herkenbusch Gullisschen Onderdaenen des Ampts Wassenbergh anderdheills geweest is, betreffen ettlicke Kempe ende Gemeinte over die Ruir op der syden nae Melich ende Herkenbussch liggende, is nae besichtigung ende verhoer der sachen verabscheydt: dat die Ruijr an der voirss. gemeinden die Hoocheijt scheyden ende de stridige Kempe ende Gemeijnten inder Hoocheijt van Wassenbergh verblyven sullen, voorbehalden den underdaenen then beyden syden oeres gebruycks ende gerechticheyt, woe ein jeder solicks van alders gehadt heeft.

Ten niegenden als sig irthumb ende gebreeken erhalden hebben tusschen den van Besell, Belveldt ende Loe eins ende den van Bracht ende Kaldekirchen anderdeils angaende them dheill die Hoocheyt ende sunst dem gebruick des flincken ende heidhauwens, torffsteekens ende weydgancks in dem Merlenbroick, so syn die selve gebrecken mit bewilligung ende voorweten beider voirss. partyen, naevolgender maeten vergliecken: ende tem eersten soviell die Hoocheyt aengaet is verabscheydt ende up wallgefallen Keys. Majt. ende Hoichgedachtes Fursten van Gulick verdragen, dat die bepaeling ende scheydung der Hoocheyt gain sal uith der Maesen in die Aelbeecke ende uyt der Aelbeke die Vehe ende Rijfferstraet recht up den Mirgelweg bis an den Berg, van daer vort oever den Berg bis an den Hoenderkamp ende van daer langs den Mullenweg tot ter plaetzen boeven der Moellen naer Venloe toe, dair men ein Pael stellen sall, ende van daer vorts over die Heyde recht uith biss aen den Patt daer die Spitzeler Hondtschap den Vehe van dem Bergh affdrijft by dem Hoff to Molbeeck ende soo vort langs die Erffschaff desselven Hoffs in den wegh der tussen den Kamp des gedachten Hoffs ende de opgegraeven Bempden gaet, den wegh vort op doir idt Broick bis up den Steinweg den man noemt Konig Karls Weg under de hoogen stall, de selve Weg vort regt uit bis an die vijff eicken, van de vijff eicken onder langs den Berg daer dat Gericht up staet, dat Gericht Gelrisch, ende die ander syde Gulissch, van dair vort bis in die Swalm. Ende belangen den Gebruyck des Merlenbroicks is verdragen, dat die van Bracht ende Caldenkircken oere Beesten die sie in oere Hoeven ende Stellen vyt winteren in dat Merlenbroick neffens ende met den van Besel, Belveldt ende Loe, woe van alders gewoonlich dryven ende weyden mogen, ende van den uppersten orde van den stein ofte Konigh Karls wege onder den hoogen stall naer den Hoeve genoempt die Groote Hoeve linie recht uyt sal in der rechter midden van den broock oft heiden ein pael gesat werden, ende van daer recht door idt broick biss up dat underste nae der Maesen tho van den alden vuytgegeven Bempden, van daer langs die Erffschafft des Hoffs tho Moelbeeck biss aen dem bergh, in welcken voorseyden Bezirck sullen ende mogen die van Bracht ende Caldenkircken mit den van Besell, Belfeldt ende Loe t' samen flincken hauwen ende die van Caldenkircken sullen in demselven bezirck oock da selfs mit den van Besell, Belveldt ende Loe torff steken moegen, doch dat den van Bracht ende Caldenkircken onbenommen sy, tusschen stall ende den wege Moelbeeck, daer sig die Hoocheyt scheyden sall heyde te hauwen, aevers niet oever den voorseyden weg, den voirss. van Besell, Belveldt en Loe insglycken, voirbehalden tusschen voorss. weg, ende den Berg van Moelbeeck aff totten Hoogenstall to oeren gebruyck van heyden, weyden, torff ende flickensteckens naer alde gewoonte, dergelycken off die Beesten van Besell; Belveldt ende Loe op den Berg ofte over den stein oft Konig Karels weg tem bosschwart ongeverd ende ongedrieven liepen, en sullen om Vrede ende Guede naberschap to onderhalden niet gepandt offte geschutt, aver wel moegen te rugge gekeert werden en gedreve sonder die selve to quetsen ofte schedigen, ende so lang als men dat groene broick befrieden sall ende sullen oock die van Bracht ende Caldenkircken in 't selve voirsoviell dat sich binnen de voirss. Limiten strecken mag gein Torven oft flincken stecken oft hauwen mogen.

Ten thienden, aengaende die gebrecken tusschen den van Lobbrich an einer ende den van Breill anderdeils is verdragen dat die Nett oft beke soo van boessen heraff khomt, wie sie nu loopt van dem achtersten steege an Peter Baren pesschgen up wege moellen an to rekenen, bis an dat Kirspell van Leuth die bepaeling der Hoocheit syn ende blyven sa, also dar die twee Moelen ende was up der syden van der Netten nair Lobbroich ligt Gelrischen Grondt ende Hoocheijt ende die andere twee Moelen, ende wat up der syden nae Breill light Gulischen Grondt ende Hoocheyt syn sullen. Ende zoo veel dat Torffstecken belangt is verdragen: dat tusschen der voirseder beken ofte Netten ende den Dijck ofte Dham, so im Smaelenbroick under weg Mullen ligt ende soo voirt recht uit up dat alde Berghfrid in gen Roid, die van Breill ende Lobbrich tosamen sullen torven mogen, doch niet up der Erffschaft, to dem Goede in gen Roid gehoorig, ende under dem Goede in gen Roid sullen sie oock tosamen torven, van dem voirseyden Bergfridt recht uit bis up dat Moelen rath, van Smelser moelen nae der Netten toe, ende als in dem selven broick acht Morgen gelegen, die der Scholtis ende etlijcke andere van Breill voir erffschaft halden wilden, sullen der selvigen vier Morgen fry gehalden werden, also dat die van Lobbroich deer innen niet torven, aver in die ander vier Morgen sullen sy glyck den van Breill torven mogen, oock sullen die van Lobbroich in den beyden voorseyden broecken, dat sy torven sullen, gras mit der Sichten mehen mogen glijcks den van Breill, susz uit gescheyden die twee voirsz. plaetsen, sall ein jeder der voorsz. Kerspel mit den torff stecken up den oeren blyven; so veel aver den Weidtganck belangt, sullen die Beesten woe van alders ungeschut under einanderen gain ende die vier Moeleners sullen oere Demme mogen maken ende die erde am unschedlighsten nemen, woe sy van alders gedain ende en sall men niet mogen ter eyner ofte ter ander syden voirnemen, dat mit die voirsz. Moelen wege eenighsints bespert oft verhindert worden; ferner is up alle voirsz. twisten veraffscheyt, dat ein jeder van synen bempden ende erffschafft synen Chijns, pacht, Thienden, Khurmudden ende Renten betaelen ende syn Gutt tolehen halden sall daer sich dat behoirt ende van alders geschiet, oick susz ein jeder by syner alder Fryheit unde Gerechtigheyt verblyven; oft oick inniche verrichnissen, updrachten, keupe ende verkeupe ofte andere contrasten van ennigen erff ende Guederen an einen Gerichte geschiet waeren, ende in desen Verdrage befonden geweest dat solicke Erven ende Goeder onder ein ander Gericht gehoerden ofte nu dain geordineert worden, soo sullen alsulke Verrichnissen, Updrachte, koepe ende verkoepe ende andere Contracten, die voir den anderen Gericht geschiet waeren, darom niet van unweerde syn, sonder glycke wall vorbestendigh gehalden werden, in aller maeten als oft sie an dem Gericht geschiet waeren; da hin solicke Erven ende Gueder nu durch dissen Verdrach mit der Hoicheyt gewijst werde en sulle up de plaetse daer des van nooden syn wirdet paelstein gesat ende boem gepoett worden die Hoocheit to entscheyden, derglycken sullen die Scholtissen ende Schepen to allen vier jaeren in der Quatirtemper nae Exaltationis Crucis up Frydaegh, wanneer idt Schadt jaer is, tho beyden syden ende tho glyck die Bepaeling beleiden ende tho sien, dat die Paelstein ende boem nae dissen Verdrage onverandert gehalden worden.

Alsus geschiet ende gesloeten up behaegen Keyserl. Maj. ende Furstliche Gnaden to Venloe op Saterdagh den Negenthienden Septembris Anno vijffthien hondert en ein en vijfftig en van ons Commissaris Vurss. onderteickent. Alsoo underzeichent Nicolai Johan Ghogrieff, Christoffel Wernher von Hoessteden, J; Bart. Alexander van Drijnborn, Jo: van Stalbergh und G. Gropper.

Publications de la Société Historique et Archéologique dans de Limbourg, dl. XII (1875), pp. 416-440; met dank aan Jos Poels, 2003.

Zie ook 21-3-1527, 7-5-1539 en 12-4-1554.

 

15 september 1551

BEESEL EN BELFELD ‑ Extract (Ten negenden).

Naar aanleiding van een geschil tussen Biesell, Belvendt en Loe enerzijds en Bracht en Kaldenkircken anderzijds, betreffende het gezag ("die hoichheit") en het gebruik van heideplaggen ("flicken"), het houwen van heide, het steken van turf en de weidegang van het vee in het Merlennbroick, is met toestemming en voorkennis van beide partijen het volgende vergelijk getroffen:

-   Wat de "hoicheit" betreft, is met goedkeuring van de vorsten van Gelre en Gulik overeengekomen dat de grenzen ("die pepaelunge unnd scheidunge") van de rechtsgebieden is als volgt:

-   Vanaf de Maas in de Aldt Becke (Aelsbeek) en vanuit de Aelbeck via de Vehe- en Rifferstraidt recht naar de Mirgelwech tot aan de berg;

-   Van daaruit over de berg tot aan de Honderkamp;

-   Verder langs de Muelenwech tot de plaats boven de molen, naar Venloe toe, waar men een paal zal zetten.

-   Van hieruit recht door de heide tot aan het pad waar de Speitzeler hontschap haar vee de berg af drijft, bij de hof te Molbeick;

-   Voorts langs de erfschap van deze hof midden over de weg die tussen de kamp van voornoemde hof en de ontgonnen ("opgegravenn") bemden loopt;

-   Deze weg af door het broek tot op de Schienwech die men Koninck Karls wech noemt, beneden de Hohenn Stall;

-   Via deze weg (= Prinsendijk) rechtdoor tot aan de Vieff Eicken (grenspaal 426), onder langs de berg waar de gerechtsplaats staat, het gerecht Gelders (namelijk van Swalmen) en de andere zijde Guliks;

-   Van hieruit naar de Swalme.

-   Wat het gebruik van het Meirlenbroich betreft, is overeengekomen dat die van Bracht en Kaldenkirckenn hun beesten, die zij in hun hoeven en stallen laten overwinteren, samen met die van Biesell, Belveldt en Loe als vanouds zullen mogen drijven en weiden binnen onderstaand gebied:

-   Van de bovenste hoek van de Stein- en Koenig Caerlswegh onder aan de Hohen Stall naar de hoeve genaamd de Groete Hove zal de gebruiksgrens in een rechte lijn lopen. Op het midden van deze lijn zal in het broek of op de heide een paal worden gezet;

-   Van daaruit recht door het broek tot aan het onderste eind (van de Prinsendijk?) en verder naar de Maas toe, van de oude "uitgegeven" bemden (?);

-   Van hieruit langs de erfschap van de hof te Moilbeck tot aan de berg.

Binnen dit voornoemde gebied zullen die van Bracht en Kaldenkircken samen met die van Biesell, Belveldt en Loe "flicken" mogen houwen, en die van Kaldenkircken zullen binnen dit gebied tevens turf mogen steken.

Daarnaast is het de inwoners van Bracht en Kaldenkircken toegestaan ("onbenomen") om tussen de Hohen Stall en de weg naar Molbeck, waar de grens tussen beide overheden zal liggen, heide te houwen, echter niet over de voornoemde weg, waar de inwoners van Biesell, Belveldt en Loe dit recht hebben.

Tevens zullen zij, uitgezonderd ("vurbehalden") tussen de voornoemde weg en berg van Molbeick af tot aan de Hohen Stall, naar oude gewoonte gebruik mogen maken van heide en weide en turf en flicken mogen steken.

Wanneer de beesten van Biesell, Belvelt en Loe op de Berch of over de Schienn- of Konighs Karlswegh richting Buisch afdwalen ("ohngevierlich ennd ongedrieven liepen"), dan zullen deze terwille van de vrede en goed nabuurschap niet gepand of "geschuit" worden, maar teruggedreven (mogen) worden zonder deze te verwonden of beschadigen.

Zo lang men het groene broek "bevrieden" sal, zullen die van Bracht en Kaldenkircken geen turf of flicken mogen steken of houwen voor zover dit zich binnen de voornoemde limieten uitstrekt.

GA Roermond, Handschriftenverzameling inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. 38-39.

 

woensdag 7 oktober 1551

VENLO ‑ Jan Leijendecker en zijn vrouw Trijn, en Jan Hermans en echtgenote Anna verkopen een huis en erf gelegen aan de Kerkstraat te Venlo aan Lambert Smietz "den moeller' en diens vrouw Anna.

GA Venlo, Supplement op de inventaris van het Oud en Frans Archief van Venlo, inv.nr. 269a.

Zie 12-5-1562 en 19-10-1562.

 

donderdag 10 december 1551

"donredach nae Senct Sebastianus dach aengevangen"

LOTTUM - Proces Merten van Oeijen, als man en momber van zijn oom en tante van Darth (?), erfgenamen van Johan van Darth, tegen Johan Moyzers, inzake land te Lottum.

Met o.a. vermelding van Johan van Saert, rentmeester van de heren van Bruckhuijssen, en diverse leden van de familie Van Darth.

GA Roermond, Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 484, procesnr. 3109.

Maarten van Oeijen was leenman van de Wielerhof te Swalmen-Asselt. Mogelijk wordt met St.-Sebastianusdag 20 januari bedoeld; in dat geval donderdag 22 januari (St.-Vincentius).

 

22 december 1551

Missive van het Hof aan de drost van Montfort. Op verzoek van Jacob Hynssen te Venlo wordt hem gelast de schepenen van Beesel te gelasten het bewuste proces te hoofde te brengen.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1560.

 

1551, z.d.

BEESEL ‑ "To Biessel grevenrecht van jeder huiss dair vuyr und liecht uytgait, een vait even und een hoen

Wolters goit van der Cuylen

Thijss Arntz huiss

Francken huiss aen den bosch

Leonart Herten (Berten?) huiss ende hoff

Thijss der kuwherdt

Peters huiss van Rijckel

Joist van der Stiegen

Gerat Louffens/Loeffens huiss

Derick Ummelens huiss

Geritz huiss ain den bosch

Geridt Gobbels erff

Jennis Sluisen huiss

Vaes Booims/Boums huiss

Hein Gaetgens/Gaitgens huiss

Rutten Schroirs huiss

Wilm den wever

Gerit Rontten/Ronten huiss

Gielis van Ronckensteyn [volgens Schloss Haag, inv.nr. 240: Jelis van den Ronckenstein oder Krompfoitz]

Wilm Huiben huiss

Jan Decker

Rijcken goidt

Henrich Slabbert van her Sibrechtz/Sibertz huiss

Thijss van Asenraid

Jan der baede

Jenisken Cuper

Tilman Diesser/Dirser"

"Thins van nye erven toe Biessel

Clais Gijsen van nijen erff gelegen

Geerdt van der Hoeven gelegen

Tilman van der Heiden

Theuwis Timmerman neve synen huiss ind hoff

Maes Ruyssen opt Niervelt neve Sint Cornelis heren landt van Ruremund

Henrick Tobben neven sijnen hoff en hoff int Raetgen

idem daer hy op woent

Tilman Gayen neven Claiss Ghijssen nye erff

Geridt Rouver neven Arntz van Dursdaill guedt to Rijckell

Jenken Claiss in der hoeven neve Cruchtens guedt

Jan Trynen neven Geirtgen Wolffs guedt aen den bosch

Geridt Gobbels neven Hasen kynder goedt

Jacob van den Gaffelen

Henrick Slabbartz bij Rouffers

Coinrardt ain den Broeck van nyen erff

Symons kynder ain gen dijck opt hoirstghen

Slabbartz dochter

her Gerit"

"Tzins tot Biessell

Rijck van Leeuwen nu Jan Cruchten van synen hoff aldair

Bormans grindt gelegen tegen Kessel oever in der Mazen

Jen ain gen Beick van Plainen baendt nu Henrick Slabbart

Rijck in gen Haen

Bux goedt neven Mertz ind Gijsken op die Laers goedt, 4 buenre"

RHCL Maastricht, Nassause Domeinen, inv.nr. 97u, fol. 113-127.

vergelijk restant pondschatting, 1468.

 

 

1552

10 februari 1552

BEESEL - Gegevens inzake hoeve de Schei.

Den xden february lvii coram Verwer et Buegel gekomen Jan Flegels, baed to Byesel ind hefft bij sijnen eyde getucht, dat Johan van Greffradt alsulche gemeynt hij anno lii [1552] gecocht hefft van scepenen ind gemeyn kerspelsluyd Byesel's, betalt hefft ind dat rest ime van wegen des kerspels oevergelievert ind also gentzlich ... [het vervolg ontbreekt].

GA Venlo, SA Venlo, inv.nr.2703; registertje met concepten van akten en brieven 1556-1557. Met dank aan Jan Hanssen.

 

maandag 21 maart 1552

LOBBERICH - Wilhem van Boicholt Willemszoon, als erfgenaam van zijn grootvader Gerit (van Boicholt), wordt beleend met de hof to Broick, gelegen in het kerspel van Lobbroeck.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 49.

Zie 28-5-1545 en 4-9-1555.

 

dinsdag 26 april 1552

LEUTH - Peter Duycker, als erfgenaam van zijn nicht Margriet (van Nijvenhem), wordt beleend met de hof ten Busch, groot omtrent 80 morgen land, en met het goed gelegen bij de Aldenkrieckenbeeck met alle rechten en toebehoren in het kerspel van Leut gelegen. Zijn zoon Adolph (Duycker) is hulder.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 59.

Zie 1504, z.d., 7-7-1544 en 21-4-1556.

 

woensdag 18 mei 1552

MAASBREE - Proces tussen Henrick van Barick, klager, tegen Gielken Jacops als momber van Gherit van Holtmoelen, aangeklaagde.

Henrich van Barick heeft beslag laten leggen ("kommer geslagen") op het 1/3 deel van de nalatenschap van jonkvrouwe Anna van Barick, echtgenote van wijlen Willem van Kessel, welk eenderde deel door Gielken Jacops als momber van Gherit van Holtmoelen was ontvangen.

GA Roermond, Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 484, procesnr. 3111.

Zie 3-6-1552.

 

27 mei 1552

ROERMOND - Stadhouder, kanselier en raden te Arnhem schrijven schout en magistraat van Roermond dat de stad iedere dag zelf 80 mannen op het werk van de vestingbouw moet houden. De schout en de burgemeester moeten iedere dag op het werk komen en aansporen. Op dezelfde datum wordt de drost van Kessel geschreven dat volgens afspraak met mr. Marcelis (Keldermans), bouwmeester, naast de 80 man ut supra het land van Kessel 60 man moet stellen en ambt Montfort, inclusief Swalmen en Elmpt, 40 man.

De drost van Stralen zou 20 mannen inbrengen maar men wil die liever in actie te Wachtendonk. Zij zeggen dat de drie nieuwe bruggen te Roermond niet meer dan 200 gld zullen kosten die de stad Roermond betaalt.

Het benodigde hout kan van de kloosters(goederen) worden gehaald. Die van Kriekenbeek zullen worden ingezet te Wachtendonk.

Res Gestae III nr. 2328; Hof van Gelre 1048, brieven 1645-1646.

 

27 mei 1552

Missive van de stadhouder aan de vrouw van Hellenraedt (Swalmen) en de heer van Elmpt over het zenden van werklieden uit hun ambten ten behoeve van de vestingbouw te Roermond.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1644.

 

31 mei 1552

VENLO / ASSELT - Missive van die van Venlo aan het Hof, houdende verzoek om de tollenaar te Roermond te gelasten het tolgeld voor de voor burgers van Venlo bestemde lading ijzer alsnog te ontvangen. De schipper nl., niet wetend dat hij te Roermond moest vertollen, is die stad voorbijgevaren, maar is, nadat hij te Asselt heeft vernomen dat dit het geval is, naar Roermond teruggekeerd om zijn verzuim goed te maken, waarop de tollenaar het geld niet heeft willen aannemen en schip en lading heeft "bekommerd".

Gelders Archief, toegangsnummer 0124, Hof van Gelre en Zutphen, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 660, No. 1651.

 

vrijdag 3 juni (1552)

MAASBREE - Geding te Breede: Henrich van Barick eist van Gherit van Holtmoelen 3.000 gulden min 1 penning wegens de nalatenschap van zijn tante ("moeijen") Anna van Barick, weduwe van Willem van Kessel. Zijn vader Sweer van Barick, Ermgart van der Impell en Anna van Kessell zouden broer en zussen zijn geweest ("van eenen vaider ende moider gesproeten").

-   Evert van Ravensborch bevestigt desgevraagd dat hij heeft horen zeggen dat Sweer van Barick [de vader van Henrich] en Ermgart van der Impell broer en zus waren, maar dat hij hen niet persoonlijk gekend heeft.

-   Vincentius Praest getuigt dat hij weet dat Sweer van Barick een broer was van wijlen de jonkvrouwe van Kessel, en dat hij heeft horen zeggen dat Barick dingplichtig is geweest tegen Willem van Drimpell (sic).

-   Gherit van Holtmoelen zegt dat hij niet anders weet, of Barick's vader (i.e. Sweer van Barick) en jonkvrouwe Anna van Kessel zouden broer en zus zijn geweest; ook zijn echtgenote bevestigt dit.

-   Gielken [Jacops, momber van Gherit van Holtmoelen] verklaart dat Barick heeft gedingt nà het overlijden van Willem van Drimpell.

-   Willem van Kessel getuigt dat beiden broer en zus waren en dat jonkvrouwe Anna en zijn (?) broer de windmolen en de hof in gebruik hebben gehad gedurende hun leven.

-   Barick's vader is overleden vóór het overlijden ("den vall") van Willem van Kessel, die vruchtgebruiker was van de omstreden goederen. Volgens een tractaat van hertog Willem van Gulich zullen de kinderen in de plaats van hun ouders treden. Tevens overlegt Barick een (niet overleverd) magescheid aangaande de goederen te Bree.

-   Gherit van Holtmoelen wraakt de bewijsstukken omdat ze zouden dateren van na de omstreden deling.

-   Henrick van Barick zet dat hij zich niet wenst te houden aan een compromis opgemaakt door de heer van Moers betreffende de goederen te Bree, omdat deze daarvan zouden zijn uitgezonderd.

-   Willem van Kessel verklaart dat hij niet weet wanneer de oude Willem van Kessel is overleden.

-   Gerit van Holtmoelen oorkondt dat Henrick van Barick heeft bekend dat zijn vader aanstaande Sint Jacobus circa 15 jaar dood is [d.w.z. 25 juli 1551-15 = 1526]. Omdat Sweer van Barick daarmee als eerste is overleden, is diens zoon Henrick als klager uitgesloten van de erfdeling van de nalatenschap van Anna van Kessel (geboren Van Barick).

-   Barick zegt dat de goederen pas vervallen na overlijden van de vruchtgebruiker en dat de vruchtgebruiker nog leefde ten tijde van het gewraakte tractaat.

-   Gielken, als momber van Gherit van Holtmoelen, oorkondt dat Barick niet heeft bewezen dat de oude Willem van Kessell en zijn echtgenote Anna nog leefden toen hertog Willem het tractaat heeft uitgevaardigd.

Wijssenis van het Hoofdgerecht: als Heynrich van Barick kan bewijzen dat Wilhelm van Kessel nog leefde toen het tractaat is uitgegeven, dan zal Geryth van Holtmoelen alsnog scheiding en deling met hem houden.

GA Roermond, Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 484. procesnr. 3111.

Zie 18-5-1552.

 

maandag 11 juli 1552

SWALMEN E.O. ‑ Arnt van Wachtendonck, drost te Cronenborch en Duyssel, en zijn broer Ott van Wachtendonck dragen de boerderij de Nyerhoeff gelegen bij Neuss op de Erft ("by Nuyss op der Arffen"), het ¼ deel van de Nyenhoeff en de daarbij horende oliemolen te Swalmen, en het ¼ deel van de tienden te Luttelforst in het ambt Brüggen, hen aangevallen na het overlijden van Felicitas van Oyst en haar man Evert van Brembt, drost te Straelen, over aan Anna van Flodorp, weduwe van wijlen Christoffel Schenck, heer van Hyllenraede, en haar kinderen, die eveneens een gedeelte van deze goederen in bezit hebben.

Jonkvrouwe Anna en haar kinderen zullen de goederen zes jaar lang niet delen en de pachten en inkomsten daarvan genieten. Gedurende deze zes jaar zullen de kopers jaarlijks 34 goudguldens geven, plus op St.-Andries aanstaande een eenmalig bedrag van 68 goudguldens die Anna en haar kinderen gedurende de afgelopen jaren uit het ongedeelde goed hebben genoten, zodat de eerste aflossing 102 goudguldens zal bedragen.

De Nyerhoff zal onderpand zijn en Anna van Flodorp en haar kinderen zullen eerst na volledige betaling eigenaren worden van deze erfgoederen.

De gebroeders van Wachtendonck behouden hun rechten op de 600 goudguldens die wijlen Arnt Schenck van Nydeggen had opgenomen van Evert van Brembt en Felicitas van Oyst.

Schloß Haag: inv. nr. 3573. Ondertekend door Anna van Flodrup, Arnt van Wachtendonck, burgemeester Johan Zeghers en Johan Schenck.

Voor tienden Luttelforst vgl. 13-12-1469.

 

dinsdag 23 juli 1552

ELMPT ‑ Gadert Warrenborch krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed voor het leengoed bestaande uit de laatbank te Elmt gelegen met toebehoren.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 109.

 

8 augustus 1552

Missive van het Hof aan het gericht van Beesel, dat de zaak van Barbara ingen Haen voorlopig moet blijven rusten.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1704.

 

22 september 1552

Missive van de drost van Montfort aan het Hof in antwoord op een niet aanwezige brief. Die van Elmpt mijden zijn ambt, sinds zij weten dat het bevel gegeven is om hen wegens wanbetaling der schatting aan te houden. Hij geeft in overweging het bevel te geven aan de vrouw van Hellenraedt of de magistraat van Roermond, omdat zij daar dagelijks heen en weer reizen.
Het houwen van hout in het Echterbosch gaat nog steeds voort. Hij geeft in overweging die van Echt vóór het Hof te doen komen.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1719.

 

3 november 1552

Missive van het Hof aan het gericht van Beesel, dat zij zich bij het overzenden van het proces zo moeten gedragen, dat Barbara in den (of ingen) Haen geen reden tot klagen heeft.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1740.

 

1552, z.d.

BEESEL EN BELFELD ‑ De inwoners van Biesel, Belveldt en Loe hebben de (Gelderse en Gulikse) commissarissen toestemming gevraagd om hun runder- en horenvee tijdens de wintermaanden in verband met de hoge waterstand die in het Merlenbroick heerst, over de Koningh Carlswegh (Prinsendijk) in het Brachterbuisch te drijven. Die van Bracht, Caldennckircken en Borren hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Nu is overeengekomen dat die van Biesel van november tot half maart alleen het hoornvee over voornoemde Coninck Carlswegh in een hoek ("ort") van de Brachterbuisch zullen mogen drijven, namelijk:

-   te beginnen aan de Groissen Eicksberch onder de hof te Amersloen het dichtst bij Koeningh Carlswegh;

-   vanaf deze Groissen Eicksbergh boven langs de Bluxstock, beneden Putraede, tot aan de Twen (2) Siepen, zodanig dat de Bensselinck (waar zij geen vee mogen weiden) aan de linkerhand blijft liggen;

-   van de Twen Siepen langs de Buisch tot aan de Vief Eicken (grenspaal 426).

Wat de schapen en ander vee betreft, zullen zij dit buiten de voornoemde wintermaanden niet over Koeninck Karlswegh, zover de heide reikt, en nergens in het houtgewas noch onder struiken noch in de Bensselinck mogen drijven of weiden. Hier zullen de Brachter schapen, voor zover deze tot aan deze heide komen, de voorkeur genieten. Mocht het gebeuren dat vee afdwaalt, dan zal hierin gehandeld worden zoals in de overeenkomst (van 1551) is vastgelegd. In ruil hiervoor genieten de inwoners van Bracht het recht om in Biesell naar de kerk te gaan voor "boess unnd penitentz". "Derglichen zu Bracht zu thoin, vermoege des abscheidtz, soe derwegen in vergangen ein unnd vunftzighsten iaer genommen, naichgelaissen".

Tenslotte is overeengekomen dat door deze grensbepalingen die door Gelderse en Gulikse overheid zijn goedgekeurd, niemand zal worden benadeeld in zijn cijnsen, gelden, renten, tienden, erfrechten en oude verworvenheden en gebruiken.

GA Roermond, Handschriftenverzameling inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. 42-43. Extract door P. van Sint Pieters uit het oorspronkelijke proces verbaal.

 

1552, z.d.

VENLO - Johan van Greefraedt en Judith Haenen verhuren een huis te Venlo voor een periode van 12 jaar, ten halve op te zeggen, aan Gerart van Schelbergh.

GA Venlo, Schepenbank Venlo, inv.nr. B 2694; slechts summiere notitie met inhoud als boven.

 

z.d., 1552?

HINSBECK / WANCKUM ‑ Johan van Stalbergen huwde 1538 Henrica Spee (overleden vóór 1560). Zijn kinderen kregen samen met de moeder de hof te Hynsbeck toegedeeld, terwijl hun oom Reijnier Hyllen, burgemeester te Roermond, en diens kinderen Dyryck en Johanna Hyllen uit het huwelijk met Maria Spee, de hof te Brey met de tiende en het 1/3 deel Gen Ray in het land te Wanckum dat tot deze hof behoorde, kregen toegewezen.

Gelre 1938, blz. 231 e.v.; Protocolregisters Venlo 1552-1553.

Vgl. Genealogie Stalbergen in Navorscher 1957-1958: dr. Johan van Stalbergen verkocht kort na pasen 1550 zijn te Well gelegen goederen aan zijn zwager Antonius Hoeufft, gehuwd met Maria(?) van Stalbergen.

Voor Hoeufft (wapen: een naar rechts gewend hoofd) zie ook: Familiebladen 1891; Nederlandse Leeuw 1903, 1905, 1937; Navorscher 1905, 1906; Maasgouw 1906 blz. 20-23; Nedermaas nr. 13.

 

 

1553

dinsdag 10 januari 1553

VENLO ‑ Gehuwd: Otto van Galen zu gen Triest, zoon van Otto van Galen tot Ermelinghof en Eva van Asselt tot Asselt, en Anna van Dursdal, enige dochter van Hendrick van Dursdal en Margriet Mens (gehuwd 1520).

Publ. etc. 1960-1961, blz. 124.

 

12 februari 1553

sondach vastenavent

ROERMOND - Dirich Scherers verklaart dat voor jonker Johan van Boecholt borg zijn geworden Hube Scherers en Herman van Elmpt voor 12 jaar tijdpacht van de halve hoeve te Swalmen voor 90 Karolusgulden en verdere condities volgens pachtcedule.

GA Roermond, Hoofdgerecht Roermond, inv.nr.  311 fol 43 vs; Res Gestae III reg. nr. 2420.

Betreft Wielerhof.

 

15 maart 1553

ARNHEM / ROERMOND - Inzake bier.

Stadhouder, kanselier en raden in Gelderland oorkonden dat gevolmachtigden van de steden en dorpen van het ambt Montfort en gevolmachtigden van de stad Roermond een minnelijke schikking tot stand hebben gebracht in hun geschil over het brouwen en verkopen van bier in dat ambt, waarbij wordt bepaald dat die van het ambt van elke ton of aam bier, in de kuip gebrouwen, daaruit verkocht of getapt, aan die van Roermond 7 oort brabants zullen betalen. Bij weigering van betaling kan de drost van Montfort op verzoek van de stad Roermond betaling afdwingen. De stad Roermond blijft voor het overige in het bezit van de priviliegiën haar dienaangaande geschonken.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 433; grosse op perkament, zegel verloren (regest 1205).

Afschrift in Jura et Privilegia I, inv.nr. 345, blz. 174-175; 16e eeuw afschr. in idem inv.nr. 93 in een remonstrantie van de stad aan de prins van Parma ca. 26-8-1679; 18e eeuw afschr. in inv.nr. 1894 fol. 17-18.

 

15 maart 1553

Missive van het Hof aan de weduwe Christoffel Schenck, vrouw van Hillenraede, over de betaling van achterstallige Kleefse penningen.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1810.

 

woensdag 5 april 1553

SWALMEN-MIDDELHOVEN ‑ Akte van arbitrage met de weduwe van Christoffel Schenck van Nydeggen betreffende de betaling van cijnzen en keurmeden van de hof te Middelhoven.

RHCL Maastricht, Maria Weide Venlo, inv.nr. 164; voorheen magazijnlijst nr. 220; chirograaf.

Zie 10-5-1452 en 4-1-1453.

 

4 mei 1553

Missive van het Hof aan de tollenaar te Roermond, dat hij de handelaars in hout van boven niet boven het oude gebruik moet bezwaren.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1844.

 

19 mei 1553

SWALMEN - Overeenkomst tussen de pastoor van Swalmen en de prior van de Karthuizers te Roermond over de heffing van tienden in Swalmen.

'Van Abdissenstraat tot Zandkuil', onder 'Mortelplein', 'Schoolbroek' en 'Wieler'.

 

maandag 29 mei 1553

LEUTH - Johan van Baerle, als erfgenaam van zijn vader Henrick van Baerle, wordt beleend met de hof te Baerle in het kerspel van Leute gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 61.

Zie 8-7-1544 en 13-6-1556.

 

14 juni 1553

Missive van het Hof aan de drost van Montfort, dat hij de schepenen van Besel moet gelasten aan Steven Spee als voogd van de kinderen van zijn zuster goed recht te laten wedervaren.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1882.

 

donderdag 15 juni 1553

SWALMEN EN ASSELT ‑ Beneficielijst van Asselt en Swalmen.

G. van Bree: Res Gestae II, nr. 3645.

 

donderdag 15 juni 1553

GELDERN - Steven van Huchtenbroeck belast het leengoed genaamd die Stove voor een bedrag van 400 goudgulden ten behoeve van Elbert van Bodbergen, af te lossen in 12 jaar.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 3.

Zie 1550, z.d. en 26-6-1560.

 

zaterdag 17 juni 1553

BEESEL ‑ Jacob Merttens verkoopt ¼ morgen land te Beesel naast het erf van Thijs Boermans aan Johan Stakenborch en Anna, echtelieden.

RHCL Maastricht, Archieven afkomstig van het kasteel Baarlo, inv. nr. 383; charter.

 

17 oktober 1553

Missive van het Hof aan Frederick Schellart van Obbendorp, dat hij Jan van Cruchten namens diens vrouw Ryck van Leuwen en Marten van Leuwen tevreden moet stellen enz.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1940.

 

vrijdag 23 juni 1553

SWALMEN EN ASSELT ‑ De schout van Asselt en Swalmen krijgt van Willem van Vranckenborch, kanunnik te Luik en curator van de kerk te Asselt en Swalmen, volmacht om de opbrengsten en inkomsten van de kerk te innen.

Schloß Haag: inv.nr. 241; orgineel op perkament, zonder zegel.

 

15 november 1553

Brief van het Hof aan de hertog van Cleve over een grensgeschil tussen Besel en Bruggen (schutten van vee). Zie No. 1836 d.d. 16 november voor antwoord van de hertog.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan uitheemsen, inv.nr. 1067 no. 1833.

 

15 december 1553

Missive van het Hof aan de drost van Kessel, dat hij die van Beesel moet gelasten zich te houden aan het met de hertog van Cleve gesloten verdrag (geschil tussen Beesel en Bruggen).

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1977.

 

dinsdag 19 december 1553

LINNE - Willem Heylwigen wordt na overdracht door Heyn van den Lelair beleend met de gehele hof en het leengoed genaamd Op gen Liellair met alle rechten en toebehoren.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 77.

Zie 10-7-1544 en 15-6-1556.

 

1553, z.d.?

BEESEL - Proces van die van Beesel tegen die van Bruggen betreffende afgepande beesten.

RA Gelderland te Arnhem, Archief van het hertogdom Gelre en graafschap Zutphen, inv.nr. 4929; met dank aan Marcel Dings, Tegelen.

 

 

1554

zaterdag 24 februari 1554

"up sunt Matthijs dagh apostoli"

VENLO / REUVER - Johan de Verwer en Peter van Vogelsanck, schepenen te Venlo, oorkonden als schepenen en mannen van leen dat Henrick Vincken, als oudste zoon van wijlen Arnt Vincken en als "uphelder" van het gehele leengoed voor hemzelf en zijn broer, en mede ten behoeve van zijn neef Johan van Greeffraedt, en Johan, Sander en Gerardt Vinck, broers, met toestemming van hun moeder Aeleth van Greeffraedt, enerzijds, en Johan van Greefraedt en Johanna (van Roosteren), echtelieden, anderzijds, zijn overeengekomen dat zij de hof genaamd Tgenen Scheide in het kerspel van Biesel gelegen met toebehoren, hebben gedeeld "wie dan nu derselver hoff in twee verscheiden gehuchten, betymmerunghen ind van twee verscheiden halffluidt bewoent, gebowt ind beackert wurdt". Het leengoed mag van de leenheer niet worden gedeeld; mochten zij het in de toekomst oneens worden over de vraag wie moet worden beleend, dan zullen zij nog één keer samen het heergewaad betalen en vervolgens elk voor zichzelf telkens belening vragen zo vaak als nodig is.

Henrick, Jan, Sander en Gerardt, broers, zullen voortaan hebben "den alden hoff mitter hoffstaet ind beesten" zoals deze is afgescheiden en gedeeld van de "nijen hoff" en zoals de pachter deze nu in gebruik heeft. Ze zullen de "mysten" rondom "frijbar" houden en bepoten, zoals deze nu is "affgefrijt. De broers zullen samen 75 rijders schuldig zijn wegens de obligatie aan "Aelerden" volgens overeenkomst, "so ur gedeils beter was dan Johan van Greefraedtz deil".

Johan van Greefraedt en Johanna, echtelieden, zullen de resterende 25 rijders betalen. Hiervoor zullen Johan en Johanna behouden en gebruiken "den neuwen hoff mitter hoffstaet ind beesten wie der van den alden hoff affgescheiden ind gedeilt is ind wie der halffman den nu in gebruick hefft, dan sall mit sijner bepaetungh thien voet wijden van des alden hoff getymmer blijven, umb tho weigen mit gaen ind staen in't daecken ind reparieren des alden hoffs getymmer ind gehuchten".

Alle "groes" van beide boerderijen zal ongedeeld en onbemeten blijven en door beide partijen gelijk gebruikt worden. De groese naast de koebemd die onbemeten is gebleven zal met eiken worden bepoot om te worden gebruikt als schaapsdries voor beide partijen, uitgezonderd de groese tussen beide kampen richting Besel naast de Groenenwegh, welke alleen door de oude hof zal mogen worden gebruikt. Toekomstige lasten opgelegd door de landheer of ‑vrouw zullen door beide partijen gelijk worden gedragen.

Van de bemd op de Maes die in het midden is afgemaakt, zullen Henrick en zijn broers de helft richting veld in het midden vrijmaken en bepoten, en Jan en Johanna zullen de andere helft van deze bemd richting Maas in het midden vrijhouden en bepoten. Bij laag water ("wanner die Maes klein iss") zullen de pachters van beide partijen hun vee ieder telkens een dag langs de Maas mogen hoeden.

De akte wordt bezegeld door Johan van Greefraedt en Henrick Vinck; de overige gebroeders Vinck zegelen met het zegel van hun vader.

GA Venlo, Schepenbank Venlo, inv.nr. B2694; proces Judith de Haen versus Johan van Greefraedt c.s. ca. 1585; eenvoudig afschrift op papier.

Zie L. Giesen, De Oude Schei. In: Maas- en Swalmdal 6 (1986), blz. 59-87. De daar genoemde datum - 21 september 1554, naar Verzijl - is kennelijk achteraf onjuist.

 

woensdag 28 februari 1554

KESSEL - Procesdag voor Steven Spee, als aangeboren momber van de minderjarige kinderen van wijlen Coenrait van der Horst en Marie Spee (zus van Steven voornoemd), tegen Cornelis van Merwick.

Volgens Steven Spee is er eertijds een magescheid opgericht tussen hem en en zijn zus Marie Spee als vruchtgebruikster van de nalatenschap van wijlen haar eerste echtgenoot Coenrait. Hierbij kreeg Marie een jaarlijkse lijfrente 25 Joachimsdaalder toegewezen. Marie is later (na deze overeenkomst) hertrouwd met Cornelis van Merwick; uit dit huwelijk werd een kind geboren dat echter jong is overleden. Van Merwick is geen bloedverwant maar een "wild vrembder" en kan volgens Spee geen rechten laten gelden op deze lijfrente. Deze moet volgens hem toevallen aan de voorkinderen uit Marie's eerste huwelijk met Coenraidt van der Horst; zo niet, dan eist Spee een boete van 1.000 goudgulden min 1 penning. De lijfrente met een hoofdsom van 500 daalder is gevestigd op "der Puttingen, dair Marie Spee syn suster een kynt aff is gewest".

Cornelis van Merwick stelt dat eertijds, na het overlijden van Marie Spee en het nakind, in bijzijn van drost Johan van Wijtenhorst een overeenkomst is gesloten tussen hem en Steven Spee, waarbij is bepaald dat Cornelis deze lijfrente zou genieten totdat de voorkinderen uit Marie's huwelijk met Coenraidt van der Horst meerderjarig zouden zijn. Dit is nog niet het geval, zodat Spee hem tegen deze afspraak in heeft aangeklaagd. Volgens Van Merwick heeft Spee de overeenkomst, met een boeteclausule van 100 kronen, nog onlangs na de procesdag na Driekoningen laatstleden bevestigd. Ook heeft Spee nog geen (vervangende?) onderpanden gesteld voor de hoofdsom van 500 daalder; hij heeft beloofd dit te doen op onderpanden gelegen in het land van Kessel.

GA Roermond, Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 484, procesnr. 3118. Wijsenis Hoofdgerecht Roermond: vordering Spee ongegrond verklaard.

Vgl. 14-1-1555.

 

28 februari 1554

Missive van die van Roermond en Venlo aan het Hof ter aanbeveling van een verzoek van die van Beesel om een afschrift van het verdrag met de hertog van Cleve en om teruggave van het hun in strijd daarmede afgevorderd schutgeld (zie No. 1977).

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 1995.

 

donderdag 22 maart 1554

BAARLO ‑ De weduwe van Alert van Goor te Caldenbroeck krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van de hof te Soeterbeck onder Baerle in het land van Kessel gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 143.

Zie 11-6-1544 en 13-7-1555.

 

12 april 1554

DÜSSELDORF (D) - Verdrag van Düsseldorf (inzake grensgeschil tussen Gelre en Gulik)

So sich mennichfuldige irthum, twijspaldung, geweltiche Misbruychung ind Oevertreddung lange tyden van jaeren herwaerts erhalden ind begeven hebben, tusschen den sementlichen Kerspels Luyden ind Underdaenen der Gerichts und Dickbanck van Echt eins, ind den gemeynen Underthanen ind Kerspels Luyden van Vucht, Havert ind Saeffelen, anderdeils, daromb mennichfuldige Dachfarten ind Bykhomsten to verscheyden tyden ind platsen beraempt ind gehalden syn geweest, doch allenthalven wo bevoorens in twyst und twyspalt verblyven, alsoo datt folgentz Anno Sieven ind twintigh den XXI. Martij tho Stockhem eine nye Bykhompst tusschen gemelten Partyen tho beyden deyllen verraempt ind aldaer in Tegenwoordigheyt der Wollgebooren jonckeren Roprecht van der Marck Herren van Arenburch etc. ind Meister Franz van der Hulst Raidt Ordinarius in Brabandt mit toedoin Daniell van Ghoir Stadthalter Her van der Wyer, Herman van Ghoir Stathalter des Hertouchdombs van Lymbourg ind Her van Vyliaer, ind Johan van Groesbech Her to Groesbeck Drost tot Stockum, van wegen Keyserl. Majt. in der tydt in Naem ind tho behoeft des Huys, Heerlicheyt ind Ampts Montfort an eine, ind der verordente des Dourchluchtigen, Hoichgeboren Fursten Hertougen tho Cleve, Gulich etc. Unsers gnedigen Her nementlich Joncker Wilhelm Her tho Rennenbergh ind Suelen etc. Johan van Palant Her tho Bergh ind Wildenborgh Landtdrost, Wilhelm van Harve Her tho Alstorp, ind Meister Peter Klappis Doctor in naem ind van wegen der Underdaenen der Kerspelen Vucht, Haverden und Saeffelen anderdeils, ind is aldair ter selver tyt ein gultig Recesz upgerigt, beruerende den Echter waldt ind den gebruich desselven ten beyden dheyllen, wilche van worde tot worde tot worde luydt als volgents:

Nae dien die Commissarij und Gedeputeerde va der Keys. Maj. by name Joncker Roprecht Graff van der Marck ind Arenburg, Burchgraff van Breussel, Her va Reeckom, Boicholt etc. ind Meister Frantz va der Hulst Raids Ordinaris in Brabant, ind mit hun geweest Daniel va Ghoir Here va Wyer, Herman va Ghoir, Stadtholder des Hertouchdombs van Limbourgh, und Her van Vyliaer ind Johan van Groesbeeck, Drost tot Stockom ind Her tot Huemen etc. ter einder, ind die Gedeputeerde Commissarien van dem Hoichgeboeren Furst des Hertougen van Cleve ind Gulich etc. by namen Juncker Wilhelm Her van Renneberg ind van Suylen etc. Jonckher Johan van Palant Landtdrost van Gulich Her van Berge und Wildenburg etc. Wilhelm Harve Her van Alstorp ind Meister Peter van Clapis Doctor ther ander syden, diverse Communicatie gehouden hadden, so op Echter waldt als tot Stockum, aengainde die differentien opgestain ind geresen tusschen d'Ingesetenen van Echt ter einder ind d'Ingesetenen van Vucht ind Havert ter ander syden, ind want die Gedeputeerde und Commissarij van der Keyserl. Majt. voor gemelte Partyen gehoert, soe by monde als by Geschriften bevonden van noode te syn, gemerckt die gelegentheyt van der saeken umb behoirlyck te procedieren, dat men dwalt dairaff van dem gebruick desselven Quaestie ind Gescheel wer solde moeten visitieren ind Copie hebben van alsulcke Brieven, als van wegen der van Havert einsdeels hadde gelesen geweest, und dat selve gedain men oock Informatien nemen sold, soe vern als dan den Commissarien voorgemelt noitduchte und oerberlig totten welcken die Gedeputeerden und Commissarien van der Keyserl. Majest. in allen gereyt waeren, indien soo verre als in hun were nae te volgen und die Gedeputeerden Commissarien des voorgemelten Fursten Hertogen van Cleve ind Gulich bedogte, dat des van geynen moeden en wer, besonder gemerckt dat diese Dachfart mer en were angeheven, umb mitter minnen ind met frundtschappen te communitieren, oick seide egeinen last oft macht te hebben va hueren Furst dat also to doin oft to laeten geschieden, niettemin in dem dar inne die Commissarien ind Gedeputeerden der Keyserl. Majt. solden persisteren, begeirden dairvan huren Her ind Furst te advertieren umb by hum syne gude beliefften geweten dair nae te volgen; und want die Gedeputeerde Commissarien der Keys. Majt. voirs. by diverse reden und middelen persisteerden in huer voirgemelt voirnemen, so is by allen den voirgemelten Commissarien ind Gedeputeerden einsementlyck geaccordiert ind geschloeten voir ein affscheydt dat die voirgemelte Commissarien ein jegelyck van den voirgemelt is, synen Prince ind Fursten sal advertieren ten einde dat elck van hun den anderen sal moegen advertieren hoe sy in meynongen syn, dat herinne voirder gedain ind gehandelt sal werden, t'sy ander Dachfarten to halden oft niet, und ten einde dat tusschen middelen tyden egein ongemack forste oft gewalt tusschen den voirgl. partyen en geschie, is geordineert ind geschloeten eindrechtelicken, dat die voirgemelte partie op d’indignatie van hueren Prince ind Furst, hangende diesen niet en sullen procedieren by wegen van feyte, mer sullen schuldig syn te regulieren als hier nae volght, to weten: Dat die van Vucht, Havert ind Saeffelen sullen twee dage in die weke des Maendaechs ind Frydachs mogen doetholt liggende in den Bosch raipen ind oick affhauwen breinnen Hertenholt, sullen niettemin oick mogen raipen snaden oft ryseren, die die van Echt laeten liggen verstroet ind niet gehoept sonder vorder innich ander opgainde Holt te moegen affhauwen, sullen oick moegen weiden in den voorgl. Bussch huere Beesten; beheltelyck dat sie gehoedt worden, dat sie niet en gain ain noch op't jonck Holt, niet boeven geschreven; noch geen dry jaer alt synde; sullen oock muegen die van Vucht, Havert ind Saeffelen op hun syde und buyten den Hoult oft Walde heyde moegen hauwen, niet alleen op die twee voorgl. dage mer oock up anderen bequemen tyden then minsten schaeden, ind daer gein hoult en steit; und so vern in ennich van desen Puncten contrarie gedain sal syn, sullen die geene die contrarie dede bruiklich ind pandtwer syn, tot elcken reysen twee pondt Vlems off op gnaid, sonder hier mede eenighsints te verclaeren offte t' selve toegelaeten is by gracien oft van rechtz wegen; ind en sall niemants mogen penden dan die geswoeren voerster off eenich van dyen, mer sullen die van Echt, daer by moegen komen helpen oirkonden; und soo vern die gepant sye synen keur niet en betaelt, sal die Drosten van Millen des voirsoicht synde, van dem Drost van Montfort schuldig syn den die gepant is, sulcz te hebben, dat hie den kuer oft broicken voorgl. betale, sonder verdrag oft dem selven in dien te hebben recht ende justicie te verwachten voor Scholtis ind Schepenen van Echt ind t' selve des die voorgl. Scholtis ind Schepenen van Echt wysen sullen genoich syn und t' selve te gedurende totten naester Dachfart und tott datt dar inne vorder sall syn gehandelt, off to lange den voirgl. Princen believen sall ind niet langer. Dit geschiet ind verdraegen tho Stockom mit Underteeckeninge der Gedeputierden Commissarien hieunder beschreven, op den ein und twentichsten dach inde Meert Anno vijffthienhondert und sieven und twintich. Onderschreven stont Roprecht Graff von der Marck und Arenburgh, Frans van der Hulst, Rennenbergh LandtDrost.
So nu milder tyt avermaels die genanten Partyen to beyden deillen diesen voirberoerten Reces niet nahe komen dan mennichfaldiglick overtreden, und der oirsachen die van Vucht mit hoeren tostant vurss. up den lesten Landtdach tho Ruremund vur den verordente der Bannerheren ind Steden des Furstenthumbs Gelre und Graeffschap Zutphen clachtich geworden, ind oever die van Echt suppliciert, ind is die saecke durch gedachte Verordenthe der Landtschap to einer besichtinge remittiert, und an raede des Durchluchtigen Hoochgeboren Fursten, Hertougen to Gelre, Gulich, Cleve ind Berg etc. unsers gnedigen Herren, ind der Verordente des Furstendombs Gelre ind Graeffschap Zutphen, die tusschen den Underdaenen der Kerspelen van Elmt ind Swalmen de besichtinge t’ doin verordent, als dan by den selven dese besichtinge gelichfals to geschien, ind daer nae dar in gedain to werden, wes recht, redelick ind billich syn sal, Demnae hebben Hoichgemeltes onsers gnedigen Herren Raede nementlich die Eirwirdige, erentvesten ind fromen Her Johan van Vlatten Proest tho Sancten, ind Scholaster tho Aiken etc. Diederich van der Lippe, genant Hoen Her tho Aefferden ind Gribbenvorst, Drossert des Lants van Kessel, ind Verordenthe der Landtschappen, nementlich die erenveste ind frome Erbare, ind fursichtige Goessen van Honsseler Drossert tho Krackauwen. Johan Her to Elmpt ind Burgauw, Alert van Ghoir tho Kaldenbroick, Meister Jacob Canis der rechten Licentiaet van wegen der Stadt Nijmegen, Palich van Camphuysen van wegen der Stadt Ruremonde, Johan van Cruchten, van wegen der Stadt Venloe, die sementliche gebrecken up der strydiger malstatt naer noitturfft allenthalven genoichsam besichtigt und folgentz beyde parthien itliche mit synen bescheydt, schijn ind bewijs grundtlich verhoert, duersien ind betracht, so dan die van Vucht mit hoeren Adherenten erliche alde brieven, einen de dato im jairen 1216, den anderen de dato 12**, den derden de dato 1288, den vierden de dato 1392, mit anderen schein ind bescheydt getoent hebben, dar mit sie sich to dem Echter walde int gemeint gerechticht to syn erhalden, dar tegen die van Echt vilveldich schein und bewijs vurbracht, waer mede sy gedachte van Vucht vermeinen van der Gemeynten aff to keren, so dan nu durch den willen des Almechtigen beyde Furstendombs Gelre ind Gulich tot lyfflicher eindracht ain einen Fursten unseren gnedigen Herren gekommen syn, umb dan tusschen gemelte partyen frundliche naberschap to underhalden, ind nemants an synen rechten noch lanckwyligen gebruich to laeten verkorten, hebben opgemelte Furstliche Raide und Verordente des Furstendombs Gelre ind Graeffschap Zutphen mit verwilligung beyder partyen sich eindrechtlich verdragen ind uitgesproeken als hier nae volgt:

In den ersten dat der Reces in ’t Jair 1527. den XXI. dag Martij tot Stockum upgericht in allen synen artykelen und inhalt van beiden deillen bestendig gehalten ind achtervolgt werden sall, ind hebben dem selven Reces noch tot ordentlicher onderhaldunge und beterunge des Waldts vur sich tho gedain, als dat niemant van gedachten partyen van nu voirtain geyne Geyten ind geyn Schaep in den vurss. Waldt dryven en sullen ten euwigen dagen to, ten were saick dat sich voirgl. partyen hiernaemails mit furwieten ind believen unsers gnedigen Herren eindrechtlich sich des anders verdroegen.

Tem andere sulle die va Vucht, Havert ind Saeffelen hoer Holt dage und gebruyck desselve halde nae inhalt des Reces to Stockum gegeven, mit den todoin dat sie alde, verdorde, doede stocken so op den walde stonden und men den jongen Holz geinen schaide niet en dede, mogen uytwerpen ind gebruycken op voirbenoimpte dage ind anders niet.

Ten derden sullen duckgemelte beyde partyen mit den anderen verglycken, ende den rechten drittendeill des Waldts vurss, gelick affschlain, bevreden ind ungebruyckt liggen laeten acht jair lanck, off so veul langer als die noitturfft des erfordert; und als die tyt umbkomen is, soo sullen sie den bevreden vurss. in maeten als vurss. gebruicken ind ein ander derdendeill des Buss werde befreden, ind den selven die tijdt der acht jaeren als vurs. unbruyckbaer halden; und nae umbganck der jairen alsdan sullen die twee dheill die bevredet geweest syn gebruyckt werden und dat leste derdendeill befredet werden, und volgens die ordnung ten euwigen dagen to onderhalden und sonder voirweten und believen unsers gnedigen Herren, und beyder Partyen eindrechtlich die Waldts gegenwirdige opgerichte ordnonge niet veranderen, und wer nu van beyden Partyen in der Geyten und Schaep opdrift, und in der Befredung des dritten deils des Busch mangelich befonden wurde der sal daer an gebreuckt hebben tot ellicker reysen Vier pont Vlemisch. Sal men ouch jederen voirgl. Kerspelen hoeren weg wysen und halden nae dem minsten schaede, up dat unbefrede deill des Waldts to mogen kommen und gebruicken sonder den befrieden Waldt in synen Vredungen to verhinderen oft beschadigen; vorder sullen alle Broecken uythgepant werden als hier nae volgt: Nementlcih datt van nu vortain niemant up den Bussch oft Waldt den anderen sall muegen penden anders dan die dry gesworen Waldtvoersters van Echt und der Scholtis, die Burgemeister, die Schepen ind twee Gerichts Boeden daer selffste; ind die Waldtvoersters sullen goede, frome, erliche unberuchtichde, geloeffliche Luide syn und wes diese voirss. up hoeren Eydt uithdragen, dat sal geleufflich und bestendich gehalden und erkant werden, ind off die selven iemant penden wolden und der selve sich der pendung weigerden off entliep den sullen sie simpelich und guetlich aenroepen ind dan met recht forderen, dat sall so bundigh syn off sy den selven aen syn Weer ind Waepen gepandt hadden und der selve sal alsdan dobbele Breuchen geven daer hee sunst einfeldige schuldig were; ind der Drosset tho Millen in der tydt is off khomen mach, sal gehalden syn den bruckhafftigen in den Hoff ind Hoffs Gericht to Echt to schicken, umb sich der Bruecken mit recht to entweren off to betaelen so duck als sulcz oit gebeuren sall, off oick die van Echt in der updrift der Geyten ind Schaep und ind der bevredung des Waldts tot eeniger tyt breuckhafftich bevonden wurden, sullen die selve glijcksfals die Bruecken mit recht off mit gelde affdraegen, regt und also off sie uitheymsche weren, ind daerinne en sal dat Gericht niemant schoenen off aensien, het sy wes Stants off Staets her wesen mach, dan sullen uprechtigh richten und wysen op hoeren Eydt, und alle andere ungeburliche pendungen sullen nu voirtain verblyven und niet vurgenomen werden; wer die selve doinde oft vurnemende bevonden wurde sall der selve an Lijff und Gutt straeffbaer syn in exempel van anderen; so auch dese Waldtvoerster, Scholtis, Burgemeisteren, Schepen, Geswoeren, Gerichtzboden vurss. jemant pandtbaer off bruchafftich to syn, mit unwaerheyt aenbrechten, und sulcz mit fromen, unpartielicen Luyden den selven genoichsaem overwiesen wurde, sal der selver ter hoichster kheur ind straff Mynem Gnedigen Herren vervallen syn, ind stain ter straffen Lijffs und Gutts; ouch en sullen die van Echt, noch die Waldtvoersters by hoeren Eide niet gestaden, dat eenige Naeberen off dorpen, die tott den Echter Waldt und Gemeinten niet van alders gerechtigt syn geweest, dat Waldt heyde und Gemeinte in einiger manieren sullen mugen gebruycken ouch geine giften, gaeven off gonsten van jemant derhalven entfangen.

Naedem sich dan in voortyden mennichfoldige geweltliche daitliche handling ind doitschlege in anders an beyden syden erleyden begaen syn, umb dan eens voir all derhalven ein erff-soen ind eynicheyt tusschen gemelten partyen to maecken und guetliche frundtliche Naberschap vorder onderhalden, soo hebben Hoochgemeltes unsers gnedigen Herren Raide ind Verordenthe der Landtschap vurss. eindrechtelich uitgesproecken, ind overmits diesen uitsprecken, dat alle folche geweltliche overgrijff, daitliche handelinge, doitschlege ind ander moitwill, woe sich die ouch enichsints bis an her voir dieser tydt begeven mochten hebben, vort alle gerichthangende umgeende twyst des Waldts halven, voirt van den geweldtlichen daeden ind brueckent herkommende, und wes burgen ein den anderen dairvoir gesat muchten hebben to diesen dage to, sullen to samen doett, to niet ind quijdt syn ind wat schaden jeder daerover gelieden heeft off verteert hebben, oich sall jeder den schaede selver draegen ind betaelen, und niemant en sall den anderen darvoir nae datum van diesen mit recht off anders hebben antoisien, dan sullen sig nu voirtain als eins Fursten gehoirsaem Undersaeten in frundtlicher, liefflicher Naberschap erhalden, ind hier enthenders sall einen itlichen syne bepaelinge und alde gerechticheyt unvercordt vurbehalden syn und blyven. Vorder so sich die van Vucht, Havert und Saeffelen to dem Mast und Eickell des vurss. Waldts ouch gerechtigt to wesen antrecken, darup hoeren gebruyck allegierende, dar tegen die van Echt hoen geiner gerechticheyt off behoerlycken Tytell des gebruycks gestendich; So dan der Hoichgeboren Furst unser gnediger Herre als der Landtfurst und Her van wegen des Furstendumbs Gelre und Huys Montfort mede to dem Waldt gerechticht is, hebben Furstliche Raide ind Verordente der Landtschappen mit believen der Partyen den tweyspaldt gestalt an syne F. G., in dem fall so wes syn G. dar van erkennen werden sullen duckgemelte Partyen sonder wederspraeck halden, und voltrecken, ind is darup up syner G. gemuedt und uytspraecken, dat die van Vucht, Havert und Saeffelen to samen van nu vortain to den Ecker und Mast gerechticht syn sullen, in der voegen als hier nae volgett und anders niett, als nementlich: So wanneer ein voll Ecker west und geraedet, alsoe dat die van Echt iren Ackerman, der perde und ploich heeft, seess Vercken to geve to eickele, so sullen die van Vucht, Havert und Saeffel up dat Waldt hebben vijf und t’seventich Vercken ind niet mer, vurbehalden dat die selve mit der van Echt Iser gebrand werden sullen; ende als geinen vollen Eickell is sullen sy alsdan nae advenant des eckers genieten und misgelden ain den vurgte getaill, daer nae dat die van Echt hueren Ackerman genieten laeten; des sullen die van Vucht, Havert und Saeffelen der Heilliger Kercken to Echt van illicher Vercken geven, als sie plegen und van alts gewontlich, nementlich einen Johannes Braspennynck oft die weerde darvoir; und sullen hiermede duckgeroerte Partyen aller hoerer irtumb ind twyst gutlig ind frundtlig entscheiden syn und blyven, nu ende ten eeuwigen dagen, to oirkondt der waerheydt syndt disser scheidt-reces dry van worde to worde gelyckludende, und mit Hoechberoembtes unsers gnedigen Herren Siegel bestedig opgerigt, der unser gnedigen Her ein an synen G. behalden und jederen Partyen, den van Echt ein und den van Vucht, Havert und Saeffelen dat ander hebben, laeten to stellen. Actum tho Montfort den sevenden Dagh May Anno 1500 nuyn und drissig. Ondergeschreven D. Præpositus Zantensis D. de Aefferden, Drost van Krackauwen, Hoentzeler, M. Jacob Canis, Alart van Ghoir und getzeickent J. Schenck.

Dwijl wyr dan van wegen der voirgemelten Amptluide, Bevelhaver und Undertanen unsers Furstendoms Gulich angesoicht sein unsere meinong und believen uff den vurss. Verdrag zu ekleren, und wir zu underhaltung der guder Aliancien, so mit Hoichgenanter Keyserl. Majt. uffgerigt begeiren und geneigt sien, dat alle gude frundtlige Naberschafft und frid zusschen den Underdaen beyder Furstentumben, underhalden, und alle oirsachen van zweydragt und beswereng vermieden und verhoedt werden moegen, so haven wir Hertzog etc. vurgeroirt nach furgehapten Rait den vurss. Verdrag in allen synen puncten und artickelen hieboeven inseriert, fur uns, unsere Erven und Nachkomlingen Hertzogen und Hertzoginne zu Gulich approbiert und ratificiert, approbieren und ratificieren overmits dissen unseren Brieff und willen dat der selviger Verdrag gentzlig und unverbruglig gehalden werde, und zu merer bevestigung desselven, und umb all misverstandt und nuwe oirsach van irtumb zu verhoeden, haven wir vernigtigt und vernigtigen hiemit alle beifuege, beraemungen, und beleide, mittsambt Kundtschafften und Certificatien so fur dato van diessen gehalden und gedain, welche dem vurgeroirten Verdrage, oder innichen Puncten und Artickelen desselvigen zu widder und willen das denen, so vill als sie den vurgenanten Verdrage und Abscheide zu gegen sein mogen, gein Gelouve gegeven werde. Des zu urkhundt haven Wir Hertzog etc. vurgemelt Unser Ziegell an diesen Brieff doin hangen. Gegeven, zu Duysseldorff in den Jaeren unsers Herren duysent vunff-honderd und vier und funffsich den zwelfsten dagh des Monats Aprilis. Aldus onderzeickent ende ondergeschreven WILHELM Herzogh tzu Gulich etc. V. NB. Bevelh. meins gnedigen Herren Hertzogenn etc. Hoichgemelt Ger. Jul. Onderstont geschreven gecollationeert tegens de Originale Breiven van Confirmation, ende is bevonden accorderende by my ende onderteickent J. Berty. Leger stont: Gecollationeert teghens seecker oudt Quohier in de Con. Majts. Reeckencamere berustende, onderteickent als boven ende is daemede bevonden t’accorderen oirkonde myne Signature ende Cachet der voors: Caemeren, Was Onderss. G. Schouten. Ter syden was gedruckt eenen Zegel van syne Con. Majt. van Spanien mit roode Syde daer aen vast geheght.
Dese tegens de Authentijcke Copie Gecollationeert is by my onderss. Secretaris der Stadt en Heuft-Gericht ECHT bevonden te accorderen, Quod attestor.

Publications de la Société Historique et Archéologique dans de Limbourg, dl. XII (1875), pp. 416-440; met dank aan Jos Poels, 2003.

 

14 april 1554

BEESEL - Overdracht van huis en hof genaamd Wijlregoedt, tegenover Genraij.

RHCL Maastricht, Familie-archief Scheres, inv.nr. 2351.

 

zaterdag 28 april 1554

BEESEL - Vermelding van Henrick Slabbairt, halfman op de hof te Beesel van het klooster (Maria) Weyde.

GA Venlo, Schepenbankarchief Venlo inv.nr. 2538; met dank aan Jan Hanssen.

Betreft pachter Klerkenhof.

 

12 mei 1554

BEESEL - "Een halve haefstaedt gelegen opter Maesen en een baendt aen gen Ray te leen ontfangen."

RHCL Maastricht, Familie-archief Scheres, inv.nr. 2351.

 

dinsdag 22 mei 1554

HINSBECK ‑ De weduwe van Alert van Goor krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van de Kesselerhoff in Hinsbeck gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 56.

Zie 11-6-1544 en 13-12-1554.

 

2 juli 1554

ROERMOND - Rener Rijpkens en Mergriete, echtelieden, verkopen een huis in de Schoenmakersstraat, tussen Herman van Elmpt en Collener, aan Tijss van Buell en Merye, ook echtelieden. Dederich Rijpkens als bloedverwant naast en draagt over aan de kopers ut supra.

Tijss van Buell is uit huis ut supra schuldig een jaarrente van 7 gouden gelderse rijders aan Rener Rijpkens en Mergriete Klumpenmeck(er), echtelieden, losbaar met 140.

Op 29 maart 1555 staat Dederich Klompenmecher toe dat deze rente verlaagd wordt tot 3, losbaar met 50 "um des brantz wylle".

Hoofdger. 311 fol 57 vo; Res Gestae III nr. 2642.

Dirk Reijpkens alias Clompemakers was in 1553 eigenaar van de Baxhof te Swalmen.

 

zaterdag 7 juli 1554

MAASNIEL - Wilhelm van Vlodrop, heer te Dalenbroek, Odenkirchen en Biecht, oorkondt dat voor hem en de schepenen Henrich van der Smitzenn, Peter Ingelenn, Lambrecht Symonss en Johann Bertelmans van de dingbank te Maasniel zijn verschenen de leden van het gerecht van Ool, genaamd Johan Rutthen, Aelman Heynemans en Sybrecht Heynemans, oud respektievelijk tussen 60 en 70 jaar, die onder ede hebben verklaard dat zij 30 tot 40 jaren met burgers en houtverkopers van de stad Roermond op de Maas gevaren hebben die hun hout tolvrij mochten voeren langs Lith, Venlo, Middelaar, Batenburg, Maasbommel, Oyen en Zaltbommel.

GA Roermond, Oud Archief inv.nr. 790; zegels verloren; regest nr. 1124.

 

(maandag 9) juli 1554

HERTEN EN OOL - Wilhelm van Vlodorpp, heer te Daelenbroek, Odekirchen en Biecht, oorkondt dat voor hem en Henrich Aventbroitz en Cornelis Ruttenn, schepenen van de dingbank van Herten en Ool, zijn verschenen Reynar Melis, oud 70 jaar, Peter Royen, oud 70 jaar, Arnt Kuylens, oud 70 jaar, Johann Rijckenn, oud tussen 60 en 70 jaar, Bonaventura Pusters, meer dan 50 jaar oud, en Claiss Duvenn, die onder ede hebben verklaard dat zij hebben deelgenomen aan de handel in hout door burgers van de steden Roermond en Venlo, en verklaringen geven over de vrijdom van tol te Lith op de Maas voor burgers van Roermond.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 790; zegels verloren; regest nr. 1127.

 

maandag 16 juli 1554

ROERMOND - Grote stadsbrand.

 

18 juli 1554

Missive van het Hof aan de drost van Montfort, dat de regeling betreffend de grensscheiding tussen Gelre en Gulik is bepaald op 9 augustus en dat hij moet zorgen, dat tegen die tijd 38 stenen palen gereed zijn.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 2068.

Trefwoord: grenssteen / grenspaal.

 

19 juli 1554

ARNHEM - Kanselier en raden in Gelderland schrijven aan de stad Roermond dat zij hebben vernomen dat afgelopen maandag een 'grausamer' brand het grootste gedeelte van de stad met de kerken en kloosters in de as heeft gelegd. Zij bieden aan hulp te verlenen en vragen om opgave van de schade en de oorzaak van de brand.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 69; exped. (regest 1227). Gedrukt in: Limburgs Jaarboek 1094 blz. 4.

 

1 augustus 1554

ARNHEM / ROERMOND - Kanselier en raden van Gelre schrijven aan de koningin-regentes te Brussel dat op 16 juli 1554 drie-vierde van de stad Roermond is afgebrand met de grote en de collegiale kerk en alle kloosters, uitgezonderd het Munster en het klooster van de Kruisbroeders. Het gespaarde gedeelte van de stad is het armste kwartier.

Op St.-Jacobsdag (25 juli) heeft een sterke wind veel schoorstenen en gevels die waren blijven staan, omvergewaaid. Hierdoor zijn de gewelven van de kelders ingestort. Op deze dag is voor 25.000 gulden schade aangericht en tijdens de gehele ramp zijn 13 personen om het leven gekomen. Uit vrees dat de burgers uit wanhoop de stad zouden verlaten, zijn onmiddellijk 'troestelicke brieven' aan de stad gezonden en de heer Van der Horst, die daar niet ver vandaan woont, is gestuurd om raad en bijstand te geven. Een gedeelte van de burgerij is reeds vertrokken. De magistraat, bang dat de rest zal volgen als zij niet spoedig worden geholpen, heeft afgevaardigden naar kanselier en raden gezonden om verslag uit te brengen over de situatie. Kanselier en raden zijn ook reeds ingelicht door het rapport van de heer Van der Horst. De afgevaardigden van de stad wensen dat kanselier en raden onmiddellijk aan de koningin-regentes zullen schrijven en vragen om ondersteuning volgens een verzoek dat zij insluiten (regest 1230). De stad Roermond is de tweede hoofdstad en de grootste stad van het vorstendom, gelegen aan de Maas, 'maickende frontier' aan de landen van Gulik, Keulen en Luik en is te beschouwen als de sleutel, niet alleen van het vorstendom Gelre, maar ook van Brabant. Aangezien in de stad vóór de brand weinig of geen handel bestond, ware het aan te bevelen nu enige privilegiën te verlenen, liefst zo ruim en zo snel mogelijk, anders zullen de burgers die er nog verblijf houden, hopend op vrijdom van belasting en subsidie, terstond verlopen. De koningin-regentes gelieve te overwegen wat dit zou betekenen: in plaats van een op een gunstige plaats gelegen versterkte stad een geheel verlaten oord en door vreemden ingenomen.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 69; exped. (regest 1229). Gedrukt in: Limburgs Jaarboek 1904 blz. 9-10.

 

6 augustus 1554

ROERMOND - De stad Roermond schrijft aan de stadhouder van Gelre en Zutphen dat op 16 juli een jammerlijke en onbarmhartige brand het voornaamste, rijkste en beste gedeelte van de stad mèt de voorsteden heeft verwoest en dat op St.-Jacobsdag (25 juli) door een sterke wind de nog overeind staande gebouwen, stenen gevels en schoorstenen omver zijn gewaaid zodat bijna geen steen op de andere is gebleven. Een gedeelte van de bevolking heeft de stad verlaten of dreigt dit te moeten doen. De heer van der Hoirst heeft reeds met kanselier en raden overleg gepleegd over de hulpverlening. De stad stuurt thans Johan van Cruchten en Arnt van Dursdaell om met de stadhouder en de raden van de koningin van Hongarije en Bohemen over de hulpverlening en wederopbouw te spreken en vraagt om zijn hulp.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 69; minuut (regest 1231).

 

maandag 13 augustus 1554

ELMPT / BRUGGEN / SWALMEN - Er is onenigheid ontstaan tussen die van Bruggen enerzijds en die van Elmpt anderzijds over het gebruik van de gemeinte. Die van Bruggen hebben op de gemeinte diverse koeien en ganzen van Elmpt gepand. Daarom hebben die van Elmpt op hun beurt ongeveer 160 stuks vee in pand genomen.

Hierop heeft de vrouwe van Hellenradt [Anna van Vlodrop, weduwe van Christoffel Schenck], als vrouwe van Assel en Swalmen, samen met haar scholtis en schepenen tot driemaal toe bij die van Elmpt aangeboden om voor enkele onpartijdige schepenen, te kiezen in overleg tussen de heren van Elmpt en de vrouwe van Hellenraed, te gaan praten over dit oude recht. Ook heeft zij voorgesteld om borgen te stellen voor het gepande vee en daaruit voortvloeiende schade.

De schepenen van Elmpt hebben daarop geantwoord dat zij genoegen zullen nemen met de borgen, maar dat die van Swalmen moeten afzien ("solden untberen") van het gebruik van de gemeinte van Elmpt totdat de zaak door beide overheden is geregeld.

Omdat het van ouds gebruikelijk is geweest "dat men dat gras und weide der gemeinte vurschreven deilden mitten mond", zoals tot nu toe ook steeds is gebeurd, hebben Peter Burskens en Gerhardt Neelkens, namens de schepenen van Swalmen, nu ten overstaan van notaris Bartholomeus Andree van den Berghe en de getuigen Gort der Custer en Gerhart der Vorstener to Elmpt officieel hiertegen geprotesteerd officieel geprotesteerd tegen deze ongehoorlijke weigering.

GA Roermond, Handschriften inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. 54.

 

z.d., vóór 4 september 1554

SWALMEN - ARNHEM - Verzoekschrift van Anna van Vlodrup, vrouwe tot Hellenraedt en weduwe van Christoffel Schenck, met "samenlick haeren gantzen gerichte und haeren undersaeten Asselt und Swalmen", aan kanselier en raden in Gelrelant.

Zij schrijft dat die van Elmpt circa drie weken geleden op de gemeinte aan de Berendunck gelegen ongeveer 24 stuks "vee und beesten" hebben gepand, en kort daarna nog eens tot in totaal 160 stuks. Dit is in strijd met het "alt herkomen und gebruick".

Volgens schepenen van Elmpt zouden die van Bruggen twee koeien en diverse ganzen van die van Elmpt hebben gepand bij Bruggen, waaraan die van Swalmen schuld zouden hebben. Anna heeft de schepenen van Elmpt daarop aangeboden om hierover te praten ergens bij een onpartijdige schepenbank of gerecht in het ambt Monfort, te kiezen in overleg tussen haar en de heer van Elmpt. Bruggen is een andere heerlijheid, gelegen buiten Gelders grondgebied binnen de jurisdictie van de heer van Guilich (Gulik). Zij hebben die van Elmpt tot vijf maal toe voorgesteld om borgen te stellen voor het gepande vee, maar die van Elmpt willen dit pas toestaan als die van Swalmen afzien van hun oude rechten en de gemeinte genaamd den Berendunck willen verlaten. Zij kan en wil echter niet toestaan dat iemand zomaar uit zijn oude rechten wordt ontzet. Door deze oorzaak moeten "die schemel nabueren van Swalmen tot haerder groten schaden und hinder haerder beester untberen tot dieser tijt tu", hetgeen een grote ontbering is voor deze schamele huislieden. Aangezien de beesten van Swalmen en Elmpt het omstreden gras "over twe hondert jaren und langer mitten monde gedeilt hebben", hopen de supplianten deze gemeinte nog langer te kunnen gebruiken. Zij vragen kanselier en raden om die van Elmpt er aan te houden dat zij het gepande vee teruggeven aan de onderdanen van Swalmen of voldoende borgen stellen.

GA Roermond, Handschriften inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. 52-53.

Datum op basis van antwoord van kanselier en raden d.d. 4-9-1554.

 

dinsdag 4 september 1554

ARNHEM / ELMPT / SWALMEN - Brief van kanselier en raden in Gelderlant aan Johan, heer van Elmpt en Burgaw [bij Düren], waarop zij hem hun verwondering mededelen over het verzoekschrift dat zij hebben ontvangen van Anna van Vlodrup, vrouwe tho Hellenradt. Zij verbazen zich over het grote aantal pandingen. Mochten die van Elmpt iets te zeggen hebben tegen die van Swalmen naar aanleiding van de pandingen die te Bruggen hebben plaatsgevonden of naar aanleiding van iets anders, dan hadden zij niet naar dit soort ongehoorlijke middelen hoeven te grijpen. Kanselier en raden verlangen van die van Elmpt dat zij alle beesten die ze van Swalmen hebben gepand, zonder kosten of schade zullen teruggeven. Mochten de pandingen wèl iets te maken hebben met de pandingen te Bruggen, dan verzoeken zij die van Elmpt om dit zo snel mogelijk bij hen kenbaar te maken, omdat dit geen zaak is om zelf over te oordelen maar een zaak is van kanselier en raden.

Zij wijzen de heer van Elmpt erop dat zij snel maatregelen verwachten, omdat zij zich anders, bij een herhaling van de klachten, genoodzaakt zien om anders in te grijpen, waarbij die van Elmpt aansprakelijk zullen worden gehouden voor de schade.

GA Roermond, Handschriften inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. 55.

 

4 september 1554

Missive van het Hof aan de heer van Elmpt over een geschil tussen die van Elmpt en Swalmen en een door eerstgenoemden ten onrechte aangewend rechtsmiddel.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 2098.

 

dinsdag 18 september 1554

GELRE ‑ Sweder Prinsen, als hulder in plaats van Dirck Noyen, wordt beleend met de hof genaamd ingen Geest met de laten en alle toebehoren, aan de Geestdorn in de Voogdij onder de jurisdictie van Nykercken voor de Yssemse poort buiten de stad Gelre gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 2.

 

vrijdag 21 september 1554

Zie 23 februari 1554.

 

vrijdag 28 september 1554

KRIEKENBECK ‑ Johan van Holthausen wordt beleend met het slot Krickenbeck, de gruit in het land van Krickenbeck, de hof in gen Winckel en de Plückelingse laatschap.

Schaesberg-Krieckenbeck: inv.nr. 75.

 

vrijdag 28 september 1554

HINSBECK ‑ Johan van Holthusen, als erfgenaam van zijn broer Reiner van Holthusen, wordt beleend met de gruit te Hinsbeke gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, Overkwartier, blz. 45.

Zie 8-4-1549.

 

vrijdag 28 september 1554

HINSBECK ‑ Jan van Holthusen, als erfgenaam van zijn broer Reiner, wordt beleend met de Pluckelingslaten, leenmannen en laatgoederen onder Hensbeke gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, Overkwartier, blz. 54.

 

vrijdag 28 september 1554

HINSBECK ‑ Jan van Holthusen, als erfgenaam van zijn broer Reiner, wordt beleend met de hof In genen Winckel onder Hensbeke gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, Overkwartier, blz. 55.

Zie 8-4-1549 en 29-5-1556.

 

vrijdag 28 september 1554

KRIEKENBECK ‑ Johan van Holthusen, als erfgenaam van zijn broer Reiner van Holthusen, wordt beleend met het slot Kriekenbeeck.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 57.

 

maandag 15 oktober 1554

GELRE ‑ Henrick ter Hoeven, als hulder, wordt beleend met de hof genaamd ingen Geest met de laten en alle toebehoren, aan de Geestdorn in de Voogdij onder de jurisdictie van Nykercken voor de Yssemse poort buiten de stad Gelre gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 2.

 

dinsdag 23 oktober 1554

ARNHEM / SWALMEN - Kanselier en raden van de keizer in Gellerlandt dragen Johan Stalburgh, doctor in de rechten en raad van Z.K.M. in het land van Gelre, op om, naar aanleiding van een verzoekschrift van Anna van Vlodrop, weduwe van Christoffel Schenck, zich bij de eerste gelegenheid op de omstreden plaats ("op die walstat") te vervoegen om daar kennis te nemen van de supplicatie. Zij vragen hem om alle getuigen te horen en documenten te verzamelen om de rechten van die van Swalmen te kunnen bewijzen; bij zijn terugkomst moet hij hiervan verslag uitbrengen.

GA Roermond, Handschriften inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. 60.

Zie 4-11-1554 en later.

 

23 oktober 1554

ARNHEM / SWALMEN - Kanselier en raden van de keizer in Gellerlandt dragen Johan Stalburgh, doctor in de rechten en raad van Z.K.M. in het land van Gelre, op om, naar aanleiding van een verzoekschrift van Anna van Vlodrop, weduwe van Christoffel Schenck, zich bij de eerste gelegenheid op de omstreden plaats ("op die walstat") te vervoegen om daar kennis te nemen van de supplicatie. Zij vragen hem om alle getuigen te horen en documenten te verzamelen om de rechten van die van Swalmen te kunnen bewijzen; bij zijn terugkomst moet hij hiervan verslag uitbrengen.

"Extract uyt seeckeren register geïntituleert Register der documenten van gerechtigheden gehoorende tot den huyse Hillenraedt ende heerlijckheden Swalmen en Asselt alwaer fol. 60 staet als volght.

Copia

Werdige hoichgelerte, besunder guede frundt end mitbroeder, wir schicken U.E. hier inne verwardt die supplication, uns van wegen Key. Mats. onser allerg[enedigsten] heern overgegeven, durch Anna van Vlodrop, wedeve van Cristoffel Schenck, sampt extractat uit den Gulichschen verdrage, ennd wandt die gelegenheyt des inhaltz gerurter supplication uns onbewust, so is uns gesinnen dat U liefde sich ter erster gelegenheit vuege op die walstat, die selve besichtige unnd sich ervaere nae alle gestaltenisse, dairaff ein affteickenisse maeckende, oick hoirende alle getugen mit opteickenisse irer depositien, unnd ontfangende alsulcke documenten als die van Swalmen sullen willen produceren, ennde exhieberen, om toe proberen end bewisen oir gepretendierde interest. Ennd dat U.E. toe der selver wederkompste, uns van als rapport doe, om volgens verordent to werdenn nae behoir, vervuegende dat midler tit ghein paelingen gestalt werdenn to naideill unnd prejudicium gemelter van Swalmenn, U.E. dem almechtigen bevelende, geschreven tho Arnhem den xxiiien octobris xvc liiij  - onder stondt geschreven Cantzler ennd raiden des keisers in Gellerlandt verordent, onderteickent Bertij. d'opschrift was deser: dem werdigen unnd hoichgeleerten heren Johan Stalburgh der rechten doctori, raidt kei. mats. in den landt van Gelre, unsen besonderen gueden vrundt und mitbroder.

den iiij novembris

concordat cum praefato registro

H.A. Geelen, secretaris

RHCL Maastricht, SA Swalmen en Asselt, magazijnlijst nr. 368; afschrift tweede helft 18e eeuw, 1 stuk.

 

25 oktober 1554

Missive van het Hof aan de raadsheer Stalborch, dat hij het bewuste terrrein te Swalmen moet gaan opnemen, kondschappen inwinnen enz., om daarna verslag te kunnen doen.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 2125.

 

zondag 4 november 1554 en later

SWALMEN - Verslag door Johan van Stalbergen inzake visitatie en getuigenverhoren betreffende het geschil tussen die van Elmpt en die van Swalmen over de Berendonck.

-   Op 4 november 1554 is Johan van Stalbergen, commissaris, naar de vrouwe van Hellenradt gereden om informatie van haar in te winnen betreffende de gerechtigheid die de onderdanen en kerspellieden van Swalmen van ouds hebben gehad op het Brachter Wald, ook Swalmer Bussche genaamd. Vervolgens heeft hij op 5 en 6 november de omstreden plaatsen, tussen die van Swalmen enerzijds en die van Bracht, Kaldenkirchen, Bruggen en Borne anderzijds, bezocht in gezelschap van de vrouwe van Hellenradt, de schepenen en andere naburen. Daarbij heeft hij ook van diverse van deze naburen en onderdanen getuigenverklaringen afgenomen:

-   Johan Ziegers, burgemeester van Ruremundt, heeft een grote oude waldrol, opgesteld in het frans ("in francien geschreven"), getoond en laten voorgelezen, en gezegd dat de gerechtigheid van Brachter Wald en Swalmer Busch daarin duidelijk is opgenomen. De bepalingen zijn van generatie op generatie nageleefd. Aan die van Swalmen wordt echter sinds enige tijd de toegang tot het bos ontzegd door de inwoners van Gulich, omdat [hoewel?] door de raden van Z.M. is uitgesproken dat de gerechtsplaats van Swalmen Gelders gebied is, en dat het gebied achter dit gericht Guliks territorium is.

-   Op 5 november 1554, nadat "wir misse und godessdienst in der porrochie kercken gehoirt hadden", is het gezelschap [vanaf de kerk?] langs de Swalme stroomafwaarts gereden tot waar de rivier in de Maas stroomt. Zoals in de bovengenoemde rol ook beschreven was, hebben ze hier op de oever ("up dem kleiff unnd boirt") van de Swalm een oude berg gevonden, door die van Swalmen den Aill Berch of den Alden Berch genoemd [huidige Alenberg of Donderberg].

Vanaf de oever zijn ze opwaarts gegaan en hebben daar een hof gevonden die van ouds Visschers Haiff wordt genoemd en nu toebehoort aan de kinderen Rochus [huidige Rookhuizen]. Tegenover deze hof en niet ver er vandaan ligt een andere hof, eerder Rijckels Haiff genoemd maar tegenwoordig Huisder Hoiff [huidige Hoosterhof]. Tussen de landerijen van beide hoeven ligt een grote brede weg, van ouds de Grunen Wech genoemd [weg genaamd Rookhuizen]. Deze weg is ogenschijnlijk met groen gras bezaaid en beplant, waarop de schapen en ander vee heel wat kunnen grazen. Volgens die van Swalmen zou deze weg de scheiding zijn tussen Swalmen en Besell [is tegenwoordig gemeentegrens], want Reincken Visschers hof behoort van ouds tot Swalmen en Rijckels hof tot Besell. En hoewel Visschers hof op de Beselse zijde ca. 4 à 5 morgen land heeft en Rijckels hof ongeveer eenzelfde hoeveelheid aan de Swalmer zijde, grenzend aan de Gruner Wech, worden deze landerijen tegen elkaar weggestreept voor schatting en diensten, zodat beide hoeven slechts aan hun eigen schepenbank verschuldigd zijn. Bovendien is de oude Rochus, nu schepen van Swalmen, vroeger ook schepen geweest te Besel.

-   Heincken Bursken, een oud man en schepen van Biesell, die ook naar deze grensschouwing is gekomen, bevestigt desgevraagd onder ede dat de Ailbergh, onder aan de Swalm gelegen, en de weg tussen de beide hoeven en verder omhoog langs de Grunenwech, de scheiding is tussen die van Biesell en Swalmen. Hij heeft dit ook altijd horen zeggen; hij is geboren te Biesell en woont daar ook nu nog. Meer dan 30 jaar geleden [ergo: ca. 1520] heeft hij echter op de hof van de Regulieren van Ruremundt [Gratherhof?] en op andere hoeven onder Swalmen gewoond en zijn kinderen zijn daar ook ondergebracht ("unnd sine kinder dair up bestait"). In die jaren heeft hij ook vaker de Buschrolle horen voorlezen, wanneer de 21 schepenen, te weten 7 van Bracht en Kaldekirchen, 7 van Borne en Bruggen, en 7 van Swalmen, bijeen kwamen op de bos, samen met 4 adellijke lieden, de Waltgraffen genaamd. Die van Swalmen en die van Gulik maakten van dit gebied van ouds gebruik voor het weiden van hun vee, het kappen van hout en voor de jacht; ook hij had hiervan gebruik gemaakt gedurende de periode dat hij onder Swalmen woonde. Bursken heeft vaker beide rollen 'tegen elkaar' horen lezen [dus zowel de Swalmer als de Gulikse] en daarbij nooit iets gemerkt van onenigheid of twist. In de tijd dat hij te Swalmen woonde, werden de varkens volgens oud gebruik en volgens de tekst in de waldrol, op de bos gebrandmerkt zodra er eikels ("eker") waren, inclusief die van hem zelf. Na het afleggen van deze verklaring vertrekt de getuige weer naar Biesel.

-   Boven gekomen vanaf de Grunenwech rijdt het gezelschap door een hof genaamd die Hoeve [huidige Baxhof]. Deze hof ligt onder Swalmen; langs het veld naast de gemeinte rijden ze verder richting Meirlebruick, over de Nienwech [Nieuwe weg; huidige Eikenbroeklaan die daarmee mogelijk begin 16e of eind 15e eeuw werd aangelegd], tot aan een oude "koitstat, genant Broickhoevel", aan beide zijden tussen kleine elsenstruiken die de gemeinte van beide kerspels scheiden. Vanaf de Nienwech wordt Van Stalbergen gewezen op een laagte in het broek, die Waterlois genaamd, niet ver van de Wolffsgrave. Het lijkt er op dat al het overtollig water uit het Merlebruick door deze laagte loopt en via deze laagte, die zich uitstrekt richting Lege Broick [huidige Turfhei] naar Biesell stroomt. Aan beide zijden van de laagte groeien ook elsenstruiken en die van Swalmen verklaren dat de elsenstruiken en het broek richting Wolffsgrave worden gebruikt en gekapt door die van Swalmen, en dat de andere zijde wordt gebruikt door die van Biesell.

Vanaf de Waterlose hebben die van Swalmen lijnrecht naar de molen bij Wambach ("Wambeger mulen"; Wambach bij Tegelen] gewezen, dwars door het Meirlebroick. Deze lijn zou volgens Van Stalbergen lopen langs de Nie Benden onder Mailbeick in het broek gelegen, en van daar uit de berg omhoog langs de Hoener Kamp, tussen Kaldekirchen en Tiegelen waar Wambeich op ligt; dit is van ouds vroeger het goed van Hoiffmans geweest, met een molen ongeveer een halve mijl van Venloe.

Vanaf de Waterlose, door de Wolffsgrave, zijn die van Swalmen door het Meirlebroich gegaan, naar de berg op het Brachter Waldt. Onder aan deze berg, omtrent een boogschot ("eine bage schuitt wechs") verwijderd van de plaats waar die van Biesel ongeveer 3 à 4 jaar geleden de 5 Eicken hadden aangewezen, zijn ze stilgehouden op een vlakke plek ("in loco plano"; huidige Prinsendijk nabij grenspaal 426?]). Volgens die van Swalmen en hun voorouders zou dit de plek zijn van de 5 Eicken. Enkele lieden van meer dan 70 jaar oud verklaarden dat zij hier in hun jeugd grote wortels hadden helpen uitgraven en dat zij hadden horen vertellen dat de straatrovers hier vroeger hun toom, "halteren" en sporen hadden verborgen in de holle bomen die hier vroeger hadden gestaan [mogelijk op grafheuvels?]. Het is niet de bedoeling geweest van die van Swalmen om te bewijzen dat de 5 Eicken daarmee een oude grensscheiding ("aiffpelinge") zou zijn geweest.

Vanaf de 5 Eicken rijden ze, onder langs de rand van de berg, naar de Hogen Stall, niet ver boven Amerssloe. Daar wordt Van Stalbergen gewezen op een plaats onder aan de voet van de berg tegen Koninck Karlesweich gelegen, op de Steinstrait genaamd Blanckersdriesch. Op deze plaats komen 21 schepenen, soms samen met 4 Waltgraven, bijeen om te vergaderen over alles wat de bos aangaat zoals ontginningen en braakliggend terrein ("vrien unnd untvrien"), varkens brandmerken en hout kappen.

Niet ver van deze plaats, onder aan de berg, ligt een plaats genaamd Doirpelsraidt. Hier laten die van Swalmen Van Stalbergen een openbare voerweg zien, die voor de berg door het bos gaat. Aan beide zijden van deze voerweg plachten bijen[korven] te staan, die standgeld en boetes ("bruicken") plachten te geven, opwaarts naar Swalmen, neerwaarts naar Bracht en Kaldenkirchen. Per korf was een oort standgeld verschuldigd. Bracht iemand zijn bijen zonder toestemming hierheen, dan werden ze gepand aan de zijde waar ze waren gevonden.

-   Nijss, koster te Swalmen, en Johan der Raemeker verklaren dat zij de bijen bij Dorpelsradt 8 jaar geleden vaker hebben gepand aan de Swalmer zijde, en hebben verkocht ten behoeve van de kerk van Swalmen. Voorts verklaren zij dat Peter Hoegen en Herman Scheper uit Bracht 7 jaar geleden hadden willen pachten voor jaarlijks 3 pond was aan de kerk van Swalmen, zoals zij dit ook 20 jaar geleden hadden gedaan. Die van Swalmen hadden dit de Gulikers echter geweigerd en gezegd dat zij voor jaarlijks 3 pond was geen ruzie wensten met hun naburen. Hieruit moet blijken welke rechten die van Swalmen hebben op het bos.

Vanaf Doirpelsrade rijden ze eerst door het bos, "der schoin holt unnd gruen weidt noch up hadde", en komen aan een berg die boven begroeid is met groen gras; deze wordt de Loefele of Loefelberch genoemd en ligt "up die Swalm" in het midden van het bos tussen Bruggen en Swalmen. Die van Swalmen verklaren dat zij volgens de rollen de gerechtigheden en "den antast" hebben van Dorpelstade tot op de Loefelerberch aan de Swalmer zijde. Bovendien zeggen ze dat het bos richting Bracht en Kaldekirchen "gans verhouwen unnd verdestruirt" [verwoest] zou zijn door de heren en onderdanen van het land van Gulik.

Vanaf de Loefelerberch rijden ze [stroomafwaarts] langs de Swalm. Bij de gerechtsplaats van Swalmen [brandtoren/zwembad] loopt een voerweg door de Swalm, richting Herkenbusch, Elmpt en naar Dalenbroich. Hier is een doorwaadbare oversteekplaats ("ein harde voirt int wasser"), de Steinput genaamd. Van hieruit rijdt het gezelschap weer terug naar Swalmen.

GA Roermond, Handschriften inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. 61-66.

 

woensdag 7 en donderdag 8 november 1554

SWALMEN - Johan Ziegers, burgemeester van Ruremundt, oud tussen 60 en 70 jaar, verklaart op verzoek van Johan van Stalbergen dat hij 40 jaar geleden en ook nog daarna vaak de waldrol van Swalmen heeft horen voorlezen op Blanckersdries in bijzijn van 21 schepenen en 4 waltgraven. Die van Bracht en Kaldekirchen en die van Borne en Bruggen lazen er gelijke rollen voor. Hij heeft vaak gehoord dat de drie dingbanken van Swalmen, Bracht en Bruggen zich eendrachtelijk aan de inhoud van deze rollen hielden en hij heeft nooit gehoord dat de Gulikers ooit hebben geprotesteerd tegen de inhoud van de rollen.

Hij bevestigt hetgeen in de eerdere getuigenverklaringen is gezegd over de bijenstand op Doirpelsraide.

Johan Ziegers verklaart dat zijn vader Coen Ziegers, die na het Beleg van Venlo ["na dem Venlose belege" in 1507] borggraaf en bewaarder is geweest van het Huis van Hellenradt en de goederen die daartoe behoren, in 1520 is overleden; Arndt Schenck, heer van Hellenradt, is in 1525 gestorven. Toen zijn vader nog leefde en ook daarna, voor en na het overlijden van Arndt Schenck, is Johan vaak als waltgraaf namens het huis van Hellenradt met de 21 schepenen op Blanckersdries geweest, waar alle zaken "belangende den bussche, buschbruechen, van eicker unnd holthouwen" werden voorgedragen en beoordeeld. Aanvankelijk is hij waltgraaf geweest in de plaats van zijn vader, en daarna 5 jaar zelf als borggraaf en bewaarder van het huis van Hellenradt. Ziegers laat Van Stalbergen een oud brandijzer zien waarmee hij in zijn tijd de varkens van Hellenrait placht te brandmercken ("to bernen unnd teickenen"). Eenzelfde brandijzer hebben ze ook nu [1554] nog bij Hellenradt. De andere waltgraaf was verbonden aan het huis van Asselt, nu toebehorend aan de heren van Schijen [Schin]; in zijn tijd was Reiner van Lijmborch daar rentmeester, later Thiell Poertgens van Asselt. Samen gingen ze naar Blanckersdriess om daar de varkens te brandmerken of andere zaken te regelen die de gemeinte betroffen.

Ook van Gulikse zijde waren dan twee waltgraven aanwezig, namelijk Spee in gen Alden Hoeve en bezitter van het huis aldaar, en Frederich van Agerus van Rijpshoven, wonend te Bracht. Onlangs heeft Ziegers gehoord dat de Gulikers nòg een waltgraaf zouden hebben benoemd, namelijk iemand namens de hof van Wijvelinchoeven; deze derde waltgraaf is er eerder nooit geweest.

Hij getuigt verder dat een pachter vier varkens, een "bouman" met twee paarden twee varkens en een keuterboer ("ein koeter") één varken kon laten brandmerken wanneer de varkens op de eikels werden gedreven; de vier waltgraven hebben van ouds het recht gehad om zo veel varkens te brandmerken als zij kunnen. Varkens die ongebrandmerkt op de bos komen, worden gepand en beboet ("gebruickt").

Het huis van Hellenradt heeft altijd een eigen brandijzer gehad en heeft dit nog steeds. Ook de andere drie waltgraven mogen hun eigen brandijzer gebruiken. Het gemeenschappelijk brandijzer van de drie dingbanken heeft de vorm van een molenijzer [zoals bij familie Den Roover (twee naar binnen gewende letters "c" verbonden door twee liggende streepjes); vgl. ook Mulgouw?]. Zodra er eikels zijn, komen van iedere schepenbank twee schepenen, soms ook alle schepenen, om de varkens te brandmerken, van Bracht en Kaldekichen naar Bruggen en Borne reizend en van daar naar Swalmen. Voor elk gebrandmerkt varken ontvangen zij een kwart stuiver ("ein oerth stuvers"); van de opbrengst gingen ze daarna samen drinken.

De gehele gemeinte, vanaf Kaldenkirchen dwars door deze drie dingbanken tot aan het einde van de gemeinte van Swalmen, wordt als één gemeinte beschouwd, waarvan de Gulikers twee derde deel en die van Swalmen een derde deel toebehoort. Daarom worden soms ook twee "waltfurster" door de Gulikers en één "waltfurster" te Swalmen gehouden en beëdigd, die de bos in ere houden en de overtredingen ("bruchen") aanbrengen. De waltfurster van Bracht en Bruggen wordt, nadat hij aldaar beëdigd is, naar Swalmen gestuurd om daar andermaal zijn eed af te leggen. Op dezelfde manier moet de vorster van Swalmen nogmaals de eed afleggen voor de schepenen van Bracht en Bruggen. Overtredingen aan de Guliker zijde van Dorpelsrade en de Loefelerberch worden aangebracht door de vorster van beide zijden en door de Gulikers ten laste gelegd, terwijl de overtredingen aan Swalmer zijde ook te Swalmen worden berecht.

De onderdanen van beide zijden mogen geen hout hakken in dit bos zonder toestemming van de overheid; overtreders worden beboet met een boete van 2 gulden voor "graff holt" en 1 gulden voor kleine heesters ("heisteren").

Ziegers getuigt verder dat die van Bruggen het bos aan hun zijde zeer uitgedund hebben en dat enkele jaren geleden twist is ontstaan op de gemeinte, door inbreuk van die van Dilckrade. Toen die van Bracht ongeveer een jaar geleden het vee van Beisell op de bos gepand hadden, hebben de Gulikers dit bijtijds laten weten bij de vrouwe van Hellenradt en die van Swalmen, en hen verzocht om hulp en bijdrage voor hun derde deel in de gemeinte. De vrouwe van Hellenradt, als pandvrouwe van Swalmen en mede uit eigen naam, heeft toen samen met de schepenen en onderdanen van Swalmen en met die van Gulik geprocedeerd tegen die van Biesell en anderen, die volgens de getuige geen rechten hebben op de bos. Samen hebben ze hun gerechtigheden helpen verdedigen en verantwoorden tegenover de drost van Montfort die optrad namens die van Biesell.

Verder getuigt Ziegers over het geschil over het nieuwe rondeel dat bij de molen te Bruggen is aangelegd ("das dat nije rondele bij der mulen to Bruggen gelacht") op Gelders gebied zal liggen en dat de Swalm daarbij is verlegd ("dat die Swalm ronth uith umbgedrungen unnd uissgeleidt is worden").

Ook heeft hij vaker horen zeggen dat het huis van Bruggen alleen [= alleen het huis Bruggen?] een beer op de bos mogen brengen wanneer er eikels zijn, en dat de andere waltgraven alle varkens daar naar toe mogen brengen. In het verleden zijn de varkens van Hellenradt met het eigen brandijzer gemerkt. Noch het huis van Hellenradt noch de onderdanen van Swalmen is, zolang hij zich herinnert, ooit iets in de weg gelegd hierbij, behalve nu onlangs, toen de Gulikers dit jaar een gedeelte van de varkens hebben gepand en zich kennelijk, met uitsluiting van die van Swalmen en tegen alle oude gebruiken in, hebben voorgenomen om het alleenrcht op de bos op te eisen.

-   De twee priors van de Carthuizers [Beeckerhof] en Reguliere Orde [Gratherhof], als woordvoerders namens hun boerderijen onder Swalmen gelegen, verlangen van de hertog dat hij hen en hun bouwlieden bijstaat in de handhaving en verdediging van hun rechten op het gebruik van de gemeinte. Zij hopen dat de vrouwe van Hellenradt, samen met de schepenen en naburen van Swalmen, deze rechten kunnen en zullen bewijzen en verdedigen.

-   Wilhem Tesser, burger van Venlo en geërfd te Swalmen, sluit zich aan bij hetgeen door de twee priors is verteld en zegt dat de onderdanen van Gulik de gerechtigheden van die van Swalmen nooit zullen kunnen logenstraffen of ontkennen, omdat zij de bos, met weiden, eikels en hout kappen, blijkens de waltrollen steeds vredig hebben gebruikt. Tesser verklaart dat hij eertijds zonder toestemming hout heeft laten kappen op de bos en toen wegens deze overtreding is aangedragen door de vorsters en hiervoor is berecht door die van Swalmen.

-   Johan Mais van gen Holt, Johan Meus, Johan Alerts in gen Beick, Peter Bursken van Asselt, Gerardt Nilkens en Johan Rameker, alle zes schepenen te Swalmen, zijn samen met enkele naburen en met Johan van Stalbergen door het Meirlebroick via Blanckersdriess en Dorpelsrade tot aan de Lofelerberg gegaan en hebben daar de inhoud van de waltrollen voorgedragen. De schepenen verklaren dat ze vaak op Blanckerdriesch samen met de 14 Guliker schepenen, soms ook in bijzijn van de waltgraven, bijeen zijn geweest om zaken te bespreken betreffende overtredingen op de bos. Die van Swalmen hebben voorts een waltfurster gehad die door hen was beëdigd, en twee waltgraven, namelijk van Hellenradt en van de hof te Asselt. Spee in gen Aldenhove en die van Agerus, de beide waltgraven van Gulikse zijde, hebben soms één, soms twee waltfurster; op dit moment [1554] is slechts één Gulikse vorster door genoemde Swalmer schepenen beedigd.

De zes schepenen bestrijden nogmaals de eerder genoemde afbakening ("affpelinge") door de Gulikers bij het gerecht van Swalmen en de 5 Eicken, alsmede de rechtmatigheid van de huidige pandingen van de Swalmer varkens. Zij herinneren aan hetgeen is gezegd over de bijenstand te Dorpelsradt, alle grenzen in de waltrol genoemd, het brandmerken van de varkens en de aantallen varkens die op de eikels worden gedreven. Tussen Dorpelsrade en de Loefelenberch aan de Swalmer zijde zijn alle boetes aan hun verschuldigd; deze twee plaatsen waren door een leigraaf of "sipe" en met kruisen ("krutzeren") recht afgescheiden en afgepaald van de Gulikse zijde. De rechtspraak binnen dit gebied behoort toe aan die van Swalmen en de jacht, die zich van ouds uitstrekt tot deze twee plaatsen, behoort toe aan de drost van Montfort resp. de vrouwe van Hellenradt als pandvrouwe.

Verder verklaren de schepen dat de scholtis van Dulcken eertijds gemeinte heeft aangekocht tussen Bruggen en Dilckrade. Die van Dilckradt berokkenen de drie voornoemde kerspels ook schade door hun vee te weiden op plaatsen waar zij hiertoe niet berechtigd zijn. Toen het vee van Biesell door die van Bracht werd gepand, is de vrouwe van Hellenradt steeds samen met de schepenen en naburen verzocht om samen met de Gulikers, waarmee zij hun rechten deelden, hun gezamenlijke zaak te verdedigen.

-   Gert Kilkens van Asselt, oud 60 jaar, sluit zich aan bij bovenstaande schepenverklaring en verklaart verder dat hij zich herinnert dat de jonkheren van de hoeve te Asselt als waltgraven 40 jaar geleden een apart brandijzer plachten te gebruiken voor hun eigen varkens.

-   Wilhelm Mullener, oud 70 jaar, verklaart dat hij vanaf 1511 achttien jaar lang als halfman te Hellenradt heeft gewoond [ergo: 1511-1539] en dat hij daar vaak heeft gezien dat de varkens aldaar met een eigen brandijzer werden gemerkt, en dat de inwoners van het kerspel van Swalmen de Swalmer Busche samen met die van Bracht en Bruggen hebben gebruikt "mit weien, eickern unnd holthouwen".

Hij bevestigt hetgeen door Jan Ziegers en de zes schepenen is verteld over de twee vorsters, de vier waltgraven en de 21 "holtschepen", die op Blanckerssdriess plachten te vergaderen.

-   Johan Papen, oud 80 jaar, Gerhart Ghilen oud 80 jaar en Goissen van Tuthenberch oud ca. 75 jaar, bevestigen de inhoud van de waltrol en verklaren dat zij de "conter rolle" van de Gulikers vaak hebben horen voorlezen op Blanckersdriesch, welke voor zover zij weten eensluidend waren. Ook zij getuigen van de vier waltgraven, 21 schepenen en 2 vorsters, van de "eickeren" en het brandmerken van de varkens, van het weiden, hout houwen en "bruechen" van de bos en de gemeinte. Net als hun voorgangers getuigen zij dat die van Swalmen van Dorpelsraidt tot aan de Loefelenberch aan de Swalmer zijde van ouds hebben gepand en de "bruechen" daarvan hebben "geëxecutirt". Zij bevestigen dat tussen beide voornoemde plaatsen kruisen ("kruitzer") plachten te staan.

Zij weten niet wie verantwoordelijk is voor het onverdeeld gebied rondom de drie dingbanken, waarin die van Swalmen een derde gedeelte hebben. Zolang zij zich herinneren is hierover tussen de drie dingbanken nooit twist geweest, totdat nu dit jaar de Swalmer varkens gepand zijn. Het schijnt dat de Gulikers zich, naar aanleiding van de uitspraken die de laatste jaren zijn gedaan door de beide heren raden van de hertog, meer rechten proberen aan te meten dan voorheen.

GA Roermond, Handschriften inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. -67-75.

Datum aangenomen op basis van stukken onder 4-11-1554, d.w.z. aansluitend op visitatie; zie ook 9-11-1554.

 

vrijdag 9 november 1554

SWALMEN / VENLO - Op verzoek van Johan van Stalbergen legt Michell Agerus van Ripshoeven van Bracht, daartoe bij Van Stalbergen te Venlo ontboden omdat hij en zijn vader Zieger van Agerus eertijds waltgraaf van het Brachter Wald en Swalmer Busch werden genoemd, een verklaring af. Van Agerus verklaart dat hij, en zijn vader vóór hem, altijd een van de vier waltgraven zijn geweest. Spee in gen Alden Hoeve en hijzelf hebben echter geen eigen brandijzer meer gebruikt zoals die van Hellenradt dit wèl altijd gedaan hebben. Hij bevestigt hetgeen is verklaard over de twee vorsters en de 21 schepenen, daar hij meermalen op Blanckersdriesch aanwezig is geweest en daar van beide zijden de gelijkluidende waltrollen heeft horen voorlezen.

Over het aantal varkens die gebrandmerkt werden, of de vraag of hij altijd zoveel varkens op de eikels mocht drijven en laten brandmerken als hij maar kon, en over de verdeling van pandingen van overtredingen tussen Dorpelsrade en de Loefelenberch is hem weinig bekend. Het is hem niet bekend waar de grenslijn van de "hoichheit" tussen beide zijden precies loopt. Naar zijn mening hebben die van Bracht en Bruggen de vrouwe van Hellenradt en die van Swalmen tekort gedaan, toen zij hun varkens op de bos hebben gepand. Hij kent echter de oorzaak niet en hij weet ook verder niets over de begrenzing van die van Swalmen aan de zuidzijde van de Swalm of richting Maas.

-   Ott Winters, rijdende bode ("ridende baede") van Venloe, die 20 jaar geleden als "reisigh knecht" op Hellenradt heeft gewoond, bevestigt de eerdere getuigeverklaringen.

GA Roermond, Handschriften inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. 75-76.

 

dinsdag 27 november 1554

ECHT - Derck Jennes van Rutsichaven, als erfgenaam van zijn broer Peter (van Rutsichaven), wordt beleend met een leengoed genaamd Rutsichaven, gelegen in het kerspel van Echt, ten Gelderse kluppelleensrechten te verheergewaden.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 80. Zie 12-6-1544 en 15-6-1556.

 

donderdag 13 december 1554

HINSBECK ‑ De weduwe van Alert van Goor krijgt opnieuw uitstel voor het afleggen van de leeneed van de Kesselerhoff in Hinsbeck gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 56.

Zie 22-5-1554 en 13-7-1555.

 

1554, z.d.?

BEESEL EN BELFELD - Gegevens betreffende een uitspraak over het gebruik van het Meerlebroek.

Publications 1875 blz. 416 e.v.; Maasgouw 1930 blz. 54-55.

 

1554-1555, z.d.?

TEGELEN ‑ Arnold Spee wordt vermeld met betrekking tot het huis Wambach te Tegelen.

Maasgouw 1901, blz. 52.

 

 

1555

vrijdag 11 januari 1555

VENLO / SWALMEN ‑ Johann van Lom en Linnart van Beeck, schepenen te Venloe, oorkonden dat Ot Winters, rijdende bode ("ridende bade") van de stad Venloe, heeft verklaard dat hij ongeveer 21 jaar geleden bij wijlen de heer van Hillenraidt heeft gediend en daar vaak ongestoord op de Swalmerbuisch op groot en klein wild heeft gejaagd met behulp van honden, strikken ("gaeren") en fretten ("ouch gefirettiert"). Een keer echter was Daim van Horrich, in die tijd drost en ambtman te Bruggen, naar hem toe gekomen en had gezegd: "Ir weidlude, so gie nu voell gefangen hedt, wullen wie dat wildt toe samen deilenn". Na een woordenwisseling had hij Winters echter ongestoord met honden en garens laten passeren.

Verder heeft de getuige verklaard dat overtredingen op de Swalmer zijde, van welke aard dan ook begaan door Swalmenaren, door of namens niemand anders dan de heer van Hillenraidt werden veroordeeld en gestraft.

GA Roermond, Handschriftenverzameling inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. 36.

 

maandag 14 januari 1555

KESSEL - Procesdag tussen Cornelis van Merwick en Steven Spee (Stheven Sphe). Van Merwick klaagt over Spee als momber van de minderjarige kinderen van Conrardus van der Horst. Beiden hebben eertijds in bijzijn van Johan van Wietenhorst en (niet genoemde) anderen een overeenkomst gesloten, waaraan beiden zich moeten houden op straffe van 24 rosenobels (8 voor de heer, 8 voor de vrienden en 8 voor de andere partij). In deze overeenkomst is bepaald dat Van Merwick een geldbedrag (niet genoemd; mogelijk 500 daalder) plus allerlei huishoudelijke artikelen krijgt toegewezen, te voldoen binnen jaar en dag; dit is tot op heden niet gebeurd, zodat hij nu kommer heeft gelegd. Ook deze beslaglegging heeft geen resultaat gehad. Van Merwick eist nu 1.000 goudgulden min 1 penning.

Johan Keer (?) en Henrick Smyt staan borg voor Cornelis van Merwick; Johan Mertens staat borg voor Steven Spee.

GA Roermond, Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 484, procesnr. 3124.

Genoemde overeenkomst moet dateren van minimaal 1 jaar en 1 dag plus 8 weken kommer voor bovengenoemde datum; vgl. ook 28-2-1554 en 18-3-1555.

 

28 januari 1555

MAASNIEL - Peter Ingelenn en Lambrecht Symons en de gemene schepenen van de dingbank te Maasniel oorkonden dat hun medeschepen Gadert Mereel, oud ongeveer 57 jaar, onder ede heeft verklaard dat hij gedurende 35 jaar handel in hout heeft gedreven en als burger van Roermond de Maas bevaren heeft zonder ooit tol van hout te Lith te hebben betaald. Ook zijn vader Johann Mereel heeft vroeger verklaard nooit tol te Lith betaald te hebben.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 790; grosse op papier met schepenambtszegel van Maasniel (regest 1240).

 

28 januari 1555

MAASNIEL - Peter Ingelen en Lambrecht Symons en de gemene schepenen van het gericht Maasniel oorkonden dat Reynar Meles, oud 70 jaar, Peter Rhoedenn, oud 70 jaar, Bonaventura Poesters, ouder dan 50 jaar, Heynrich Roedenn, Goesenn Ryexkens, Johan Meroyen, Claes Duven, Thijs Meles, Johan Koell, Heynrick Meroyenn en Gairt in den Vyscherwerdt, allen tussen 40 en 50 jaar oud, onder ede hebben verklaard dat de stad Roermond bepaalde vrijdommen heeft op de tol te Lith.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 790; grosse op papier met schepenambtszegel van Maasniel (regest 1240).

 

maandag 11 februari 1555

OFFENBEEK - Thomas Tijbis namens juffr. Anna van Wijlaick weduwe van Johan van Bueren en haar onmondige kinderen verzoekt uitstel van verhef van de molen te Offenbeek en de erbij horende laten en van de hof te Leeuwen en de visserij gelegen te Beesel, voor 11 maanden.

RHCL Maastricht, Rekenkamer Roermond inv.nr. 94, leenboek 1552-1556, fol. lxxxv; met dank aan Jan Hanssen.

Zie 11-2-1556.

 

maandag 11 februari 1555

OFENBEEK ‑ Anna van Wylack, weduwe van Johan van Buren, krijgt 11 maanden uitstel voor het afleggen van de leeneed van de molen te Offenbeeck, alle laten die tot de hof en erfenis genaamd de Hof tot Leeuwen behoren, en de visserij gelegen te Beesel in de Maas, die eveneens tot deze Hof behoort, ten behoeve van haar onmondige kinderen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, Overkwartier, blz. 103-104.

Zie 7-6-1547 en 11-2-1556.

 

woensdag 13 maart 1555

SWALMEN ‑ Verklaring over het hout halen in het Swalmerbos.

RHCL Maastricht, Schepenbank Swalmen en Asselt, inv.nr. 292.

 

woensdag 13 maart 1555

ROERMOND / SWALMEN EN ASSELT ‑ Wilhm van Hushaven en Johann Goltstein, schepenen te Ruremunde, oorkonden dat Meus van Beeghde, woonachtig te Beeghde in het graafschap Horn, meer dan 70 jaar oud, Meus van Buggenum, 60 jaar oud, en Johan van Buggenum, eveneens woonachtig in het graafschap Horn, onder eed de volgende verklaringen hebben afgelegd:

-   Meus van Beeghde heeft verklaard dat hij ongeveer 40 jaar geleden op de grote hof (= Asselterhof) te Assell heeft gewoond bij Woltern, waarbij hij op Swalmerbuisch voer om hout te halen. Hierbij is hij een keer door de furster gearresteerd ("gepant") waarna de overtreding ("die broicken") "toe Swalmen ain den rechten gefordert" werden. Hij kan zich niet anders herinneren dan dat alle onderdanen van Swalmen die op de Swalmerbuisch in overtreding ("bruckafftigh") waren, in Swalmen terecht moesten staan ("an den rechten toe Swalmen sint vurgenomen") en dat daar ook het vonnis werd uitgesproken ("dairsellfs geutert worden"). Tenslotte heeft hij verklaard dat hij het bos nooit anders heeft horen noemen dan Swalmerbuisch.

-   Meus van Buggenum heeft verklaard dat hij ongeveer 36 of 37 jaar geleden samen met Johan Meus op de Swalmerbuisch is gevaren, waar zij samen hout hebben gehakt. Hierbij zijn zij door vorster Wilhm Korver gearresteerd, waarna zij naar oude gewoonte naar Swalmen zijn gebracht om terecht te staan. Ook hij heeft verklaard dat hij het bos nooit anders heeft horen noemen dan Swalmerbuisch.

-   Johan van Buggenum heeft verklaard dat hij ongeveer 12 of 13 jaar geleden bij Peter Bursken en Gairdt Neven (Neuen?) binnen de jurisdictie van Swalmen heeft gewoond. Tijdens hout kappen op de Swalmerbuisch is hij samen met voornoemde Peter gearresteerd door de vorsters en zijn "die pende ain den gericht Swalmen gevoirdert woirdenn") zoals dit gebruikelijk was.

GA Roermond, Handschriftenverzameling inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. 30.

 

vrijdag 15 maart 1555

ROERMOND / SWALMEN EN ASSELT ‑ Burgemeester, schepenen en raad van de stad Ruremunde oorkonden dat door de volgende personen onderstaande verklaringen zijn afgelegd:

-   Dederich Becker, ingezeten burger van Ruremunde, oud tussen de 60 en 70 jaar, heeft verklaard dat hij ongeveer tussen de 40 en 50 jaar geleden geregeld in de Swalmerbuisch was om o.a. hout te kappen. In die tijd was het meerdere keren voorgekomen dat Swalmenaren in overtreding gingen ("brouckten"). Zij stonden dan altijd in Swalmen terecht ("an den rechten vurgenomen unnd gewroecht").

-   Maes Bertrums, woonachtig in de heerlijkheid Dalenbroick te Niell, oud 60 jaar, heeft verklaard dat hij 46 of 47 jaar geleden in Swalmen woonde en van daaruit geregeld naar de Swalmerbuisch is geweest. Hij heeft nooit anders gehoord dan dat de inwoners van Swalmen "gewrocht" werden "ain den rechten to Swalmen".

-   Johan Bertrums, eveneens in voornoemde heerlijkheid woonachtig en tussen de 40 en 50 jaar oud, heeft verklaard dat hij ongeveer 30 jaar geleden in Swalmen woonde en geregeld naar de Swalmerbuisch ging. Aangaande de overtredingen in het bos ("den broickenn des buisch") sluit hij zich aan bij de verklaringen van zijn broer Maes en van Dederich Becker.

-   Jennesken Becker, ingezetene van Ruremunde en tussen de 40 en 50 jaar oud, en Jennes, woonachtig te Leuwen op de molen, 44 jaar oud, hebben samen verklaard dat zij ongeveer 33 jaar geleden in Swalmen woonden en geregeld op de Swalmerbuisch hout haalden. Ook zij sluiten zich aan bij de voorgaande getuigenverklaringen. Jennis op de molen verklaart dat hij zelf een maal gearresteerd ("gepant") is en in Swalmen te recht heeft moeten staan.

-   Jennis der holtzsnider, ingezetene van Ruremunde, 55 jaar oud, heeft verklaard dat hij ruim 30 jaar geleden in Swalmen woonde. Hij is diverse malen door Derich van Bruggen genaamd Sluipken en Reincken Becker aangeklaagd ("gewrocht") en moest zich wegens zijn overtredingen altijd voor het gerecht van Swalmen verantwoorden.

-   Hein in gen Bremenkamp, woonachtig te Asenraede, heeft verklaard dat het ongeveer 20 jaar geleden, toen hij op de Swalmerbuisch verkeerde om hout te halen, gebruikelijk was dat de onderdanen die op de Swalmerbuisch iets "broickten", voor het Swalmer gerecht werden aangeklaagd en gevonnist.

GA Roermond, Handschriftenverzameling inv.nr. 15: Cartularium Schenck van Nydeggen, fol. 28-29.

 

maandag 18 maart 1555

KESSEL - Een procesdag gehouden voor Cornelis van Merwick tegen Steven Spee vindt op verzoek van schepenen van Kessel en Helden geen doorgang wegens afwezigheid van Spee.

GA Roermond, Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 484, procesnr. 3124.

Zie 14-1-1555 en 17-6-1555.

 

27 maart 1555

SWALMEN - Brief van het Hof aan de hertog van Cleve. Naar aanleiding van een klacht van de pandvrouw en onderdanen van Swalmen en Asselt wordt hem verzocht die van Bracht en Kaldenkercken te verbieden zich aan inbreuken over de grens schuldig te maken, aangezien de supplianten niet vallen onder de bepalingen der laatste verhandeling. Met 1 bijlage.

Gelders Archief, toegangsnummer 0124, Hof van Gelre en Zutphen, Brieven van en aan Uitheemsen, inv.nr. 1068, No. 1925.

 

donderdag 18 april 1555

ROERMOND ‑ Overlijdt Guda de Holtmoelen, die aan de Munsterabdij waar zij geprofest was, een kwart wijn naliet.

Publ. etc. 1876, blz. 207.

Zij was een dochter van Sibrecht van Holtmoelen en Helwich van Broekhuizen. Zie 22-5-1506.

 

16 mei 1555

Missive van het Hof aan de drosten van Kessel en Montfort over het zenden van arbeiders naar Roermond voor de bouw der vestingwerken.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 2214.

 

zaterdag 25 mei 1555

"auf des heiligen bischofs st. Urbanus Tag"

LEUTH ‑ Akte van deling tussen de broers Robert en Wolter von Wildenrath enerzijds en hun ooms Wilhelm en Art van Wachtendonck anderzijds betreffende de goederen van Maria van Wachtendonck, moeder van eerstgenoemde broers. De broers ontvangen de hof te Leuth genaamd Kirchhof (elders: Hansen- of Rosenhof).

Schaesberg-Krieckenbeck: Urk. 163 en 163a; akte in tweevoud.

 

maandag 17 juni 1555

KESSEL / WANCKUM - Gardt van Aerssen en Heynrick van Holtmoelen "den natuerlicke" getuigen op verzoek van Cornelis van Merwick dat Reyner Spee (Sphe) wonend te Wanckum hen heeft verteld dat Stheven Spee bij hem thuis in Wanckum heeft gegeten en gedronken. Bij deze gelegenheid heeft hij gezegd "Ich siet hier, by aeventure men dynckt huyde tho Kessell, unnd ick stae myt Cornelis van Merwick ynde dat rechte; ick mach een duyssent gulden verlesen". Reyner zei hierop: "Een duyssent gulden were niet guet verlaeren; ick hebbe daer een perdt staen, nympt dat unnd rijedet daerhynne". Daarop had Stheven geantwoord: "Ick haepe neen, want die bancke sall gespannen blieven, yst saicke men daer dynckt, des vertrouwe ick op den scholtes".

Stheven Sphe vecht de uitspraak van Reyner Sphe aan. Op zijn verzoek getuigt Gardt van Oerlo dat Stheven Sphe bij hem te Arssen is geweest op de zondag vóór het proces om te vragen of in Kessel zou worden gedingd. Hierover bestond op dat moment nog geen duidelijkheid en Sphe ging er daarom van uit dat hij niet hoefde te verschijnen.

GA Roermond, Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 484, procesnr. 3124.

Betreft procesdag 18-3-1555; zie aldaar. Met wijsenis van Hoofdgerecht d.d. 5-7-1555.

 

vrijdag 5 juli 1555

ROERMOND / KESSEL - Uitspraak Hoofdgerecht inzake proces Cornelis van Merwick tegen Stheven Sphe (wegens niet verschijnen op gerechtsdag?).

GA Roermond, Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 484, procesnr. 3124.

 

zaterdag 13 juli 1555

HINSBECK ‑ Aloff van Goor, als erfgenaam van zijn vader Alert van Goor, wordt beleend met de Kesselerhof in Hinsbeck gelegen (eertijds genaamd Hardengoet). Het oude heergewaad van 1 pond peper wordt betaald met 18 stuiver.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 56.

Zie 13-12-1554 en 20-6-1556.

 

zaterdag 13 juli 1555

BAARLO ‑ Adolph van Goor, als erfgenaam van zijn vader Alert van Goor, wordt beleend met de hof te Soeterbeeck onder Baerle gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 143.

Zie 22-3-1554.

 

zondag 14 juli (15)55

OFFENBEEK ‑ Herman Kremers oorkondt dat meester Marcelis Keldermans in bijzijn van de Raad (?) de schade heeft opgenomen die zijn "gevader" Meynhart van Nederhoeven (= Onderste Hof) heeft geleden door het afbreken van zijn schuren, stalling en "kameren". Dit huis was jaarlijks 6 gulden Brabants verschuldigd aan de eigenaren van de Onderste hof, de Kruisheren te Roermond.

Meester Marcelis heeft deze schuld nu namens zijne Keizerlijke Majesteit op zich genomen en heeft door de Raad bevel gekregen om 100 gulden Brabants te betalen; de overige 20 gulden zouden ze (de Kruisbroeders?) kwijt moeten schelden zoals ook gebeurd is met Geret van Wessem en anderen die jaarrenten (of tijnzen?) verschuldigd waren van hun afgebrande huizen. Daarnaast zou meester Marcelis namens de Keizer eenmalig 100 daler moeten uitkeren aan de "gevader" van Herman Kremer, waarmee deze tevreden zou moeten zijn.

RHCL Maastricht, Kruisheren Roermond, inv.nr. 148, fol. 484.

 

dinsdag 16 juli 1555

ELMPT ‑ Gadert van Erp genaamd Warrenborch, zoon van Willem van Erp, krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed voor het leengoed bestaande uit de laatbank te Elmt gelegen met toebehoren.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 109.

 

zaterdag 20 juli 1555

VENLO - Ten overstaan van de leenmannen Gerart van Holtmullen en Henrich van Esschoven wordt Henrich inghen Raidt beleend met 10 Philipsgulden losbare rente "herkomen van Walravens hoff", luid brief en zegel zoals Henrich deze "geworff hatt" van Jan Staicks van Ruremundt.

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 9.

 

woensdag 4 september 1555

LOBBERICH - Agnes van Galen, moeder en erfgename van Willem (van Boicholt Willemszoon), krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van de hof to Broick, gelegen in het kerspel van Lobbroeck.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 49.

Zie 21-3-1552 en 3-7-1556.

 

vrijdag 6 september 1555

KESSEL ‑ Willem van Merwick krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van het huis te Kessel; van de hof tot genen Grave en de weerd tegenover het huis gelegen; en van Snaterbeecksgoed.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 144.

Zie 9-6-1544 en 25-9-1555.

 

dinsdag 24 september 1555

ASSELT ‑ Kanselier en raden van Gelre en Zutphen delen de tollenaar te Asselt mee dat de stad 's Hertogenbosch geklaagd heeft dat hij van hun burgers tol blijft eisen en heffen ondanks de uitspraak van 15 januari 1555 en bevelen hem om op 24 oktober 1555 binnen Arnhem te verschijnen om in bijzijn van 's Hertogenbosch te worden verhoord.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 448; regest nr. 1258.

Zie 19-11-1555.

 

woensdag 25 september 1555

KESSEL ‑ Willem van Merwick, als erfgenaam van zijn vader Jasper van Merwick, wordt beleend met het huis te Kessel als een open huis; met de hof tot genen Grave en de weerd tegenover het huis gelegen; en met Snaterbeecksgoed.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 144.

Zie 6-9-1555 en 13-10-1557.

 

donderdag 3 oktober 1555

BREYELL - Ten overstaan van de leenmannen Theiss Roffertz en Jan van Oeyen wordt Herman van Boicholt, landdrost in de graafschap Zutphen, beleend met de Heijer tiende in het kerspel van Breiell gelegen.

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 10.

 

maandag 7 oktober 1555

LEUTH - Wullinck van Holtmoelen krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van de hof te Hanepoel oftewel Leut, vanouds bij de kerk van Leut gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 61.

Zie 11-7-1544 en 7-2-1556.

 

(dinsdag) 19 (november) 1555

ASSELT ‑ Burgemeesteren, schepenen en raad van de stad Roermond delen kanselier en raden van Gelre en Zutphen mee dat zij bezwaar hebben tegen de executie tegen Johan Meus, tollenaar te Asselt, die de stedelijke tol van Hampssen en de halve tol van Kessel aldaar ontvangt, aangezien de stad deze tol niet van de keizer heeft ontvangen maar reeds ettelijke honderden jaren op andere titel bezit en verzoeken de de tollenaar vrij te laten.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 70; regest nr. 1262.

Zie 24-9-1555.

 

donderdag 21 november 1555

DÜLKEN - Ten overstaan van de leenmannen Gerart tho Reyt en Thomas Wynckell wordt Jan Daniels beleend met een stuk land genaamd Joeris Acker, groot circa 30 morgen.

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 12vs.

 

23 november 1555

Obligatie groot 4 gouden Gelderse rijders gevestigd op ongeveer 1 bunder land in de Oe onder Swalmen gelegen.

RALM, SA Swalmen en Asselt, magazijnlijst nr. 19 fol. 52.

Zie 24-5-1650.

 

zondag 15 december 1555

Akte van huwelijkse voorwaarden tussen Lambert van Cruchten, zoon van wijlen Dederick en van Mechtel van Lom enerzijds, en Maria van de Wijer, dochter van wijlen Johan en van Gebel van Husshaiven anderzijds.

RHCL Maastricht, Familie-archief Van Merwijck-de Keverberg V 1504, inv.nr. x459.

 

1555, z.d. ?

ASSELT ‑ Gegevens betreffende de Hof te Asselt.

GA Roermond, Familie-archief V 20, I.H. regest nr. 2.

 

1555, z.d.

KESSEL / BEESEL - Zeger van der Horst (zoon van Conrard van der Horst en Maria Spee) voert een proces tegen Cornelis van Merwijck (weduwnaar uit tweede huwelijk van Maria Spee voornoemd) inzake successierechten.

-   Steven Spee (Stheven Sphe) verklaart dat hij een akte bezit inzake een schuld (of vordering) groot 500 daalder, ondertekend door Jasper van Holtmoelen.

-   Stheven Sphe, Johan van Kessel en Geryt Stockmans getuigen eendrachtig dat Conrardt van der Horst is overleden vóór Margrieth Sphe (de zus van Steven voornoemd).

-   Wylhm van Merwick treedt op als voogd (van?).

-   Frans van Holtmoelen, drost te Brugge; eerwaarde Wylhem van Kessel, pastoor, en diens broer Johan van Kessel zijn getuigen geweest bij de huwelijkse voorwaarden (van Conrard van der Horst en Marie Spee).

-   Wylhem Qwieten van Bezell getuigt dat Stheven Sphe hem (ten overstaan van schepenen van Beesel) heeft benoemd tot voogd over diens goederen te Besell gelegen, welke goederen Margriet Sphe, de zus van Stheven Sphe, aldaar heeft bezeten.

Tevens getuigt Wylhem Qwieten dat Stheven Sphe voornoemd de tiende te Besell gelegen, eerder eigendom van Geryt van Holtmoelen en Jasper van Daelen, wijlen de scholtis van het Land van Kessel, openbaar bij opbod heeft verpacht ('myt der keerssen opt hoegen').

-   Geryt Roevers (ook: Roevartz), schepen te Bezell, getuigt dat hij samen met zijn "mede stollbroder" Henrick Slabbers en Johan de Baede (gerechtsbode) aanwezig is geweest bij deze voogdbenoeming.

-   Cornelis van Merwick dient een bewijsstuk in (C; niet bewaard) inzake ontvangst van 6 malder rogge te Besell, afkomstig van Stheven Sphe.

-   Cornelis van Merwick dient een handschrift in van Stheven Sphe inzake betaling aan/door Jasper van Daelen wegens de hoeve genaamd Tghen Raede te Bezell, afkomstig uit de nalatenschap van wijlen Margriet Sphe, de zus van Stheven Sphe.

-   Cornelis van Merwick accepteert de voogdij van Qwieten niet, omdat deze is verleend voor schepenen van Beesel en slechts geldt voor de Beeselse goederen, en niet die te Kessel en Helden gelegen.

GA Roermond, Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 484, procesnr. 3123.

Jaartal wordt in stukken niet genoemd? Vergelijk 17-6-1555 en 24-3-1561.

 

1555, z.d.

BELFELD - "Zu gedencken dat Henrich Gissen kinder aen dem Loe behandt seint aen alsulchen landt als sie aen dem Hoensboeckel haven liggen. darvan sie jarlix geben ... ein zinspennungh anno 1555.

-        Item dergelichen Johan Bursghen und Wilhelm van Spitzel."

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 2.

 

 

1556

donderdag 23 januari 1556

Z.P. - Gehuwd: Arnold Schenck van Nijdeggen [overl. ... vóór 17-6-1562, zn. van Christoffel Schenk van Nijdeggen en Anna van Vlodrop; beleend met Hillen­raad 1-6-1556; in 1572 Hillenraad hoofdkwartier van Willem van Oranje tijdens belegering Roermond; op 9-10-1572 voorburcht afge­brand door Spaans regiment o.l.v. kolonel Pollweiler] en Maria Huyn van Amstenrade [overl. nà 17-4-1586, dr. van Arnt Huyn van Geleen en Hendrika van Maschereel].

Ramakers, blz. 142. Publications etc. 1894, blz. 286.

Vergelijk RHCL Maastricht, Dokumentatie D274: Inventaris van o.a. Bleijenbeek, Brempt, Hillenraad, nr. N 20; depot onbekend (gedeelte verdwenen, vgl. ook Schloß Haag): huwelijkse voorwaarden tussen Arnoldt de Schenck en Anna van Vlodrop; betreft mogelijk bovenstaand echtpaar. Zie ook 8-8-1528.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

1>         Christoffel Schenck, geb. ...-1561, overl. ...-1624. Tr. ...-1590 met Aleid van der Lippe.

2.         mogelijk Gerard Schenck van Nijdeggen, vermeld als domheer te Luik 18-4-1616, 30-3-1624 en 6-3-1631.

3.         ...

 

vrijdag 7 februari 1556

LEUTH - Johan van Holtmeulen en Alijt van Kessel, echtelieden, vererven de hof te Hanepoel oftewel Leut, vanouds bij de kerk van Leut gelegen, op hun zoon Wollinck van Holtmoelen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 61.

Zie 7-10-1555.

 

dinsdag 11 februari 1556

OFFENBEEK - Johan Meurs namens juffr. Anna van Wijlaick weduwe van Johan van Bueren en haar onmondige kinderen verzoekt uitstel voor het verheffen van de leengoederen nader vermeld bij rekwest d.d. 11 februari 1555, nu voor 6 maanden.

RHCL Maastricht, Rekenkamer Roermond inv.nr. 94, leenboek 1552-1556, fol. cxxi; met dank aan Jan Hanssen.

 

dinsdag 11 februari 1556

OFFENBEEK ‑ Anna van Wylack, weduwe van Johan van Buren, en haar minderjarige kinderen krijgen 6 maanden uitstel voor het afleggen van de leeneed van de molen te Offenbeeck, alle laten die tot de hof en erfenis genaamd de Hof tot Leeuwen behoren, en de visserij gelegen te Beesel in de Maas, die eveneens tot deze Hof behoort.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, Overkwartier, blz. 103-104.

Zie 11-2-1555 en 9-5-1556.

 

12 februari 1556

ANTWERPEN - Attestatie door Agrapheus, secretaris van Antwerpen, over de wederwaardigheden van drie voerlieden die, komend van Keulen, in het Meerlebroeck in het land van Gelre door vijf mannen te paard zijn overvallen en beroofd van een partij fluweel.

Antwerpen, 12-2-1556. 310 x 208 mm. Ms. op papier. 1 dubbelgevouwen blad, rº & vº beschreven.

Veilinghuis Burgersdijk en Niermans (http://www.b-n.nl/new_index.php?page=auction&lang=eng&AuctionNumber=330&GroupNumber=48) ; geveild en verkocht 18-11-2009.

 

zondag 22 maart 1556

ASSELT ‑ De erfgenamen Tessers dragen de Maastol te Asselt over aan Caecilia van Vlodrop.

Schloß Haag: inv. nr. 276; charter met transfix (?) d.d. 16-6-1557.

 

dinsdag 21 april 1556

LEUTH ‑ Johan van Lomme vernieuwt de leeneed van de hof genaamd Tusschenmoilen onder Leut gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 58.

 

dinsdag 21 april 1556

LEUTH - Jan van Oen vernieuwt (ten behoeve van zijn echtgenote Aleyt Spee) de leeneed van de hof ten Busch, groot omtrent 80 morgen land, en met het goed gelegen bij de Aldenkrieckenbeeck met alle rechten en toebehoren in het kerspel van Leut gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 59.

Zie 1524, z.d. en 10-6-1556.

 

dinsdag 21 april 1556

LIEROP ‑ Elisabeth Hoeft vernieuwt de leeneed van de hof te Lyerop. Haar moeder Catrin Kremers ontvangt het vruchtgebruik.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 66.

 

dinsdag 21 april 1556

ST.-ODILIËNBERG ‑ Emont van Bairle vernieuwt de leeneed van de hof te Oeveren onder St.-Odiliënberg gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 71.

Zie 8-7-1544. Zie Scheres inv.nr. ... (1554) voor huwelijk Emondt van Baerle met Agnes van Eijll.

 

dinsdag 21 april 1556

KESSEL ‑ Johan van Lomme vernieuwt de leeneed van de hof ten Holte onder Kessel gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 145.

Zie 10-6-1544 en 17-6-1567.

 

zaterdag 9 mei 1556

OFFENBEEK ‑ Ott van Buren, minderjarig, als erfgenaam van zijn vader Johan, wordt beleend met de molen te Offenbeeck, alle laten die tot de hof en erfenis genaamd de Hof tot Leeuwen behoren, en de visserij gelegen te Beesel in de Maas, die eveneens tot deze Hof behoort.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, Overkwartier, blz. 103-104.

Zie 11-2-1556 en 23-2-1572.

 

(zaterdag 9 mei) 1556, z.d.

OFFENBEEK - Thomas Ty... wordt op verzoek van Derick van Wylick, voogd van Otto zoon van wijlen Johan van Bueren, beleend met de Molen te Offenbeek met toebehoren.

RHCL Maastricht, Hof van Gelder te Roermond, inv.nr. 205, fol. 122-123.

Zie 1557, z.d.

 

zondag 10 mei 1556

ROERMOND ‑ Gerrit van Vlodorp vernieuwt de leeneed van de erfvoogdij van Rurmund.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 63.

Zie 6-5-1544 en 12-5-1556.

 

dinsdag 12 mei 1556

ROERMOND ‑ Caecilia van Vlodorp, echtgenote van Albert de Ruyter, en Maria van Vlodorp krijgen uitstel voor het afleggen van de leeneed van de erfvoogdij van Rurmund.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 63.

Zie 10-5-1556 en 29-5-1556.

 

dinsdag 19 mei 1556

GREFRATH ‑ Helmich van Holthusen vernieuwt de leeneed van de hof (te Brochusen) onder Greverade gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 43.

Zie 8-4-1549 en 23-12-1558.

 

dinsdag 19 mei 1556

KRIEKENBECK ‑ Helmich van Holthusen vernieuwt de leeneed van het huis te Aldenkrikenbeeck met manschappen, laatschappen, lijfgewin, tijnzen, hoenders, molen, bos, broek, bemden en houtgewas.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 58.

 

vrijdag 29 mei 1556

HINSBECK ‑ Jan van Holthusen vernieuwt de leeneed wegens de Pluckelingslaten, leenmannen en laatgoederen onder Hensbeke gelegen, waarmee hij op 28 september 1554 als erfgenaam van zijn broer Reiner werd beleend.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, Overkwartier, blz. 54.

 

vrijdag 29 mei 1556

HINSBECK ‑ Jan van Holthusen vernieuwt de leeneed wegens de hof In genen Winckel onder Hensbeke

gelegen, waarmee hij op 28 september 1554 als erfgenaam van zijn broer Reiner werd beleend.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, Overkwartier, blz. 55.

 

vrijdag 29 mei 1556

KRIEKENBECK ‑ Johan van Holthusen vernieuwt de leeneed van het slot Kriekenbeeck.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 57.

 

vrijdag 29 mei 1556

ROERMOND ‑ Lutgar van Vlodorp krijgt een half jaar uitstel voor het afleggen van de leeneed van de erfvoogdij van Rurmund.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 63.

Zie 12-5-1556 en 19-6-1556.

 

zaterdag 30 mei 1556

TEGELEN ‑ Frans van Holtmeulen vernieuwt de leeneed van de heerlijkheid van Tegelen met alle toebehoren.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 105.

Zie 10-7-1544 en 26-9-1580.

 

zaterdag 30 mei 1556

KESSEL ‑ Johan van Holtmeulen vernieuwt de leeneed van de hof genaamd Puteyck onder Kessel gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 146.

Zie 13-3-1548 en 14-4-1561.

 

maandag 1 juni 1556

SWALMEN ‑ Arnold Schenck wordt beleend met Hillenraad en Swalmen.

Ramakers, blz. 142.

 

(maandag 1 juni) 1556, z.d.

SWALMEN ‑ Arnt Schenck vernieuwt de leeneed van Hillenraad, van het Huys te Swalmen en de Nyenhoff.

RHCL Maastricht, Hof van Gelder te Roermond, inv. nr. 205, fol. 129-130.

 

maandag 1 juni 1556

WEGBERG ‑ Sophia van den Bongart, echtgenote van Johan van Nesselroede, krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van de Rosweide onder Wegberg gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 152.

Zie 7-9-1548 en 1-11-1556.

 

woensdag 3 juni 1556

ASSELT ‑ De schepenen van de dingbank van Asselt en Swalmen verklaren op verzoek van Frederik Schellart van Obbendorf, heer te Asselt, Gürtzenich, Schinnen, Geisteren etc., met betrekking tot de gerechtigheid van de Hof te Asselt in de Swalmer Busch, dat de heer van de Hof te Asselt woudgraaf van dit bos zou zijn etc.

Schloß Haag: inv.nr. 254.

 

vrijdag 5 juni 1556

ASSELT ‑ Gerairt Kremer en Johan Hyllen, schepenen te Roermond, oorkonden dat Johan Meus van Assel (65), Geryth Kyppkens (70), Leonart Schorve (70), Heynrich Mertens (62), Arnt Vysscher (62) en Peter Burskens (ca. 45 jaar oud) onder eed verklaard hebben dat eertijds beneden (= stroomafwaarts van) de grote Byssenwerdt te Asselt 1 "oirt" gemeente gelegen heeft, welke de naburen in twee gedeelten verkocht hebben. In deze percelen waren vele heuvels en waterlopen ("hoevele ind slayen") waar Johan Meus, Heyn en Arnt "in groiten ind cleijnen watern myt scepen ind fuecken gevyscht hebben", en die later in weiland zijn veranderd.

Schloß Haag: inv. nr. 4242 (varia). Origineel op papier met 2 opgedrukte gecacheteerde zegels.

 

woensdag 10 juni 1556

LEUTH - Peter Duycker vernieuwt de leeneed van de hof ten Busch, groot omtrent 80 morgen land, en met het goed gelegen bij de Aldenkrieckenbeeck met alle rechten en toebehoren in het kerspel van Leut gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 59.

Zie 26-4-1552, 21-5-1556 en 30-8-1561.

 

woensdag 10 juni 1556

ELMPT ‑ Gadert van Erp genaamd Warrenborch krijgt opnieuw 4 maanden uitstel voor het afleggen van de leeneed voor het leengoed bestaande uit de laatbank te Elmt gelegen met toebehoren.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 109.

 

vrijdag 12 juni 1556

MAASBRACHT - Lambert van Cruchten krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van het goed genaamd de Moelengrynt, gelegen in het ambt van Montfoort in het kerspel van Bracht tegen Wissem, tussen de Nije Maze en Heyn van Have enerzijds en de Alde Maze anderzijds, met de onderste korte zijde grenzend aan de grienden van St. Joost en de Karthuizers van Rurmund, en boven aan Severijns griend, ten Gelderse rechten te verheergewaden.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 107.

Zie 5-3-1550 en 23-10-1557.

 

zaterdag 13 juni 1556

LEUTH - Johan van Baerle vernieuwt de leeneed van de hof te Baerle in het kerspel van Leute gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 61.

Zie 29-5-1543.

 

maandag 15 juni 1556

LEUTH - Wilhem van Wachtendonck vernieuwt de leeneed van de hof ter Roesen in het kerspel van Leut gelegen, ten Gelderse rechten te verheergewaden.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 60.

 

maandag 15 juni 1556

ROERMOND ‑ Wilhem Camerich vernieuwt de leeneed van een huis te Remund op de Steenwech gelegen, genaamd het huis In den Beer, ten Gelderse rechten te verheergewaden.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 62.

Zie 13-3-1548.

 

maandag 15 juni 1556

LINNE - Willem Heylwigen vernieuwt de leeneed van de gehele hof en het leengoed genaamd Op gen Liellair met alle rechten en toebehoren.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 77.

Zie 19-12-1553.

 

maandag 15 juni 1556

ECHT / POSTERHOLT - Herbert van Wuestenrade vernieuwt de leeneed van het leengoed genaamd Daswylre onder Echt gelegen en het hofje te Postairt zoals dit met zijn toebehoren in hetzelfde ambt (van Montfort) bij de Aerwynckel is gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 79.

Zie 7-7-1544.

 

maandag 15 juni 1556

ECHT - Derck Jennes van Rutsichaven vernieuwt de leeneed van het leengoed genaamd Rutsichaven, gelegen in het kerspel van Echt, ten Gelderse kluppelleensrechten te verheergewaden.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 80.

Zie 27-11-1554.

 

maandag 15 juni 1556

ECHT ‑ Co(r)st Mersen vernieuwt de leeneed van het leengoed genaamd van Alphen onder Echt gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 84.

 

maandag 15 juni 1556

SWALMEN-ASSELT - Derck van Dript krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van het leengoed genaamd Wylre onde Asselt gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 107.

Zie 10-7-1544 en 24-9-1556.

 

maandag 15 juni 1556

WEGBERG ‑ Mechtelt van der Moelen vernieuwt de leeneed van de berg te Ophaven in het ambt van Erckelens in het kerspel van Wegberck gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 152.

Zie 30-9-1538.

 

donderdag 18 juni 1556

ST.-ODILIËNBERG ‑ Mathijs Bartscherer als hulder namens het klooster van St.-Petersberg genaamd Odiliënberg en de Minderbroeders te Roermond vernieuwen de leeneed van de hof in gen Ouwe onder St.-Odiliënberg gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 72.

 

donderdag 18 juni 1556

ECHT ‑ Arnt Vogels genaamd Van Wyssem vernieuwt de leeneed van de hof genaamd Arwinckel onder Echt gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 93.

Zie 6-7-1544.

 

vrijdag 19 juni 1556

LOBBERICH - Johan Ruweel vernieuwt de leeneed van de hof genaamd Neetbroeck.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 53.

 

vrijdag 19 juni 1556

ROERMOND ‑ Willem van Vlodorp, heer te Odenkirchen, Dalenbroick etc., krijgt drie maanden uitstel voor het afleggen van de leeneed van zijn leengoederen (waaronder de erfvoogdij te Rurmund).

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 63.

Zie 29-5-1556 en 3-6-1557.

 

vrijdag 19 juni 1556

ECHT - Gaert Pijl vernieuwt de leeneed van de hof te Boxhaven.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 80.

Zie 8-9-1544.

 

vrijdag 19 juni 1556

BAARLO ‑ Met Kiespenninck vernieuwt de leeneed van de hof genaamd de Hoffacker te Baerle.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 141.

Zie 13-3-1545 en 20-11-1557.

 

zaterdag 20 juni 1556

HINSBECK ‑ Aloff van Goor krijgt 3 maanden uitstel voor het opnieuw afleggen van de leeneed van de Kesselerhoff in Hinsbeck gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 56.

Zie 13-7-1555 en 11-10-1557.

 

vrijdag 26 juni 1556

RIJKEL ‑ Henrick Slabbart, hulder van het klooster Maria Weide te Venlo, krijgt uitstel voor het vernieuwen van de leeneed van de Hof tot Rijkel (= Klerkenhof).

Sloet, Overkwartier, blz. 104. Zie 6-7-1549 en 5-2-1558.

 

vrijdag 3 juli 1556

LOBBERICH - Johanna van Boickholt, als erfgename van haar broer Willem (van Boickholt), wordt beleend met de hof to Broick, gelegen in het kerspel van Lobbroeck.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 49.

Zie 4-9-1555 en 27-11-1568.

 

zaterdag 4 juli 1556

ALDENKERCKEN - Jorien op den Berge, als erfgenaam van zijn vader Adrian op den Berge, wordt beleend met het goed genaamd Pannekoecksgoet, gelegen in de voogdij van Gelderland, ten Gelderse rechten te verheergewaden.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 18.

 

zaterdag 11 juli 1556

ELMPT ‑ Walraven van Erp genaamd Warrenborch vererft het leengoed, bestaande uit de laatbank te Elmt gelegen met toebehoren, op zijn zoon Carl van Erp genaamd Warrenburch.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 109.

 

zondag 2 augustus 1556

VENLO ‑ Jan Breman, kerkmeester, pandt van Dirrick van Drupt al zijn erven, have en goed, gelegen binnen het gerecht van Venlo, en verkoopt deze gepande goederen aan Cornelis de Laet, ook kerkmeester.

GA Venlo, Inv. van de archieven van de provisoren van de Tafel van de H.Geest, van het Bureau de Bienfaissance en van het R.K. Armenbestuur te Venlo, inv. nr. 228.

 

donderdag 24 september 1556

SWALMEN-ASSELT - Derck van Dript krijgt opnieuw uitstel voor het afleggen van de leeneed van het leengoed genaamd Wylre onde Asselt gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 107.

Zie 15-6-1556 en 1-2-1557.

 

zondag 1 november 1556

WEGBERG ‑ Sophia van den Bongart, echtgenote van Johan van Nesselroede, krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van de Rosweide onder Wegberg gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 152.

Zie 1-6-1556 en 2-12-1556.

 

maandag 2 december 1556

WEGBERG ‑ Sophia van den Bongart, echtgenote van Johan van Nesselroede, vernieuwt de leeneed van de Rosweide onder Wegberg gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 152.

Zie 1-11-1556 en 3-3-1563.

 

1556, z.d.

BELFELD ‑ Joost van Brembt Evertszoon vernieuwt de leeneed van de Grote Hoeve te Belfeld, die Willem van Baer eerder bij zijn minderjarigheid had gedaan.

RHCL Maastricht, Hof van Gelder te Roermond, inv. nr. 205, fol. 128.

 

1556, z.d.

VENLO ‑ Dirck Vermaesen en Wyllum de Laet worden vermeld als ingeboren schippers te Venlo.

GA Venlo, Oud Archief, inv.nr. 1517.

Vgl. Maasgouw 1949, blz. 97: Johan Vermaesen, wonend te Maastricht in het huis genaamd Nijmegen; tekening van wapen in Rietstap. De familie Vermaesen is een bekende schippersfamilie die o.a. te Venlo, Dordrecht. Eijsden, Roermond en Nijmegen in de kerkelijke registers en andere bescheiden voorkomt. Ze was Nederlands Hervormd en voerde als wapen: in blauw drie zilveren kraanvogels, 2 en 1, met zilveren steen in de rechterpoot, rood gebekt en elk geplaatst op een groene grasgrond, los in het schild.

 

 

1557

dinsdag 26 januari 1557

TEGELEN ‑ Lenart van Beeck, als hulder namens het gasthuis te Venlo, krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van de hof te Wylre onder Tegelen gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 106.

Zie 15-12-1546 en 8-3-1557.

 

26 januari 1557

ROERMOND / ASSELT - Huwelijkse voorwaarden tussen Johan Mevissen, zoon van Johan Mevis en Maria, echtelieden wonend te Assell, enerzijds, en Geertgen van Seumeren, weduwe van Marten van Seumeren, burgeres te Ruremundt, dochter van Marije van Seumeren, de weduwe van Jeroijnimus Botz, anderzijds, opgemaakt te Roermond.

Johan als bruidegom en Marije voornoemd als bruid [sic!] nemen elkaar tot bedgenoot ('tott eenen bedtgenoett') en zullen trouwen volgens kerkelijk gebruik zoals dit echtelieden betaamt.

Johan Meuissen en Marie, de ouders van bruidegom Jan, zullen hun zoon na het kerkelijk huwelijk een bedrag van 400 gulden brabants geven als huwelijkspenning, plus een behoorlijke uitzet [niet gespeificeerd]. Na het overlijden van zijn ouders, ('denen Godt in een lanck gelucksalich leven gespaeren will'), hoeft Jan dit bedrag niet te delen met zijn broers en zussen.

Marie brengt in een bedrag van 800 gulden brabants, Roermondse koers, deels bestaande in een [niet gespecificeerde] vordering, door bruidegom Jan te vorderen en te innen.

Marie heeft twee kinderen uit haar eerder huwelijk met Jeroijnimus Boits, te weten Cilli en Henderyck, die bij hun huwelijk zoals goedgekeurd door de raadsvrienden, ieder 100 daalders Roermonds zullen ontvangen als huwelijkspenning.

De nalatenschap van Geertgen van Seumeren zal alleen aan de nakinderen toekomen, aangezien Merrie en haar eerdere echtgenoot Jeroijnimus Buts 'dat gantsche gutt met der Woelffskeelen van sijnen broeders, met namen Thoenis ende Gheraert Bots haeres aendeills gegolden hadden om dat selve aen die twee voorkinderen voorschreven te beërven ende daer voor te halden'.

Dingslieden: Jan Coenen de Alde, Johan van Seumeren, Johan Coenen der Jonge, Henryck van Seumeren, Peeter Gheelen en Claes Martels.

RHCL Maastricht, Schepenbank Swalmen en Asselt, magazijnlijst nr. 75; originele akte opgemaakt te Ruremundt; gecollationeerd afschrift (Copia Copie) door Matthijs Snijders van een eerder afschrift gemaakt door dezelfde schrijver.

In dorso met potlood: 'Huwelijksche voorwaarden 26 January 1557'.

In hetzelfde dossier (z.d., ca. 1620-1630):

Afschrift inzake een proces over huwelijkse voorwaarden d.d. 26 januari 1557, opgemaakt tussen wijlen Hieronymus Mevissen, de vader van gedaagden en diens eerste echtgenote Goertgen van Soemeren, waarin sprake is van een half bunder te Asseltt 'bij der Coulen op't veldt gelegen', waarop aanspraken worden gemaakt door een eiseres (mogelijk een niet met name genoemde dochter uit het tweede huwelijk van Hieronymus.

Volgens de huwelijksakte (niet letterlijk aangehaald) zou Hieronymus 400 gulden hebben ingebracht en geen erfgoederen.

RHCL Maastricht, Schepenbank Swalmen en Asselt, magazijnlijst nr. 75; gecollationeerd afschrift op papier door Matthijs Snijders.

De inhoud van beide stukken en de daarin gebruikte namen lijken door elkaar gehaald door de afschrijvers.

 

zondag 1 februari 1557

SWALMEN-ASSELT - Derck van Dript vernieuwt de leeneed van de hof te Wilre met alle toebehoren, in het ambt van Montfort in het kerspel van Asselt aan de Maas en te Swalmen gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 107.

Zie 24-9-1556.

 

woensdag 10 februari 1557

VENLO / BEESEL - Ten overstaan van Verwer en Buegel [schepenen van Venlo] oorkondt Jan Flegels, bode te Byesel, dat Johan van Greffradt de gemeentegrond die deze in [15]52 heeft aangekocht van schepenen en kerspellieden van Byesel, volledig heeft betaald.

GA Venlo, SA Venlo inv.nr. 2703; registertje met concepten van akten en brieven 1556-1557 (het vervolg ontbreekt). Met dank aan Jan Hanssen.

Den xden february [15]lvii coram Verwer et Buegel gekomen Jan Flegels, baed to Byesel ind hefft bij sijnen eyde getucht, dat Johan van Greffradt alsulche gemeynt hij anno lii gecocht hefft van scepenen ind gemeyn kerspelsluyd Byesel's, betalt hefft ind dat rest ime van wegen des kerspels oevergelievert ind also gentzlich ...

 

maandag 8 maart 1557

TEGELEN ‑ Lenart van Beeck, als hulder namens het gasthuis te Venlo, vernieuwt de leeneed van de hof te Wylre onder Tegelen gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 106.

Zie 26-1-1557 en 15-7-1566.

 

zondag 14 maart 1557

ASSELT ‑ Ten overstaan van Gillis Schellart, Willem van Edingen en Jacob Verstraelen, resp. stadhouder en leenmannen van Horn, verheft Daem Schellart van Obbendorp de hof te Asselt met toebehoren krachtens zegel en brief, tegen betaling van het heergewaad en 21 "clhrs" (Hornse Carolusguldens?) "kamergelt".

Schloß Haag: inv. nr. 239; idem inv.nr. 261 fol. 59. Afschrift van Horns leenregister fol. 400vs.

 

zaterdag 29 mei 1557

BEESEL - Attestatie door Lenart van Beck op verzoek van Thijs Oeverdick inzake deling van goederen onder Byesell tussen Thijs Oeverdick voornoemd als erfgenaam en schoonzoon van Willem van Spytsel enerzijds en de kinderen van Willem Hompes anderzijds, opgemaakt in bijzijn van heer Claess, pastoor te Byesel, en de scheidslieden Pouwels van den Hagen en Lenart van Beck voornoemd.

GA Venlo, SA Venlo inv.nr. 2708; registertje met concepten van akten en brieven 1556-1557. Met dank aan Jan Hanssen.

Ersame, wijse ind vursichtige, besunder gunstige guede vrinde, es hefft Thijs Oeverdick mich aingesuecht ind begert ime getucheniß der warheit gunstlich myt to deylen ind van mich ... ur er to certificeren, wes mich kundich weer van deur gescheidt als sich tusschen ime als erffgenamen ind eedom van Willems van Spytsell ... ind Willem Hompes zaliger kynder eetlicher gueder halven in den dingbanck Byesell gelegen voir etliche jaren ind sich toe ergangen, demnach so beken ick myts diesen aepentlick wie dat unser vier scheidtsfrunden myt namen Pouwels van den Hagen (?) ind ick Lenart van Beck, dairtoe gebeden Willem van Spytselen vurschreven ind die kynder van Willem Hompes zaliger nagelaten mynlich vergleichen ind gescheiden hebben op aller manieren ind nae inhalt tweër cedulen uthereynanderen gesneden van Heeren Claeß, pastor tho Byesel, geschreven myt sijn eygener hant, ind byn derselviger also geschiet to sijn allent saken gestundich, verner so iß ouch up versuech der parthiën ain ur ersame mijn fruntlich begeeren sije wyllen obgemelten Thijssen ain sijnen rechten behulpelick ind friederlich wesen damyt hij euverlengt then mynsten kosten erlang wes billich sije. Datselvige in sonderen fliet umb ur ... to verschulden byn ick bereidt ind gantz willich. Datum under mijnen siegel in orkonde der warheit hierop gedruckt den xxix may.

 

dinsdag 3 juni 1557

ROERMOND ‑ Johan van Vlodorp en zijn broers en zussen worden als erfgenamen van hun broer Gerrit van Vlodorp beleend met de erfvoogdij van Rurmund.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 63.

Zie 19-6-1556 en 9-7-1557.

 

woensdag 16 juni 1557

ASSELT ‑ De erfgenamen Tessers dragen de Maastol te Asselt over aan Caecilia van Vlodrop.

Schloß Haag: inv. nr. 276; charter. Transfix bij hoofdbrief d.d. 22-3-1556 ?

 

vrijdag 9 juli 1557

ROERMOND ‑ Lutgart van Vlodorp krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van de erfvoogdij van Rurmond totdat hij gehoord is in zijn proces tegen de weduwe van Gerrit van Vlodorp.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 63.

Zie 3-6-1557 en 28-8-1557.

 

maandag 19 juli 1557

ASSELT ‑ De kinderen van wijlen Seger Tesschers dragen 1/3 van de tol te Asselt over aan Cecilia van Vlodrop.

G. van Bree: Res Gestae II, nr. 3693.

 

donderdag 5 augustus 1557

WANKUM ‑ Johan van Holthausen beleent Joest Ronde, Goerts zoon, met de laten op de Nette.

Schaesberg-Krieckenbeck,: Urk. 103.

 

zaterdag 28 augustus 1557

ROERMOND ‑ Lamberta van Tuyl, weduwe van Gerrit van Vlodorp, wordt als vruchtgebruikster beleend met de erfvoogdij van Rurmund.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 63.

Zie 9-7-1557 en 29-7-1559.

 

maandag 11 oktober 1557

HINSBECK ‑ Aloff van Goor krijgt 1 maand uitstel voor het opnieuw afleggen van de leeneed van de Kesselerhoff in Hinsbeck gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 56.

Zie 20-6-1556 en 1-12-1557.

 

woensdag 13 oktober 1557

KESSEL ‑ Willem van Merwick vernieuwt de leeneed van het huis te Kessel; van de hof tot genen Grave en de weerd tegenover het huis gelegen; en van Snaterbeecksgoed.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 144.

Zie 25-9-1555 en 3-9-1563.

 

zaterdag 23 oktober 1557

MAASBRACHT - Lambert van Cruchten vernieuwt de leeneed van het goed genaamd de Moelengrynt, gelegen in het ambt van Montfoort in het kerspel van Bracht tegen Wissem, tussen de Nije Maze en Heyn van Have enerzijds en de Alde Maze anderzijds, met de onderste korte zijde grenzend aan de grienden van St. Joost en de Karthuizers van Rurmund, en boven aan Severijns griend, ten Gelderse rechten te verheergewaden.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 107.

Zie 12-6-1556.

 

zaterdag 20 november 1557

BAARLO ‑ Johan Vogelsanck krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van de hof genaamd de Hoffacker te Baerle.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 141.

Zie 19-6-1556 en 10-6-1558.

 

woensdag 1 december 1557

HINSBECK ‑ Aloff van Goor vernieuwt de leeneed van de Kesselerhoff in Hinsbeck gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 56.

Zie 11-10-1557 en 23-9-1581.

 

15 december 1557

SWALMEN - Akkoord tussen Claissen op ghen Roij van Roggel en diens vrienden Johan van Oist en Peeter Bursken enerzijds en Goessen, zoon van Gulken op ghen Roij, en diens dingslieden anderzijds, wegens een schuld tussen beiden, die Claes en de echtgenote van Gulken verschuldigd waren aan Goessen.

Claes zal aan Goessen 35 gouden gelderse rijders betalen, waarvoor hij alle 'varende erftael' zal hebben, te weten het koren in de schuur en voort 'wat beseijt es unnd die echde beschoiren heeft.' Ze zullen het vee voeren met het stro en hooi dat zij samen hebben gekocht. Claes zal Goessen de helft betalen met Lichtmis a.s. of veertien dagen daarna, en de andere helft met aanstaande kermis of veertien dagen daarna. Claes zal Goessen verder nog 4 el wollen doek geven. Degene die zich niet aan dit goedgekeurd verdrag houdt, betaalt een boete van 3 roosennobelen: 1 aan de kerk te Assel, 1 aan de heer en 1 aan de klager

RHCL Maastricht, Schepenbank Swalmen en Asselt, magazijnlijst nr. 74 (origineel op papier).

Dorso in potlood: '7 Dec. 1557'; deze datering is onjuist.

 

1557, z.d.?

BRACHT - Gegevens over de wolvenjacht in het Brachterbos in het ambt Brüggen.

J. Verzijl, in De Maasgouw 1938 blz. 68; noemt als bron: GA Venlo, overdrachtsregister 1556-1557.

 

1557, z.d.

OFFENBEEK - Wolter van Bueren wordt na het overlijden van zijn vader Otte van Bueren beleend met de Molen te Offenbeek met toebehoren.

RHCL Maastricht, Hof van Gelder te Roermond, inv.nr. 205, fol. 122-123.

 

z.d. (1557)

OFFENBEEK - "Beezel: Wolter van Bueren die molen tho Offenbeeck und alle die laeten die gehoorende zijn in den hoff und erfnisse geheten den hoff tho Leewen".

RHCL Maastricht, Hof van Gelder te Roermond, inv.nr. 196, fol. 61vs.

 

z.d. (1557)

OFFENBEEK - "Die moelen tho Offenbeeck und alle die laeten die gehoorende zijn in den hoff ende erfenisse geheiten den hoff tho Leeuwen met die visscherije, Wolter van Bueren, tot Z(utphense) R(echten)".

RHCL Maastricht, Hof van Gelder te Roermond, inv.nr. 197/198, fol. XXXVIIIvs.

 

 

1558

maandag 10 januari 1558

BELFELD ‑ Henrich Slabbert, richter, Peeter te Belfelt en Wilhelm Quijten, schepenen, en voorts alle gemene schepenen van Beesell, oorkonden dat Vollinck Leisten en Thrijn, echtelieden, hebben verklaard dat zij eertijds 1½ vierdel akkerland, met een zijde en een hoek grenzend aan land van de Kruisheren te Roermond ("St.-Cornelis heren lant van Ruremundt") en met de andere zijde naast de Maes en met een hoek grenzend aan land van Tuell Nouwen in de Eickschip te Belfelt, eertijds hebben verkocht aan Leonart van Eyck en diens vrouw Peterken, burgers te Venlo. De [kennelijk openbare] verkoop is in de kerk afgeroepen en na een periode van 6 weken en 3 dagen aan de aankopers verbleven conform landrecht. Loedwich in der Horst, scholtis, zegelt op verzoek van de schepenen die geen eigen zegel hebben.

RHCL Maastricht, Familie-archief De Meer d'Osen (16.0754), inv. nr. 47; charter met zegel Loedwich in der Horst beschadigd.

Zie 4-4-1559 voor verdere aankoop door echtpaar Van Eyck-Maessen.

 

z.d.?, vóór 17 januari 1558

OFFENBEEK - Proces Johan Staekenborch, als voogd van Beerte Molener, nadochter van Gordt Vermolen c.s., tegen Driess den Schet alias Verheiden, eertijds veldschut te Keissel (Kessel), als voogd van Johan Molener c.s., inzake goederen te Offenbeek gelegen.

          De grootmoeder (alde moder) van Beert is in deze goederen overleden zodat Beert's vader deze moet erven omdat zij "mit oerer moeder ter echt ind echt geseten heft of ten aller wenichsten in synen wedwe stoell". Daarom hoopt Stakenborch als momber dat geen vererft zolange de vruchtgebruiker leeft, en dat dit goed daarom op Gordt Vermolen en diens echtgenote vererft zoals hierboven vermeld. In dat geval zullen deze goederen ook vererven aan de kinderen uit het tweede huwelijk (den naebedde) van Gordt Vermoelen.

          De scholtis roept Driess op om zijn recht te bewijzen op straffe van 300 goudgulden min 1 penning.

          Johan Staekenborch, als momber van Berten Moleners verwanten tegen Driess Verheiden als momber van Jan Moleners verwanten, legt de verklaringen over van Thiss Noyen, Jencken op Sinter Claes hoff, Beistiaen Lattenhouwer, Jan op Slabbertz hoff, Thrynen Roevers, en Juth op Sint Corneliss hoff die eendrachtig hebben verklaard dat de oude Beert Vermoelen, de moeder van Goertgen, nog leefde toen Thryn van Roggelen de tweede echtgenote van Gordt en moeder van de aanklagers ...

          Jan en Maess Vermoelen, broers, verklaren dat de kinderen van Thryn van Roggelen, waarvan Stakenborch de voogdij heeft, de nakinderen van hun vader Gort Vermoelen zijn. "So dat die alde Beertgen van der Molen Gorttens moder in Got verstorven sy, dwile dass Gortten heft geseten mit syner tweder huysfraw Thrynen, Ind oen doe ierst die guederen van Beerten sijner aen gestorven ind geërft syn, ind Berten die guederen in tocht gewise beseten, so en versterft geyn guet so lange als die liftochter leift, ind so dan Gortten t'guet als vurschreven steit aenkomen sy, So sall al sulchen guet geërfft ind vervallen syn nae aefsterven Gortten gevallen ende geërfft syn op tie kinderen van synder tweder huysfraw, ind neit op tie ierste kinder dair Stakenberch aff gemombert sy."

          Henrich Slabbert en Henrich Burskens verklaren dat voornoemde kinderen Stakenberch op "helich dach in den meye" 1553 hebben benoemd tot hun voogd en dat Stakenborch 2 à 3 maal beslag heeft lagen leggen op het goed (t'guet twe of drie maell mit commer recht begort).

          Mercken op gen Oe oorkondt dat het rond St. Remigius l.l. (Sint Remeismisse) drie jaar geleden is geweest, dat Gort Vermoelen overleden is.

          Peter Loecken getuigt dat het ongeveer drie jaar geleden is dat Goert Vermoelen overleden is.

          Uit deze verklaringen blijkt dat de beslaglegging heeft plaatsgevonden binnen een jaar na het overlijden van Gort Vermoelen.

          Driess als momber legt een verklaring over van Thoniss an gen Doer, dat deze zijn dochter heeft uitbesteed (bestaet) aan Maes Vermoelen, nu met Sint Andries l.l. twee jaar geleden. Hierbij zijn diverse vrienden aanwezig geweest waaronder Lenss, een broer van eerder genoemde Maess uit het tweede huwelijk (den naebedde) "ende heft selichte helich helpen tracteren ind sluten daer ter tiet geyn vermaen noch bekroenen deses guetz halven to Offenbieck gelegen dat die kinder van den naebedde uytbesteiden hedden, dair by blyven Peeter Loecken Petter Olisleger ind Claes van Daelen."

          Peeter Loecken oorkondt dat hij bij Goert Vermoelen heeft gewoond en gediend en dat hij daar vaak heeft horen zeggen dat het goed te Offenbieck aan de voorkinderen zou toebehoren en het goed te Venloe aan de nakinderen.

RHCL Maastricht, SA Beesel en Belfeld, inv.nr. 11.

 

z.d. ?, vóór 17 januari 1558

OFFENBEEK - Proces Johan Stakenborch als voogd van Beerten Moleners en haar verwanten tegen Driess Scut, bode van Kessel, als voogd van Jan Moeleners met zijn verwanten.

             "Johan Stakenborch as momber Berten mit oeren verwanten aen eynss ind Driess Scut, baede van Kessel, as momber Jan Moleners mit synen verwanten, syn huden die semptliche partien vurschreven in tegenwerdicheit in der banck mit will des heren gerichtlich iren twist allenthalven verbontlich aen die freunde gegangen ind verbleven, ind hebben aen des heren roede getast sulx nae tho komen ind neit mer derhalven in den rechten to comen, nemptlich aen Arnt van Dursdaell ind Jan Drivener als raetzfrunde der stat Ruremunde ind naburen to Besell Leonart van Beick ind Johan van Lum raetzfrunde der stat Venloe, ind soe die selven neit accordieren konden, Soe sullen scoltis ind scepen tho Beesell dat selve helpen ordineren ind uitspraecken, ind wes die to samen verdraegen ind erkennen, sall so bondich ind van werden syn gelick of dat mit recht geuytert ind gewesen wier, daer mit sullen gerurte stridige partien mit gefredicht syn."

RHCL Maastricht, SA Beesel en Belfeld, inv.nr. 11.

 

z.d. ?, vóór 17 januari 1558

BEESEL - Jan Stackenberch beklaagt zich over Jan op Slabbertz moelen en eist van hem 6 brabantse guldens min 1 penning die deze hem schuldig is wegens 1 malder roggen, welke hij hem heeft verkocht en waarvan aangeklaagde hem heeft beloofd dat hij deze op halfvasten van verleden jaar zou betalen.

RHCL Maastricht, SA Beesel en Belfeld, inv.nr. 11.

 

z.d. ?, vóór 17 januari 1558

BEESEL - Jan Stakenberch beklaagt zich over Lambert Fugen en eist van deze 6 goudgulden min 1 penning wegens een obligatie.

RHCL Maastricht, SA Beesel en Belfeld, inv.nr. 11.

 

17 januari 1558 ?

BEESEL - Paulss Slabbert als kerkmeester beklaagt zich over Driess der Cremer als momber van Jan der Moller en diens broer Maes omdat zij volgens de kerkregisters jaarlijks voor 1 gulden olie verschuldigd zijn aan de kerk van Besell wegens hun bezittingen, waarin Paulss als kerkmeester is gepand.

          Driess heeft deze pandname als momber aangevochten zonder kenbaar te maken op welke gronden dit is gebeurd. Nu eist de kerkmeester 6 goudgulden min 1 penning.

             "Antwort Dries as momber vurschreven ontkent den claichpenninck neit sculdich dan borch ind ontscholt, ind seit mit verhaepende dass der kirckmeister bewisen sall Jan ind Maes vurschreven die onderpende hedden dair die gulden oly op stonde der kirck gelden, den sy en hebben die guederen verdeilt neit daer van geven ouch soe behoirde die kirckmeisteren te bewisen dat in der deling ter tiet t'guet gereten ind gespleten worden oen gedeilt den last op gelacht wier te betaelen, sunst sall die kirckmeister sulchs soicken ind vorderen aen die ghene dat mit recht schuldich syn, kond die kirckmeister bewisen naeder tiet die gueder verdeilt e.e.. waell sulx betaelt hed woldt willich betalen kond inden noedich scade mit recht."

             "Paulss Slabbert as momber der kircken kent 1 orkond dat die scepen leren dwile Dries Cremer van Kessell as momber Maess van der Molen sich mit geyner noet heft konnen ontschuldigen, So heft Paulss syne clacht volgangen"

RHCL Maastricht, SA Beesel en Belfeld, inv.nr. 11.

 

 

28 januari 1558

Lijst van parochies in het bisdom Luik, o.a.: Beneficia concilii Wassenbergensis

·        Assel et Swalmen, eccledia. Altare Marie et Katherine in Assel.- Matricularia - A. Marie in Swalmen - A. Crucis et Cornelii ibidem - A. Georgii ibidem - matricularia ibidem.

·        Besel. Altare Nicolai et Catherine. - A. Lamberti - matricularia .

·        Teghelen, ecclesia. Capella de Blelfel [Belfeld] - marticularia.

C.B. de Ridder: Les Diocèses de Belgique avant 1559- Première partie Diocèse de Liège. Leuven, 1866. Blz. 98 e.v.

 

zaterdag 5 februari 1558

RIJKEL ‑ Jasper van Stalbergen vernieuwt als gevolmachtigde van Tielman Geysbach, pater, de leeneed van de Hof te Rijkel (= Klerkenhof), die door het klooster Maria Weide in leen wordt gehouden.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 104.

Zie 6-5-1559.

 

1 april 1558

Missive van het Hof aan Johan van Holthuysen, dat hij op verzoek van Johan van Stalbergen een leendag moet houden.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 2633; voor herhaald bevel zie idem 2650 d.d. 17-5-1558.

 

2 mei 1558

Gegeven in den jarn unsers herren vieftenhondert acht und veyftich, den tweden tagh des monats maij

Z.P.- Huwelijksvoorwaarden tussen Daem Schellart van Obbendorf, zoon van Frederick, heer van Gürzenich, Schinnen, Geijsteren, Asselt, Leeuwen, Spraelant en Oostrum, en Maria van Palandt enerzijds en Walrava van Vorst, dochter van Johan, heer van Doorwerth en Maria van Wittenhorst anderzijds.

Scholtis en schepenen van de stad en het hoofdgerecht Düren geven op 21 december 1583 op verzoek van Daem Schellartt van Obbendorff, heer van Gurtzenich, Schynne, Geysteren, Durrewerth, vidimus van een akte van huwelijksvoorwaarden met transfix als volgt:

Op 2 mei 1558 is een akte van huwelijksvoorwaarden opgesteld tussen Daem Schellartt van Obbendorff, zoon van Frederich Schellardt van Obbendorp, heer van Gurtzenich, Scheinnen, Geysterenn, Asselt, Lewen, Spraelandt en Oesterham, en jonkvrouwe Maria van Palandt, enerzijds, en Walraven, oudste dochter van wijlen Johan van Vorst, heer van Durrewert, en Maria van Wittenhorst. Beiden nemen elkaar tot man respektievelijk vrouw.

Daem brengt in het huwelijk huis en heerlijkheid Geijsteren, de heerlijkheden Assell, Leuwen, Spralandt en Oesterham alsmede de goederen te Beuren in de Betouwen en Willip (Wilp) gelegen en verder alles wat hij van wijlen zijn ouders heeft geërfd en hem in deling met zijn broer Johan Schellartt van Obbendorp, heer van Gurtzenich en Schynnen, is toegedeeld.

Walraven van Vorst brengt in het huwelijk huis en heerlijkheid Durrewerdt , de Jonfferen Werth naast Redinckhem (Renkum) in de Rein met de andere weerden die aan de andere zijde in de Rein zijn gelegen, met de hoge en lage jurisdictie, tijnzen, tienden, visserijen tussen de Aa en Redinckhem, en met de mannen die behoren tot de Durrewerth, met het bos in de kerspels Wolfheesen en Oesterbecke gelegen, de hof te Seelbeck met toebehoren, gericht, tijns, tienden, mannen, broek en bos, zoals zij dit alles heeft geërfd van wijlen haar vader Johan van Vorst. Maria van Wittenhorst, vrouwe van Hemmerdt en Sinderen, de moeder van Walraven, behoudt het vruchtgebruik, te weten jaarlijks 300 goudguldens, alles conform huwelijksvoorwaarden opgemaakt tussen Walravens ouders. Walravens oom Frederick van Vorst ontvangt een jaarlijks bedrag van 100 goudguldens, losbaar met 2000 gelijke guldens. Verder heeft Walraven een zus, Johanna. Het aanstaande echtpaar zal haar binnen een jaar 7.000 goudgulden geven of daarvoor een jaarlijkse rente van 5% van dit bedrag; deze lijfrente mag worden afgelost in twee termijnen van elk 3.500 goudgulden. Johanna zal verder moeten afzien van rechten en aanspraken van zowel vaderlijke als moederlijke zijde.

Indien kinderen uit dit huwelijk worden geboren en Daem zijn echtgenote overleeft, zal hij alle ingebrachte, gewonnen en geworven goederen alsmede alle ‘seidtfellen’ behouden tot onderhoud en opvoeding van deze kinderen. Als deze meerderjarig worden, zullen zij met advies van raadslieden van beide zijden worden uitbesteed. In geval van een tweede huwelijk zal Daem een jaarlijkse uitkering van 600 gulden Brabants hebben, waarvan hij zijn kinderen zal onderhouden, opvoeden en uitbesteden. Indien de heer van Geijsteren uit een tweede huwelijk kinderen zal krijgen, zullen deze uit zijn erfgoederen een bedrag van 8.000 gulden Brabants ontvangen. Als er kinderen zijn van Walraven, zal Daem gedurende de rest van zijn leven het vruchtgebruik genieten.

Indien kinderen uit dit huwelijk worden geboren en Walraven haar man overleeft, zal zij alle goederen behouden totdat de kinderen meerderjarig worden. Als er onenigheid zou ontstaan tussen haar en haar kinderen, zal Walraven een jaarlijks bedrag van 700 gulden Brabants ontvangen uit de door haar echtgenoot ingebrachte goederen in de Betuwe bij wijze van vruchtgebruik. Zij zal verder afzien van de goederen, die alle eigendom zullen zijn van haar kinderen. Mocht Walraven een tweede maal trouwen, dan zal zij een bedrag van jaarlijks 1200 gulden Brabants ontvangen bij wijze van vruchtgebruik, plus een eenmalig bedrag van 2.000 een jaar na dit tweede huwelijk. Als er kinderen uit dit tweede huwelijk worden geboren, dan zullen deze een bedrag van 4.000 gulden Brabants ontvangen uit de door Walraven ingebrachte goederen. Als er geen kinderen worden geboren, zal eenzelfde bedrag moeten worden betaald aan de kinderen uit het eerste huwelijk of, als deze er ook niet zijn, aan de erfgenamen waarvan dit bedrag afkomstig is.

Indien Walraven haar man Daem overleeft zonder dat er kinderen zijn, zal zij uit de goederen van haar man in de Betuwe en Buren jaarlijks 1000 gulden Brabants ontvangen ‘fur ihrenn widdmus offt tucht’.  Alle roerende goederen zullen dan gedeeld worden, de onroerende zaken zullen terugvallen aan de zijde van waar zij in het huwelijk zijn gebracht.

Getuigen namens Daem: Johan Schellartt van Obbendorp, heer van Gurtzenich en Schinnen, Werner von dem Bungartt, erfkamenier van Gulik, Daem van Palandt, heer van Wyvelkerckenn, Roelingen, Daichsteck en Sevenborn en ambtman van het vorstendom Lotharingen Duits Ballij te Syrick, Johan vann Pallandt, ambtman te Willemstein, Dederich, heer te Meyllendonck en Drackenfeltz, Heinrich van Ellempt, heer te Ellempt, Werner van Hochkercken, zijn broer, ooms, zwagers, neven en vrienden.

Getuigen namens Walraven: Johan van Wittenhorst, heer te Horst en drossaard van het land van Kessel, Frederick Turck, heer van Hemmerdt en Sinderen, drost te Wageningen, Johan van Wittenhorst, drost te Monffort, Godert van Bockholtz van Wachtendunck, heer van Grevenbroich, Aelert van Haeften, heer van Verwolde en Uip Hemertt (Ophemert), Johan van Rossem, heer van Puderoyen, en Johan van Boidberchenn, richter te Neimigenn, haar grootvader, ooms, zwagers, neven en vrienden.

Met transfix d.d. 14 mei 1558:

Koning Philips etc. etc. oorkondt dat Johan van Wittenhorst, heer ter Horst, zijn raad en drossaard van het Land van Kessel, als voogd van jonkvrouwe Walraven van Vorst en Daem Schellartt van Obbendorp, heer van Geijsteren, aan zijn stadhouder een akte van huwelijksvoorwaarden de dato 2 mei 1558 heeft getoond met het verzoek om deze te bekrachtigen, hetgeen na voorlezing is gebeurd.

Getuigende leenmannen: Frederick Tueck, heer te Hemmerdt, en Heinrick Herbertz.

Schloss Haag, inv.nr. 4285. Authentiek afschrift met opgedrukt en gecachetteerd zegel van de schepenbank Düren in goede staat.

 

vrijdag 10 juni 1558

BAARLO ‑ Johan Vogelsanck, als hulder namens zijn moeder Met (Lueffs genaamd) Kiespenninck, vernieuwt de leeneed van de hof genaamd de Hoffacker te Baerle.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 141.

Zie 20-11-1557.

 

maandag 1 augustus 1558

BEESEL - Vermelding Peter van Belffynt en Gerat Roevers, schepenen van Beesel.

GA Venlo, Schepenbankarchief Venlo inv.nr. 2645; met dank aan J. Hanssen.

 

dinsdag 2 augustus 1558

DÜLKEN - Ten overstaan van de leenmannen Gerart tho Rith en Thomas then Winckel wordt Derich ten Dall, als naaste verwante en ten behoeve van de nagelaten kinderen van Jannes Danyels door Frantz van Holtmullen, drost, beleend met een stuk land genaamd Joris Acker, groot circa 30 morgen.

-        Tevens wordt Thonnis Deckers, zoon van wijlen Hein Deckers, mede namens zijn broers en zussen beleend met een pas genaamd Deckers pasch, groot circa 15 roede gelegen tussen de Kirchstrat die van Bruggener hof naar Dulcken loopt en zijn eigen erf [slecht leesbare plaatsaanduiding in marge]. "Die lehenlude hatten erkant das sie diese lehen mit 30 raider albus mogen entfangen ahn den lehenheren und die parthie mussen die mannen van lehen bekostigen und bloch....en."

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 13.

 

woensdag 21 september 1558

ESTREMADURA (SPANJE) - Overleden in het klooster San Jeronimo de Yuste: Karel V, hertog van Gelre.

Driessen, Belfeld blz. 34.

 

vrijdag 30 september 1558

"Anno ahm tagh den lesten Septembris 1558"

TEGELEN - Ten overstaan van de leenmannen Lenart die Laet en Jelis Wolters van Bruggen wordt Johan van Tiegelen, "mit will, wissen und consent seines neven Johan Vinck", beleend met "die mollen tot Tiegelen gelegen in dem dorp, mit allen seinen rechten und zobehoer aen seinen rechten lehenher", Frantz van Holtmullen.

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 2vs.

 

vrijdag 30 september 1558

"Anno 1558 opten lesten tagh Septembris"

TEGELEN - Ten overstaan van de leenmannen Lenart the Laet en Johan van Tegelen wordt Johan Vinck door Frantz van Holtmullen beleend met de tiende te Tegelen, "ein jaer in dat Maesveldt, dat ander jaer in dat Haenraderfeldt, mit den zyns zo Teigelen mit allen seinen rechten und zobehoer furbehalden den lehenheren und jeder seins goeden rechten".

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 2vs.

 

vrijdag 30 september 1558

"den lesten tagh Septembris"

BREYELL - Ten overstaan van de leenmannen Johan van Tiegelen en Lenart d'Laet wordt Jelis Wolters zu Bruggen beleend met "die gantze Lahr zehendt gelegen zu Breiell".

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 9vs.

 

zondag 9 oktober 1558

TEGELEN - Ten overstaan van de leenmannen Johan van Tiegelen en Lenart die Laet wordt Vullingh van Holtmullen "Johans soen in Baerlo" ten behoeve van Wilhelm "Gerart van Holtmoellen soen uf der Munten" beleend met erf en goed genaamd de Munt met de Bongart en alle toebehoren, zoals Wilhelms voorouders dit eerder hadden ontvangen. De weduwe, Wilhelms moeder, behoudt het vruchtgebruik ("auch der wydtwen Wilhelms moder ire tuicht daraen").

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 3.

 

zondag 9 oktober 1558

TEGELEN - Ten overstaan van de leenmannen Vollingh van Holtmullen zu Louet en Lenarth de Laet wordt Johan Vinck Wilhelms soen beleend met "die moelen zu Tiegelen in dem dorff geleghen". Daarna, "uf derselbste stondt", heeft Johan voornoemd de molen "mit halm und mondt" ten overstaan van voornoemde leenmannen overgedragen aan zijn leenheer Frantz van Holtmullen, en deze verzocht om zijn neef Johan vann Tieghelen met deze molen te belenen, hetgeen ook is geschied.

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 3.

 

vrijdag 27 oktober 1558

VENLO - Johan van Greefraedt [leenman van hoeve de Schei te Reuver] wordt benoemd tot schepen van Venlo.

GA Venlo, Schepenbank Venlo, inv.nr. B 2694, fol. 38vs.

 

31 oktober 1558

Missive van het Hof aan de schout van Roermond, dat hij Elisabeth van Duersdael, weduwe van Derck van Cruchten, moet gelasten op 20 februari a.s. te Arnhem te komen voor de aflossing der verpande tienden te Wegberch.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 2688. Zie idem nr. 2751 d.d. 13-2-1559.

 

maandag 19 december 1558

BEESEL ‑ Beneficielijst van het altaar van HH. Nicolaes en Catharina in de kerk van Beesel:

Gerardus de Roede, rector, na het overlijden van Goeswinus Wonckrarde voorgedragen door Johannes Pistor, rector ecclesia van Beesel.

Publications etc LXI, blz. 84-85. Zie 1476-1485 z.d.

 

vrijdag 23 december 1558

GREFRATH ‑ Diedrich van Holthusen (zoon van Helmich van Holthusen) krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van de hof (te Brochusen) te Greverade gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 43.

Zie 19-5-1556 en 14-3-1559.

 

vrijdag 23 december 1558

KRIEKENBECK ‑ Diedrick van Holthusen (zoon van Helmich van Holthusen) krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van het huis te Aldenkrikenbeeck met manschappen, laatschappen, lijfgewin, tijnzen, hoenders, molen, bos, broek, bemden en houtgewas.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 58.

 

1558, z.d. ?

SWALMEN ‑ Willem van Baexen verheft de Rodebosche tiend te Swalmen e.a. gelegen, zijnde een bundig Horns leen.

G. van Bree: Res Gestae II, nr. 3574. Zie 1547 en 1592.

 

1558, z.d.

Huwelijkse voorwaarden tussen Arnold Blanckaert en Isabella de Schenck.

RHCL Maastricht, Dokumentatie D274: Inventaris van o.a. Bleijenbeek, Brempt, Hillenraad, nr. N 22; depot onbekend (gedeelte verdwenen, vgl. ook Schloß Haag).

 

 

1559

 

z.d., na 17 januari 1559 ?

BEESEL EN BELFELD ‑ Jan van Erp eist van Goertgen Wolff van Tegelen levering van hout, waarvoor Jan reeds 10 gulden heeft betaald, dan wel 25 goudgulden boete.

Gortgen zegt "he heb die rubben to Ruremunde presenteirt ind mitter stat meeter to leveren, derre syn huysfraw neit heft willen ontfangen", waarop hij de vracht weer heeft teruggenomen.

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv.nr. 11; processen.

 

maandag 6 februari 1559

ROERMOND ‑ Akte van deling tussen Wylm Framberchz (?) en diens echtgenote Maria enerzijds en Reyner van Haeimbach (?) en diens echtgenote Jutten (?) anderzijds, inzake de nalatenschap van hun ouders, gelegen te Bechzaedt (?) en gedeeltelijk te Maasbracht.

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv. nr. 42; (charter).

Zeer slecht leesbaar; vgl. echter 24-5-1571; bezegeld door twee (onleesbare) schepenen van Roermond (die tevens optreden als dingslieden?); zegels verdwenen.

 

10 maart 1559

Missive van het Hof aan de drost van Montfort, dat hij maatregelen moet nemen tegen het bezoeken van ketters prediken in het buitenland door onderdanen van zijn ambt.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 2770.

 

13 maart 1559

Missive van het hof aan de drost van Kessel, dat hij Derck en Johan van Holthuysen in hun bezit moet handhaven.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 2771.

 

dinsdag 14 maart 1559

GREFRATH ‑ Diedrich van Holthusen, als erfgenaam van zijn vader Helmich van Holthusen, wordt beleend met de hof (te Brochusen) te Greverade gelegen.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 43.

Zie 23-12-1558 en 4-11-1564.

 

dinsdag 14 maart 1559

KRIEKENBECK ‑ Diedrick van Holthusen, als erfgenaam van zijn vader Helmich van Holthusen, wordt beleend met het huis te Aldenkrikenbeeck met manschappen, laatschappen, lijfgewin, tijnzen, hoenders, molen, bos, broek, bemden en houtgewas.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 58.

 

nà zondag 26 maart 1559 (z.d.)

ELMPT - Heer Curst van der Horst, pastoor, en Goedert Schoenenberchs, koster te Elmpt, oorkonden in aanwezigheid van diverse (niet met name genoemde) naburen dat 'komen ind erschenen sint in den jaer negenundviefftigh umbtrint nae Paesschen [26-3-1559] ain die choir duijr, Jencken Aingenendt und Metten Moeren, und hebben to samen einen willigen inbeet gedaen eir sie ain gefang hebben den heiliger eherstaet, der gestalt also dat Metten sich beheilicht und bestaet hait up ir kintdeill was ime nae doetlicher aiffganck seiner alters Harmen Moeren und Fien seiner eliger housfrouwen ain sterffen und verfallen sall und maich nit daer van uitgescheiden so mit vurwerden off Jencken und Metten lieffs erven to samen kreigen die selvige suillen dair ain geerfft und geguet sin ain dat versterff, Und dair om hait Jencken vurss. bracht und belaicht ter rechter mitgaeven in heilichfoerderongh twee hondert daler und sine gereide gueder derselvige steit ein hondert ain Thomas Moeren und die ander hondert daler staen beweisslich ain den Breienpoell und ain anderen goeden luiden. Ouch weret saicke dat Jencken und Metten to samen gein kinder en kregen und Jencken in gott verstorff, so sullen die hondert daler die ain Thomas staen weder umb faillen an Jenckens vurkinder und die ander hondert daler der sall Mett gebruchen und bueren irren paicht daer van ir leven lanck und nae irre doit suillen die selvige ouch weder umb fallen ain Jenckens vurkinder, und die gereide gueder sall sie mit den kinderen over den rüick deilen. Sonder argelist, in getuigenis der waerheit heb ich Goert Schoenenberchs vurss. desen ordel mit meiner eigener hant geschreven. Ist ouch durch her Curst vurss. alduss underteickent als folgt. Beken ich heer Kurst van der Horst, pastoir, mit mijner eijgener hant wie vurss.'

RHCL Maastricht, Schepenbank Swalmen en Asselt (01.010), magazijnlijst nr. 80.

Voor aanwezigheid van deze akte in dit archief vgl. akte dd. 2-5-1571.Paaszondag viel in 1559 op 26 maart.

 

dinsdag 4 april 1559

BELFELD ‑ Henrich Slabbert, richter, Peter van Belfelt en Ghijs an gen Loe, schepenen, en voorts alle gemene schepenen van Besell, oorkonden dat Jan die Verver en Anna, echtelieden, burgers te Venlo, hebben verklaard dat zij eertijds 3 vierdel land aan de Gaesbieck gelegen, met beide zijden grenzend aan land van Leonart van Eick en met de korte zijden grenzend aan de heide, hebben verkocht aan Leonart van Eick en Peterken Maesen, echtelieden en eveneens burgers te Venlo. De overdracht kan nu, 6 weken en 3 dagen nadat de verkoop is afgeroepen in de kerk, plaatsvinden. Lodwich in der Horst, scholtis, zegelt namens de schepenen die geen eigen zegel hebben.

RHCL Maastricht, Familie-archief De Meer d'Osen (16.0754), inv.nr. 48 (moet jaartal niet 1558 zijn?); charter met gaaf zegel Lodwich in der Horst.

Zie 10-1-1558 voor eerdere aankoop door echtpaar Van Eick-Maesen.

 

dinsdag 11 april 1559

OFFENBEEK ‑ Jan Thielen den Alde wordt ten behoeve van de Kruisheren te Roermond benoemd tot sterfman voor de Nederhoeve te Offenbeek.

RHCL Maastricht, Kruisheren Roermond, inv.nr. 132, fol. 10vs.

 

z.d. ?, voor 17 april 1559

BEESEL EN BELFELD ‑ Pauls van Tegelen blijft bij zijn proces voor de Beesel schepenbank bij de uitspraak die bij een eerder proces tussen Goetsen van Gasthuys hoff en Wilhelm Spitsell te Venlo is gedaan en als bewijsmiddel is aangevoerd.

Jan ter Stiegen en Goitsen der Molener blijven eveneens bij deze door dingslieden gedane uitspraak.

Wilhems te Belfelt en Jan Burskens benadrukken dat zij slechts een overeenkomst hebben met This Oeverdijck.

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv.nr. 11; processen.

Zie 1540, "des vierden daechs nae den hoeft vasten". Ter hoofdvaart overgebracht.

 

z.d. ?, voor 17 april 1559

BEESEL ‑ Gordt Engels eist van Trude Rovers 7½ vat rogge verlopen pacht.

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv.nr. 11; processen.

 

z.d. ?, voor 17 april 1559

BEESEL ‑ This van Barlo eist van Beert Duven kinderen 25 van braakliggend land ("van den slepers") wegens geleend geld.

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv.nr. 11; processen.

 

z.d. ?, voor 17 april 1559

BEESEL ‑ Thryn Heyens beschuldigt Franck op Heeselldriess ervan dat deze haar op haar vaders erf geslagen heeft. Zij heeft zich bij de bode hierover beklaagd. Ze eist 25 goudgulden min 1 penning.

          Franck ontkent de aanklacht; hij heeft Thryn midden in de nacht in zijn moeshof aangetroffen bij het afsnijden van zijn kool, is haar gevolgd en heeft enkel de dader van deze diefstal proberen staande te houden.

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv.nr. 11; processen.

 

z.d. ?, voor 17 april 1559

BEESEL EN BELFELD ‑ Peter Wolfs eist van Thonis den Cremer restitutie van geld wegens 3 pond 2 "loet" (lood als gewichtsmaat) te weinig geleverde wol, dan wel 1 goudgulden boete.

          Thonis zegt in zijn verweer "dat idt selve cluwe langer tiet onder den naburen gebruckt worden".

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv.nr. 11; processen.

 

maandag 17 april 1559

BEESEL EN BELFELD ‑ Neisken, begijn op de Nuehoff (te Roermond), als momber van zuster Alith van den Crutzberch, voert een proces tegen This van Barlo inzake een aandeel in een pachtcijns, gevestigd op enkele niet met name genoemde onderpanden.

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv.nr. 11; processen.

 

z.d. ?, na 17 april 1559

BEESEL EN BELFELD ‑ Heer Claess, pastoor te Beesel, Paulss Slabbert en Jan van den Crutzberch, kerkmeesters aldaar, getuigen dat Gerit Gobbels 50 Hornse guldens heeft geleend van de kerk, tegen een jaarlijks rente van 3 gelijke guldens. Bj het huwelijk tussen de dochter van Gerit Roevers enerzijds en Gerit Gobbels anderzijds, heeft Gerit Roevers aangeboden om deze schuld over te nemen, maar deze schuld is hem later te zwaar gaan wegen. Op zijn sterfbed zou Gerit Roevers tegen de pastoor gezegd hebben dat hij bereid was om de schuld alsnog af te lossen, zodat Gerit Gobbels geen schade zou lijden. Hiervan is het echter niet gekomen.

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv.nr. 11; processen.

 

z.d. ?, na 17 april 1559

BEESEL ‑ Rombolt van Sint Stephens Werde [Tobben?], als man en momber van zijn vrouw, eist van Jan Rutzen levering van 24 malder rogge, zijnde 16 jaar roggepacht à 1½ malder, of 10 goudgulden min 1 penning boete.

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv.nr. 11; processen.

 

z.d. ?, na 17 april 1559

BEESEL EN BELFELD ‑ Simon, halfman te Wambeck, getuigt dat hij aanwezig is geweest bij de overeenkomst tussen Peter Dorssers en Goerdt Wolf, waarbij Gordt enkele planken zou leveren, "daer tyn vaen biers 5 off 6 licoup op gedronken", waarvoor Peter enkele malen met paard en kar hout zou vervoeren.

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv.nr. 11; processen.

 

z.d. ?, na 17 april 1559

BEESEL ‑ Gordt Slabbertz eist van Jan Rutzen levering van een korf bijen, dan wel 4 goudguldens boete.

RHCL Maastricht, Schepenbank Beesel en Belfeld, inv.nr. 11; processen.

 

zaterdag 6 mei 1559

RIJKEL ‑ Peter Huest (Hoeufft), rentmeester van het ambt Montfort, vernieuwt de leeneed van de Hof te Rijkel (= Klerkenhof), die Jasper van Stalbergen op 5 februari 1558 had afgelegd.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 104.

Zie 3-2-1563.

 

12 mei 1559

Roermond - Het bisdom Roermond wordt opgericht als onderdeel van het aartsbisdom Mechelen.

Het bisdom bestaat uit een lappendeken aan gebiedsdelen; veel parochies blijven toebehoren aan de oudere bisdommen Luik en Keulen. Het bisdom Roermond werd op 26 november 1801 opgeheven .

Lijst van bisschoppen:

Wilhelmus Lindanus (1562-1588)

Henricus Cuyckius (1596-1609)

Jacobus a Castro (1611-1639)

Andreas Creusen (1651-1657)

Eugenius graaf d'Allamont (1659-1666)

Lancelot de Gottignies (1672-1673)

Reginaldus Cools (1677-1700)

Angelus graaf d'Ongnies et d'Estrees (1701-1722)

Franciscus Sanguessa (1722-1741)

Josephus Werbrouck (1743-1746)

Johannes de Robiano (1746-1769)

Henricus Kerens (1770-1775)

Philippus rijksgraaf van en tot Hoensbroeck (1775-1793)

Joannes baron van Velde de Melroy en Sart-Bomal (1794-1801)

Verdere gegevens: www.bisdom-roermond.nl

 

maandag 29 mei 1559

LOBBERICH - Anthonis Rouweel genaamd Ingenhuys krijgt uitstel voor het afleggen van de leeneed van het goed genaamd Neetbroeck.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 53.

 

z.d. (aantekening tussen akten d.d. 6 en 7 juni 1559)

BEESEL / BELFELD - Enkele burgers van Venlo hebben, als geërfden van Bysel en angen Loe, bij NN geklaagd dat zij tienden moeten betalen over nieuwe erven die volgens hen tiendvrij zijn. De rentmeester heeft, namens geadresseerde NN, uitgeroepen dat niemand zijn gewassen mag invaren, op straffe van verbeurdverklaring van de goederen. De geërfden verlangen dat zij in het ongestoord bezit van hun goederen en rechten worden gehouden van de bezittingen die volgens hen van oudsher tiendvrij zijn. Mocht geaddreerde twijfels hebben, dan wordt hem verzocht te rade te gaan bij het gerecht van Bysel of, zo hem dat beter lijkt, te Ruremunde.

GA Venlo, SA Venlo, inv.nr. B2669 fol. 23.

 

7 juli 1559

SWALMEN - Minuut-missive van het Hof aan de kanselier, begeleidende een supplicatie van Anna van Vlodorp, weduwe van Christoffel Schenck van Nydegen, c.s. pandvrouw van Swalmen en Asselt, over grenskwesties met Kleef. Men verzoekt de kanselier te bewerkstelligen dat van beide zijden commissarissen benoemd worden om de grenzen vast te stellen.

Gelders Archief, toegangsnummer 0124, Hof van Gelre en Zutphen, Brieven uit en aan het Hof, inv.nr. 654, No. 1326.

 

z.d., vóór 25 juli 1559

NIEKERCKEN ‑ Jonkvrouw Lijffert van Asselt verzoekt (kanselier en raden van Gelre en Zutphen) om aan burgemeesteren, schepenen en raad van de steden Roermond en Venlo een verklaring te vragen over de vraag of de vruchtgebruiker, man, vrouw of langstlevende, naar believen mag beschikken over gerede goederen. Zij heeft deze verklaring nodig in haar proces tegen Margriet van Wijlaeck, weduwe van Wolter van Asselt, hangende als appèl bij het Hof van Gelre op een door burgemeesteren en schepenen van Straelen geveld vonnis.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 74; regest nr. 1322.

Betreft Asselt nabij Niekercken (Dld.); vgl. Sloet blz. 2-3.

 

dinsdag 25 juli 1559

ROERMOND / NIEKERCKEN ‑ De raden van Gelre en Zutphen schrijven aan burgemeesteren, schepenen en raad van de stad Roermond, onder insluiting van een verzoekschrift van jonkvrouw Lijffert van Asselt, met het verzoek om de daarin gevraagde verklaringen af te geven.

GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 74; regest nr. 1323.

Betreft Asselt nabij Niekercken (Dld.); vgl. Sloet blz. 2-3.

 

zaterdag 29 juli 1559

ROERMOND ‑ Ten behoeve van Lutgart van Vlodorp wordt een verklaring afgelegd over zijn verplichtingen. Hij heeft gevraagd om te worden beleend (met de erfvoogdij van Roermond), maar dit kon niet plaatsvinden omdat de stadhouder van lenen en de leengriffier in het buitenland waren.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 64.

Zie 28-8-1557 en 19-8-1559.

 

zaterdag 19 augustus 1559

ROERMOND ‑ Otto Schenck krijgt ten behoeve van zijn moeder Anna van Vlodorp van de Gelderse leenkamer de toezegging dat niemand zal worden beleend met de erfvoogdij van Roermond totdat zij gehoord is.

Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 64.

Zie 29-7-1559 en 11-5-1560.

 

zondag 3 september 1559

BEESEL-LEEUWEN ‑ Johan Flegels, dagelijks richter, Heynrich Schlabbert en Wilhelm Qwytten, schepenen van Biesell, oorkonden dat Leyncken Joisten, met toestemming van haar kinderen Driess, Jacob, Wylhelm, Thrien en Meercken Joisten, broers en zussen, hebben bekend dat zij een erfpacht van 1½ malder rogge Roermondse maat, jaarlijks te leveren op Sint Andries en gevestigd op ½ bunder land te Lewen gelegen tussen erf van Arnt van Duirsdal en de Kyrckwegh, hebben overgedragen aan Goerdt op den Sande en Encken, echtelieden. Het land maakt deel uit van in totaal 2½ bunder, gelegen als voorschreven, waarvan Goert eveneens een gedeelte heeft.

Loidwich van der Hoerst zegelt namens de schepenen.

RHCL Maastricht, Familie-archief van Merwijck-de Keverberg (16.1111), inv.nr. 399 (voorheen v1504, inv. nr. x367); charter met drie transfixen (waarvan 1 en 2 niet leesbaar omdat ze reeds ingeseald zijn).

Het regest in de officiële inventaris van dit archief bevat diverse leesfouten in de persoonsnamen. Zie ook 4-4-1587, dec. 1597 en sept. 1615.

 

9 september 1559

Missive van het Hof aan Lutgert van Vlodrop, dat hij moet proberen om het met zijn zuster Anna, weduwe Schenck, eens te worden over de belening met de erfvoogdij van Roermond.

RA Gelderland, Gelders Archief, Brieven van en aan het Kwartier van Roermond, inv.nr. 2839. Zie idem no. 2964 d.d. 18-3-1560.

 

vrijdag 27 oktober 1559

TEGELEN - Ten overstaan van de leenmannen Henrich van Esschaven en Henrich van gen Rae wordt Lenhart tho Laet door Frantz van Holtmullen beleend met de tiende waarmee eertijds Mattheis Roffertz is beleend, als manleen.

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 3.

 

donderdag 2 november 1559

TEGELEN  - Ten overstaan van de leenmannen Lenart de Laet en Vullingh van Holtmullen zu Loeut wordt Johan van Tiegelen door Frantz van Holtmullen beleend met de tiende te Tiegelen gelegen, "wie die Johan Vinck seliger hiebevoir entfangen gehaidt". Tevens wordt Johan beleend met een koeweide en een kleine tiende ("ein klein zehendgen").

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 3.

 

donderdag 2 november 1559

BREYELL - Ten overstaan van de leenmannen Johan van Tiegelen en Lenhart de Laet wordt Henrich van Baruck door zijn leenheer Frantz van Holtmullen beleend met de tiende te Breill genaamd de Natter tiende, zoals Johan van Eyll deze hiervoor in leen hield namens wijlen Peter van Bree.

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 7.

Maand -beginnend met een N- weggelaten doch aangenomen op basis van idem folio 3.

 

28 december 1559

ROERMOND - Overleden: Agnes de Barick, abdis van O.L.V. Munster, dr. van Hendrick van Barick tot de Grote Hegge en Eva van Bree; begraven in de Munsterkerk.

Publications 1960-1961, blz. 252.

 

1559, z.d.

BEESEL EN BELFELD - Brief van NN namens enkele medeburgers en geërfden te Bysel en aan gen Loey, aan NN inzake tienden.

GA Venlo, SA Venlo inv.nr. 2669 fol. 23 [1559]. Met dank aan Jan Hanssen.

Unser vrintlich gent. to voiren erentfeste ind froeme b.g.g.v., es heben etliche unse mytburgere als geërffde to Bysel ind an gen Loey uns angesuecht ind to erkennen gegeven welcher gestalt etlich van uren landt ind nyen erven aldar gelegen thiendvrij wese soll ind so dan der rentmeyster van weegen urer L. in der kirchen hefft doin roepen, dat nyemantz sijn gewaß infuren soll up verburniß der guder iß demnae up anhalden unser mytburger ain ur unse gutlich begeren sij willen, die unsern gunstliche .......bewijse etc. etc.

 

1559, z.d.

BARLO - "Hefft Hein Schinck gewonnen und geworven van sein anpart gelegen opter Goer dri morgen min ein verdel ungefehrlich ein seide beneven Dris Duben so iff schietende op die gemeint na den scheitboem, noch mit enen orde aen die alde heijde, fort neven Jan hunnen swager erff und gilt des jaers ahem hauss Holtmullen drie alde flems myn ein ort und Heijn hefft dat helff gewin betalt dat hij hefft gecofft van seins broders kint und dat deel dat Hein hefft gecofft van Jan Goetzen sein swagher, dat blifft staen op sein recht off Hein schuldich is off niet, sulx stelt mein joncker tot rekentenis des recht und alle verlope tijns den is .. sche.. in den jaer van 58 den is niet betalt".

GA Venlo, Archief Huis Holtmeulen, Leenregister Huis Holtmeulen, fol. 9vs.

Achter deze bladzijde enkele losse aantekeningen in ander handschrift door Jan Naus, pastoor te Baerlo, d.d. 12 juli 1574:

            Ten eerste inzake wijlen Peter Koppen, burger te Venlo, die eigenaar is geweest van circa 3½ morgen leengoed grenzend aan de kinderen van Jan Schencken en Grietgen Verhorns. Dit land is in 1573 door Ietgen Koppen, dochter van Peter Koppen, verkocht aan Peter van Beringen en Herman Raijmekers dochter te Baerlo. Peter van Beringen heeft de eed vernieuwd; het land draagt jaarlijks 3½ oude vlaams tijns af aan het huis Holtmoelen.

            Ten tweede vermelding van een ander stuk land, eigendom van de kinderen van wijlen Jan Schencken, groot circa 2½ morgen grenzend aan Wilhelm Scherris en de kinderen van Hein Schencken. Dit land draagt jaarlijks 2½ oude vlaams min 1 oort tijns af aan het huis Holtmeulen.

            Ten derde heeft Wilm Scherris ook circa 2½ morgen land; dit land heeft eerder bij de voorgenoemde 2½ morgen gehoord maar is in broeder‑ en zusterlijke scheiding gedeeld. Dit land grenst aan erf, land en goed dat Dries Duijffen en Anna Verboecket in voorgaande jaren hebben aangekocht van Gerit Woeffkens, en met een korte zijde aan land van de kinderen van Hein Schencken. Wilhelm Scherrijs heeft de 2½ morgen in 1573 gekocht van Peter Schencken en het gewin betaald aan de bezitter van het huis Holtmoelen. Het land is eveneens jaarlijks 2½ oude vlaams min 1 oort tijns verschuldigd.

 

z.d., na 16-1-1558 en voor 1574

VENLO / REUVER - Aantekeningen van Johan van Greefraedt [junior], leenman van hoeve De Schei te Reuver.

-   Johan's vader, ook Johan genaamd, was overleden vóór Johan [juniors] grootmoeder, Aleid Houtz, die circa 6 jaar na hem overleed. Johan [junior] erfde van haar o.a. een huis op het Schrixsell te Venlo, dat hij later verkocht. Dit huis was belast met jaarlijks 5 hornse guldens aan de erfgenamen van Siger Ronden, nu Griten Kuster, wegens een lening die zijn vader Johan [senior] in 1521 had opgenomen. De opbrengst van de verkoop besteedde Johan [junior] aan de hof te Besell.

-   Het huis op de hoek van de Alden Merckt heeft Johan in 1547 verbouwd tot twee woningen. Hij had dit huis van zijn moeder geërfd na haar overlijden. Johan's goederen werden na dit overlijden beheerd door zijn stiefvader Lenart van Beeck, waarmee zijn moeder was hertrouwd.

-   Het huis op de Steinstraeten te Venlo is afkomstig van zijn vader en is belast met 6 goudgulden en 1 oort aan de kerk. Deze last werd aangegaan in een magescheid tussen Johans vader en wijlen diens broer Tilman van Greefraedt, welke akte nog in Johans bezit is. Daarin werd bepaald dat Johan senior aan zijn broer Tilman jaarlijks 5 malder rogge zou geven, met als onderpand dit huis in de Steenstraat. Nadien had de hertog van Gelre bepaald dat alle renten op huizen in natura moesten worden vervangen in geldrenten. Johans oom Tilman overleed zonder erfgenamen en liet de erfrente na aan de kerk, ten behoeve van de armen. Johan junior kwam daarna met de kerkmeesters overeen om in plaats van deze 5 malder jaarlijks 6 goudgulden plus 1 oort geven (fol. 31-32).

-   Op 31 december 1547 (de laatste dag van het jaar) is krachtens magescheid tussen zijn vader en diens broers en zussen bepaald dat Johan van Greeffraedt samen met zijn oom Art Vijnck en Alet van Greefraedt, zus van wijlen Johans vader, de helft zouden hebben. Hiervoor kreeg zijn oom van Johan junior het 1/3 deel van het huis op de Kerkstraat en nog 450 [!] daalder, waarop in mindering gebracht 160 daalder en 21 gulden brabants die zijn oom hem nog schuldig was uit de periode dan deze voor hem rentmeester was [wegens minderjarigheid]. Deze schuld was afkomstig van de verkoop van een huis afkomstig van zijn ouders, gelegen op het Schrijchsell te Venlo naast Andriss van Rosteren.

-   Het huis in de Kerckstraeten te Venlo hebben de kinderen van wijlen Johans neef Art Vinck in 1550 voor 400 rijder en 25 rijder tot liefenis verkocht aan Hieronimus van Thoeren. Johan heeft dit huis op advies van naaste vrienden op de laatste dag beschud. Omdat dit beschud in contanten moest gebeuren en Johan dit geld niet had, heeft hij zijn goederen moeten bezwaren en geld geleend: 120 daalder van Seger Goris, nu Henrick Boenenbecker; 100 daalder van Jacob van Well, nu Trin van Well; en 50 daalder van Gerart Backhauss, zijn pachter te Lobbrich, in 1552 (tevens vermelding van renten t.b.v. o.a. Baetzken Voegelsanck en Jacob Tekens). Johan heeft het huis op de Kerkstraat o.a. zelf gebruikt, evenals zijn zwager Peter Boenen en Willem van Oeijen, die hem eveneens geld hadden geleend voor het beschud (fol. 32vs).

-   De landerijen van de hof te Biesell, waarop de gebouwen staan, zijn door de kinderen van wijlen zijn neef Art Vijnck en door hemzelf ontgonnen uit de gemeinte en in (15)'51 bebouwd [bouwjaar Nieuwe Schei!]. Hiervan is 2 morgen min 1 vierdel nieuw ontgonnen erf, te weten het land waar het "duifhuiss" op staat; dit land behoort niet tot het leengoed. Ook de oude boomgaard is eertijds uit de gemeinte ontgonnen. Het principale land in de hof is een Gelders leengoed, namelijk de lange bunder langs de Groenenwech, het Niervelt tussen de Heerwech en de Groenenwech met de bemd op de Maas, de bunder achter de Kamper Hegghe, de Abbekoull, nog een stuk van 4 morgen tussen Heinrick Vincken en Jan Ronden, circa 2 morgen aan de openbare weg, en een stuk land achter in het veld tussen zijn neef Henrick Vinck en Johan Ronden zoals dat is gelegen aan de Obbecker Beeck, alles omschreven in de leenbrieven.

-   Het stuk land aan de St.-Lamberts Capell hoort niet tot het leengoed. Johan heeft samen met wijlen zijn vrouw (Johanna van) Rosteren 3 morgen land gekocht op de Haegerberch gelegen, richting Venlo. Daarnaast heeft hij samen met zijn vrouw Judit Haenen 2 morgen gekocht, belast met Burense tijns 1 sommer haver en 1 haver [---] ½ [---]; hiervan moeten zijn voorkinderen 3 delen betalen en Judit en haar nadochter Anna 2 delen. Hiertegen wordt ontvangen van het goed van Steven Kaels, gelegen naast de hof van de scholtis van Roermond, 7 kop rogge volgens overgedragen obligatie. Verder 1½ malder koren, waarvan het (resterende) merendeel wordt betaald aan Derick Koecht, zijn zwager te Roermond [...].

-   Naast de twee morgen op de Haegerberch hebben Johan en Judit nog ½ morgen land gekocht van Gortt Dorssers, volgens de koopakte vrij erf.

-   Verder heeft Johan samen met zijn vrouw Judit 2 morgen land gekocht van Hein Gerten, belast met jaarlijks 1½ malder aan de kinderen Tobben, bij de Nije Schije gelegen tussen Jan Ronden en zijn eigen land.

-   Wanneer het leen, waarvan Henrick Vynck leenhouder is, versterft, dan zal het worden verheven zoals afgesproken in het magescheid. De Alden Scheij, eigendom van zijn neef, en het land van de Neijen Scheij, de boerderij van Johan van Greefraedt, zijn vroeger één hof geweest. Johan heeft slechts het 1/3 deel geërfd volgens magescheid tussen wijlen zijn vader en diens broers en zussen. Na 1541 (z.d.) heeft Johan voor 450 [!] daalder nog 1/6 deel gekocht van [zijn oom] Art Vynck ("den hoeff to Biesell dat seste deell gekocht vor iiiij daler aen gelde van Art Vijnck").

-   Johan betaalt [ontvangt?] jaarlijks 7 hornse gulden uit de hoeve te Biesell [het deel van wijlen zijn vader] aan [van?] de kinderen Tobben (fol. 34).

-   Verder bezit Johan nog 3 morgen land op het Mullenvelt te Venlo naast de koolhof. Het land op de Hege is afkomstig van zijn vader. Het kleine stukje op het Mulenvelt naast land van het klooster Maria Weide is 3½ vierdel morgen groot en is belast met jaarlijks ½ erfmalder rogge aan Jan Ramecker. Tevens heeft Johan inkomsten te Barlo (fol. 33). Zijn oom en tante Art Vijnck en Alet van Greveradt hebben het andere deel van deze brief verkocht aan Marcelis van Beringen en dit is nu eigendom van de kinderen van Henrick Boenen en Anna van Beringen. Johan bezit verder nog 7 roede koolhof buiten de Tigelport. Deze goederen heeft hij óf geërfd of samen met Johanna van Rosteren gekocht. Tevens vermelding van een huisje op de Berendonck (verband onduidelijk).

GA Venlo, Schepenbank Venlo, inv.nr. B2694; proces Judith de Haen versus Johan van Greefraedt c.s. ca. 1585; stuk L. Afschrift door Alart van Oehr.

 

z.d., midden 16e eeuw

BEESEL - Extracten uijt sekeren register in folio, van die gherechticheijten van het huijs Nieuwenbroeck.

-   In den eersten gehoirt aen het huijs Nieuwenbroeck die thienden des gansche dorps van Besell, groff ende smaele, te weeten, laemer, baggen, bijen, etc. wat sunst meer voor smaele thiendt de more wordt gerekent.

-   Item die bieracciese van ieder vadt twee kannen ter cijsen.

-   Item een deyl manner, Item leenen ende laeten,

-   Item een laedtbanck, daer men mach dingen.

-   Item een moelen gelegen tot Offenbeck, geheyten Ronckenstein, mitten dwanck van alle leenen ende laeten op dieselvige moelen te maelen.

-   Item die jacht, het geheele dorp door op ende neer.

-   Item in der Maesen een steijl.

-   Item eene visscherije beginnende van die Haensemerbeke tot aen die Heringsche Heggers.

-   Item die collation der pastorijen, custerijen, ende van St. Catharinae, St. Nicolai, ende St. Anthonij altaren, ten selven huijze te leen gaende.

-   Item gelden alle leen ende laedtgoederen chinspenninck ende chinshoender.

-   Item alle diegeene die in het kerspel van Besell enigh landt verkoopt, gilt te gewin en gewerff aen het huijs Nieuwenbroeck van xij gulden eenen derselven guldens.

-   Item het huijs Nieuwenbroeck moedt den kerspelsluijden voorhalden den beer ende ver, ende sullen sterven tot laste vant voors. kerspel, tenzije sake dat verzuijmt worden.

-   Item des dorps saecken wegen der gemeynten, hetsij bosch broeck, ofte andersints, en mogen die schepenen van Besel hun niets alleen ondernemen, noch vrijen noch ondtvrijen dan mit consent ende wille van die vant huijs Nieuwenbroeck.

-   Item als iemandt sterft die mangoedts beseten heft sonder man erven achter te laeten, so ist dat selve mangoedt den leenheere vervallen, en mach daer sijn schonste mit doen.

-   Item alle leen ende laedtgoederen moeten gesonnen ende gewonnen worden binnen dertich daegen naer het afsterven des ophelders, so niet, zijn den leen ofte laedtheer vervallen.

-   Item als een leengoedt gereleveert wordt competeerdt den leenheere daer van elf rijnsche goltgulden ende vier g Re wijns, den stadthelder der leenen een kan, ieder leenman daervuer staende een half kan, en den leenschrijver vier kannen, oft eenen rixdaaler.

-   Item als een laetgoedt gereleveert wordt, moedt den laedtheer vier kannen rijnsche wijns, ende dobbelen thins, den stadthelder een g ieder laedt daer over staende een half kan, ende den leenschrijver vier kannen.

-   Item zijn alle leenen en laeten schuldig den eedt van getrouwicheijdt te doen, in forma als volcht

    Juramentum fidelitatis.

Ich N.N. gelaeve Godt ende alle sijne heijligen dat ick altijdt mijnen lieven heer sal getrouw zijn, ende mijne goederen getrouwelick nij malkander halden, sonder enige daer van te veralieneeren oft te beswaeren, tensij mit octroije en consent van den lieven heere also helpe mich Godt etc.

-   Item van d'octroije competeert den leenheer den xij penninck, te weeten van twelff gulden eenen derselver guldens.

-   Item so isser een deel landts gelegen achter gen Raedtgen daer den pastor tot Besell den vijffden hoop al heft, ende noch een deel, den derden.

-   Item den hoff T'genraede gelegen in het kerspel van Besell daertoe gehoiren so landt als benden, broeck, elsebroeck en bosch lxxx boender erven.

-   Item den Cruitswech van het Rayervalderen tot inden Winckell, ende van den Heijacker tot in die Haesselt, is eenen erffwech, en mach niemandt delselvigen gebruijcken, als die van gen Raede.

-   Item den hoff te Oeyen gelegen in den selve kerspell van Besell, daertoe gehoiren lxvij morgen erven.

-   In den eersten een stuck landts gelegen achter den Cruitsberch schietende mit een spitsoort opt valderen, groot omtrint sevenentwintich morgen, zijnde tiendt vrij.

-   Item een stuck landts daerbeneven gelegen groot derdenhalven morgen, geheijten die Mortell, oock thiendt vrij.

-   Item een stuck onder aen die Mortell, groot vijff morgen thiende uijtgevende.

-   Item een stuck gelegen over den wech aen het Vennckens valderen groot vierdenhalven morgen, oock thiendt uijtgevende.

-   Item noch een stuck gelegen in die Schoolt, daer den wech doorgaedt, groot derdenhalven morgen, geft oock thiende.

-   Item aent ander sijde van het Scholtsvalderen een stuck van seven morgen thiendt gevende.

-   Item een stuck gelegen opten Solberch groot vijff morgen en thiendt vrij.

-   Item een stuck gelegen achter die kerck groot ses morgen en oock thiendt vrij.

-   Item een stuck gelegen tegen die ses morgen, over den voerwech, schietende mit een spits oort op Smiedts valderen groot negendenhalven morgen, zijnde tiendt vrij.

-   Item daer tegen over den Rijckelschen wech gelegen een stuck van vier morgen, oock thiendt vrij.

-   Item een holtgewas geheijten die Kaeffert, groot drij morgen.

-   Item heft St. Catharinae authaer uyt gemelten hoff twelff morgen landts gelegen in die Schoolts, ende het beslooten jonckvrouwen clooster Onser L.V. in der Elfduijzent Maeghden, inder Weijden, binnen die stadt Venlo gelegen, oock twelff, sijnde een bundich leen en aen Engelbrecht van Holtmeulen, ende Henderick Kellener te leen ontfangen mit xv rijnsche guldens.

-   Item die eerste hoeff achter die Haesselt geft grote en smael thiendt.

-   Item Dursdals hoeff geft grote thiendt, maer geene smaele.

-   Item het Hoenerkempken geft grote en smael thiendt.

-   Item Camper hoff, in twee deelen gedeijlt, geft van een deel geene smaele thiendt, waer van die stallingen op die gemeijnte staen, ende van d'ander groff en smael.

De forma Juris

-   Item oft het gebeurden, dat enige twist ofte schelonge rese tusschen die leenmannen, so sal men bij den leenheer gaen oirkondt twee mannen van leen, en seggen, Ick bidde u mijnen heeren, dat ghij mij eenen dach van rechten stellen wildt tegen mijne wederpartije, ende citatie verleenen tegens dien dach te compareeren, ende die leenluijden daerbij om recht te plegen.

-   Item dien dach sel men verthien daegen te bevorens wissigen, so well die leenmannen als die partijen.

-   Item het gedingh behoirt buijten daecks te geschieden oft ten waer dat het partijen beliefden binnen te blijven, ende dat sullen hun die leenluijden voorhalden.

-   Item die voorspraecker sal een leenman wesen.

-   Item der boede sal een leenman wesen.

-   Item den schrijver en mach geen leenman wesen.

-   Item oft sich den gedaeghden eens ofte tweemael weijgerden, ten derde mael moedt hij compareeren, op pene, dat den cleger in sijne aenklaeghte sal rechte geschieden.

-   Item oft iemandt dat oordel to naer ginge, die mach sich beroipen naer den overleenheer, oft aen den koninck ofte keyser.

-   Item men sal geloeve nemen voor alle verluis, kost ende schaede in den gewinne die partijen genoch zijnde.

-   Item as die geloeve genomen is, sal den leenheer die leenmannen die gestalt zijn in de sake van beijde partijen, verklaeren ende te verstaen geven, opdat sij te beter onderwijs mogen hebben, wat die twist is.

-   Item hier gaedt den leenheer oft sijnen stadthelder sitten, mit die leenmannen te gedingh, en vraeght een van den mannen oft het tijdt is van te dinghen en te vrijen het gericht.

-   Item antwordt hij jae mit bijverblijvinge van die mitgesellen, so wordt het gericht gevrijdt door den leenboede aldus:

Ick vrije dit vrij leengericht, en gebiede in deser banck ban en vrede, also dat niemandt hier en sal sprecken dan mit leenrecht, overmits sijnen gebeden voorsprecker, ende wie daertegen doedt is deser banck plichtich.

-   Item oft den leenheer selver niet present en waere, so sal den stadthelder een commissie tonen aen die leenmannen dat hij volmacht heft te doen ofte te laeten.

-   Item alst gericht gevrijdt is, sal den leenbode door beveel van den leenheere uijtroepen, al wie aen het recht te doen heft, die mach sijne saecken openen, ende dan mach men well eenen goeden onbesproken man tot voorspreker nemen op believen van den leenheere en partije.

-   Item daer naer sal den schrijver beteeckenen die leenmannen, en sien wie uijtgebleven is, en wat die uijtblijvers versuijmen, te weten die verteringe van die compareerde te betalen.

-   Item dan kompt den cleger en maekt sijne aenspraek overmits sijnen gebeden voorspreker.

-   Item dan vraeght den voorspreker en seijdt, Heer leenheer ist u wille dat ick hun dienen mach.

-   Item spreeckt den leenheer jae, so seght den voorspreker die worden die ick aen den rechter spreke, die spreke ick tot behoiff N.N. en oft ick iedt spreke, daer buijdt oft breucken van gebeurden, wie sal die behaelen, en stelt dat aen een oordell.

-   Item spreeckt den cleger, so als mijnen voorspreker sprecken in desen gericht daer sal ick voorstaen, en den voorspreker sal des vrij en ledich wesen, dan sal den voorspreker den leenheere vraegen oft hun des genuecht, al seght hij jae.

-   Item eer men gaedt sitten dinghen sal men burgen stellen voor die kosten dewelcke den leenheere mit recht doedt, van ieder comparitie eenen rijnschen goltgulden, en aengaende die leenmannen naer landts gebruijck.

-   Item den leenheere sal van iegelijcken partijen en van hoeren burgen in persona handtastinge nemen, ende doen hun geloeven mit goeden trouwen in leengericht en een ieder sijne partijen genoch te sullen doen voor allen schaede en interesse,

-   Item als het gedingh gesloten is, sullen die partijen overmits hoeren voorspreker van het leengericht oirloff vraegen om aff te gaen, en dancken het gericht, wederom handtastinge doende statuto tempore weder te verschijnen.

-   Item ofter enige partije eene aeffschrift van enige acten begerden, sal men hun gunnen, en sullen den leenschrijver loonen en willigen. Aldus wordt het leenrecht gesloten totten nesten toe, ende den leenheere sal een iegelick seggen als dan wederom te compareeren.

Van die smaele thienden.

-   Om laemer, baggen, bijen etc. te verthienen is het nodich te weten het getal der selver.

-   Item so wanneer dat getall naerder is bij thien, als bij vijff, dan kompt den thiendenaer een geheel deel derselver thienden, en so wanneer het getall naerder is bij 5 als bij 10, dan kompt den thiendenaer maer alleenlick een half deel derselver thienden.

-   Item als den thiendenaer een geheel deel valt, dan heft hij den keur uijt allen, uijtgenomen vier, ende kiest uijt een half deel, uijtgenomen twee.

Van de Zijnspennink.

-   Item gelden jaerlijck aen het huijs Nieuwenbroeck.

[volgen 27 namen met de opgave van hetgeen zij schuldig zijn]

-   Item noch aen den selven huijse gelden jaerlicks.

[volgen 36 namen met opgave van hetgeen zij schuldig zijn, o.a.]

-Item Roffertsgoedt dat Dirck van der Maesen en sijn soon Ludolff hebben gelegen opter Maesen iiij d.

Van die Mansgoederen.

-   In den eersten iiij morgen landts gelegen aent Busserendt aen den Bongaerdts die van Gubbels goedt gedeijlt zijn, zijn mandgoedt.

-   Item ij stucken landts waer van een gelegen in genen Winckel, en d'ander achter Boelen hoff, toebehoirende ex gratia Gebel in gen Dorp.

-   Item ij boener landts gelegen in genen Winckel aengaende Heincken Sluijzen.

-   Item iiij morgen landts gelegen beneven den wech aen den Gebranden Stock aengaende Heincken Gubbels soon.

-   Item een stuck landts gelegen opten Heijacker dat modo Heincken Boumen toebehoirdt.

-   Item het goedt te Rijckell gelegen, herkommende uijt den hoff T'genraede, toebehoirende Heinken Gubbels soon.

-   Item den hoff tot Rijckell gelegen, herkommende uijt den hoff T'genraede, in broeck, toebehoirende Jan van Wijlre.

-   Item den hoff van Herman van Duissel is mangoedt.

-   Item het goedt van Jan van der Maesen.

-   Item Tulmen van gen Raij alias Hartstruijcks goedt.

-   Item Dirck van Besels goedt.

-   Item Dirck Goedtheijnens goedt.

-   Item het goedt to Wijlre, huijs hoff en iiij morgen landts.

-   Item Rijck Moesberchs goedt.

-   Item Hein Gaidtgens alias Schoemekers goedt.

-   Item Gerit Gubbels goedt drij veerdel landts, ende noch enich landt gelegen opgen Heijdtgen.

-   Item heer Goetsens goedt herkommende uijtten hoff T'gen Raede.

-   Item dat goedt opten berch daer Peter Smiedts in woondt.

-   Item Gijs Lieben goedt ij morgen landts, waer van eenen verhandtplicht is die Liedtgen opte Beeck in handen heft van die kerck.

Van die thijnshoenderen.

-   Item tot Besell gelden jaerlicks op St. Andreae dach apostoli aen het huis Nieuwenbroeck.

[volgen 23 namen met 1 thinshoen, 2 met 2 thinshoener en 15 met 1 thinshoen]

Noch van die thinshoenderen en naerdere aenteeckeninge deselve anno 1534 opgericht.

-   Gelden aen het huijs Nieuwenbroeck op St. Andreae dach apostoli.

[volgen 17 namen met 1 thinshoen, 1 met 4 thinscapuynen, 3 met 2 thinshoener, 21 met 1 thinshoen en 4 met 2 thinshoener, waaronder als laatsten:]

-   Item Ronckenstein gelegen tusschen Ronckensteinsmoelen en Sint Cornelistoren.

-   Item Sint Cornelis hoff.

-   Item Sinter Claesbroeder hoff.

-   Item Korst Muijsers goedt, 2 thinshoener.

-   Item den hoff aen gen Ronckenstein vier thinshoener.

-   Item Ronckensteinsmoelen acht vadt roggen erfpacht.

Van die handwinninge.

-   [volgt akte d.d. 6-5-1444]

    [volgt akte d.d. 1-3-1462]

    [volgt akte d.d. 19-12-1444]

    [volgt akte d.d. 7-2-1543]

-   Item Plaetser hoff is leengoedt.

-   Item Beecker goedt is leengoedt.

-   Item Lins Cuijpers goedt is leengoedt.

-   Item Moesberchs goedt is leengoedt.

-   Item Vaesse goedt is leengoedt.

-   Item tot Rijckell Heijnengoedt is leengoedt.

-   Item Langerbeins goedt is leengoedt.

-   Item Wijlre hoff tot Rijckell gelegen is leengoedt.

-   Item noch tot Rijckell heer Peter van der Maesen hoff is leengoedt.

-   Item tot Offenbeck Ronckensteins moelen is leengoedt.

RHCL Maastricht, Familie-archief Scheres, inv.nr. 2351.

Dit register is mogelijk aangelegd naar aanleiding van het huwelijk tussen Johan van Holthuijsen en Helwig van Holtmeulen, tussen 1555 en 1560. Hoewel de benaming Nieuwenbroeck eerst in 1563 wordt gebruikt, heb ik het niet nader gedateerde register toch op deze plaats (eind 1550'er jaren) geplaatst.

 

 

EINDE

 

< 1540-1549 HOME 1560-1569 >

 

Deze website werd counter keer bezocht.